Ds. L. Huisman - Jesaja 54 : 11 - 12

Het herstel van Sion uit haar diepe ellende

Jesaja 54
Wat de staat van haar ellende inhoudt
De beloften gegeven tot haar verlossing
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).

Jesaja 54 : 11 - 12

Jesaja 54
11
Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.
12
En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1, 2
Lezen : Jesaja 54
Zingen : Psalm 77: 1, 2, 6
Zingen : Psalm 118: 10
Zingen : Psalm 85: 1

Geliefden, het Woord van God dat wij u willen prediken, staat in het vierenvijftigste hoofdstuk van de profetie van Jesaja, waarvan het elfde en twaalfde vers:

 

Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste: Zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.

En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen.

 

Deze tekst spreekt ons van: Het herstel van Sion uit haar diepe ellende.

 

Wij zien:

1. Wat de staat van haar ellende inhoudt

2. De beloften gegeven tot haar verlossing

 

In dit vierenvijftigste hoofdstuk van de profeet Jesaja – ik zou haast met Augustinus zeggen: de evangelist Jesaja – die de woorden Gods spreekt, wordt Israël vergeleken bij een verlaten en onvruchtbare vrouw. Als u dit hele vierenvijftigste hoofdstuk doorleest, vindt u er niet één verwijt in over Israëls zonde. Het is net alsof het volk Israël, of Sion, slachtoffer geworden is van een hardvochtige echtgenoot die haar verstoten wil, waardoor ze als een weduwe, als een onvruchtbare, als een eenzame moet treuren en wenen. Maar we weten toch, vooral uit het begin van de profetie van Jesaja, hoe slecht Israël geleefd heeft en hoe door en door zondig Sion geweest is. Jesaja heeft hoofdstukken lang de ontrouw van Israël getekend en gezegd: ‘God kan niet langer achterblijven. Dit zal God zien en zoeken. Hier zal het oordeel op volgen.’

Het is waar. God hééft dat ook gedaan. Nee, Israël was allerminst een slachtoffer van haar wettige man: God. Israël was allerminst een speelbal van de vijanden rondom. ‘Maar vanwege hun zonden’, zegt de Heere, ‘heb Ik hen overgegeven in de hand van hun vijanden. Ik heb Babel geroepen, opdat hij met zijn geseltuig Israël zou straffen.’

 

Waarom heeft God Zijn volk verstoten? Heeft Hij afscheid genomen van Zijn beminde? Denkt Hij niet meer aan Zijn verbond? Heeft Hij Zijn vorige barmhartigheden door toorn toegesloten? Is Zijn verkiezing niet onberouwelijk?

Lees als antwoord op deze vragen Gods getuigenis in dit hoofdstuk. Als Hij daar Zijn Sion ziet wegkwijnen in gevangenschap en als Hij de vijand zich ziet opmaken om de laatste dolkstoot in het hart van Zijn bruid te geven, dan zegt de Heere: ‘Ik was een weinig toornig, maar de vijanden hebben het ten kwade gedacht. Zij willen Mijn bruid doden.’ Die vijand zegt: ‘God heeft Zijn bruid verlaten, nu is het onze tijd. Waak op, waak op, laat Sion verdelgd worden. Ontbloot haar fundamenten. Trek haar muren neder, zodat aan haar tot in eeuwigheid niet meer gedacht wordt.’

Maar God zegt: ‘Ik wilde Sion tuchtigen, maar haar toch weer opnieuw aan Mij verbinden. Ik wil haar in de weg van honger en dorst, van eenzaamheid en verlatenheid, weer tot Mij trekken.’

 

Als de jaren der verdrukking voorbij zijn en Sion in armoede kermt: ‘O God, genâ, o God, wij zien onze tekenen niet en niemand weet hoe lang.’ Als Sion in de armoede waarin ze terechtgekomen is, weer denkt aan vorige dagen en met een bedroefd hart God zoekt, dan is God reeds wedergekeerd. Dan is Hij, redenen nemend uit Zichzelf, gedachtig aan Zijn eigen trouw. Dan is Hij bezig om die verlaten vrouw, die bedroefde van geest, te troosten. Dan staat God op.

Dat doet Hij op zulk een wijze, alsof Sion nooit gezondigd had, alsof het alleen de schuld van de vijand was. Ja, alsof het Zijn eigen schuld was, Gods schuld, dat Sion eenzaam was. Hoor maar, Hij zegt: Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt, want de kinderen der eenzame – dat zijn de weggevoerden, die naar Babel gebracht zijn – zijn meer dan de kinderen der getrouwde, die achtergebleven zijn in het land. Maak de plaats uwer tent wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen. Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden (…) Want uw Maker is uw Man.

De Heere zegt: ‘Hij is uw Man gebleven, hoewel Hij u voor een ogenblik verstoten had. Heere der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genoemd worden. Want de Heere heeft u geroepen als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.

