Ds. K. de Gier - Handelingen 2 : 4b - 6

De pinksterzegen

Pinksterspraak
Pinksterkracht
Pinkstervrucht

Handelingen 2 : 4b - 6

En begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 45: 1, 2
Lezen : Handelingen 2: 4-21
Zingen : Psalm 138: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 89: 7
Zingen : Psalm 87: 2, 3, 5

Gemeente, de tekst voor onze dienst is uit Handelingen 2: 4b, 5 en 6:

 

En begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

In deze dienst staan wij stil bij: De pinksterzegen.

 

Vanmorgen hoorden wij hoe op de pinksterdag de Persoon van de Heilige Geest uit de hemel neerdaalde op aarde. Het doel was dat Hij zou gaan wonen in het lichaam van Christus op aarde. Christus is als Hoofd van Zijn gemeente onze Voorbidder in de hemel. Maar Zijn lichaam, Zijn lidmaten heeft Hij hier op aarde. Aan hen heeft Hij beloofd dat Hij hen niet zou vergeten, maar dat Hij de Heilige Geest zou zenden Die hen in al de waarheid zou leiden.

Op de pinksterdag werden de apostelen wel in het bijzonder vervuld met de Heilige Geest. We zullen daar in deze dienst nader bij stil staan en daarbij letten op de pinksterzegen, die te vinden is in:

 

1. Pinksterspraak; vers 4b: En begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

2. Pinksterkracht; vers 5: En er waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn.

3. Pinkstervrucht; vers 6: En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

Op de pinkstermorgen vervulde de Heere de discipelen met de Heilige Geest. Zij waren dan wel geen vreemdelingen van het genadewerk van de Geest, maar ze moesten nu verder zonder de nabijheid van de Heere Jezus. Nu Hij niet meer op aarde was, was er in hun harten een leegheid, een gemis, en dat werd vervuld door de komst van de Heilige Geest. Hij zou als Persoon hun harten vervullen.

Christus had tegen hen gezegd: Het is u nut dat Ik wegga (Joh. 16:7). De discipelen begrepen dat nut niet, zij konden het nog niet zien. Zij hadden met Hem gegeten en gedronken, met Hem zoveel zoete, aangename uren ervaren, en toen zei Hij dat Hij weg zou gaan! ‘Ja, Ik zal u Mijn Geest geven, en u zult aangedaan worden met kracht uit de hemel.’

Maar toen de Geest nederdaalde, begrepen zij het pas; toen werden dat gemis en die leegte weggenomen door de volheid van de Heilige Geest. Zij erkenden het en werden zich bewust van de ervaring in hun ziel: de Persoon van de Geest met al Zijn volheid, zoetheid en zaligheid. Zij werden vervuld met de drie-enige God. Het was een voorproef van hoe het eenmaal in de hemel zal zijn voor de gehele Kerk, als allen verzadigd zullen worden met de Heilige Geest en als God alles zal zijn in allen.

 

1. De pinksterzegen in pinksterspraak

 

Toen de discipelen zo vervuld waren, zo lezen wij in onze tekst, begonnen zij te spreken zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Zij waren zo vervuld, dat zij over God en goddelijke zaken begonnen te spreken. Op dat moment kwam er een herstel van wat God eenmaal geschapen had in het paradijs. Toen was de mens vervuld met een drie-enige God. Hij had de mens een stem en spraak gegeven.

Daarin onderscheidt zich de mens van het dier: mensen hebben een stem en spraak hebben gekregen om God te loven, te eren en te dienen. Zo was het in het paradijs. Daar bezong Adam eenmaal als profeet de lof van de Heere, als priester was er liefde in zijn hart en als koning mocht hij heersen over de dieren van het veld. En dat alles mocht hij bezingen.

Maar, gemeente, dat lied zijn wij kwijt. Ja, we zingen wel, maar wat? En hoe? We hebben die spraak nog wel, maar wat zingt de mens? De mens is een vijand van God geworden, in zijn hart is duisternis gekomen. Hij kent God niet meer, maar zingt de lof van zichzelf. De mens zoekt eigen eer en bezingt eigen lof en eigen gerechtigheid. Misschien wel onder het mom van een valse nederigheid, maar het is wel de roem van eigen hart.

