Ds. K. de Gier - Handelingen 2 : 1 - 4a

Het heilsfeit van Pinksteren

Een vervulde dag
Een vervuld huis
Vervulde harten

Handelingen 2 : 1 - 4a

En als de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 12, 14
Lezen : Handelingen 2: 1-11
Zingen : Psalm 68: 3, 4, 7
Zingen : Psalm 147: 1
Zingen : Psalm 43: 3, 4

Gemeente, vanmorgen willen wij het heilsfeit van Pinksteren overdenken aan de hand van de woorden uit Handelingen 2 vers 1 tot het eerste gedeelte van vers 4:

 

En als de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest.

 

Wij hebben samen uit Psalm 68 gezongen:

 

Een milde regen zondt G’, o Heer’,

Op Uw bezwijkend’ erf’nis neer.

 

Al in het Oude Testament, dus onder de oude bedeling, was dit een teken en voorafschaduwing van de uitstorting van de Heilige Geest. De hemelen dropen en vanuit de hemel daalde een milde regen van manna neer op het volk Israël dat in de woestijn verbleef. Zo kon het opnieuw versterkt en bemoedigd worden om de pelgrimstocht voort te zetten. Maar zoals het volk Israël in de woestijn versterkt moest worden, zo heeft de ook Kerk het werk van de Heilige Geest nodig bij aanvang en voortgang en dat herdenken wij vanmorgen als wij stilstaan bij de pinksterdag.

 

Gedurende het jaar herdenken wij meerdere heilsfeiten. Op de kerstdag herdenken wij het werk van de Vader, Die Zijn Zoon deed geboren worden in de kribbe van Bethlehem, de Immanuël, ‘God met ons’. Met Pasen herdenken wij het werk van de Zoon, het vleesgeworden Woord, Die voor Zijn Kerk is opgestaan uit de doden.

Op Hemelvaartsdag herdenken wij de hemelvaart van Christus. Op de pinksterdag herdenken wij het werk van de Heilige Geest, Die Zich door de Vader en de Zoon heeft laten uitstorten, zodat ook de noodzakelijke toepassing aan de Kerk geschonken zou worden.

Met Kerst, Pasen en Hemelvaart vinden wij de heilsfeiten van dat wat Christus voor Zijn Kerk gedaan heeft, buiten ons. Maar het is noodzakelijk dat het werk van Christus door toepassende genade kracht zal krijgen in het hart van zondaren. Dat is het heilsfeit van Pinksteren. Het is het laatste heilsfeit, maar evengoed onmisbaar! Wat zou het zijn als Christus wel geleden had en gestorven en weer opgestaan was, maar er was geen Heilige Geest door Wie wij de toepassing zouden ontvangen? Wij zouden dan wel heel arm en verloren zijn. Dan zou de hele wereld onder het oordeel liggen. Er zou geen erfenis zijn die, als zij mat geworden is, weer versterkt kon worden door de toepassing van de Heilige Geest.

 

Daarom is ook dit laatste heilsfeit onmisbaar. Eigenlijk is het allemaal één werk van het welbehagen van de Vader. Hij deed dit doordat Zijn Zoon de zaligheid kon verwerven, maar door de toepassing van de Heilige Geest maakte Hij daarvoor plaats. Het is die Geest van Christus, van Wie Hij zelf zei: Ik zal Mijn Geest u geven en Die zal u overtuigen van zonde en van gerechtigheid.’

Hij zal ons overtuigen dat wij zondaren zijn voor God, maar Hij zal ons ook overtuigen van gerechtigheid – de gerechtigheid die God in Christus aangebracht heeft en het heil dat Hij voor zondaren verworven heeft. Dat is het werk van de Heilige Geest, en over dat werk staat geschreven dat zonder de kracht van de Heilige Geest niemand in waarheid kan belijden dat de Heere Jezus de Zaligmaker en Verlosser is.

Wat voor de andere heilsfeiten geldt, geldt dus evengoed voor Pinksteren: het is de grondslag voor de Kerk; het zijn de heilsfeiten waarop haar zaligheid is gebouwd. De vrucht daarvan wordt aan de Kerk geschonken en juist daarvoor is de Heilige Geest gegeven. Daarom heeft het pinksterwonder plaatsgevonden. Wij zullen daar vanmorgen dan ook bij stilstaan: Het heilsfeit van Pinksteren.