 

De Heere zegt hier dus: ‘Het is waar, u bent weggevoerd als een onvruchtbare, zonder Mijn gemeenschap, daar in dat vreemde land, in het land der ballingschap. Maar u bent toch de huisvrouw van Mijn jeugd. Israël, u bent toch de eerste aan wie Ik Mijn liefde schonk, hoewel u voor een korte tijd versmaad bent geweest.’

Hoort u dat? Het is net alsof de Heere de schuld op Zich neemt, maar wij weten uit het Woord de reden waarom God Israël voor een korte tijd versmaad heeft. Het was niet omdat Hij Zijn trouw geschonden heeft. Maar het was omdat zij, Zijn bruid, Zijn Kerk, de huwelijksband verbroken had. Andere minnaars was zij nagegaan en haar hart had zij aan anderen gegeven. En nu zegt de Heere: ‘Maar u bent toch de huisvrouw van Mijn jeugd. U bent toch de eerste van Mijn hart. Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen. Want Mijn liefde is vaster dan de bergen. En Mijn verbond zal niet bezwijken. Bergen mogen wijken, heuvelen wankelen, maar het verbond des vredes weet van geen wankelen, noch van bezwijken.’

 

Zie, geliefden, dat is de vastheid, dat is de eeuwige grondslag waarop Sion behouden is en behouden wordt. Dat is de troost die God ons biedt in het midden van onze ellenden. Van deze vertroosting is ook deze tekst een deel, als de Heere zegt: Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste… Dat is dus die bruid, die huisvrouw van Zijn jeugd, die God bemind heeft. Sion, Zijn eerstgeborene, is in zulke ellendige omstandigheden terechtgekomen. Zij is een verdrukte.

Nu treft dat niet alleen het ganse Sion, de bruid van de Heere, maar ook elke gelovige in het bijzonder. Want wat met Sion gebeurt, zoals zij getuchtigd wordt, zo wordt ook elke gelovige – hoewel door God bemind – als hij afwijkt van de wegen des Heeren en Zijn inzettingen verlaat, als zo’n eenmaal ondertrouwde bruid door de Heere versmaad.

Geliefden, er wordt geen zondaar zalig of hij leert in dit leven de staat van zijn ellende, zijn gruwelijke afval, juist ook na ontvangen genade, recht, hartelijk en grondig kennen. Zo leert ook elke gelovige zich in dit leven als een verdrukte kennen. God heeft menigerlei verdrukkingen die Hij ons toezendt. Niet omdat Hij ons haat. Niet omdat Hij er een welgevallen in heeft om ons over te geven in de hand van onze vijanden. Maar omdat Hij ons alleen wil hebben. Als Zijn bruid, die geen oog en geen oor heeft voor iets of iemand anders.

Ach, we moeten het bekennen: wanneer zullen we deze les geleerd hebben? Wanneer zullen we geheel Gods eigendom zijn? Wanneer zullen we alleen Hem maar liefhebben, en alle andere minnaars, al het andere wat ons hart van Hem aftrekt, verlaten? Om ons, zoals een bruid zich wijdt aan haar bruidegom, alleen te wijden aan onze Zielebruidegom, Jezus Christus?

 

Om deze band met Hem volmaakt te doen zijn, heeft God verdrukking toegelaten. Verdrukking in ons vlees. Hoeveel gelovigen zijn er niet die zuchten onder de zwakheden van hun lichaam? Net als Paulus, die zijn scherpe doorn in het vlees had, waardoor hij eigenlijk niet kon doen wat hij zo graag zou willen. Of zoals Timotheüs, die tobde met zijn zwakke maag. Die anders veel meer zou kunnen doen, maar ach, die ook daarin geketend is.

Zo zijn er wat verdrukkingen; in de familiekring, of thuis, met kinderen, ouders, man of vrouw. Verdrukkingen die vaak ons geestelijk leven beklemmen. Verdrukkingen die ons gebedsleven doen verflauwen. Verdrukkingen die ons onze aandacht ontnemen voor de boodschap van Gods heil. Verdrukkingen die ons moedeloos maken. Soms zitten we in de kerk met een hart vol zorgen over morgen en overmorgen. En ze benemen ons de levensvreugde die ons in de genade Gods ten deel geworden is.

Daarbij komen dan nog geestelijke verdrukkingen van allerlei aard: Influisteringen van de vorst der duisternis, die ons onze vuile kleren toont en ons toeroept dat we geen hoop moeten hebben op God omdat we te verloren, te vuil, te zondig, te hulpeloos zijn om door God gezaligd te worden.

