Ds. J. IJsselstein - Handelingen 2 : 4 en Jakobus 3 : 6

Sprekende tongen, een zaak van leven of van dood

Geestelijke tongen
Geesteloze tongen
Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl

Handelingen 2 : 4 en Jakobus 3 : 6

Handelingen 2:4 En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Jakobus 3:6 De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 9
Zingen : Psalm 141: 3
Lezen : Handelingen 2: 1-12
Lezen : Jakobus 3: 1-14
Zingen : Psalm 98: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 96: 1, 2
Zingen : Psalm 9: 1, 11

Gemeente, in de periode voor Zijn Hemelvaart heeft de Heere Jezus bij Zijn discipelen steeds als het ware een zelfde soort van dingen gedaan. Hij opende de Schriften. Hij liet hen uit de Schriften zien dat alles wat gebeurd was, ook moest gebeuren volgens de bepaalde raad en voorkennis van God. Hij opende ook hun verstand, hun hart. Om dat te kennen en te geloven.

En daarna gaf Hij aan Zijn discipelen de opdracht om de wereld in te gaan. Je zou kunnen zeggen: Hij opende niet alleen de Schriften, niet alleen hun hart, maar daarna opende Hij ook hun monden.

We lezen het in Lukas 24 vers 48: En gij zijt getuigen van deze dingen. Van deze dingen, dat wil zeggen: van alles wat gebeuren moest en ondertussen gebeurd is.

Maar, zo voegde de Heere Jezus daar destijds aan toe, wacht op de dag van de vervulling van Mijn belofte.

En ziet, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte (Luk. 24:49).

Want:

U zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1:8).

 

En dat, dat laatste is gebeurd. Veertig dagen na de opstanding van de Heere Jezus Christus. Toen hebben ze de kracht van de Heilige Geest ontvangen. Om van Hem, van de verheerlijkte Christus te getuigen.

Hun geestelijke leven, het wonen van de Heilige Geest in hen, komt openbaar. Uit hun spreken, uit hun tong.

Zoals ook het tegenovergestelde waar is: de geestelijke dood komt ook openbaar, uit onze woorden, uit onze tong.

 

Ik wil in deze dienst graag met u nadenken over die tegenstelling. En vandaar dat er niet één, maar twee teksten zijn, die ik wil samenvoegen onder één thema: Sprekende tongen, een zaak van leven of van dood.

 

Daar gaat het over, dat is het thema voor de preek.

 

De beide teksten vindt u op de volgende plaatsen.

Als eerste Handelingen 2 vers 4:

 

En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

 

Die tekst spreekt over geestelijke tongen. Dat is onze eerste gedachte.

 

De tweede tekst vindt u in Jakobus 3 vers 6:

 

De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

 

Die tekst spreekt over geesteloze tongen. Dat is onze tweede gedachte.

 

Dus: Sprekende tongen, een zaak van leven of van dood.

 

1. Geestelijke tongen

2. Geesteloze tongen

 

Ons eerste aandachtspunt:

 

1. Geestelijke tongen

 

Jongens en meisjes, de Heilige Geest is geen Goddelijke Persoon Die je voor het eerst in het Nieuwe Testament ontmoet.

We lezen al van God de Heilige Geest in het tweede vers van de Bijbel, in Genesis 1 vers 2. Daar staat:

De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

In de chaos van de nieuw geschapen wereld gaat de Geest van de Heere leven maken. Eerst is er licht en donker, dan de lucht, het uitspansel, dan de zee en het droge land, het gras en de bomen, de zon, de maan en de sterren, dan de dieren, en als laatste de mens. Van het maken, van het scheppen van de mens staat in Genesis 2:

En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

De Geest (het is voor ons niet gemakkelijk om dat te begrijpen) blies adem in de neus van de mens, en toen kwam er leven. Toen werd Adam een levend mens, door de Heere gezet in het paradijs, om Hem te loven, om Hem te eren en te prijzen met zijn tong en met zijn mond.

De adem die in hem geblazen was, werd als het ware weer terug geademd met zijn stem. Daarmee zong hij Gods lof.

 

Maar… daarna kwam er een andere geest: de geest uit de afgrond, de duivel. En je zou kunnen zeggen: toen ademde Adam heel bewust een andere adem in. De adem uit de afgrond, de adem van de zonde, de adem van de duivel.

