Ds. P. Mulder - Handelingen 3 : 26

Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus

Een wonder van genezing
Een wonder van prediking
Een wonder van bekering

Handelingen 3 : 26

Handelingen 3
26
God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 48: 1
Lezen : Handelingen 3
Zingen : Psalm 147: 2, 6
Zingen : Psalm 2: 6, 7
Zingen : Psalm 103: 2

Gemeente, onder de inwachting van de leiding en de hulp van ’s Heeren Geest, hopen we het Woord Gods te overdenken aan de hand van het hoofdstuk dat ons is voorgelezen, Handelingen 3, en als tekstwoord lees ik u daarvan nogmaals vers 26:

 

God opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.  

 

Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus. Daar gaat het over in dit Schriftgedeelte.

 

We staan daarbij stil in drie gedachten:

1. Een wonder van genezing

2. Een wonder van prediking

3. Een wonder van bekering

 

Gods heilswerk in Jezus, zo begint onze tekst: God opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus en zo vervolgt het ook. Het is het heilswerk van God in Zijn Kind Jezus.

 

We gaan eerst letten op het wonder van genezing.

Hier zit een man bij die Schone, mooie poort van de tempel. Hij is al meer dan veertig jaar kreupel. Gehandicapt, zouden wij zeggen. En dat van zijn geboorte af. Hij kan niet lopen. Hij moet zelfs daar neergezet worden. Nu zit deze man daar niet om genezen te worden. Daar heeft hij helemaal geen gedachte over. Hij zit daar om een aalmoes. Hij hoopt wat geld te krijgen om brood te kunnen kopen. En toch wordt hij genezen. Dat is een wónder. Hij is er helemaal niet op uit om beter te worden, maar het gebeurt wel. Een wonder van genezing.

 

Het tweede is een wonder van prediking. De mensen daar in de buurt van de tempel zitten niet te wachten op een preek over Christus. Deze man ook niet. Hij ging niet naar de tempel, naar Gods huis, om naar een preek te luisteren. Preken over Jezus, de Opgestane, dat mocht daar eigenlijk helemaal niet, vond het Sanhedrin. Maar het gebeurt wel! Wonder van prediking.

 

Dan het derde wonder: een wonder van bekering. De kreupele man is niet naar de tempel toe gegaan om beter te worden. Ook niet om een preek te beluisteren, laat staan om bekeerd te worden. Wat voor gedachte zou hij daar eigenlijk van hebben gehad?

Wat voor gedachte hebben wìj daarvan? Ben jij naar de kerk gekomen om bekeerd te worden? Bent u met dat doel hier naartoe gekomen? Heeft u dat gevraagd?

Dat is het doel, staat er in vers 26. Heeft Denzelven, dat is Jezus, eerst tot u gezonden in de prediking, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden. Geloven we dat, dat we boosheden hebben? En dat die van ons zijn? En dat die ons verdoemelijk maken voor God? En nu komt Jezus om een mens van zijn eigen boosheden áf te keren, te bekeren. Dat is een wónder.

 

Het thema van deze preek is dus: Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus.

 

1. Een wonder van genezing

2. Een wonder van prediking

3. Een wonder van bekering

 

1. Een wonder van genezing

 

Het is vrij kort na Pinksteren. Petrus en Johannes gaan samen op naar de tempel. Het is de negende ure, de tijd van het gebed. Dat was ook de tijd van het offer. Dat offer zullen de Joden ongetwijfeld gebracht hebben. De Joden hebben wel moeten constateren dat het voorhangsel gescheurd was, maar daaruit hebben ze niet de goede lessen geleerd. Ze verstonden niet dat heel de offerdienst nu vervuld was door het offer van Christus. Nee, daar wilden ze niet van weten. Ze gingen voort met hun eigen godsdienst.

 

Daar kunnen wij ook wel eens iets van hebben: ‘geen scheuren in mijn godsdienst’.

Het moet doorgaan zoals wij het denken. En als de Heere dan toch een scheur aanbrengt, maken we die gauw weer dicht. Want we moeten verder. Zo deden de Joden dat: dóórgaan met de offers, ook al was hét Offer gebracht. Het Lam Gods was geofferd, maar dat geloofden ze niet.

 

Petrus en Johannes stonden hier ongetwijfeld anders in. Zeker, vóór Goede Vrijdag begrepen ook zij er niet veel van. Ongetwijfeld hadden ze toen ook de Heere Jezus hartelijk lief. Maar van het Offer, dat ook voor hún zondeschuld gebracht zou worden – wat hadden ze daar eigenlijk van begrepen?