Of is daar de verschrikkelijke verleiding van de wereld waarin wij leven. Met al haar pracht, met al haar vermaak, met al haar liederlijkheid. Hoe beknelt zij menigmaal het hart der vromen. Hoe trekt ook deze wereld ons af, met al haar zorgen en zorgjes.

Hoe menigmaal vergeten we onze hoge roeping waarmee we door God geroepen zijn om kinderen des lichts te zijn. De zonden liggen als een loden last op onze ziel. Aan de ene kant gevoelen we ons onmachtig om ons onder die last vandaan te worstelen. Maar aan de andere kant houden we ook zelf de zonden vast, want je moet toch door dit leven? Daarmee grijpen we vaak wat we grijpen kunnen van datgene waarvan God gezegd heeft: ‘Laat het los en gij zult losgelaten worden.’

 

Het Sion Gods wordt hier ook genoemd: ‘de door onweder voortgedrevene’. Ik geloof dat Jesaja hier het beeld van een schip ziet. Een schip in nood van de baren, in stormgetij. Een schip dat op en neer geworpen wordt door twijfel, vanwege de zonde, vanwege de aanvechtingen, vanwege de dood. De hemel is zwart en de zee kolkt.

Ach, wie van Gods kinderen kent het niet: in de nacht te varen op een woelige levenszee. Als je geen bootsman meer aan boord ziet en als je het kompas niet meer aflezen kunt. Als geen sterrenlicht van de hoop je weg meer verlicht. En als je de haven maar niet in zicht kunt krijgen.

Wie van Gods kinderen kent niet dit als door een onweder te worden voortgedreven, alsof ik het geruis van de branding op de rotsen reeds hoorde. Waar de vorst der duisternis mij toeroept: ‘U hebt geen heil bij God. U zult sterven en verloren gaan. U kent God niet. God is uw deel niet. U bent nog onbekeerd. U staat nog voor eigen rekening.’ Geen bewijs in onszelf te kunnen vinden dat we op de goede weg zijn, dat we in de richting van de haven varen.

Maar o, geloof het: de huichelaar is hier nooit geweest. Het nabijkomend christendom kent dit niet. Zij kennen alleen maar deze ene regel: zij gaan van kracht tot kracht steeds voort. Maar ze weten niet wat het is verloren te zijn. En dat alles omdat we God verlaten hebben. Dat alles omdat we tegen wet en evangelie, tegen recht en genade, gezondigd hebben. En dat menigmaal.

 

Ongetroosten worden ze genoemd. Dat is een zuiver kenmerk van Sion. Een ongetrooste, hoort u het? In Psalm 86 zegt David: Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien en beschaamd worden, als Gij, Heere, mij geholpen, en mij getroost zult hebben (Ps. 86:17).

Op deze weg worden geen geveinsden gevonden. Een geveinsde, een nabijkomend christen heeft altijd enige troost, altijd houvast aan deze of die belofte. Ze kennen niet het gevoel van het totale afwezig zijn van het licht van Gods vriendelijk aangezicht.

Maar de gelovigen kennen tijden dat ze ongetroost zijn, dat ze zich niet kunnen laten troosten. Hier bedoel ik niet mee, die mensen zalig te spreken op wie de beloftenissen van het evangelie altijd afstuiten als op een rotssteen. Nee, waarachtig niet.

Maar deze ongetroosten zijn daarom ongetroost, omdat ze door geen mens getroost kunnen worden. Dat is het kenmerk van deze ongetroosten.

O zeker, ze zijn wel door God te troosten. Ze zeggen: ‘Heere, spreek Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil.’ O, dit weten ze: als God met Zijn hand een belofte van Zijn evangelie in hun ziel legt, dan zijn ze getroost. Daar snakken ze juist naar.

Maar daarom is het juist zo donker in hun hart, omdat ze Zijn vertroostingen moeten missen, en het gevoel van Zijn genade in hun hart moeten ontberen. Dat ze de Bijbel wel lezen en al de beloftenissen Gods wel geloven, maar dat ze er voor hun persoonlijk leven geen troost van hebben. Omdat de kracht van de Heilige Geest gemist wordt, en het licht van Gods vriendelijk aangezicht voor eeuwig uitgedoofd schijnt te zijn. In zulke omstandigheden is het een zuiver kenmerk van de gelovige dat ze door geen mens, door niets buiten God, vertroost kunnen worden. Alleen door God. Uit deze diepten kan God alleen redden. Uit deze put haalt de Heere alleen. Want er staat in Psalm 77: Mijn ziel weigerde getroost te worden (Ps. 77:3). Dat betekent: vertroost door mensen, omdat mensen maar nietige vertroosters zijn.

 

Welnu, geliefden, ik heb u iets gezegd van de staat der ellende waarin Sion verkeert.

Is deze weg u totaal vreemd? Denk daar nu eens over door. Die weg waarvan ik u zo enkele dingen noemde; dat verdrukt en dat door onweder voortgedreven en dat ongetroost zijn, omdat God u niet troost.

Nee, hier gaat het natuurlijk niet in de eerste plaats om het feit of u wel verdrukking hebt in uw leven. Welk mens heeft dat niet? Er is hier geen jongen of meisje, geen man of vrouw, of hij of zij heeft teleurstellingen. Want het uitnemendste van dit leven is toch moeite en verdriet.

Het gaat er ook niet om of u wel eens bang bent, zoals iemand die bang is voor het onweer. Die daardoor voortgedreven wordt in angst, omdat hij die vreselijke rollende donderslagen hoort als de stem van God, voor Wie hij niet bestaan kan. Of die bang is voor de vlammende bliksemschichten, als stralen uit Zijn heilige ogen waarvoor hij niet bedekt kan zijn.

Het gaat er hier ook niet om dat u moedeloos en troosteloos schreit, omdat alles u tegenzit in deze wereld, of omdat u zoveel tegenspoed hebt in huis en gezin. Of omdat u zoveel kruis te dragen hebt. Dat hebben alle mensen, gemeente, gelovigen en ongelovigen. Maar daarom gaat het niet.

Nee, het gaat er om of dit ongetroost zijn, dit bedrukt en verbrijzeld zijn, dit door onweder voortgedreven zijn, hieruit voortkomt dat u God mist. Dat dit de pijn van uw kruis is: ‘De Heere hoort me niet. De Heere helpt me niet. En zonder God kan ik niet leven. En buiten Hem ben ik dood.’ Dat dit de pijn van uw leven is; dat u de scheiding ziet tussen God en u. Daarvan is dat kruis het teken. Daar is dat bedrukt en door onweder voortgedreven en ongetroost zijn een teken van: dat u van God gescheiden bent!

 

Geliefden, het is zo’n vreselijke droefheid! Het is een droefheid die het hart krenkt en ziek maakt en uw ziel doet bezwijken, want die God heeft Zich eerder wel aan u geopenbaard. Die God heeft Zich aan u bekendgemaakt, zoals hier aan Israël. U hebt gezien dat er bij die God milde handen en vriendelijke ogen zijn. Maar dan nu de breuk te zien, de scheiding te zien, die onze eigen schuld is. Kijk, dat is het! Dat is de reden waarom Sion verdrukt, door onweder voortgedreven en ongetroost is. Dat is de staat der ellende waarin zij verkeert.

 

Is het nu zo, dat u in uw leven enige overeenkomst kent met dit ellendige Sion?  

God is er vrij in, in welke trap en mate, want Hij heeft verscheidene wegen. Maar al Gods kinderen leren er toch zoveel van dat ze bedroefd worden naar God met een droefheid die alleen door God weg te nemen is. Daar gaat het om. Als u nu zulk een verdrukte bent, zulk een voortgejaagde, zulk een ongetrooste, zie, dan zegt de Heere: ‘Gij verdrukte, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen. Ik, God, Uw Maker, Die u Mijn eerste liefde schonk. De huisvrouw van Mijn jeugd, dat bent u. Ik, uw God, Die u verkoren heb uit alle volkeren der aarde, Die wel boos, Die wel bedroefd om u geweest is, Die u weggezonden heeft, Die het zwaard van Babel voor u heeft ingeroepen, Ik zal u toch niet vergeten. Want u bent nóg de huisvrouw van Mijn jeugd. Ik heb u tóch Mijn eerste liefde gegeven. En Ik houd Mij daaraan. Ook nu.’

‘Ziet,’ zegt de Heere, ‘Ik, God, zal uw stenen gans sierlijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten.’

 

Hier geeft de Heere Zijn beloftenissen onder het beeld van de bouw van een huis, van een tempel. Paulus heeft ook eens gezegd: ‘Gij zijt de tempel van de levende God.’ Zo zegt de Heere hier ook: ‘Gij zijt een huis waarin Ik woon. Gij zijt Mijn tempel die Ik vervul met Mijn heerlijkheid.’ En nu zegt de Heere: ‘En Ik zal die tempel bouwen. Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen.’

Wat betekent dat en hoe en wanneer doet God dat, als Hij onze stenen gans sierlijk legt? Daar ligt geloof wanneer God het huis van onze hoop gaat bouwen, en daar voegt Hij de stenen van Zijn Woord en van Zijn beloften bij. God neemt de stenen van Zijn Woord; dan deze steen en dan die steen, naar dat het de Bouwmeester goeddunkt.

Als u nu zo’n steen op zichzelf ziet, ach, dan is er maar weinig heerlijkheid en weinig sieraad aan. Zo is het ook wanneer we als een verdrukte en als een door onweder voortgedrevene en ongetrooste de Bijbel lezen. Dan lezen we soms blad na blad, maar het blijven maar stenen. Gewone stenen die we altijd al gezien hebben en waarover we altijd gehoord hebben. Teksten die we van buiten kennen, maar die ons hart niet levend maken. Ze geven ons geen gemeenschap met God, we ontvangen er geen vreugde uit.

Maar als God zo’n steen neemt, zo’n gewone belofte, zo’n tekst of zo’n vers, zo’n hoofdstuk, zo’n preek of zo’n gebed naar het Woord van God, dan zegt Hij: ‘Ik zal die steen nu op zijn plaats leggen. Die ene steen bij die andere steen. En de volgende steen daar weer bovenop.’

En als we dan even afstand nemen van dat gebouw, zeggen we op een zekere dag: ‘O God, al die stenen, die gewone stenen waaraan op zich geen heerlijkheid is te zien, dat wordt een heerlijk gebouw! Daar zie ik Uw goddelijk welbehagen in. Zo openbaart U Uw eeuwige liefde.’ Dan zien we het verband van de Schrift. Dan is het hele Boek dat God ons schreef, Zijn liefdesbrief aan ons. Zijn minnebrief. De brief van Zijn welbehagen. De brief van Zijn goddelijke ontferming. De brief van Zijn tedere liefde.

 

Kom, zijn er ook wel eens in uw leven van die stenen gelegd? Want God legt ze vast. Hij legt ze in het cement van Zijn goddelijk bloed. Dood en duivel, hel en verdoemenis, kunnen ze niet uit onze ziel wegnemen. Ze kunnen versluierd zijn. Ze kunnen bedekt liggen. Het kan zo donker zijn dat we de sierlijkheid van het Godsgebouw in ons leven niet zien. Maar ze blijven tot in eeuwigheid waar God ze neerlegt. Geen leed zal het ooit uit mijn geheugen wissen.

Denk ook aan de kleine stenen waarvan de Heere zegt: ‘Vergeet nooit één van Gods weldadigheden. Vergeet ze niet, het is God Die ze u bewees. Veracht de dag van de kleine dingen, van de kleine stenen niet. Want ook zij horen bij het Godsgebouw.’ ‘Welnu,’ zegt de Heere, ‘dat zal Ik doen. Ik zal die stenen gans sierlijk leggen.’

En als God een belofte geeft, dan geeft Hij die zó dat we niet hoeven te vragen: ‘Zou het van God zijn?’ Want dit is een kenmerk: als God ons overeenkomstig de toestand waarin we verkeren uit Zijn Woord vertroost, dan zeggen we met de bruid: ‘Dat is de stem van God. Dat is de goede Herder. Zo kan God alleen troosten.’ Want de klank van Zijn stem, de kracht van Zijn stem en de bewogenheid van Zijn Woord, zijn zaken die diep neerzinken in ons hart. Als God spreekt, dan horen we dat! ‘En het oor dat hoort’, zegt Jesaja op een andere plaats, ‘dat zal opmerken. En het oog dat ziet, dat zal niet terugzien.’

 

Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten, zegt de Heere. Die stenen van het gebouw moeten rusten op een grondsteen, op een vast fundament. Daarvan heeft Jezus op een andere plaats gezegd: ‘Als u het huis van uw hoop bouwt, bouw het dan op een rotssteen.’ Want er zijn er ook die het op zand bouwen.

Maar als we door God vriendelijk toegesproken worden, als God ons bekendmaakt met Zijn genadebeloften, als Hij onze treurige ziel vertroost met Zijn toezeggingen, dan hebben die beloften een grond. In de weg die God met ons houdt, laat Hij ons soms eerst die stenen zien. Stenen waardoor onze tranen een ogenblik gedroogd worden. Stenen waardoor we leren hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Stenen waardoor we gaan zien dat God ook ons met Zijn goede hand uit de duisternis getrokken heeft tot Zijn wonderbaar licht.

 

Maar daarna komen er ook tijden in ons leven, dat God ons laat zien waarop die stenen nu gegrond zijn. Hoe het nu kan, dat er zulk een gebouw, zulk een tempel wordt opgetrokken. En dat die tempel onwrikbaar staat in het woeden van de satan en van alle elementen van ongeloof en van de zonden.

Dat komt omdat hij op een Rots staat. Daarom worden die saffierstenen door God ook genoemd na de stenen die Hij gans sierlijk legt. Dit is vaak de orde die God in het leven van Zijn kinderen houdt in de waarachtige bekering. Want als de Heere zegt: Ik zal u op saffieren grondvesten, dan is de saffier een hemelsblauwe steen. Hard. Glashard. En van die steen zegt de Heere: ‘Daar zal Ik u op grondvesten. Op die heerlijke saffiersteen, een hemelsblauwe saffiersteen.’

Uit andere plaatsen uit het Woord van God weten wij wat God bedoelt met die grondstenen, die saffierstenen die Hij in Sion gelegd heeft. Die enige Hoeksteen, het kan niemand anders zijn dan Jezus Christus, Die van de hemel is neergedaald op deze aarde en gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.

Die saffiersteen, die grondsteen, ligt vaak onder de oppervlakte. Hij wordt vaak niet gezien, maar hij is er wel. Want wat betekent een schoon gebouw zonder fundament? Al Gods toezeggingen, al Gods beloften, hebben één grond. Niet de grond van onze levensverbetering. Niet de grond van onze goedwillendheid. Niet de grond van onze gebeden en tranen. Maar ze hebben Gods gerechtigheid als grond. Het fundament is gelegd in het bloed des kruises. In Hem Die Zich gegeven heeft om de Rots van Zijn volk te zijn. Hij heeft de vrede aangebracht.

 

Kom, bent u in het gebouw van uw hoop met die beloften wel eens neergezonken op deze saffierstenen? Om zonder beeldspraak te spreken: bent u weleens neergezonken op Jezus Christus en Die gekruisigd? Is uw hart uitgegaan vanwege Zijn spreken? Is uw ziel aan God verbonden vanwege Zijn arbeid? Hij is die Saffiersteen! In Hem is de vastheid die dood en duivel, hel en verderf niet los zullen kunnen wrikken. Het huis dat daarop gebouwd is, kan niet vallen, want het is op de steenrots, op de saffiersteen gegrond. Hij is hemelsblauw als doorluchtig glas, vol van schoonheid, vol van genade en vol van waarheid. Genade is op Zijn lippen uitgestort.

 

En uw glasvensters, zegt de profeet als de mond des Heeren, zal Ik kristallijnen maken. U weet dat in een tempel, in een huis, ook ramen zijn. Daar kunnen we doorheen kijken. Maar kristal is heel zuiver glas. Kristal geeft de beelden die aan de andere zijde van het venster te zien zijn, volmaakt door.

Daniël had ook van die kristallen vensters. Hij kon met zijn blote ogen Jeruzalem niet zien, want hij zat in Babel. Maar hij had kristallen vensters. Hij zag door de verrekijker van het geloof zo zuiver alsof hij in Jeruzalem woonde. En hij bad driemaal daags door zijn kristallen vensters met zijn aangezicht naar Jeruzalem. Want daar woonde God. Daar was God gebleven, al lag stad en tempel in puin. Dat had Jesaja gezegd.

 

Geliefden, heeft u ook kristallen vensters in uw levenshuis? Want die hebben een tweeërlei doel. In de eerste plaats valt daar het licht van buiten door naar binnen en wordt uw huis bewoonbaar. Zonder ramen is het mooiste huis maar een kerker. Zonder deze kristallen vensters zijn al de beloften van God maar woorden zonder kracht. Maar als God door de kristallen vensters die Hij Zelf gemaakt heeft in het woonhuis van ons leven het licht van Zijn aangezicht straalt, dan wordt het licht in het ganse gebouw van onze ziel. Dat licht dat van Gods aangezicht straalt, is zo helder, zo duidelijk, zo zielsverkwikkend, maar ook zo vernederend. Want dan zien we in dat licht dat we zondaren zijn. Dat houdt ons aan de grond. Dat verwringt onze heup, zoals bij Jakob, zolang we in dit leven zijn. Maar dat doet ons ook met een ongekende vreugde, met een hartelijke blijdschap, onze ziel voor God uitstorten.

Maar vensters zijn er ook opdat we erdoor naar buiten mogen zien. Wat kan het verkwikkend zijn als we door onze ramen iets mogen zien van Gods heerlijke schepping. Zo heeft ook het huis dat God bouwt, kristallen vensters om door naar buiten kijken. Onbelemmerd. We mogen zo ver weg kijken dat we vanuit Babel in Jeruzalem mogen zien. Dat we vanuit onze ellende in de hemel mogen kijken. Abraham heeft Jezus gezien. Hij heeft begeerd Zijn dag te zien, staat er, en hij heeft hem gezien. In die ram, die door God daar op de berg Moria beschikt werd als het offer, in de plaats van zijn zoon.

 

O, heeft u ook weleens in de hemel gekeken? Met een oog des geloofs? Daar waar God woont? Dan ben je voorgoed voor de aarde bedorven. Dan kan de wereld je ziel nooit meer helemaal in bezit nemen. Als je eenmaal gezien hebt wat het is, bij God te mogen zijn. Nooit meer te zondigen. Volmaakt te mogen leven. Hem te mogen aanschouwen. Met de heilige engelen te mogen buigen aan Zijn voeten. Door die kristallijnen vensters zo hoog, zo onmetelijk ver te mogen blikken in het vriendelijk aangezicht van Hem, Die ons Zijn liefde gegeven heeft. Wat is dat groot!

 

God belooft verder in deze tekst: ‘Ik zal uw poorten maken van robijnstenen.’ U weet waarvoor een poort dient. Een poort dient om uit te gaan en in te gaan. Welnu, zo is er ook in het geestelijk huis, de tempel Gods, die wij zelf zijn, een uitgaan en een ingaan. God zegt: ‘Ik zal uw uitgang en uw ingang behoeden.’ Daar is contact met God. Een uitgaan en een ingaan door de robijnen poort.

De robijnsteen is een bloedrode steen. En dan spreek ik naar het Woord van God als ik dat verbind met het woord van Jezus Zelf, wanneer Hij spreekt: ‘Ik ben de Deur. Ik ben de Poort.’ Hij is bloedrood. Rood als een robijnsteen. Hij heeft Zich als een stemmeloos Lam gegeven om de Deur der schapen te zijn. Hij is de Poort der gerechtigheid waarvan de dichter zingt, en we doen dat ook samen uit Psalm 118 vers 10:

 

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal ‘t rechtvaardig volk door treên,

Om hunnen God ootmoedig t’ eren,

Voor ‘t smaken Zijner zaligheên.

Ik zal Uw naam en goedheid prijzen;

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,

Door Uw ontelb’re gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

 

Geliefden, Paulus zegt in Hebreeën 10 dat we door het gescheurde voorhangsel een toegang hebben tot het binnenste heiligdom. Daarom is die poort bloedrood. Want de poort waardoor de rechtvaardigen mogen binnengaan, is de poort van Jezus’ gerechtigheid. De poort van het gescheurde voorhangsel. De poort van Zijn doorwonde ziel en van Zijn doorboorde handen. De poort van Zijn doorboorde voeten en van Zijn opengescheurde zijde. Van Zijn met doornen omkranst hoofd. Dat is de poort der gerechtigheid.

Kom, gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, God zegt: ‘Ik zal uw poorten maken van robijnstenen. Die verre zijn’, zegt de Heere, ‘die breng Ik Mijn gerechtigheid nabij en Mijn heil zal niet verre wezen.’

Dat heil brengt God ons nabij als Hij ons, armen naar de geest, brengteH bij dat gezegende kruis. Bij de Man van smarten Die als een lam ter slachting is geleid en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders. Als we zien hoe God onze ongerechtigheid op Hem gelegd heeft en hoe Hij vrijwillig onze overtredingen gedragen heeft, hoe Hij van God verlaten werd, zodat ik nimmermeer van God verlaten zou worden, dan is dat de poort des levens waardoor de gemeenschap met God weer mogelijk wordt, waardoor ik een toegang heb tot God. Daar wordt de poort geopend.

 

O, dierbare Borg, o Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt! Hierin wordt ‘s Vaders liefde tot Zijn afgedwaalde bruid ten top gevoerd. Zijn diepste geheim geopenbaard. God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende, omdat Hij onze zonden op Hem gelegd heeft.

 

Kom, als u tot die bedrukten behoort, waarvan ik zo-even sprak, dan behoort u ook tot degenen van wie God zegt: ‘Ik heb u bloedrode poorten gegeven, poorten van robijnstenen.’ Maak er dan ook gebruik van. Ga daardoor in en uit. Laat dat in het gebed de bodem van uw vrijmoedigheid zijn. Smeek God, hoe hulpeloos u zich ook voelt, om die gerechtigheid. Dan zult u niet beschaamd worden. Want alles wat we in Christus’ Naam van de Vader begeren, zal Hij schenken. Hij zegt: ‘U bent de huisvrouw van Mijn jeugd. En Ik houd het bij u. Ik heb u nog lief. Ik zal Mij weder over u ontfermen. Tot de Lo-Ammi’s, de niet-ontfermden, zal Ik zeggen: Ik zal Mij uwer ontfermen. En tot de Lo-Ruchama’s: Ik zal ze in Mijn arm nemen als de Mijne.’

Door deze Poort, vergeet dat nooit. Ach, we worstelen wat af. Wij zijn vaak wat bezig God te bewegen, opdat Hij zou doen wat wij willen. Maar we vergeten dat er maar één Weg is: door deze Deur ingaan. ‘Ik ben de Deur’, zegt Jezus, ‘de Deur der schapen. Die door Mij ingaat, zal leven.’ En dit is God welbehaaglijk, want anders hebben we geen gerechtigheid voor God, al kropen we, al weenden we tot aan het uur van onze dood toe. Het is niet onze gerechtigheid. Hij is onze gerechtigheid. De Heere, onze gerechtigheid. Omdat er voor Hem geen deur was, daarom is Hij de Deur geworden. Hij is de opening geworden, waardoor zondaren bij Hem kunnen schuilen. Ga dan door die Deur in. Zoek geen andere deuren, want ze zijn er niet.