En hij stierf. Hij stierf in geestelijke zin. Zoals Paulus zegt in Efeze 2: hij werd dood door de misdaden en de zonden. En zijn stem, zijn tong, die Gods lof zong, die hield vanaf dat moment op met zingen. Die zweeg. Het werd adem-loos stil.

Later, jongens en meisjes, kom je de Heilige Geest, kom je de adem van de Heilige Geest weer tegen in het boek Ezechiël, hoofdstuk 37 vers 9.

Daar ziet Ezechiël in een visioen heel veel gestorven mensen. En dan zegt de Heere tegen Ezechiël: je moet zeggen ‘Geest, kom aan van de vier winden en blaast in deze gedoden, opdat zij levend worden.’

Daar blijkt, net als op heel veel andere plaatsen in de Bijbel, dat de dood die door Adam in de wereld gekomen is, overwonnen kan worden en overwonnen wordt door de Heilige Geest, Die levend maakt.

 

Daar mag je, jongens en meisjes, ook aan denken als je de geschiedenis leest van Nicodemus. Waar de Heere Jezus tegen Nicodemus zegt:  U moet wederom, opnieuw, nog een keer geboren worden.

 

Zoals toen de Heilige Geest, in het begin van de wereld, leven blies in Adam, zo is het nodig dat ieder mens (nu ook: wij, jullie, ik) leven ingeblazen krijgt van de Heilige Geest. Om van geestelijk dood geestelijk levend te worden. Een geestelijk levend mens, een kind van de Heere.

 

De Heilige Geest maakt doden levend.

Dus als je het hebt over de Heilige Geest, dan sta je werkelijk op de grens tussen leven en dood. Dat zie je overal in de Bijbel.

Dat zie je ook op de pinksterdag. Kijk maar met me mee…

 

Het is pinksterfeest. Zoals ieder jaar. Maar dit keer wordt het een heel bijzondere dag. De Heere Jezus is tien dagen geleden naar de hemel gegaan… En Zijn discipelen, Zijn vrienden en de vrouwen die in Hem geloofden, ze wachten biddend op de komst van de Heilige Geest. Zoals de Heere Jezus hen opgedragen heeft: Wacht in Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht van boven.

 

Kenden zij de Heilige Geest dan nog niet? Ja, zeker wel. De Heilige Geest heeft in hun hart gewerkt. Hij heeft leven geblazen in hun dode hart. Maar nu gaan ze, zoals dat staat in vers 4, vervuld worden met de Heilige Geest.

Meer (overvloediger) en met meer kracht (krachtiger dan voorheen); ze zullen volgegoten worden.

Ze zullen vervuld worden met meer geloof, meer hoop, meer troost en meer blijdschap, nu de Heere Jezus Christus in de hemel is aan de rechterhand van Zijn Vader.

Maar ze zullen vooral dat gaan krijgen, wat ze nodig hebben om het Evangelie van de Heere Jezus Christus te gaan verspreiden in de wereld om hen heen.

 

Want die opdracht hebben ze gehad: Predik het Evangelie aan alle creaturen. Pinksteren heeft alles met zending te maken. Daarom wordt er met Pinksteren ook altijd gecollecteerd voor de zending. Predik het Evangelie aan alle volken.

 

Maar ja, de eerste moeilijkheid dient zich direct al aan: de taal… Hoe zijn al die mensen die op het pinksterfeest in de stad Jeruzalem gekomen zijn ooit te bereiken in hun eigen taal?

Maar, en dat is het wonderlijke van deze pinksterdag, op deze dag gaat de Heere hen Zelf geven wat ze nodig hebben om het Woord te verkondigen, ook aan alle vreemdelingen die in de stad zijn.

 

Als je leest in Handelingen 2, dan lees je eerst van heel bijzondere tekenen. Lees maar even mee in je Bijbeltje in vers 2:

En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.

Het is bladstil, je hoort het alleen. Het lijkt een geweldig harde wind. Dat is het eerste teken: een teken van Gods macht en kracht.

 

We lezen verder in vers 3:

En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.

Dat is het tweede teken: vuur. Vuur is in de Bijbel teken van Gods heiligheid: God kan en wil de zonde niet zien. Vuur is in de Bijbel ook een teken van Gods genade. De hitte van Gods gramschap is geblust. Omdat het vuur (denk maar aan de geschiedenis van de profeet Elia op de Karmel) het offerdier en het altaar verteert, en niet degene die het offer brengt. Vuur is ook een teken van licht, van warmte en van troost.