 

En als het over dit heilsfeit gaat, bepalen wij ons bij drie punten:

1. Een vervulde dag, want zo staat er dat de dag van het pinksterfeest vervuld werd (vers 1).

2. Een vervuld huis, want zo staat er: En vervulde het gehele huis waar zij zaten (vers 2).

3. Vervulde harten, want er staat: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest (vers 4).

 

1. Een vervulde dag

 

Lukas begint zijn beschrijving van het pinkstergebeuren met de woorden En als de dag van het pinksterfeest vervuld werd. Eigenlijk staat erin het Grieks: ‘En als de dag van het Pinksteren vol werd.’ De volheid van de tijd was aangebroken voor dit heilsfeit. Er was niet alleen een ‘volheid van de tijd’ voor de geboorte van de Zaligmaker, toen het moment aanbrak dat Christus in de kribbe van Bethlehem gelegd werd, maar er was ook een ‘volheid van de tijd’ voor Pinksteren, toen de Heilige Geest uitgestort werd te Jeruzalem.

Dat gebeurde op het moment dat God in Zijn welbehagen had bepaald. Hij bepaalt de tijd. Het valt voor ons lang niet altijd mee om daaronder te buigen en dat over te geven aan de Heere. Maar juist degene die zich onvoorwaardelijk voor God mag buigen in het stof, kan daar wel eens blij mee zijn, dat juist Gód de tijd bepaalt.

Het welbehagen van God gaat door de hand van Christus voort op de tijd van Zijn welbehagen. Die tijd is nooit te vroeg en nooit te laat. Wij doen wel eens dingen te vroeg – op het moment dat wij het nog niet hadden moeten doen. Wij doen ook wel eens iets te laat – eigenlijk hadden wij dat dan eerder moeten doen. Maar bij God is dat niet zo. God doet alles op Zijn tijd naar Zijn welbehagen. En zo vinden wij ook hier dat de tijd vervuld was naar Gods welbehagen: de dag van het pinksterfeest in Jeruzalem was aangebroken.

 

Op weeszondag, de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, staan wij stil bij de discipelen die biddend bijeen waren in Jeruzalem. Na de hemelvaart waren zij daarheen teruggekeerd in verwondering, maar ook in de verwachting op de uitstorting van de Heilige Geest. Zij wisten alleen niet wanneer dat zou zijn. God had het in Zijn raad vastgesteld en op dat moment kwam het dan ook. Wat kan dat een reden van blijdschap zijn voor de Kerk van God als wij er helemaal buiten mogen staan. Dan blijft alleen nog maar over, zoals Jesaja mocht profeteren: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes. 46:10). Wat kan dat voor Gods kinderen een ogenblik van vrede en gerustheid zijn. De Heere alleen regeert.

 

Nu was dus het moment van het pinksterfeest aangebroken. Het was de tijd waarin de beloften werden vervuld. Door de profeten was al gesproken over de komst van deze pinksterdag. Wij hebben het samen al gezongen uit Psalm 68. Wat hebben de profeten vaak gesproken over de Heilige Geest Die zou komen en Die in al de waarheid zou leiden. En Christus Zelf heeft het gezegd: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid (Joh. 14:16). Welnu, op Gods tijd en naar Zijn welbehagen werden de gebeden verhoord. De tijd van Pinksteren was vervuld.

 

Als Lukas hier zegt dat ‘de dag van het pinksterfeest vol was geworden’, dan wijst hij hier op de tijd die tussen Pasen en Pinksteren verlopen was. Het was zo dat de Joden op deze twee feesten eerstelingen van de oogst moesten brengen aan de Heere. Met Pasen brachten zij een eerste schoof naar de tempel als teken van het begin van de nieuwe oogst. Met Pinksteren moesten zij als eerstelingen van de oogst twee tarwebroden brengen die ook weer als beweegoffer in de tempel geofferd zouden worden.

Om dat te doen moest de Israëliet de dagen tellen: vijftig dagen om precies te zijn. Elke morgen moest hij zijn knieën buigen en de Heere bidden of de groene garf, de eersteling van Pasen, straks zou mogen worden tot de eersteling van de volle oogst, de tarwebroden die naar de tempel moesten worden gebracht.