 

Maar wat gebeurt er het eerst als God een mens genade gaat schenken? Calvijn heeft er ook al op gewezen. Hij zegt: ‘Dan eren we God: Hij krijgt dan de hoogste plaats, Hem willen we roemen, in waarheid en oprechtheid.’ En zie, dat is ook wat hier bij de discipelen gebeurde, het waren de eerste vruchten van Pinksteren. Zij roemden de machtige daden van de Heere!

Hoe doen ze dat? Wel, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Zij hebben in het verleden wel eens gesproken terwijl ze beter hadden kunnen zwijgen. En ze hebben ook wel eens gezwegen terwijl ze hadden moeten praten. Dat geldt toch voor allen van ons? Ook als we geen vreemdelingen zijn van de genade van God, moet het toch altijd weer een erkenning van schuld en zonde zijn: wij spreken wel eens, maar wij spreken verkeerd en hadden beter kunnen zwijgen.

Of wij houden onze mond wel eens, terwijl wij hadden moeten spreken voor de eer, de Naam en de roem van de Heere. Zo zal de Kerk van God ook altijd weer schuldig en zondig staan, tekortschieten in het eren van God en het prijzen van Zijn Naam. Maar de Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot de God mijns levens (Ps. 42:9).

 

Zo is het ook met de discipelen. Wij weten dat Petrus dingen gezegd heeft die hij niet had moeten zeggen, net als Thomas. Maar nu spreken zij, zoals de Geest hun het gaf uit te spreken. En dan is het altijd zo dat de Geest God verheerlijkt. Zij spreken nu over goddelijke zaken: over Wie God is in de schepping, over Zijn majesteit en grootheid, over de heerlijkheid van de allerhoogste God en Zijn deugden.

Zij worden ermee vervuld dat Hij de Schepper van hemel en aarde is, maar ook, nog groter, dat Hij de Herschepper is in Jezus Christus. Hier komt het moment dat de Kerk van God zo vervuld is met de Heilige Geest, dat de pinksterzegen de schepping zelfs overtreft.

Eenmaal had God de mens zo geschapen, dat hij vol was van God en Hem roemde. Maar in het paradijs was geen zonde, daar was nog geen Christus, nog geen openbaring van het goddelijk welbehagen. Maar nu mogen de discipelen weten wat Christus voor de Kerk heeft willen doen; wat God in Zijn barmhartigheid en in Zijn welbehagen heeft willen doen voor verloren kinderen van Adam, gevallen, schuldig en zondig.

Zij mogen roemen in een drie-enig God. Het is als het ware een begin van de hemel op aarde, waar straks de hemel vol zal zijn van degenen die de lof van de Heere zingen door het werk van Jezus Christus, de Zaligmaker.

 

Zo begonnen deze mensen te spreken zoals de Geest hun gaf uit te spreken. De kanttekeningen zeggen daar nog bij: het Griekse woord betekent: treffelijke zaken (dat betekent: belangrijke, grote dingen) voortbrengen, zoals alleen de Heilige Geest die kan leren. Roemen in God, spreken van de majesteit en grootheid van de heerlijkheid van God.

Het eerste dat God op de pinksterdag deed, was herstellen wat wij in het paradijs in Adam hebben verloren. Hij herstelde de taal en het roemen van de grootheid van de genade van Gods bedieningen, precies zoals de Heere door Zijn Geest te leren geeft.

 

Bij de herdenking van Pinksteren moeten wij er wel aan denken dat het daar in Jeruzalem om een eenmalige gebeurtenis ging, maar dat het ook iets blijvends is. Ik wees er al op: als God de mens genade verleent, dan zal die mens er zelf naast moeten komen te staan. Het is toch immers een belofte van God, Die gezegd heeft: ‘Ik zal maken dat zij een walging aan zichzelf krijgen, en zij zullen God boven alles liefhebben.’

Dat is een belofte waar wij eigenlijk niet zo graag mee van doen willen hebben, maar toch is dat juist de bediening van de Heilige Geest, dat Hij de mens altijd weer afbrengt van zichzelf, zodat hij zich verfoeit vanwege zijn zonden en eigengerechtigheid en zodat hij dan groot en goed van de Heere gaat spreken. Zijn Naam zij eeuwig geprezen! Zo werden daar in die bediening in de spraak van de apostelen belangrijke zaken over God en Zijn werk gehoord.