Het is een teken dat laat zien: God is met deze honderdtwintig mensen. Dat zijn de tekenen…

 

Maar dan komt het, in vers 4 (lees nog maar even mee in je Bijbeltje), daar staat:

En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

Er is heel veel te zeggen over het werk van de Heilige Geest. Maar op de pinksterdag gaat het vooral om het vervuld worden met de Heilige Geest.

Een uitdrukking die je veertien keer leest in het Nieuwe Testament. En iedere keer als dat gebeurt (dat vervuld worden met de Heilige Geest), iedere keer zie je een vergelijkbare volgorde van dingen die gebeuren. De Geest komt, de Geest valt op mensen, de Geest vervult mensen en dan… dan gaan ze spreken!

Dan gaat hun mond open en dan gaan ze vertellen.

De Geest ademt in hen, de Geest blaast in hen (bijzondere genade en kracht) en zij gaan met hun stem weer uitademen, weer terug ademen. Ze gaan spreken, ze gaan vertellen. Zoals staat in vers 11: de grote werken van God.

 

De Heilige Geest neemt als het ware bezit van deze honderdtwintig biddende mensen en zij worden (om zo te zeggen) het mondstuk van de Heilige Geest.

En dan gaat die tong, van mensen die voortgekomen zijn uit Adam en Eva (weet je nog? Ze gaven elkaar en God de schuld van hun zonden, hun tongen waren slecht en zondig!) dan gaat de tong van die mensen, iets heel anders doen dan voorheen: ze gaan spreken, ze gaan vertellen de grote werken van God.

 

En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

Ze begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Eerst hebben ze de opdracht gekregen: preek het Evangelie aan alle creaturen, onderwijs al de volken. En daarna hebben ze biddend gewacht op Gods tijd. En nu krijgen ze (op Gods tijd) de Heilige Geest en de gaven van de Heilige Geest om dat werk ook echt te gaan doen. Om de Heere Jezus Christus, hun opgevaren Heere en Zaligmaker, ook echt aan de wereld bekend te gaan maken.

Ze gaan spreken in andere talen, zoals de Geest hun geeft uit te spreken.

Overal lopen mensen rond, mensen die vroeger groot geworden zijn in andere landen, heel ver bij Israël vandaan.

Als het nu zou gebeuren, dan zouden wij zeggen: er lopen mensen uit China, uit Japan, Brazilië, uit Kenia, overal vandaan!

 

Je zegt: Hoe kun je die mensen nu allemaal bereiken?

Nou, de Geest geeft het aan die honderdtwintig mensen, dat ze met die mensen kunnen praten, dat ze tegen hen kunnen vertellen. Als ze praten met een meneer uit Frygië, dan kunnen ze dat doen in zijn eigen taal. Als ze praten met een mevrouw uit Egypte, dan doen ze dat in haar eigen taal.

Hadden ze dan al die talen geleerd? Nee, dat gaf de Heilige Geest aan hen.

 

Dat gaf de Heilige Geest toen aan hem, als een bijzonder teken van macht, als een bijzondere aanmoediging om de wereld in te gaan en de opdracht te gehoorzamen om het Evangelie te prediken aan alle volken.

Maar ook voor nu is het tot troost. Als de Heere je roept om de wereld in te gaan, maak je dan geen zorgen om een vreemde taal. Ook zonder talenknobbel geldt, voor wie gehoorzaam gaat in Gods weg, de belofte van Johannes 14 vers 12:

Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerdere doen dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.

 

Spreken, vertellen… Wat? De grote werken van God.

Daaraan kan je weten of er geestelijk leven is in je ziel, of er leven is in je hart.

Wie leeft, die ademt. En die ademt, die spreekt. Dat geldt voor ver weg, en dat geldt ook voor dichtbij.

Denk maar aan wat Paulus schrijft in Efeze 5 vers 18 tot en met 20:

En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de Geest; Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heere in uw hart; dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heere Jezus Christus.

Spreken, zingen, psalmen zingen, danken… Dat hoort ook bij het leven met de Heere.