 

Hierin is nu ook onderwijs voor ons. Waar moet de toepassende kracht van de pinksterbediening vandaan komen? Wel, wij hebben het Manna des Levens, de Heere Jezus Christus nodig. Hij is de Eersteling der doden geworden. Hij is opgestaan uit de doden, opdat wij Hem zullen aanroepen om Zijn genade, opdat Hij uit de hemel de Heilige Geest zou schenken. Ook wij hebben de Geest nodig in toepassende kracht. Wat zouden wij anders moeten beginnen? Denkt u dat het uit uzelf zou kunnen komen? Van uw rechtzinnigheid, uw gereformeerdheid, uw deugden en goede werken? Als God ons laat zien hoe het daarmee gesteld is, dan is alles bedorven, zwart en somber. Wij kunnen dan alleen nog maar zeggen met Psalm 130: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps. 130:3)

Zeker, de mens bouwt wel eens op eigen rechten; hij wil wel eens komen met zakken vol geloof, maar als God ons iets van Zijn heilige wet leert in de toepassende kracht van de Heilige Geest, dan blijft er alleen maar een zwarte ziel over: schuldig, zondig, verloren aan alle kanten tegenover God. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat. Maar in de hemel is er het levende Manna. Daarvandaan moet het komen, en daarvandaan komt de toepassende kracht ook altijd weer. Psalm 36 zegt het: Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht (Ps. 36:10).

 

De uitstorting van de Heilige Geest was Gods werk, maar het ging niet buiten het gebed om. Zo is het nog altijd. Het genadewerk is een vrijmachtig, soeverein werk van God: Hij is volkomen vrij in Zijn handelen. Wij moeten dat wel goed begrijpen: als er iets van ons bij moet komen, gaat het mis. Maar aan de andere kant: het gaat óók niet buiten de middelen om. God wil ook daardoor werken. Zo waren ook de discipelen bíddend bij elkaar. Zij zagen uit naar de komst. Zo geldt het ook voor ons. Ook nu moet er om de Heilige Geest gebeden worden en ook wij moeten leren die toepassende kracht van de Heilige Geest te verstaan.

 

Toen ‘de dag van pinksterfeest vol geworden was’, op de tijd die was bepaald, toen behaagde het de Heere om deze oudtestamentische pinksterdag te gebruiken voor de nieuwtestamentische, die wij vandaag mogen gedenken. Wanneer de Joden de eerstelingen van de volle oogst naar de tempel brachten, was dat voor hen een dag van blijdschap. De mannen en vrouwen die tussen Pasen en Pinksteren op het land gewerkt hadden, moesten nu van de akkers naar Jeruzalem gaan, waarbij ze vol blijdschap manden met vruchten moesten meebrengen.

Zo moet ook de Kerk bezig zijn om gedurig weer biddend uit te zien naar de komst van de Heilige Geest. Kom, Heilige Geest, kom neer, vanuit Jezus Christus, de Fontein van het leven! Daar alleen is de bron waar het vandaan moet komen. Zo is het telkens weer en zo leert de Heere het Zijn kinderen op de leerschool van genade. Dan zeggen zij wel eens: ‘Heere, als ik naar de wereld kijk, dan is er niets te verwachten. Maar als ik naar de hemel kijk, dan kan het alleen maar meevallen, want daar is Christus, daar kan de Heilige Geest uitgestort, toegepast en bediend worden. Daar is het zaligmakende werk.’

 

Zo was de dag ‘vol’ geworden en mocht de Kerk het nieuwtestamentische pinksterfeest ontvangen. Het tweede waar wij ons bij bepalen is:

 

2. Een vervuld huis

 

Want er staat in vers 2: En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten.

 

Of de discipelen daar alleen waren of dat de honderdtwintig anderen er ook al bij waren, weten wij niet, daar is verschil van mening over. Maar eigenlijk doet het er ook niet toe; allen die er moesten zijn, waren er. Zij zullen op het oudtestamentische pinksterfeest naar de tempel zijn opgegaan. De nieuwtestamentische kerk had nog geen kerkgebouw. Zij hadden niets dan alleen de opdracht: ‘Ga naar Jeruzalem en blijf daar, totdat u met kracht aangedaan zult worden uit de hoogte.’ En zij waren gegaan.

Dat was de vrucht van Hemelvaart: gehoorzamen, ook al gaat de weg anders dan wij denken. Het zou voor de discipelen misschien prettiger geweest zijn als de Heere Jezus had gezegd: ‘Ga maar naar Galilea en blijf daar maar wachten.’ Maar nee, zij moesten naar Jeruzalem, naar die moordstad, tussen de vijanden.