 

Als het werk van Christus in ons hart komt, dan krijgen de wereldse zaken vaak een andere betekenis. Zij zijn dan niet onbelangrijk, natuurlijk niet, want wij zijn mensen die onze taak in de maatschappij hebben. Maar toch, als de eer en de majesteit van God ons hart vervult in al zijn volheid en zoetheid, dan wordt de wereld toch wel anders. Dan is de wereld maar arm. Dan wordt het, zoals ‘de rijke bedelaar’ zong:

 

Roem, wereld, uw schatten!

Gij kunt niet bevatten

hoe rijk ik wel ben.

‘k Heb alles verloren,

maar Jezus verkoren,

Wiens rijkdom ik ken.

 

Dan komt er ook in het spreken over God een zoetheid, een zaligheid, een volheid die alles wat de wereld ook maar aan schoonheid en kunst te bieden heeft, te boven gaat. Dat is dan niets in vergelijking met die ogenblikken van volle zoetheid en zaligheid als er iets van hemelse volheid, vrede en zaligheid het hart vervult.

 

In de tweede plaats willen wij letten op:

 

2. De pinksterzegen in pinksterkracht

 

Er waren Joden, zo zegt onze tekst, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen en werd beroerd, want, zo staat er, een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

Hier moeten wij goed op letten. Aan de pinksterspraak was ook nog iets anders verbonden: de pinksterkracht. Door de pinksterbediening kwam er een kracht die er vroeger nooit was. Er waren uit de omliggende landen veel mensen naar Jeruzalem gekomen om, zoals gebruikelijk, samen het pinksterfeest te vieren.

De kanttekenaren van de Statenvertaling verwijzen naar Jesaja 43. Dit was namelijk een vervulling van wat Jesaja eenmaal gezegd heeft: de genadebediening zal zijn voor alle delen van de wereld. Door mensen uit alle volken zal Christus eenmaal verheerlijkt worden, want God zal Zijn gemeente hebben uit alle geslachten, talen, volken en natiën.

Nu was het ogenblik gekomen dat het oudtestamentische Jeruzalem werd opengebroken. Jeruzalem werd nu, symbolisch gezien, de moeder van de hele Kerk door alle eeuwen heen, wereldwijd.

 

Er worden hier ook vele volkeren genoemd. Het gaat om Joden die uit de omliggende landen gekomen waren. We moeten er wel op letten dat dit geen heidenen waren. Het waren Joden en Jodengenoten (mensen die in een bepaalde verhouding tot het Joodse volk stonden). Het kunnen afstammelingen zijn van Joden die vroeger verdreven waren door de Assyriërs, de Perzen of de Egyptenaren.

In de periode voor het Nieuwe Testament waren de Joden al verstrooid door Babel, door Assyrië, enzovoort. Het konden ook Joden zijn die vanwege de handel in het buitenland woonden, en die speciaal voor de pinksterdagen naar Jeruzalem kwamen om daar samen met het Joodse volk de oogstfeesten mee te vieren.

Al deze mensen zijn dus bij elkaar vergaderd in Jeruzalem, in de tempel, en als zij dit geweldige lawaai horen, stromen zij weg uit de tempel en gaan naar de discipelen. Straks zal Petrus hier de eerste nieuwtestamentische prediking houden. Maar nu horen al deze mensen die stem, het geluid van een geweldige wind, en een ieder van hen hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

Wij moeten er van uitgaan dat al deze mensen van huis uit zeker wel de toenmalige omgangstaal kenden, het Aramees. Maar daarnaast hadden ze allemaal een eigen taal van het gebied waar zij vandaan kwamen. Nu komt het pinksterwonder hier tot openbaring in de pinksterkracht: de discipelen spreken nu niet in de gewone Aramese taal, ‘maar’, zeggen de mensen,’ wij horen hen allemaal in onze eigen taal spreken.’

Let op, het is geen hoorwonder, maar een spreekwonder. Er zijn mensen die zeggen dat het een hoorwonder was. De discipelen hebben wel gewoon het Aramees gesproken, maar de luisteraars verstonden hen in hun eigen taal. Maar nee, dat staat er niet, het is een spreekwonder geweest.