 

Maar het is ook troostvol voor degenen die de Deur niet meer zien. Die in zichzelf geen enkele opening meer vinden. Die van zichzelf zeggen: ‘O God, ik ben een zondaar. Ik mis mijn doel. Geef mij toch genade.’ Als God die robijnrode poort dan voor ons opent, is het een zalige dag.

Jezus zegt wel: ‘Het is een smalle poort en een enge poort’, maar het is ook een wijde poort. Het is een smalle poort voor degenen die iets anders zoeken tot hun gerechtigheid. Zij kunnen in eeuwigheid niet door deze poort ingaan. Want daar gaat alleen een naakte zondaar naar binnen. Op genade alleen. Voor zo’n naakte zondaar is het een wijde poort, zoals de deur van de voorhof twintig ellen, tien meter, breed was. Daar kan de ellendigste zondaar ruimschoots door. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven, zegt Jezus (Matth. 11:28).

 

‘En Ik zal uw ganse landpalen maken van aangename stenen.’ De landpalen waren de begrenzingen van iemands land. U leest daarover dikwijls in de Bijbel. Landpalen mochten niet verzet worden. Dat wil zeggen: die mag je niet een eindje naar je buurman zetten, want dan steel je grond. Ieder had zijn eigen grond, afgebakend met landpalen. Dat was voor iedereen zichtbaar. ‘Nu,’ zegt de Heere, ‘zo zal Ik uw landpalen maken van aangename stenen.’ Deze aangename stenen worden door de mensen gezien. ‘Ik zal u vrede en licht laten uitstralen en uw vruchten zullen gezien worden.’ Ja, geliefden, dat heeft de Heere gezegd.

 

Uit het vervolg van het hoofdstuk blijkt dat Sion nog steeds door de vijanden benauwd zal worden. Hoort u maar: Zij zullen zich zekerlijk vergaderen. (…) Zie, Ik heb de smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik de verderver geschapen om te vernielen (vers 15-16).

Met andere woorden: ‘Sion, het einde van uw strijd is nog niet in zicht. Vijanden zullen zich tegen u opmaken. Straks komen Tobia en Sanballat en al de andere vijanden om te beletten dat Zerubbabel het huis des Heeren bouwt.’ Maar dan zegt de Heere: ‘De handen van Zerubbabel die dit huis hebben gegrondvest, die zullen het ook voleindigen en de sluitsteen toebrengen met toeroepingen:  Genade, genade zij dezelve!’

‘Nu,’ zegt de Heere, ‘dat zal Ik doen. Daar zal Ik voor zorgen. Want Ik heb de smid geschapen die de kolen in het vuur opblaast.’

Dat vuur kan warm worden en de verdrukking kan onze ziel dreigen te verpletteren, maar God zegt: ‘Ik bepaal de mate der verdrukking en Ik zeg: Tot hiertoe en niet verder. Alle instrument dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere.’

De Heere zegt: ‘Ik zal het aan de vijanden laten zien, dat u een volk bent, tot Mijn dienst bereid, rechtvaardig en heilig, maar dat uit Mij.’

Laten we dat nooit vergeten. O, God geeft ons geen reden om trots op onszelf te zijn. God zal ons hier op aarde zo klein houden, dat het in de waarneming van ons hart voor de meest verloren zondaar nog kan. Daar zal de Heere voor zorgen. We zullen toch een gerechtigheid hebben die schitteren zal boven de glans der engelen.

 

Maar laten we ook niet vergeten: ‘Want de gerechtigheid is uit Mij.’ Dat openbaart de Heere hier soms al ten opzichte van onze vijanden; dat we een volk zijn, oprecht en heilig, door Gods gerechtigheid. Dat zal God straks ten volle openbaren. Dan zal Hij de landpalen van Zijn volk tonen. Dan zal de satan niets meer te zeggen hebben. Dan zullen al onze vijanden onder de voet worden verpletterd. Dan zal ons eigen ik voor eeuwig buiten de landpalen worden weggezonden en sterven. En dan ga ik, de nieuwe mens, de door God naar Zijn beeld geschapen mens, de gelovige, de bedrukte, de door onweder voortgedrevene en de ongetrooste, maar steunende op Zijn gerechtigheid, op tot Gods altaren, tot God, mijn God, de Bron van vreugd. Om dan als een steen in dat Godsgebouw gelegd te worden, dat naar Gods volmaakt bestek in het licht van ‘s Vaders aangezicht voor eeuwig zal stralen in de hemel der heerlijkheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85: 1

 

Gij hebt Uw land, o Heer’, die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

O heilrijk God, weer verder ons verdriet,

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn teniet.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).