 

Zeker, daar hoort ook het verborgen bidden bij. Dat zie je bij deze mensen ook. Ze hebben de laatste dagen doorgebracht met bidden en smeken. Wie niet ademt in het gebed, die heeft geen geestelijk leven.

Maar dit is ook waar: als de Geest komt en woont in je hart, dan gaat die in stilte biddende tong, uiteindelijk ook spreken.

Grote woorden? Vrome taal? Gewichtige verhandelingen?

Nee, eenvoudig dat wat hier staat in vers 11: de grote werken van God. Dus, vertellen wat je allemaal in je leven hebt ervaren, wat je allemaal hebt meegemaakt?

Nee, dat gaat nog steeds over jezelf. Dat gaat nog steeds niet over God.

De grote werken van God vertellen, Zijn werken en Zijn daden bezingen. Dat ligt als het goed is ergens op de tong van al Gods kinderen. Zijn lof zingen…

Doe je dat uit jezelf? En komt er een moment dat je wat dit betreft als kind van God met tevredenheid naar jezelf kunt kijken? Nee.

Het komt niet (maar dat is geen flauw excuus om te zwijgen, maar een hartelijke zucht vanwege mijn gebrek), het komt niet uit mij. Ik heb zo nodig dat de Heilige Geest het uit Christus neemt, me iets geeft van Zijn verborgen gebed, me iets geeft van hoe Hij altijd sprak tot de eer van Zijn Vader. En als ik daar iets van krijg, dan verlang ik naar meer. Om goed van Hem te spreken.

 

Spreken, zingen tot eer van Hem.

Je zegt, jongens en meisjes: Zingen de kinderen van God hoog? Ik bedoel: zingen ze mooi? Of zingen ze laag, zingen ze verdrietig?

Ze zingen mooi, ze zingen hoog van God. Zoals Adam dat destijds deed in het paradijs. Lees thuis maar verder in Handelingen 2. Het is één lofzang op Gods onbegrijpelijke werk. God heeft Zijn Zoon gezonden (vers 22), en (zegt Petrus) volgens Zijn plan hebt u Hem gedood (vers 23). Maar God heeft Hem opgewekt (vers 24 en 32). God heeft Hem verhoogd aan Zijn rechterhand. En nu heeft Hij Zijn Geest uitgestort (vers 33).

Hoog zingen van God en van Zijn werken…

 

Je zegt: Maar daar is eigenlijk geen kunst aan. Op een feestdag kan je natuurlijk wel hoog zingen…! Maar als het leven nu moeilijk en verdrietig is, wat dan?

Ja, maar weet je wat het wonderlijke is? Die tong, aangeraakt door God de Heilige Geest, kan zelfs hoog van God zingen in tijden van moeite, zorg, pijn en verdriet.

Denk maar aan Handelingen 16. Daar zitten Paulus en Silas in de gevangenis. En (staat er) omtrent de middernacht baden Paulus en Silas (zie je wel: dat hoort er ook echt bij!) en zij zongen (dat hoort er ook bij!) Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen (Hand. 16:25).

 

Bidden en zingen.

Zingen over God kan altijd en overal. Al is het met een gebroken stem, al is het met pijn in je hart.

Zoals de dichter van Psalm 42 zingt: Ik zal Zijn lof (hoog zingen van Hem!) zelfs in de nacht zingen (laag van mezelf), daar ik Hem verwacht…

Zoals de dichter van Psalm 73 zingt: Bezwijkt mijn vlees, mijn lichaam en mijn hart (ik zing vanuit de diepte van mezelf, maar…), toch bent U (ik zing hoog van U!) de Rotssteen van mijn hart en leven.

Zoals de dichter zingt van Psalm 116: Hij (hoog van Hem!) hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen (laag van mezelf).

Bidden en zingen. Over God!

 

In die psalmen zie je trouwens, jongens en meisjes, dat de stem die de Heilige Geest geeft, de stem die de grote werken van God gaat vertellen, dat die stem vaak zingt met twee tonen.

Bij mij is het nacht (laag). Maar ik zing Zijn lof (hoog), de lof op Zijn grote werken.

Mijn stem klaagt en smeekt. Dat gaat over mij. Maar Hij hoort mijn stem. Deze ellendige roept en de Heere hoort.

Mijn hoop lijkt vergaan. Maar ik hoop en al mijn klachten op Zijn onfeilbaar woord.