 

God liet hier iets van de pinksterkracht tot openbaring komen door te herstellen wat eenmaal bij de torenbouw van Babel fout ging. Want waar komt de verscheidenheid in talen vandaan? Door de mens, altijd weer door de mens in zijn zonde. De mensen in Babel wilden een toren bouwen, die reikte tot aan de hemel. Zij wilden groot worden, eenheid zoeken buiten God en zonder God.

Dat wil de wereld nog wel, die eenheid. Maar het is niet een eenheid in de Heere, niet eenheid in de vreze Gods, niet één in de onderwerping aan het Woord van God en ook niet één in het buigen onder Zijn vrijmacht en soevereiniteit, maar het is een eenheid in eigen kracht en sterkte, een eenheid in de mens. Dat zit nog steeds in de mens. Wij weten wat God bij de torenbouw van Babel gedaan heeft: Hij gooide in één keer alles ondersteboven. Ja, dat kan God doen, Hij spreekt en het is er.

Hij kan alle menselijke plannen en beramingen in één ogenblik ondersteboven werpen. En dan blijft er niets van over. De mensen in Babel verstonden elkaar niet meer; dat was de Babylonische spraakverwarring. Zij begrepen elkaar niet meer. Waarom? Wel, omdat zij God verlaten hadden. Dat was de zonde.

Maar nu gaf de Heere weer een teken: Hij herstelde wat de mens in zijn zonde vrijwillig en moedwillig over zichzelf heeft gebracht. Er kwam weer een eenheid bij deze mensen.

Ze kwamen uit het zuiden, het oosten, het westen of waar dan ook vandaan, maar zij hoorden door de kracht van het wonder van genade wat de apostelen zeiden. Zij hoorden hen God roemen en Hem prijzen; zij hoorden hen spreken van Jezus Christus en Zijn genade. Zij hebben dat allemaal in hun eigen taal kunnen horen. Dat was de kracht van het wonder, dat was de breedte van Pinksteren.

 

En nu de muren van Jeruzalem opengebroken zijn, kan het evangelie van daaruit de gehele wereld overgaan. De Heere Jezus had het al tegen de apostelen gezegd: ‘Gij zult aangedaan worden met kracht uit de hoogte.’ In het Grieks staat hier een woord dat wij allemaal kennen: dúnamis, dynamiet, dat betekent ‘kracht’. U zult met ‘dynamietkracht’ worden aangedaan. Wat dynamiet is, dat weten wij! Je kunt het in een berg aanbrengen, laten ontvlammen en dan springt de hele berg overeind. Dynamiet verbreekt alles. ‘Je zult met kracht, met dynamiet, aangedaan worden.’ Wat is die kracht die hier bedoeld wordt? Niets meer of minder dan de prediking van het Woord. De eenvoudige prediking van het Woord, maar met de kracht van de Heilige Geest, want dat is de grootste kracht die er in de wereld te vinden is.

De wereld kent grote krachten: de sport heeft haar spierkracht, en ook op het terrein van de uitvindingen is er geweldig veel uitgevonden. Sommige uitvindingen kunnen wij bijna niet eens begrijpen, denk maar aan wat er allemaal vanaf de aarde de ruimte in wordt gezonden. Maar er is nooit een menselijke uitvinding geweest die zo groot is dat hij een verloren mens tot zaligheid kan brengen. Een kracht, zo sterk dat hij een vijand tot God kan bekeren. Een dergelijke kracht is er niet, en zal er nooit komen, dan alleen de kracht die God door Zijn Woord en Zijn Geest openbaart.

 

De apostelen worden nu met kracht aangedaan, zodat later, als zij als eenvoudige Galilese mannen heengaan om te prediken, de Geest met hen zal zijn. In de volgende hoofdstukken van Handelingen lezen wij dat dan ook: ‘En de Geest werkte mee.’ Dat Woord van God, die kracht van de Heilige Geest, is het dynamiet dat stenen harten kan verbreken en verbrijzelen. Later zou die kracht vanuit Jeruzalem de hele wereld doorgaan, en God zou Zijn Kerk hebben van mensen uit alle geslachten, talen, volken en natiën.

Deze eenvoudige predikers, wat hadden die nu te doen? Wel, zij moesten het Woord van God preken en de Heere werkte mee. Zo kan dat Woord zo’n wondere werking hebben, dat een Saulus van Tarsus erdoor op de grond terechtkomt, met al zijn vijandschap en met al zijn haat! Alle uitvindingen en alle technieken die er zijn (en er zijn er heel wat), al die technieken kunnen een mens niet tot God bekeren, niet uit Adam verlossen en in Christus overbrengen. Maar dat kan wel door het Woord van God met de kracht van de Heilige Geest.