Er zijn ook wel eens opdrachten die wíj graag van de Heere zouden willen ontvangen, die wíj graag zelf zouden bepalen, maar in dit opzicht is God vrijmachtig en soeverein. Hij vraagt gehoorzaamheid in het volgen van de Heere, om ook als Kerk van God in de voetstappen van Christus te gaan. Ook al zouden we liever andere dingen doen. Maar de Heere zegt: ‘Volgen’.

 

Ook de discipelen hadden dat gedaan, zij waren gehoorzaam. Zij waren daar, zoals er staat, eendrachtig bijeen. Dat is toch een bijzonder gebeuren, als mensen eendrachtig bijeen zitten. Het waren toch ook maar mensen met verschillende karakters. Het waren wel mensen met genade, maar zij hadden ook hun eigen karakter.

Petrus was zo anders dan Johannes en dan Thomas. Maar hier waren zij één. En weet u waarom? Omdat zij allemaal klein waren en op hun knieën in het stof lagen. Zij hadden allemaal één ding gemeenschappelijk: zij zagen uit naar de hemel. En als wij zo bezig zijn, dan gaan wij de dingen heel anders zien, dan ergeren we ons niet meer aan karakterfouten van anderen.

Nee, zij waren met één ding vervuld. Zij waren arm in zichzelf, maar biddend aan de troon van de genade, terwijl zij wachtten op de toepassing van de belofte: ‘Ik zal u de Heilige Geest geven en Die zal u in alle waarheid leiden en gij zult met kracht aangedaan worden uit de hoogte.’ Dat is die eendracht waarbij Christus de hoogste plaats inneemt in de harten. Zij wisten niet wanneer het zou gebeuren, maar zij moesten alleen maar gehoorzamen en wachten op de tijd die door God bepaald was. En dat deden zij dan ook.

 

Maar toen kwam het ogenblik van de vrijmacht van God. Er staat dat het hele huis vervuld werd. Het waren de zichtbare tekenen die bijzonder bij het pinkstergebeuren werden geopenbaard. Maar waarom waren er die uiterlijke tekenen van het bulderen van de wind en het neerdalen van die brandende tongen?

‘Wel’, zegt Calvijn ergens zo eenvoudig, ‘omdat wij zo duister zijn van ons hart; omdat wij het genadeleven van de Geest niet meer kennen; omdat de Geest voor ons verborgen is. Wij hebben wel ogen, maar dat zijn wereldse ogen. Wij zien wel de dingen van de wereld, daar zijn we vol van, maar we zien niet de dingen van Gods Koninkrijk, wij zijn daar blind voor. Daarom,’ zegt Calvijn, ‘laat God de Heilige Geest met deze tekenen van wind en vuur neerdalen.’ ‘Omdat,’ zo zegt Calvijn in de Institutie, ‘wij net zijn als mollen die in de grond kruipen, past God Zich aan onze donkerheid aan.’

 

Nee, zo was het niet in het paradijs. Wij moeten God hier niet de schuld van geven, maar wij moeten onszelf de schuld geven. In het paradijs was het licht. Daar waren deze middelen niet nodig, daar stond de mens met het beeld van God versierd, daar kende hij de drie-enige God, daar wandelde hij met de Heilige Geest in zijn hart. Maar door de zondeval zijn wij in de duisternis gekomen.

Maar nu is er de grote goedheid en barmhartigheid van God. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. God past Zich aan, net zoals Hij dat bij Thomas deed. ‘Thomas, je hebt gezegd dat jij je handen wilt leggen in de tekenen. Thomas, doe het maar.’

Zo zei Hij nu als het ware: ‘Nu kom Ik om het werk van de Heilige Geest te laten zien en te laten horen.’ De Geest in Zijn Godheid is niet zichtbaar voor onze natuurlijke ogen. En voor ons ook niet hoorbaar voor onze natuurlijke oren. Maar toen kwam God daar in Jeruzalem plotseling met de tekenen: een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind, en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur. Het waren middelen die God gebruikte om het werk van de Geest en de toepassing ervan te laten zien. Zo zou de Heilige Geest nu zijn in het toepassende werk dat nodig is, opdat Christus door het geloof in onze harten gekend zal worden.

 

Wat gebeurde daar? Wij moeten ons voorstellen dat de discipelen in één van de bijgebouwen van de tempel zaten. De tempel was een groot complex. Rondom de eigenlijke tempel waren allerlei bijgebouwen en vergaderzalen. In één van deze zalen waren de discipelen bij elkaar, samen biddend, toen daar plotseling het geluid van die geweldige wind kwam, en die vurige tongen verschenen.