 

Weet je wat er aan de hand is met Gods kinderen? Hoe slechter het met ze gaat, hoe hoger, hoe mooier ze kunnen zingen van God. Steeds minder van zichzelf (die toon wordt steeds lager) en steeds meer van Hem (die toon wordt steeds hoger).

Daaraan herken je de woorden die de Geest geeft uit te spreken. Die woorden zijn vol van God en leeg van de mens.

 

En dat, dat nodigt andere mensen. Veel meer dan dat valse solozingen over onszelf.

Dat gezang, die woorden wil de Heilige Geest zegenen, als ze zo in Jeruzalem beginnen te spreken, en straks de wereld ingaan om de boodschap door te geven tot aan de einden van de aarde.

Want (niet vergeten) in dat kader staat dit allemaal. In het kader van de grote evangelieopdracht: ga heen in de gehele wereld en predik het Evangelie aan alle creaturen. Zing Mijn grote daden op het wereldrond.

Hier op de pinksterdag zien we de vervulling van de profetie van Jesaja (32:4). En de Heere geve die vervulling ook nu (eeuwen later) onder ons:

De tong der stamelenden zal vaardig zijn om bescheiden te spreken.

Als de Heere u roept om de wereld in te gaan, dan mag u er van verzekerd zijn dat Hij u begiftigen zal met alles wat u nodig hebt: ook met het vermogen om een taal te leren, ook met vrijmoedigheid om te spreken.

Je kunt wel zeggen met Mozes (zoals hij zei in Exodus 4 vers 10 tot en met 12):

Och Heere, ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.

Maar zo zegt de Heere:

Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de Heere? En nu ga henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren wat u spreken zult.

Dit is, discipelen in onze gemeente, de belofte die de Heere u meegeeft, als u gehoorzaam gaat in Zijn weg en doet wat we nu samen eerst gaan zingen uit Psalm 96 vers 1 en 2:

 

Zingt, zingt een nieuw gezang de Heere;

Zing, aarde, zing die God ter ere;

Looft ’s Heeren Naam met hart en mond;

Vermeldt Zijn heil op ’t wereldrond;

Dat dag aan dag Zijn roem vermere.

 

Nu moet uw tong de heid’nen noden;

Meldt alle volken Zijn geboden;

Vertelt Zijn wond’ren en Zijn eer.

Groot en prijswaardig is de Heer’,

En vreeslijk boven al de goden.

 

Vurige tongen hebben we gezien, branden van verlangen om de grote werken van God te vertellen. Dat is het werk van de Geest.

Maar er is ook een keerzijde. Zoals alles in de Bijbel een keerzijde heeft. De Bijbel spreekt altijd met twee woorden. Er zijn ook, en dat is onze tweede gedachte:

 

2. Geesteloze tongen

 

U zegt: Waarom betrekt u dat erbij op deze mooie pinksterdag?

Wel, omdat de Bijbel zelf Geest en tong zo op elkaar betrekken. Niet alleen in positieve zin, maar ook in negatieve zin.

Denkt u maar aan wat Paulus schrijft in Efeze 4 vers 29 tot en met 30:

Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.

 

Je tong kan door het werk van de Geest van God Gode lof zingen, maar je tong kan blijkbaar ook iets anders doen. Vuile praat uitbraken en daarmee de Geest bedroeven. Dat is de keerzijde van het pinksterwonder, en dat is ook wat op de pinksterdag daad werkelijk gebeurt.

 

Het is, met andere woorden, niet om het even wat je zegt, wat je vertelt, waar je over praat. De brief van Jakobus gaat voor een belangrijk deel over het vuur van de tong. Over tongen als van vuur…

Dat lezen we in onze tweede tekst uit Jakobus 3 vers 6:

De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid, alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

Een tong die de geest inademt uit de afgrond, die ingeblazen wordt door de satan. Die tong, zegt Jakobus, is een vuur. En een klein vuur (vers 5) kan een enorm verwoestend werk doen. Kan heel veel in brand zetten.

Die tong van vuur, aangeblazen door de satan, is (zegt Jakobus) ook een wereld van ongerechtigheid. Zoals de wereld in het grote heelal de plaats is van de zonde, zoals de mens als persoon op de wereld de plaats is van de zonde, zo is de tong in de mens een concentratie, een wereld van kwaad. Er is nauwelijks één zonde denkbaar (noemt u er maar één) waar de tong niet bij betrokken is.