Daarom zeiden deze mensen in Jeruzalem: ‘Wij horen hen allemaal in onze taal spreken!’ De Heere liet het Woord verstaanbaar maken in de talen van alle volkeren. En daar zijn wij nu nog mee bezig, nog altijd gaat dat Woord verder. Nog altijd stuurt God de zendelingen uit naar volken die Zijn Woord nog niet gehoord hebben. (Dat is dan ook de reden dat we tijdens de pinksterdagen de goede gewoonte hebben een collecte voor de zending te houden.)

 

Hier zien wij hoe de gebrokenheid van de mens, die hij zelf heeft veroorzaakt, hersteld werd. Dat was en is de kracht van Pinksteren: wat er bij de torenbouw van Babel kapot is gegaan, werd nu hersteld. De spraakverwarring werd nu een eenheid. Zo is die wonderlijke kracht. Waar wij ook vandaan komen, of wij nu een Nederlander zijn, of uit Amerika, Afrika of waar dan ook vandaan komen, als God ons bekeert, dan gaan wij elkaar verstaan.

Wij verstaan elkaar in onze verlorenheid, dat wij zondige, schuldige mensen zijn, dat onze ziel gescheiden is van God. Dan wordt de nood van de eeuwigheid op het hart gedrukt en komt er een gebed tot God: ‘God, wees mij arme zondaar genadig!’ Dan begrijpen wij allemaal dat de genade van de hemel moet komen; dat genade een vrije, toepassende kracht van de Geest is, van Christus. Maar wij gaan ook begrijpen wat Christus gedaan heeft voor een verloren mens, voor zondige mensenkinderen. Hier begint de ware blijdschap en vreugde in de Heere.

 

God heeft van het oudtestamentische Pinksteren nu een nieuwtestamentisch pinksterfeest gemaakt. Het oudtestamentische Pinksteren was een oogstfeest. Tussen Pasen en Pinksteren werd er op de akkers gewerkt, hard gewerkt, maar met Pinksteren mochten de mannen en vrouwen die op de akker gewerkt hadden, rusten. De arbeid was gedaan. Zij mochten, zo staat er, met blijdschap en vreugde naar Jeruzalem gaan.

Zij mochten daar in de stad van de grote Koning komen, want het pinksterfeest moest een feest van vreugde zijn. God had de oogst gegeven en nu mochten zij zich in de Heere verblijden. Als teken van vreugde, blijdschap en dankbaarheid werden twee broden van de eerste oogst aan de Heere aangeboden. Ook hier is de symboliek te zien.

De kerk heeft vreugde en blijdschap, want de muren van Jeruzalem zijn opengegaan. Vanuit het Joodse volk zou het evangelie uitgezonden worden naar andere volken. Daarom mogen wij nu vandaag hier in de kerk zitten. De Heere heeft het evangelie ook onder ons gebracht, ook hier laat Hij het Woord nog prediken.

 

Zeker, er is ook droefheid als wij terugzien op wat God allemaal voor ons land en volk gedaan heeft in de afgelopen eeuwen, en als wij dan zien hoe wij als volk en natie dat evangelie weer vertrappen. Ik moet dan wel eens aan Luther denken.

Luther heeft dat ook eens gezegd over Duitsland, in 1524, tijdens de dagen van de reformatie. Hij zei: ‘Gods Woord en genade zijn als een voorbijtrekkende plasregen die niet weerkeert waar hij eenmaal geweest is. En u, Duitsers, moet niet denken dat u hem eeuwig hebben zult, want ondankbaarheid en verachting zullen hem ook bij u niet doen blijven. Daarom, wie grijpen en houden kan: grijp toe en houd vast!’