En wat gebeurde er toen? De duizenden mensen op het plein kwamen in beroering. De tempel liep leeg, de discipelen werden omringd door al die mensen die zich afvroegen: ‘Wat gebeurt hier?’

De tempel liep leeg, de mensen hoorden het geluid, zij zagen daar de vurige tongen en gingen naar de discipelen. Zo begon daar de kerk, net zoals wij vandaag rondom de prediking van het Woord van God in de kerk zitten. De Heere had op Goede Vrijdag de tempel gesloten, het voorhangsel was gescheurd, de oudtestamentische bediening had opgehouden, en nu moest de prediking beginnen. Welnu, daar stroomden al die mensen de tempel uit.

De tempel was leeg, de priesters hadden geen mensen meer, maar de discipelen werden door hen omringd. Zo leerde God nu de toepassende kracht van de Heilige Geest, door het Woord van God, door de prediking van de discipelen. Zo bracht God nu in het Nieuwe Testament de mensen tot waarachtige bekering en dat deed Hij door het Woord. De Heere liet al die mensen uit de tempel naar de discipelen komen, opdat zij daar het eenvoudige Woord zouden horen. Want de discipelen hadden het profetische Woord dat zeer vast is, en daar maakte de Heilige Geest nu gebruik van.

 

De Heere liet bij dat eenvoudige Woord op het pinksterfeest zichtbare tekenen zien om de toepassende kracht van de Heilige Geest aan te duiden. Een geluid als van een geweldige, een gedreven wind. Het was geen echte wind, maar het was het gelúid van een zware storm die over Jeruzalem trok. En vervolgens zagen zij vuur naar beneden komen, tongen als van vuur dat van de hemel afdaalde.

Wat is er erger dan vuur, dat alles in brand kan steken? Als deze tekenen komen, wat is dan de mens met al zijn branie en hoogmoed tegenover deze tekenen van de majesteit van God? Dat wil de Heere allereerst leren, ook in het toepassende werk van de Heilige Geest. Zo begint de Heilige Geest altijd. Hij legt eerst de mens in het stof, want wij moeten onze hoogheid en eigengerechtigheid kwijt. En daarna moeten wij indrukken krijgen van de hoogheid, de majesteit en de grootheid van God. Dat is het werk van de Heilige Geest.

En als wij iets van die hoogheid, majesteit en heiligheid hebben gezien, wat is er dan nog over van de mens? Het is als de storm die de daken van de huizen waait en bomen ontwortelt, het is als een brand die uitbreekt. Zo begint God altijd in de waarachtige bekering. Ik hoorde eens een geoefende christin zeggen: ‘Wij staan altijd te hoog, dominee. Wij moeten altijd naar beneden, want wij staan te hoog.’ Maar aan de andere kant is het ook waar wat Psalm 146 zegt: De Heere richt de gebogenen op (Ps. 146:8).

 

Terug naar de tekenen, daar is natuurlijk veel over te zeggen. Dat geluid van die geweldige, die gedreven wind. Ik zei het al: wat is er bestand tegen een storm? Maar aan de andere kant, waar kan de wind al niet doorheen gaan? Al is het maar een heel klein tochtgaatje, de wind komt er door. Die is niet tegen te houden.

De Heere Jezus zei het ook tegen Nicodemus, toen die ‘s nachts bij hem kwam. ‘Nicodemus, je hoort de wind, je hoort zijn geluid, maar je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat.’ En nu staat hier dat er een geluid kwam als van een geweldige, gedreven wind. Dat kwam haastelijk uit de hemel; haastelijk: dat betekent plotseling, onverwacht. Er was niet op gerekend, het was een verrassend en wonderlijk element.

Ja, daar hebt u weer het geheim van het genadewerk. Al waren de discipelen daar in verwachting bij elkaar, toen de Heere kwam was het toch weer verrassend, onverwacht en wonderlijk. Als de zaligheid voor ons geen wonder wordt, is het een verloren zaak, want de zaligheid moet een wonder worden bij het begin, maar het moet ook een wonder blijven. O, wonder van God! Een wonder van goedheid, van opzoekende genade, van trouw, telkens weer een wonder. Ja, dan blijft er van de mens niets over.

 

Alle roem is uitgesloten,

onverdiende zaligheên

heb ik van mijn God genoten,

‘k roem in vrije gunst alleen.

 

Terug naar de wind. Vroeger, als er bij de zeilschepen geen wind was, dan hingen de zeilen slap en lagen de schepen stil. Maar als de wind weer opkwam, dan bolden de zeilen en kon het schip weer vooruit. Zo ook bij de molens; als de wind niet waait, staan de wieken stil. ‘Maar’, zoals ze vroeger wel zeiden, ‘als dan de Geest weer in de raderen kwam, dan konden zij weer vooruit.’ Als de wind kwam, voeren de schepen en draaiden de molens.

Zo is het nu ook in het leven van de Kerk. Als de Geest weer komt met Zijn toepassing, dan kan zij weer vooruit. Er zijn soms dagen en tijden dat het donker is, dan kan zij niet weten hoe zij vooruit of achteruit moet, maar als de Heere weer overkomt in het genadeleven, dan zegt zij: ‘Zie, zo neem ik de reisstaf in de hand en ga weer voorwaarts.’

 

Het andere teken was vuur; verdeelde tongen als van vuur. Het was alsof het vuur neerdaalde uit de hemel in een tongvormige gestalte. Vuur kan een hoop ellende geven, dat weten onze kinderen ook wel. Huizen kunnen in brand raken en tot de grond toe afbranden. Maar anderzijds kan vuur ook licht brengen en warmte. Het is een beeld van de Heilige Geest: vuur. Er moet zoveel uit- en afgebrand worden van de oude mens, van de zonde, ook na ontvangen genade.

Het vuur van de Heilige Geest brandt de zonde weg van de oude mens, want alleen Gods genade moet overblijven. Ook na ontvangen genade kunnen er nog zoveel zonden opwellen in de harten en kunnen de oude zonden, die wij de voordeur uitgegooid hadden, weer door de achterdeur naar binnen komen. Dan is de Geest van uitbranding weer nodig.

 

Licht, dat hebben we ook nodig. Dat was de zonde van de farizeeën; zij dachten dat zij licht hadden, maar zij zaten in het donker. De Heere Jezus zei het tegen hen: ‘Jullie denken dat jullie licht hebben, daarom zijn jullie juist duisternis!’ Maar wat is het dan een wonder als het licht van de Heilige Geest komt en maakt dat een mens zegt: ‘Heere, ik ben zo duister, ik heb geen verstand van God en goddelijke zaken.’

Dat is nu altijd weer het wonder in het Koninkrijk van God. Als de Heere leert bidden, dan zegt de mens: ‘Ik kan niet bidden.’ Als de Heere een mens leert geloven, dan zegt hij: ‘Ik kan niet geloven.’ En als de Heere licht schenkt in het hart van de mens, dan zegt hij: ‘Heere, ik ben zo duister, ik ben zo donker. Ik heb geen verstand van God en goddelijke zaken. Wilt U mij licht schenken en onderwijs geven en telkens weer de weg van de zaligheid leren te gaan. Heere, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden (Ps. 25:4).’

En hoe lichter het wordt, des te meer de ziel zijn eigen duisternis waarneemt. Het licht moet door de hemel worden ontstoken; Christus moet het licht worden in de ziel, zoals Hij ook gepreekt heeft: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8:12).

 

Licht verwarmt ook. Denk aan de stralen van de voorjaarszon die het ijs na een lange vorstperiode kan laten smelten. Zo moet ook het ijs gesmolten worden van onze eigengerechtigheid en hoogmoed, ook na ontvangen genade. Dan kunnen Gods kinderen soms in een dorre en dode toestand lopen. Er zijn soms tijden en dagen dat ze eerlijk moeten zeggen: ‘Ga ik voorwaarts, dan zie ik Hem niet, ga ik achterwaarts, ik bemerk Hem niet.’ Wat moet er dan een dikke ijslaag gesmolten worden, ook één van onverschilligheid en van onze eigengerechtigheid. En dat is nu het teken dat de Heilige Geest zal doen. Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef. 3:12).

 

Zo kwamen die vuurtongen naar beneden en zij zaten op een ieder van hen. Het wonderlijke was, dat zij daar bleven zitten; dat staat namelijk zo in het Grieks. Het zat op een ieder en het bleef er op zitten, zichtbare tekenen als tongen van vuur die op de discipelen bleven zitten. Dat betekent dat de Geest niet alleen komt, maar dat de Geest ook blijft en niet meer weggaat. Wat een hemels onderwijs, wat een troost voor de Kerk! De Heere is de Eerste en de Laatste. Deze tongen kwamen van boven en zij verdeelden zich over degenen die er waren. Er was een eenheid boven en die werd verdeeld over degenen die daar waren.

Die tongen bleven daar vervolgens zitten, zij bleven de bediening voortzetten. Wat een ruimte, wat een toepassende troost voor de Kerk van God. De Kerk moet wel eens denken: Heere, als U naar mijn zonden handelde, dan was ik voor eeuwig verloren. Maar de Heere is getrouw. Deze tongen staan op een ieder van hen. Er was een gemeenschap, zij waren verzameld samen met Christus, er was een éénheid en gemeenschap met elkaar, de gemeenschap der heiligen door de Heilige Geest.

Zij kunnen wel eens mopperen op elkaar, zij kunnen elkaar wel eens met de elleboog stoten, maar als het goed is kunnen zij elkaar toch niet missen. Hier komt de profetie van Jesaja 11 tot uiting dat Juda Efraïm niet meer zal benauwen. Het oude volk Israël was uiteengevallen in het tweestammenrijk Juda en het tienstammenrijk Efraïm. Maar de Geest zorgt ervoor dat Juda en Efraïm elkaar niet meer zullen benijden, maar dat zij elkaar nodig hebben, dat zij elkaar niet kunnen missen. Dat is de bediening van de Heilige Geest.

 

Voordat we verder gaan met onze derde gedachte, zingen we Psalm 147, het eerste vers:

 

Laat ’s Heeren lof ten hemel rijzen;

Hoe goed is ’t onze God te prijzen!

’t Betaamt ons psalmen aan te heffen,

Die lieflijk zijn, en harten treffen.

De Heer’ wil ons in gunst aanschouwen;

Hij wil Jeruzalem herbouwen;

Vergâren en in vree doen leven

Hen die uit Isrel zijn verdreven.

 

Ten slotte staan wij nog stil bij ons derde punt:

 

3. Vervulde harten

 

In onze tekst staat dat zij allen werden vervuld met de Heilige Geest. Waren de discipelen dan daarvoor mensen zonder de Heilige Geest? Nee, dat niet. De Heere had Judas eruit gehaald. De discipelen waren bekeerde mensen met genade en dat kan niet zonder de Geest. Zonder Zijn toepassing kan een mens niet komen tot een waarachtige bekering.

Toch staat er: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. Op een bijzondere wijze daalde de Geest in hen neer, zodat zij daarvan vervuld werden, zij werden bekendgemaakt met God in de Persoon van de Heilige Geest, Die nu neerdaalde in hun ziel.

U moet in de geloofskennis goed onderscheid maken in het werk van de Heilige Geest en Zijn Persoon. De discipelen zaten daar, er was een leegheid bij hen, want zij waren de Heere Jezus kwijt. Maar toen kwam de Godheid in de Persoon van de Geest en daalde in de zielen, nam de leegheid weg en vervulde hun harten met de volheid van de drie-enige God.

Zij waren zich er nu van bewust dat de Heilige Geest hun harten vervulde en dat waar werd wat Christus gezegd had: ‘En als Ik heenga, dan zal Ik u geen wezen laten, en het is nut dat Ik wegga, want gij zult vervuld worden met de Heilige Geest.’ Nu hadden zij geen behoefte meer aan Christus voor de leegheid van hun ziel, want hun hart was vervuld met de Geest. Dat was het hoogtepunt van het pinksterfeest bij de discipelen: vol zijn van de Heilige Geest in de bewuste kennis van de Persoon van de Geest Die nu hun harten vervulde.

Zij hadden iets van de hemel in hun hart: de volheid van een drie-enig God. Wat een rijke troost was dat voor hen. Christus’ woord had zijn waarheid gekregen en de leegte werd nu vervuld. Zij waren er vol van, vol van de Geest. En Hij bracht het welbehagen van de Vader mee en de toepassende kracht van Christus. Zo hebben zij daar het pinksterfeest mogen ontvangen.

 

En zo is het daar in Jeruzalem pinksterfeest geweest en dat komt nooit meer terug. Als heilsfeit met zijn bijzondere tekenen was het éénmalig, want de Heilige Geest is eenmaal uitgestort. Hij is op de aarde komen wonen in Zijn lichaam. Het heilsfeit van Pinksteren was de bekroning van het werk van Christus.

 

Ik ben vandaag begonnen met te zeggen dat het zonder Pinksteren nog een verloren zaak zou zijn voor u en mij. Want Christus heeft de zaligheid wel verdiend, maar die moet ook toegepast worden. En daarvoor is nu het pinksterfeest. De Heilige Geest woont nu in Zijn lichaam op de aarde. Ik heb u gewezen hoe de Geest is gekomen. Wel vrijmachtig en soeverein, maar het is niet buiten het gebed om gegaan. Christus heeft er Zelf om gebeden en de discipelen ook. Het gaat niet buiten de genademiddelen om.