Maar ná Pasen verstonden ze het wel. Want de Heere Jezus Zelf heeft het hun uitgelegd. Vanuit de Schriften en vanuit Zijn eigen leven. Hij heeft het ook toegepast. Hun verstand werd verlicht en hun hart geopend en toen verstonden ze het. Christus heeft dit alles moeten doen ter voldoening aan het recht van God en tot hun zaligheid. En zéker toen de Pinkstergeest hen vervulde, toen waren ze vol van Christus en van het heil Gods.

 

Nee, de discipelen gingen niet naar de tempel om aan de offerdienst mee te doen. Maar ze zouden wel meedoen aan het gebed, want zij wilden niet een aparte kerk gaan vormen. Ze wilden dóórgaan in de lijn van het verbond met Abraham, Izak en Jakob. En daar moesten ook de heidenen bij komen. Dat hadden ze goed begrepen uit het Oude Testament en uit de woorden van de Heere Jezus.

De kerk moet verder in de bedding van het verbond. En daarom gaan ze met de kerk der eeuwen op om te bidden. Het is waar dat de Joden daar anders over dachten. Daarover is op den duur een breuk ontstaan. Toen werden ze uit de synagoge geworpen en mochten ze niet meer in de tempel komen. De discipelen waren niet uit op een breuk. Ze wilden graag de Joden mee krijgen, de goede richting in.

 

Als Petrus en Johannes naar de tempel gaan, zit de kreupele man daar te bedelen.

Het gaat hem om een aalmoes. Dat was eigenlijk een aanklacht tegen de Joden. Want als de priesters de dienst der barmhartigheid goed zouden zijn nagekomen volgens de wetten van Mozes, dan zou er helemaal geen bedelaar in het land zijn.

Maar die bedelaars waren er dus wel. En nog wel precies bij de tempel. Dat los je natuurlijk niet op door een bedelaar weg te jagen. De oplossing zou zijn dat de wetten van God zó goed nageleefd zouden worden, dat niemand hoefde te bedelen. En dat niet op een wettische manier, maar hartelijk en liefdevol. Als je rijk bent, dien je er zorg voor te hebben dat een ander niet hoeft te bedelen. Dat is ook een les voor ons.

 

De kreupele bedelaar zat daar bij de tempel. Petrus en Johannes komen langs de bedelaar en ze zeggen: Zie op ons. De man hoopt dat hij geld krijgt. Hij hoopt niet op genezing. Misschien heeft hij dat vroeger, in zijn kinderjaren, wel gedaan. Maar die hoop is weg. Zo kan het gaan als je lang een bepaalde ziekte hebt, dat je daar als het ware aan went. Je rekent in ieder geval niet meer op betering, op genezing. Zo is het blijkbaar ook met deze man. Hij hoopt op wat geld.

Maar dan zegt Petrus: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u: In den Naam van Jezus Christus den Nazaréner, sta op en wandel. Dat is wonderlijk. Petrus trekt de aandacht af van het aardse, van geld en goed, en richt de aandacht op Jezus, de Nazaréner. Petrus zegt niet: ‘Nu moeten die slappe spieren van jou maar eens sterk worden. Nu moeten die enkels die niet goed functioneren maar eens vast worden.’ Dat zegt hij niet. Petrus heeft geen verwachting van die slappe spieren of slecht functionerende enkels. Ze moeten natuurlijk wel anders worden. Maar daar zorgt de Heere voor. Dát gelooft Petrus! Dat verwacht hij.

 

Er zal wel een gebed in zijn hart geweest zijn, want hij was vervuld met de Heilige Geest. Hij gelooft door de kracht van de Heilige Geest. Wat gelooft hij? Dat hier op zijn woorden door de Heere een wonder zal gebeuren.

Jongens en meisjes, jullie weten van catechisatie wel wat het wondergeloof is. En natuurlijk: er is maar één goed geloof, en dat is het zaligmakend geloof. Dat is natuurlijk waar, in eeuwigheidslicht. Maar er is meer dat van belang is. We hebben wel eens de neiging om te zeggen dat historisch geloof maar weinig is. En een wondergeloof is ook niet goed.