 

Toch wil de Heere Zijn Kerk op aarde in stand houden, want ook op de oordeelsdag zal God een Kerk op aarde hebben. Maar Hij kan de Kerk wel verplaatsen, van de ene plek op aarde naar een andere plaats. Wat is er overgebleven van de zeven gemeenten in Klein-Azië? Maar er is nog steeds een Kerk op aarde, en die zal er altijd zijn, ondanks de strijd. Dat is de kracht van de Heilige Geest; het werk van satan, de vijandschap, de wereld, het wordt altijd overwonnen. Dat is die wonderlijke kracht, zodat de Heere op de dag van Zijn genadige bediening toch een vrijwillig volk heeft. Een volk dat de Heere zal dienen, die samen zullen instemmen om de Heere te prijzen en te loven in de dankbaarheid van de verlossing.

 

Zo werd daar in Jeruzalem de kracht van de Pinkstergeest geopenbaard, zodat straks door de eeuwen heen mensen, van waar zij ook komen en wie zij ook zijn, samen zullen komen om God te prijzen. Wat een symboliek: uit alle volken van de aardbodem zal God Zijn volk hebben.

 

We gaan nu eerst samen zingen uit Psalm 89, daarvan het zevende vers.

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

 

Het derde wat wij in onze tekst willen lezen, is dat er ook pinksterzegen in pinkstervrucht is.

 

3. De pinksterzegen in pinkstervrucht

 

De heilsfeiten zijn gebeurtenissen die éénmaal in de Bijbelse tijd hebben plaatsgevonden. Dat geldt ook voor het heilsfeit van Pinksteren, met zijn bijzondere, uitwendige tekenen. Maar de vrucht ervan is blijvend. Ook dat zien wij hier. Waar de Heilige Geest neerdaalt, is vrucht. Laten wij alleen wel opletten wat voor vrucht er is. Wij moeten goed onderscheid maken tussen het algemene werk van de Heilige Geest (dat niet zaligmakend is) en het bijzondere, zaligmakende werk.

 

Er zijn een soort opwindende werkingen zoals bij bepaalde pinkstergemeenten te vinden zijn, extatische opwindingen die niets meer met God en de Heilige Geest te maken hebben. Maar er zijn ook zaligmakende bedieningen, en dat zien wij hier. Want wat lezen wij? De menigte kwam tezamen en werd beroerd.

De kanttekeningen zeggen: zij werden verward. Er was een verwondering over deze vreemde zaak. Dit waren toch eenvoudige Galilese mannen, die hun eigen taal spraken? Wij zouden zeggen: zij hebben nog niet eens fatsoenlijk Nederlands gesproken. Maar nu horen wij hen in onze eigen talen spreken! Dat was hun verwondering, dat was hun verwarring. Deze eenvoudige Galileërs spraken talen die zij nooit geleerd hadden, waarvan zij geen grammatica bestudeerd hadden, maar die zij zomaar vlotweg spraken. Er kwam een verwarring, er kwam een verwondering over het wonderlijke dat daar plaatsvond.

 

Ja, zo gaat het altijd. Als God bijzondere daden verricht in de genadebediening, als Hij een goddeloos mens uit de wereld haalt en die wordt vervolgens een godvruchtig christen, wel, dan is er bij de wereld ook wel eens verwondering. Hoe is het mogelijk? Hoe kan iemand die nooit theologie gestudeerd heeft zo spreken over God en goddelijke zaken?

Let wel, deze Joden waren godvruchtige mannen. Godvruchtig, dat wil zeggen: zij waren onderwezen in de wet, zij leefden nauwgezet naar de wet van Mozes, ijverig, zoals ook Saulus van Tarsus ijverig naar de wet leefde.

En nu horen zij opeens die Galileërs spreken over God en goddelijke zaken? Hoe kan dat? Zij hebben geen theologie gestudeerd, zeggen de mensen dan, zij zijn niet naar school geweest, en toch zo over God spreken?

Dan kan er een verwondering zijn, maar, gemeente, verwondering kan ook zo weer voorbij zijn. Morgen is er wel weer wat anders waar wij ons over verwonderen. Zo kan iemand ook wel eens onder de indruk zijn in zijn geweten, een verwondering over het genadewerk van God, en toch… het is zo weer voorbij. Het is niet zaligmakend. Wij kunnen onder de indruk zijn, misschien op een ziekbed. Als een mens op het ziekbed ligt, dan bidt hij, God helpt, maar… het is zo weer voorbij. Het is maar tijdelijk – het is niet zaligmakend.