Wij hebben gehoord waar de Kerk begonnen is. Niet meer in de tempel, maar rondom de discipelen, zoals wij nu ook rondom het Woord zitten. Dan worden de knieën gebogen voor de Heere, want de Heilige Geest is gekomen, Hij woont op aarde. Hij heeft Zijn bediening gekregen en Hij is zo gewillig geweest. Dat is ook gewilligheid en liefde, dat de Geest naar de aarde kwam.

Laten wij dan zo de Heere aanroepen om de Heilige Geest. Laten wij daarom ook onze knieën buigen voor wij naar de kerk gaan, want Heere heeft het beloofd: Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, dat is: rondom het Woord, daar ben Ik in het midden van hen (Matth. 18:20).

Dan kunnen wij eerlijk onze knieën buigen en zeggen: ‘Heere, zo bent U op Pinksteren begonnen, U hebt de gemeente door de prediking rondom het Woord gebracht en U hebt gezegd dat waar twee of drie vergaderd zijn in Uw Naam, U daar wilt zijn.’ Dan is de belofte die Christus geeft, niet ver bij ons vandaan, daar moeten wij goed op letten. In onszelf hebben wij geen recht, maar God geeft Zelf een belofte in Christus. En daarom kunnen wij bidden: ‘Heere, U hebt het Zelf beloofd daar aanwezig te zijn.’

 

Natuurlijk is er over het werk van de Heilige Geest heel wat te zeggen. Ook kunnen wij met dat werk het verkeerde pad op gaan. Dan maken we van de algemene werking een zaligmakende. Of wij gaan van de bijzondere, charismatische bediening een zaligheid maken, zoals binnen de pinksterbeweging mensen zich daarvan bedienen. Van gevoel en een soort opgewondenheid maken zij dan zaligheid.

Gemeente, zo werkt de Geest niet. Als God de Heilige Geest komt, dan maakt Hij nuchtere mensen. Dan krijgen wij ogen voor de eeuwigheid en zien wij dat wij reizigers zijn, onderweg naar de eeuwigheid. Dan krijgen wij ogen voor de wet die van ons een volkomen gehoorzaamheid vraagt, en ook voor de verdorvenheid van de mens. Dan krijgen wij ogen voor de heiligheid, maar ook om te zien dat God genadig en barmhartig is. Dat er bij Hem liefde is, het is alles liefde.

De Vader, de Zoon, maar ook de Heilige Geest laten op het pinksterfeest nu zien dat God zo liefdevol was om in zondaarsharten te komen. De Kerk van de Heere zal altijd weer verwonderd zijn. Ik heb u gezegd dat het pinksterfeest een wonder voor de discipelen was, en net zo zal zalig worden altijd een wonder blijven.

 

Wij hebben gehoord dat die tongen neerdaalden en bleven zitten, dat wil zeggen: de werking ging door. Wat een troost is dat, ook voor de Kerk na ontvangen genade. God is de Eerste en ook de Laatste.

God de Eerste laat niet varen de werken van Zijn handen en daarom komt de Kerk in de hemel. En dan zullen zij allen tezamen vervuld zijn met de volheid van de Heilige Geest, zoals hier de discipelen dat waren, want zij moesten apostelen worden. Zij moesten met kracht uit de hoogte aangedaan worden. Daarom nam God eerst de armoede en de leegheid in henzelf weg en werden zij vervuld door de Heilige Geest. Zij kregen nieuwe kracht om het apostelschap waar te nemen.

En God is de Laatste, want straks zal de Kerk in de hemel met de volle zaligheid van een drie-enig God vervuld zijn, want dan zal God zijn alles in allen. En als wij ook daarvoor toebereid zijn en ook die genade kennen, dan zullen wij samen met de hele Kerk staan voor Zijn troon en onze kroon werpen voor de voeten van het Lam, om God drie-enig toe te brengen: lof, aanbidding en dankzegging, van nu aan, tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 43: 3 en 4

 

Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder,

En breng mij, door die glans geleid,

Tot Uw gewijde tente weder;

Dan klimt mijn bange ziel gereder

Ten berge van Uw heiligheid,

Waar mij Uw gunst verbeidt.

 

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd;

Dan zal ik, juichend, stem en snaren

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die, na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.