Toch moet je oppassen met zulke uitspraken. Want een historisch geloof is best wel goed – het is zelfs nódig – maar het is niet genoeg. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat iemand beweert een zaligmakend geloof te hebben en dat hij bij het historisch geloof wel een aantal vraagtekens zet en een aantal zaken tussen haken plaatst. Dat is God-onwaardig en dan neemt men de Bijbel niet ernstig. Dat kan niet. Zo is het ook met het wondergeloof. Het is goed; maar het is niet genoeg tot de zaligheid.

 

Wat is een wondergeloof? Dat is een geloof dat áán mij een wonder zal gebeuren. Die tien melaatsen geloofden dat áán hen een wonder zou gebeuren; dat die melaatsheid zou eindigen. Maar hier bij Petrus is het net andersom. Petrus zelf heeft geen wonder van genezing nodig. Die kreupele man wel. En Petrus gelooft dat de Heere dóór hem, op zijn woord, een wonder van genezing zal doen. Dat schrijft Petrus niet aan zichzelf toe, maar helemaal aan de Heere. Zo zegt Petrus: In de Naam van Jezus Christus: sta op en wandel. Petrus grijpt die man bij de rechterhand, en meteen worden zijn voeten en zijn enkels vast. Hij staat op en hij loopt. Hij springt en hij looft God.

Die man heeft het goed begrepen. Hij begint niet Petrus te loven. Hij heeft goed begrepen Wie hem genezen heeft. Hij looft God! Hij maakt geen verschil tussen God en Jezus. O wat heeft die man opeens een geloof! Dat is toch wonderlijk. Hoe komt hij daaraan? Niet van zichzelf; dat is duidelijk. Wij weten niet hoe het van tevoren in zijn hart lag, maar als je het zo leest, hebben we er niet veel goede gedachten bij. Maar duidelijk is wel dat de man niet Petrus of Johannes prijst, maar hij prijst God. En nu hij in de Naam van Jezus genezen is, nu verbindt hij Jezus en God terécht. Wonderlijk toch! Een wonder van genezing.

 

Zo kunnen er wonderen gebeuren. Ook vandaag mag je, ook voor de dingen van dit leven, naar de Heere vragen. Dat mag als het gaat over gezondheid en ziekte, examen en school, werk en gezin enzovoort. Laten we dat toch doen. Niet eisend, maar ootmoedig. Ken Hem in al uw wegen (Spr. 3:6), zegt de spreukendichter. Nee, niet alsof de Heere het móet doen, maar we mogen eerbiedig onze noden de Heere bekend maken.

 

We leren hier nog iets opmerkelijks: Hij voorkomt hun bede. Eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden (Jes. 65:24). Die man heeft niet geroepen om genezing. Vroeger misschien wel, maar nu niet. En tóch antwoordt de Heere met genezing. Dat is een wonder!

Gods kinderen mogen daar misschien ook wel van spreken, zodat ze zeggen: ‘O ja, dat heb ik wel meegemaakt. Eer ik zover was dat ik er echt om ging bidden, had de Heere er al voor gezorgd.’

Dat maakt Gods kinderen dan tot kleine mensen. Tot verwonderde mensen. Dan zeggen ze: ‘Heere, dat U zó aan mij denkt. Eer dat ik er om vraag, hebt U al gezorgd en een antwoord gegeven. Dat had ik helemaal niet verdiend. Ik heb het nooit verdiend. Maar dit helemaal niet. Want ik had er zelfs nog niet om gevraagd en U was er al met Uw gevende hand en weldadigheid.’ Dat maakt klein en dat doet de Heere grootmaken in Zijn gaven en genade.

 

Nog twee dingen willen we opmerken. Een genezing, een uitredding, een gebedsverhoring, is een geschenk van de Heere. Maar merk wel op dat het over het natuurlijke leven gaat. En dat is groot. Het past ons zeker de Heere ervoor te danken. Maar aan de andere kant moeten we er geen verkeerde conclusie aan verbinden: ‘Nu heb ik een wonder meegemaakt in het natuurlijke leven, dus nu ben ik ook bekeerd en een kind van God.’ Dat zou een ernstige vergissing zijn.

Van die tien melaatsen waren er negen genezen. Maar ze waren niet bekeerd. Eén wel, die ging het wel om de Heere. Zullen we hierop letten? We moeten onderscheid maken tussen Gods gaven in de natuur en Gods gaven in de genade. Wel is het zo dat als we in de natuur iets krijgen van de Heere, dan is dat te meer een aansporing om de genade te zoeken. Maar het is niet hetzelfde en we moeten het ook niet vermengen.

 

Er is nog iets om op te merken. Het is niet altijd zo dat mensen genezen worden. De Heere kán wonderen van genezing geven, maar dat doet Hij niet altijd. Hier beneden is het altijd maar ten dele; beperkt en vol gebrokenheid. Misschien hebt u vaak gebeden om een bepaald iets, maar het gebeurt niet. Zo kan het gaan. Want wij moeten leren: Niet mijn wil en gedachte, maar Uw wil en Uw raad geschiede. Als we dat echt mogen leren, ook al gaat het dan anders dan we gehoopt hadden, dan mogen we tóch ondervinden dat de Heere van ons weet. Ook al blijft het dan moeilijk of wordt het nog moeilijker. Dan kan het toch zijn dat ervaren mag worden dat Hij ons pad kent. Als dat werkelijk zo is, zou dat niet klein maken en temeer op Hem doen letten?

 

We gaan naar onze tweede gedachte. Het gaat over Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus. Eerst zagen we het wonder van genezing. Nu letten we op het wonder van de prediking.

 

2. Een wonder van prediking

 

De kreupele man heeft het wonder van genezing gekregen. Zomaar. Zomaar? Ja, voor zijn eigen waarneming zomaar. Maar het was een kennelijke genadegave van de Heere. God volvoert Zijn raad. Dit stond allemaal in Zijn boek geschreven en daarom gebeurde het.

Die man looft God! Hij blijft in de buurt van Petrus en Johannes. Dan komt er een oploop. Want de mensen weten het al. Dit is de man in de poort die altijd aan het bedelen was. En nu loopt hij daar. Hij huppelt en looft God. Blijkbaar hebben Petrus en Johannes daar alles mee te maken. Want hij houdt aan hen vast. En daar vindt Petrus nu een uitstekende gelegenheid om opnieuw te gaan preken. Zoals hij ook deed op de Pinksterdag.

Petrus gaat uitleg geven over wat er hier aan de hand is. ‘Dit hebben wij niet gedaan. Dit is gebeurd door Jezus de Nazaréner.’ En zo gaat hij preken. Dat moet onze aandacht hebben. Hier is het wonder van de prediking. Petrus neemt het woord en zegt in vers 13: De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt. Bij Hem komt het vandaan. Dat had hij toch gezegd: In den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, sta op en wandel!

Daar gaat Petrus over spreken. Hij zegt niet: ‘Zijn er nog meer mensen die een wonder van genezing willen, dan zal ik dat wel even doen.’ Zo gaat het niet. Ook hier zien we dat het wonder van genezing een teken is, een heenwijzing naar de geestelijke zaken van het Koninkrijk Gods. Die genezing is natuurlijk heel groot voor deze man. Maar het is geen doel op zich. Het is een heenwijzing naar geestelijke zaken. Het is de aanleiding tot de prediking. Die prediking gaat over Jezus, het Kind van de God onzer vaderen. Die lijn gaat door, ook in het Nieuwe Testament.

 

Petrus is radicaal in zijn preek. Hij begint meteen over de God onzer vaderen, en over Jezus, Zijn Kind. Petrus belijdt hiermee de Godheid van Jezus. Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend (vers 13). ‘Pilatus oordeelde dat men Hem loslaten zou.’ Petrus is niet hard. Hij zegt niet: ‘Jullie Joden, het is maar beter dat jullie verdwijnen.’ Zo zegt Petrus niet. Maar hij is wel eerlijk en soms ook scherp. Het Woord is een tweesnijdend scherp zwaard. Aan beide kanten snijdt dat Woord. Er zit geen botte kant aan. U wordt er altijd door geraakt als het in de zaligmakende bediening op u afkomt.

Dat geldt voor deze mensen ook. Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was (namelijk Bar-abbas) zou geschonken worden. O, wat is hij scherp. ‘Mensen, jullie zijn moordenaars! Jullie zijn loochenaars van God en Christus. Jullie zijn tegen je eigen zaligheid. Jullie zijn tegen God en Zijn Koninkrijk, en de Vorst des Levens hebt gij gedood.’

 

Petrus, vol van de Heilige Geest, preekt hier krachtig. ‘De Vorst des Levens’, zegt hij. ‘Want Jezus is dood geweest, maar Hij is ook weer opgestaan. Hij is de Levensvorst. Hij heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Jullie hebben Hem gedood!’ In het begin heeft hij uitgesproken: ‘Hij was en Hij is Gods Kind, Gods Zoon, God uit God.’ Hier zegt hij: ‘Jullie hebben Hem gedood.’

De prediking is, als het goed is, Schriftgetrouw. En tegelijk dogmatisch helder. Dogmatiek is de kern, het gebeente van de Bijbel. Daarom moet je je goed verdiepen in de geloofsleer, jongens en meisjes. Maak die je eigen, zodat je niet met allerlei wind van leer meegezogen wordt. Petrus brengt die dingen gewoon naar voren. Zó liggen de zaken en het is de waarheid.

Hoe komt deze man nu aan zijn genezing? Petrus zegt: Door het geloof in Zijn Naam. Had die man dan zoveel geloof? Petrus had dat wel en door zijn geloof is middelijkerwijs dat wonder gebeurd. ‘En in Zijn Naam is deze gesterkt.’

Sommigen hadden wel van Zijn broden gegeten en anderen hadden Hem wel horen preken, twee of drie maanden geleden, maar toch… Feitelijk kennen ze Hem niet. Ze verstaan niet echt Wie Hij is. De scharen hadden wel een gedachte van Hem, maar dat was de waarheid niet. Om Hem werkelijk te kennen, is het ware, zaligmakende geloof nodig.

 

Wat is Petrus confronterend, zeggen wij vandaag. Dat is weleens nuttig en heilzaam. Bijvoorbeeld in het gezin. Dat vader en moeder je confronteren en laten zien waar je mee bezig bent. Dat vind je natuurlijk niet zo leuk. En je vader of moeder ook niet. Maar soms moet het gewoon. Confronteren: ‘Wat ben je nu eigenlijk aan het doen? Zo verwaarloos je je studie, en je mediagebruik neemt toe.’ Mag je zo met je tijd omgaan?

Het kan voor ouderen ook nodig zijn, dat we geconfronteerd worden met hoe we in het leven staan. Dat we voor van alles gaan, maar de Heere eigenlijk voor het laatste houden. Het confronterende van het Woord is nodig. Hoe het met ons en onze ziel staat, aangaande wedergeboorte en geloof, aangaande onze kennis van onze schuld en verlorenheid en van Gods rechtvaardigheid en heiligheid, aangaande de gaven Gods in Christus tot verzoening en het geloof dienaangaande. Het is nodig dat we geconfronteerd worden met wat het Woord zegt en hoe het is bij ons.

 

Confronterend, zo preekt Petrus. Dat deed hij op de Pinksterdag en dat doet hij nu weer. Maar Petrus is niet hard in zijn preek. Hij zegt niet: ‘Ga maar heen, er is voor jullie geen doen meer aan.’ Integendeel, in vers 17 zegt hij: En nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten. Het is alsof hij zegt: ‘Ik ben geen haar beter, hoor. Ik heb Hem zelf ook verloochend. En ik wist het wel, ik kende Hem wel.’ Petrus gaat niet boven hen staan.

Laten we ons samen maar verootmoedigen. Laten we maar samen buigen en bukken en erkennen dat we gezondigd hebben. U, jullie en ik. Wij hebben gedaan wat niet goed is voor God en ten aanzien van Christus en voor onze ziel. Zelfs de oversten valt Petrus daarover niet hard. Ze moeten het wel eerlijk erkennen. Dat is nodig. Erken uw ongerechtigheid tegenover God, tegenover Christus, tegenover de Wet, tegenover het Evangelie. Eerlijk de schuld eigenen en de zonden onder ogen zien en belijden.

 

Maar… daar is heil. Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus, dát wordt gepredikt. Het is wel een wonder dat dat zó gebeurt, dwars door ’s mensen goddeloosheid en anti-christelijkheid heen. Het is wel een wonder dat dat híer gebeurt, waar zoveel vijanden zijn en loochenaars van God en Christus. Dat is het wonder van de prediking. Lees maar in vers 18: Maar God heeft alzo vervuld, door uw zondige dwaasheid en die van uw oversten heen, hetgeen Hij door den mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou. God heeft de zonde op Christus gelegd en Hij moest als het Lam Gods sterven, opdat in Zijn Naam gepredikt zou worden bekering en vergeving der zonden.

Betert u dan en bekeert u (vers 19). Is dat niet twee keer hetzelfde? Nee, vanuit het Grieks is dat niet zo. ‘Betert u dan’ ziet op een verandering in de ziel. We moeten anders gaan denken. Over God, over Christus, over de verzoening en over onszelf. Die verandering vindt alleen plaats in de weg van verzoening, schulderkenning, zondebelijdenis en bede om vergeving. Die verzoening vindt niet anders plaats dan door de gave Gods in Christus. Betert u dan. Daartoe moeten we een nieuw hart krijgen.

Ook zegt Petrus: Bekeert u. Dat betekent: toon berouw, wees boetvaardig. Vernedert u voor de Heere vanwege uw zonden.

 

Zo preekt Petrus. Opdat uw zonden mogen uitgewist worden (vers 19). Die bekering, die verootmoediging, hebben een doel. Het doel van de bekering is de vergeving van zonden, uitwissing van de ongerechtigheid. Dat is het werk van de drie-enige God. Dat is Gods heilswerk in Christus. En de Heilige Geest brengt dat in het hart van de uitverkorenen. Petrus zal wel gebeden hebben of de Heilige Geest dat Woord in die harten zou willen inbrengen en vruchtbaar maken.

 

Petrus spreekt over bekering en uitwissing der zonden en dan gaat hij door naar de wederkomst, naar het laatste oordeel. Hij zegt immers in vers 22 en 23: Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere uw God zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen in alles wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden dat alle ziel,die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.

Christus komt ten oordeel. Dat zijn de tijden der wederoprichting aller dingen waarover hij sprak in vers 21. Dat is de dag van het laatste oordeel en van de eeuwige zaligheid voor Gods Kerk. Calvijn zegt: ‘In de prediking moeten de zielen getrokken worden voor Gods rechterstoel.’ In dat licht moet de genadeboodschap klinken. Zo worden ook wij vandaag getrokken voor Gods rechterstoel. En wie die profetie verwerpt, zal uitgeroeid worden. Dat is wat. Wie het Woord verwerpt, wie Christus verwerpt, wie God verwerpt, wie naar Zijn wet niet leeft en naar Zijn Woord niet hoort, zal uitgeroeid worden. Dat is een ontzaglijk woord: uitgeroeid worden.

In oorlogsgebieden worden mensen uitgeroeid. Allerverschrikkelijkst is dat. Zo zal het straks gaan in de dag der dagen met allen die niet willen dat Christus over hen Koning is. O, bedenk dan toch intijds wat tot uw vrede dient. Erken toch voor de Heere uw ongerechtigheid. Nu is het nog de dag der zaligheid. Nu klinkt het ons allen toe: Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20). Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden.

 

Hier is het wonder van de prediking. Die prediking komt niet tot beste mensen en tot vrienden, maar tot vijanden. In deze geschiedenis is dat heel duidelijk. Petrus confronteert hen met hun zonden en schuld. En hij biedt genade aan. Daar is genade, zelfs voor de grootste der zondaren. Ge hebt tegen God gezondigd en Zijn wet, tegen Christus gezondigd en Zijn genade. En toch klinkt het: hier is de Zaligmaker. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hoort toch Zijn Woord. Buigt voor Zijn voetbank neer, erkent al uw ongerechtigheid die ge hebt tegenover de hoge God en vraagt om Zijn ontferming, genade en Geest.

 

Wij gaan samen zingen uit Psalm 2 vers 6 en 7:

 

Vreest ‘s Heeren macht en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend op ‘t gezicht van Zijn vermogen,

En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen;

U op uw weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.

 

Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;

Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’;

Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.

 

Het gaat vanmorgen over Gods heilswerk in Zijn Kind Jezus. We hebben eerst gelet op een wonder van genezing. Vervolgens hebben we stilgestaan bij een wonder van de prediking. En nu ten derde gaat het over: het wonder van bekering.

 

3. Een wonder van bekering

 

In vers 26 gaat het erover dat ‘Híj een ieder afkere van uw boosheden’. Dat moet je toch zelf doen? Dat is inderdaad de opdracht: Verlaat de slechtigheden (Spr. 9:6). Ben jij nog niet bezig met je boosheden na te laten? Als je boos wordt op… je broer bijvoorbeeld. Misschien had je ook nog wel een reden om boos te worden op je broer. Of misschien eigenlijk ook niet. De Heere Jezus zegt: Wie ten onrechte boos is op zijn broer, is schuldig aan het zesde gebod. Dus moeten we onze boosheden afleggen. Alle boosheden.

Er zit nogal wat venijn in ons, ouderen. Het moet maar eens zo zijn dat iemand je de pas afsnijdt of je woorden onheus uitlegt. Er zit nogal wat boosheid in ons. Of bent u daarvan al helemaal gereinigd? Vast niet, want we zijn hier beneden, waar zoveel zonde is. We hebben eerlijk makende genade nodig. En ontdekkend licht. Want al die zaden zitten er in. Dat zegt Paulus ook: Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bij ligt (Rom. 7:21). Dat is erg. Daar moeten we ons van afkeren. Weest heilig, want Ik ben heilig. Die opdracht is echt Bijbels.

 

Ook daarin geldt: Bekeert u. Maar gelukkig stopt het daar niet. De eis, de roeping is er voluit. Maar gelukkig stopt de Heere daar niet, want dan gingen we allemaal verloren; hoezeer we ook geheel verantwoordelijk zijn.

Er is niemand die goed doet; die zijn boosheid werkelijk en geheel aflegt. Het is onze plicht wel; maar hoe verloren liggen we. We zijn allen van nature geestelijk dood door de misdaden en de zonden. Al van Adam af. Maar hoort nu het evangelie vanuit het welbehagen Gods. Christus kwam om dat werk der bekering te werken. Daartoe is Hij mens geworden, gehoorzaam geweest, gestorven en opgestaan, opdat in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden.

En het blijft niet bij de prediking, al is die wel zeer belangrijk. Maar het moet ook toegepast worden door de Heilige Geest. Er staat: opdat Híj u afkere. Dat is het werk Gods. Hij bekeert mensen door Zijn Geest. De Geest is het Die levend maakt; Het vlees is niet nut, zegt Johannes 6 vers 63.

U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1) Dat zien wij ook bij die kreupele man. Maar toen het klonk: Sta op en wandel, gebeurde er een wonder. Dat deed hij niet zelf. Nee, de Heere maakte zijn spieren en enkels vast. En zo geeft de Heere een nieuw hart. Dan maakt de Heere het hart open en levend, krachtig en geestelijk. O, wat een gewaarwording!

 

Calvijn zegt: ‘God zendt Zijn Woord door de prediking, Hij beweegt door de Heilige Geest, zodat het Woord wortelt en gehoorzaamd wordt. Hij volbrengt Zelf Zijn werk en zorgt voor de vrucht.’ Een mens bekeren is helemaal Zíjn werk. Een mens van geestelijk dood levend maken, is Zijn werk. De één zit in de kroeg en de ander zit al jaren in de kerk, maar is toch nog geestelijk dood. Misschien meent u wel dat u geestelijk leeft, maar vergist u zich. Maar de Heere maakt doden levend en kreupelen wandelend. De Heere overtuigt door Zijn Geest van zonde, gerechtigheid en oordeel. En Hij schept een nieuw hart waarin Zijn vreze woont. Dan gaan we Hem liefhebben en gehoorzamen. Dat werkt de Heere. Zo volvoert Hij Zijn verkiezend welbehagen.

 

Als ik mezelf de droefheid over de zonde en het Godsgemis moet geven, dan komt het er nooit. We worden vermaand onze zonden en vervloeking te bedenken, staat er in het Avondmaalsformulier. Een mishagen aan onszelf te hebben en ons voor God te verootmoedigen. Wat komt ervan terecht als het in eigen kracht moet gebeuren? Voor een poosje misschien. Maar is het dan wezenlijk en hartelijk, ootmoedig en Godvruchtig?

Maar als de Geest het werkt, dan is het waarheid. Dan leren we dat we God kwijt zijn en Zijn beeld kwijt zijn. Dat we geheel zondaar zijn. Zodanig dat we bedelen om God en Zijn genade. Wees mij zondaar genadig! (Luk. 18:13). ‘Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog.’ Dan komen we wel tot de beleving en belijdenis dat we met onze zonden zelfs Christus aan het kruis genageld.

Of zegt u: ‘Dat heb ik niet gedaan. Ik heb wel gezondigd tegen het zesde gebod en tegen andere geboden, maar Christus gekruisigd? Nee hoor.’ Maar die oude dichter zei het al. Hij had het goed geleerd door de Heilige Geest: ‘Het zijn de Joden niet die U kruisten, maar ík heb Uw beker gevuld en Uw kroon gevlochten.’

Dát leert Gods Geest aan een mens in de weg der bekering. En door dat overtuigende werk komt er berouw.  Dan gaat een mens zich voor God verootmoedigen. In stof en as. O zeker, dan wordt wel geprobeerd om het zelf op te lossen en beter te maken. Want als de liefde Gods in hart komt, willen we Hem dienen. We zouden wel heilig voor God willen leven. Maar waar Gods Geest verder ontdekt, wordt het zo geheel onmogelijk. Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid. Het is werkelijk verloren van onze kant. Juist zo krijgt zulk één genade nodig. Dát werkt Gods Geest: buigen voor God. En voor Christus. Kust den Zoon (Ps. 2:12). Dat betekent dat u Hem als Koning moet erkennen, wat Hij u ook doet. Zoals Job het zegt: ‘Al zou Hij mij doden, (daar heeft Hij het recht toe), ik zal toch nog op Hem hopen.’

 

Wat is dat een wonderwerk in de weg der bekering. De Heere plant het geloof en maakt het werkzaam. Dan gaan we door het geloof op Christus letten en naar Zijn stem horen. Dan worden we verlegen om Zijn Persoon. We gaan Zijn weldaden van geloof en bekering, van vergeving en genade begeren; ja al die weldaden van verzoening en vrede met God. Dan worden we afgekeerd van onze boze weken en komt er de nieuwe gehoorzaamheid.

Wordt dit alles op één dag geleerd? In beginsel wel. Deze man was in één dag van kreupel genezen. Dat is het wezen van de zaak. Maar meestentijds is het in de uitwerking zo dat gezegd moet worden: ‘Dat gebeurt niet allemaal in één dag.’ Een kind leert niet in één dag lopen. Daar zijn gestadige ontwikkelingen. Zo is het ook in het leven der genade.

 

Er zijn kinderen en zelfs zuigelingen in de genade. Er zijn ook jongelingen, mannen en vaders. Misschien moet u wel zeggen: ‘Het gaat bij mij zo traag. Als ik me niet vergis, zijn er wel beginselen; maar hoe moet het toch verder?’ Hoe zou dat komen? Zijn we misschien zo druk met de dingen van dit leven, al is het op een nette, christelijke manier? Dat is wel te begrijpen, want onze tijd vraagt alle aandacht. We hebben zorgvuldig te leven. Maar Calvijn zei het al: ‘We hebben een beestachtige liefde tot het hier en nu, terwijl de overdenking van het hemelleven het hart van het geestelijke leven is.’

Wat zijn we daarin dan vaak ver van onze plaats. Zijn we niet vaak de aarden flessen gelijk? Is het misschien daardoor dat de echte innerlijke, tere, ootmoedige oefening van het geloof zo gering is? En helaas, wat kunnen we het er vaak gemakkelijk bij uithouden. Maar als nu Gods Geest de hof doorwaait, dan wordt het nodig dat de Heere Zelf bekeert. Dat Hij Zijn liefde betoont en ons werkelijk om Hem verlegen maakt.

 

Het wonder van de bekering. Dat hebben we nodig, jongens en meisjes, ouderen. Eénmalig, dat is waar, hoor. Een mens wordt maar één keer wedergeboren. Dat wonder is eenmalig. Maar als het gaat over de bekering, het afgekeerd worden van de boosheden, dat hebben we dagelijks nodig. Gods kinderen weten dat wel. En de oefening in het geloof hebben we steeds weer nodig. Dat werk van de Geest in het hart dat plaats maakt voor Christus, dat de toepassing persoonlijk maakt, is zo onmisbaar. Daarin wordt God verheerlijkt. Die man loofde God bij de tempel. Wondere plaatsen, wondere werken. De Heere loven vanwege Zijn wondere heilswerk in Zijn Kind Jezus.

 

Kom, staat u er buiten? Zoekt de Heere toch en erken wat ge mist. Vraag toch of de Heere dat vervult in genade. Er is een wonder Gods nodig in ons leven. En nu is er bij Hem veel ontferming.

En kinderen Gods, laten we dat mogen begeren om meer en meer door Hem bekeerd, geleerd en geleid te worden. Hij als onze Gids en Leidsman, inderdaad: dan mogen we volgelingen zijn. Dat betekent: het kruis op u nemen, onszelf verloochenen en zo achter Hem aan. Als dat zo zijn mag, dan zal het zijn Gode tot heerlijkheid. Hier mogen we wel eens de Heere loven en prijzen. Straks zal Gods Kerk dat eeuwig doen, volmaakt, zonder zonde en zonder bestrijding. Opdat Zijn Naam eeuwig lof ontvange.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 2

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ‘t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.