 

Maar het kan ook anders zijn, zoals hier op deze pinksterdag. Bij anderen openbaarde zich ook een vrucht, maar op een andere manier, namelijk in vijandschap en haat. Dat lezen we in vers 13: En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoete wijn. Daar hebt u nu de mens die zijn geweten afsluit voor God, die moedwillig alles wegschuift wat van God is en die met Hem niets te maken wil hebben. Spotten, dat is altijd de tactiek van de duivel, om zich er met een paar spottende opmerkingen vanaf te maken.

Zij zijn vol zoete wijn. ‘Ze zijn dronken, het is dronkenmanstaal.’ En de duivel heeft dikwijls meer succes dan wij denken, omdat wij zo graag nog naar zijn woorden luisteren. Spotten, en de spottende zucht, dat is meestal ook de eerste trap, zo kan de duivel dat doen, naar de zonde tegen de Heilige Geest. U weet het, alle zonden kunnen vergeven worden, behalve die ene zonde, de zonde tegen de Geest. Spotten, dat is moedwillig alles wegschuiven als het geweten ons gaat aanklagen.

 

Is dat nu alles? Nee, gelukkig niet, want in vers 37 staat ook nog wat anders: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? Dat was de vrucht op het woord dat Petrus sprak.

Want toen Petrus hier preekte, zei hij de volle waarheid: ‘Jullie hebben je eigen Messias aan het kruis gehecht! Maar er is nog genade voor verloren zondaren.’ En wij weten het: op die ene preek kwamen drieduizend mensen tot bekering. Deze mensen werden verslagen in het hart, zo staat er. Letterlijk wil dat zeggen dat zij met een zwaard in het hart werden gestoken.

Dat was de kracht van God. Als die met het Woord meekomt, dan gaat dat Woord als een zwaard het hart in, dan wordt de mens verslagen, verbrijzeld, verbroken. Maar dan staat er van deze mensen: zij namen het woord van Petrus aan. Zij hadden geen kritiek meer op het woord van Petrus, nee, zij werden verslagen en verbroken en zij vroegen aan hem: ‘Wat moeten wij doen? Is er nog mogelijkheid tot behoud?’

Zij weten dat zij het zelf niet kunnen aanbrengen, maar ze bidden erom. Zij zeggen niet, zittend met de armen over elkaar: ‘Als God een mens bekeert, dan gebeurt dat wel.’ Nee, zij roepen uit benauwdheid tot de Heere en zij nemen het woord van Petrus aan: God is ook genadig en barmhartig.

 

‘En ze werden gedoopt’, staat er, en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drieduizend zielen. Ook hier moeten wij weer opletten dat het om het bijzondere heilsfeit van Pinksteren gaat. Er wordt wel eens gezegd: Bij Petrus werden er op één preek drieduizend mensen bekeerd, maar nu wordt er op drieduizend preken geen mens bekeerd. Met dat soort uitspraken moeten we voorzichtig zijn, want God doet naar Zijn welbehagen. Maar wij mogen hier toch de vrucht van de genade zien.

De bediening van de Heilige Geest was hier te vinden, bij deze mensen die het Woord graag aannamen. De Geest leerde hen hun eigen verlorenheid kennen, hun diepe schuld en zonde, de erkenning van hun straf, maar Hij leerde ook dat er genade is bij Jezus Christus in Zijn verse en levende bloed. Door de toepassing van de Geest mochten deze mensen hun hand leggen op dat offer en zij werden gedoopt. Dopen betekent hier ook: zij deden belijdenis, werden bevestigd in de genade van de Heere Jezus Christus en namen Hem als hun nieuwe Koning aan.

Zo zien wij hoe hier de vrucht van Pinksteren te vinden was, de zaligmakende vrucht. En al zal er veel zijn dat die naam ook heeft, maar het niet is, dat zal straks wegvallen. God zal toch altijd door Zijn genade een Kerk hebben, door de bediening van de Heilige Geest.

 

Wat was het kenmerk van deze mensen? Wel, het waren godvruchtige mannen, staat er in onze tekst. Toch moesten deze godvruchtige mannen ook tot God bekeerd worden. Dat geldt voor ieder mens in de wereld: iedereen moet wedergeboren worden. Dat geldt ook in de kerk. Ook wij moeten wedergeboren worden.

Deze godvruchtige mannen leefden ijverig naar de wet van Mozes, naar al de inzettingen, maar toen Petrus begon te preken, stak de Heilige Geest hen in hun hart. Toen begrepen zij dat ook Joden en Jodengenoten verloren adamskinderen zijn, dat zij met het verbond en de uiterlijke verbondsbediening alleen niet de zaligheid hadden. Nee, zij moesten verloren adamskinderen worden. Dat is nu de vrucht die de Heere door de pinksterbediening zal geven.

 

Maar Gods Woord zegt ons ook dat wij voorzichtig moeten zijn met die vrucht. Er zijn algemene bedieningen van de Heilige Geest die het geweten kunnen raken, die de mensen kunnen laten zien dat het ernst is, maar toch komt men niet tot een ware erkenning van schuld en verlorenheid en een droefheid naar God. Dat zijn mensen die met een geopend geweten naar de eeuwigheid lopen, maar toch verloren gaan. Ik zeg u dat tot waarschuwing. Zij gaan verloren, omdat zij nooit de verlorenheid ervaren hebben met de droefheid naar God.

Zij zijn nooit met God in rekening gekomen. Hebben nooit erkend dat God van Zijn kant recht heeft en dat zij straf moeten ontvangen.

 

Er zijn helaas óók veel mensen die moedwillig hun geweten afsluiten: spottende mensen. Ik heb u gezegd dat het één van de trucs van de satan is om met spot en onverschilligheid het geweten dicht te schroeien voor de eeuwigheid. Die mensen zijn er ook ontzaglijk veel. Straks zullen zij het weten, want er staat in Psalm 2 dat de spotter straks verschrikt zal zijn, en de vloeker zal het straks weten als Christus komt. Zij zullen proberen het oordeel van Christus te ontgaan door te roepen: ‘Bergen, valt op ons, heuvelen, bedekt ons,’ maar dan kunnen zij niet vluchten.

 

Zo begon God de Heilige Geest. Hij riep verloren mensen, maar wel verloren mensen die naar God gingen roepen, zoals deze mensen. Zij zeiden tegen Petrus: ‘Wat moeten wij doen om zalig te worden?’, want de nood van de eeuwigheid was op hun hart gekomen. ‘Wel,’ zei Petrus, ‘geloof in de Heere Jezus Christus. Dat is de liefde van de Zaligmaker: jullie hebben Hem aan het kruis gehangen, maar Hij wil ook vijanden brengen tot verwondering.’ Dat zal ook een eeuwige verwondering zijn voor de Kerk van God, want al hebben wij niet letterlijk met de Joden meegedaan, wij hebben wel allemaal Christus mee aan het kruis geholpen. Dan worden ook wij schuldig en zondig. Maar dan ontfermt Zich God over de ellendigen en de nooddruftigen. Dan wil de Heere nog zeggen: ‘Ken Mij in al uw wegen.’

Zo is er vrucht van de genade door de Heilige Geest. Zij werden gedoopt, dat wil zeggen: zij deden belijdenis, zij erkenden in het openbaar Wie hun Koning was geworden. Zij wilden het koningschap van Christus erkennen, en dat zou vele gevolgen hebben en met vervolging gepaard gaan. Maar toch hebben zij Hem als Koning erkend. En wie Hem hier in waarheid als Koning erkennen, die zal Christus ook als Zijn onderdanen erkennen. Dat is de troost en de kracht van de Heilige Geest voor de Kerk van God.

Eenmaal zal Christus zijn Kerk op aarde verlossen uit deze wereld en brengen in de toekomende. Dan zal het pinkstervolheid zijn in de hemel. Er zullen geen tranen meer zijn, er zal geen ‘ten dele’ meer zijn, er zal geen oude mens meer zijn met zijn zonde, maar allen zullen zij God drie-enig toebrengen: lof, aanbidding en dankzegging, van nu aan, tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 87: 2, 3, 5

 

Men spreekt van u zeer herelijke dingen,

O schone stad van Isrels Opperheer!

’k Zie Rahab, Ik zie Babel, tot uw eer,

Bij hen geteld die Mijne grootheid zingen.

 

De Filistijn, de Tyriër, de Moren,

Zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht;

Van Sion zal het blijde nageslacht

Haast zeggen: ‘Deez’ en die is daar geboren.’

 

Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;

Dan zullen daar de blijde zangers staan,

De speelliên op de harp en cimbel slaan,

En binnen u al mijn fonteinen wezen.