En (zegt Jakobus) er is nog een kenmerk van die vurige tong, die aangeblazen wordt door de satan: die tong besmet het hele lichaam, die verontreinigt, die vervuilt alles. Die tong maakt je helemaal onrein.

En die tong ontsteekt ook een vuur. Het rad van onze geboorte. Dat wil zeggen dat vuur van onze tong dat verwoest, dat verteert heel onze levensloop.

Ja (en dat is het laatste wat Jakobus zegt over die tong) die tong zelf wordt in vlam gezet en aangeblazen door de hel.

Die tong, zo’n tong, kan geen mens stemmen. Het is een rusteloos, onbedwingelijk kwaad.

Dat maar doorgaat, rusteloos doorgaat met…? Met wat?

Met de lof te zingen op mezelf. Op wie ik ben, op wat ik heb. Hoog zingen over mezelf. Die tong is een onbedwingelijk kwaad, dat maar doorgaat met kwaadspreken over een ander. Wat je alleen maar doet in een uiteindelijke poging om jezelf omhoog te werken. Een mens met zo’n tong gaat maar door met dingen rond te vertellen waarvan je niet weet of ze waar zijn, of waarvan je weet dat ze niet waar zijn. Of als ze wel waar zijn, dan moet je je afvragen of het wel nodig, vriendelijk en nuttig is om die dingen verder te vertellen.

 

Er wordt veel verteld, veel gepraat in Nederland, in ons kerkverband, maar ook (laten we het maar dicht bij huis houden) in onze gemeente.

Maar de vraag is: zijn het de grote werken van God, verteld door tongen die aangeblazen zijn door de Heilige Geest?

Of zijn het de grote werken van Adam, vurige tongen aangeblazen door de hel?

 

Is dat van belang?

Ja, dat is van levensbelang. Ook en juist in tijden dat de Heere werkt. Juist dan geldt in het bijzonder: Blus de Geest niet uit en bedroef de Heilige Geest Gods niet.

 

Maar kan het dan niet zo zijn dat je een goed geluid over God voortbrengt en toch kritisch praat over mensen van wie je denkt dat ze slechter zijn dan jezelf? Gewoon met goede bedoelingen? En vooral ook met liefde tot de waarheid? Kan dat niet?

Nee. Dat is uitgesloten!

Jakobus zegt zo duidelijk in Jakobus 3 vers 9 tot en met 14:

Door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. Uit dezelfde mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden. Welt ook een fontein uit eenzelfde ader het zoet en het bitter? Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen. Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijn goede wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. Maar indien u bittere nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.

 

Het komt in ons leven aan op ons hart. Of je nieuw hart hebt.

Ja, zegt Jakobus, dat is waar, maar het komt ook aan op onze tong.

Of onze tong hier op aarde, in alle omstandigheden van het leven de lof van de Heere zoekt. Biddend en smekend, in het verborgen voor God. Maar ook sprekend: soms vrijmoedig in het openbaar… Op andere momenten in stilte: De lofzang is in stilheid tot U, o God.

Soms op de hoogten van ons leven: Ik zal U met mijn ganse hart loven, Heere!

Dan weer vanuit de diepte van ons bestaan: Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht…

 

Van zulke tongen geldt: hoe het ook moog’ tegenlopen, ze zullen Hem nog loven! Maar van die andere tongen, die op de pinksterdag spottend zeggen: ‘Zij zijn vol van zoete wijn’, van die tongen geldt dat zij straks eeuwig zullen roepen om een druppel water tot verkoeling van die vurige tong.

 

Want zo heeft de Heere Jezus gezegd in Mattheus 12 vers 36 en 37:

Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. Want uit uw woorden zult u gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult u veroordeeld worden.

 

Nu dan…

(…) wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken; die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage dezelve na. Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen (1 Petr. 3:10-12).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 9: 1 en 11

 

Ik zal met al mijn hart de Heer’,

Blijmoedig, geven lof en eer;

Mijn tong zal mijn gemoed verzellen,

En al Uw wonderen vertellen.

 

Zingt, zingt de Heer’, Die eeuwig leeft,

Die Sion tot Zijn woning heeft;

En laat voor aller volken oren,

Met psalmgezang, Zijn daden horen.

 

 

Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl