Ds. D.W. Tuinier - Handelingen 9 : 32 - 35

Het werk van Jezus Christus te Lydda

Het werk van Jezus Christus in de heiligen te Lydda
Het werk van Jezus Christus in Enéas te Lydda
Het werk van Jezus Christus in de omgeving van Lydda

Handelingen 9 : 32 - 35

Handelingen 9
32
En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.
33
En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
34
En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.
35
En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 77: 8
Lezen : Handelingen 9: 26-35
Zingen : Psalm 118: 3, 11
Zingen : Psalm 89: 7
Zingen : Psalm 17: 3
Zingen : Psalm 103: 2

Gemeente, Gods Woord ligt open bij de geschiedenis die ons zojuist is voorgelezen uit Handelingen 9. Ik vraag uw aandacht voor de verzen 32 tot en met 35. We lezen daar het Woord van de Heere en onze tekst:

 

En het geschiedde als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden.

En aldaar vond hij een zeker mens, met name Enéas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.

En Petrus zeide tot hem: Enéas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.

En zij zagen hem allen die te Lydda en Saron woonden, dewelke zich bekeerden tot de Heere.

 

We schrijven onder dit gedeelte en boven de preek: Het werk van Jezus Christus te Lydda.

 

Drie aandachtspunten:

1. Het werk van Jezus Christus in de heiligen te Lydda; daarover leest u in vers 32

2. Het werk van Jezus Christus in Enéas te Lydda; de verzen 33 en 34

3. Het werk van Jezus Christus in de omgeving van Lydda; vers 35

 

1. Het werk van Jezus Christus in de heiligen te Lydda

 

Gemeente, de tekst is uit de Handelingen van de apostelen, geschreven door de evangelist Lukas. Eigenlijk zeggen we het niet goed. Het zijn immers de handelingen van Jezus Christus, de verheerlijkte, de verhoogde Koning van Zijn Kerk; de dierbare Bloedbruidegom van Zijn bruidsgemeente op aarde.

Hij staat in het middelpunt. Het gaat niet om een of andere apostel. Het gaat in dit gedeelte niet om Petrus of Enéas. Ook in deze geschiedenis gaat het om Hem door Wiens hand het welbehagen des Heeren gelukkiglijk, dat betekent: voorspoedig, voortgaat. Hij vergadert Zich door Woord en Geest ook in Lydda een gemeente tot het eeuwige leven. Daarvoor gebruikt Hij kleine, nietige mensjes uit het stof verrezen, zoals Petrus.

De tekst begint met: En het geschiedde… Dat is het Goddelijke geschiedde. Gods vinger schrijft geschiedenis, dat is heilsgeschiedenis. Daar komt niets van de mens bij. Dit is Gods vrijmachtig en soeverein handelen. Dit komt van boven en is vrucht van de Pinkstergeest. Er gebeurt niets bij geval. Daarom: En het geschiedde…

Dit is Goddelijk en het is heilshistorie. Lukas schrijft het op en is geïnspireerd door Gods Geest. Hij vertelt hoe het evangelie van Gods genade door de Geest van Pinksteren gebracht en gezegend wordt vanuit Jeruzalem naar Samaria en Judéa tot aan Rome toe. Ondanks de felle strijd en de weerstanden die er zijn, gaat de Heere door. Er is vijandschap vanuit de wereld en vanuit de kerk zelf. Dat blijkt hier. Ondanks de verdrietige geschiedenis van Ananias en Saffira gaat de Heere door.

 

God gaat door. Ondanks de spot van de heidenen. Ondanks de felle haat en de vijandschap van de fanatieke Joden. God gaat door. Ondanks dat het Sanhedrin de apostelen verbiedt om in de Naam van Jezus te preken of wonderen te doen. Het heeft Stéfanus zijn leven gekost, Jakobus zal worden vermoord en Petrus zal gevangen worden.

Maar toch: het werk van de Pinkstergeest is niet te stuiten. Het is niet tegen te staan. Het is onwederstandelijk. De profetie van Zacharia wordt bevestigd: Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden (Zach. 4:6).

 

Gods genadewerk komt openbaar. Overal worden christelijke gemeenten geïnstitueerd. U leest in vers 31: De gemeenten dan door geheel Judéa en Galiléa en Samaria hadden vrede, en werden gesticht: en wandelende in de vreze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.

Wat zijn we daar ver vandaan! Gemeente, dat ligt toch niet aan de Heere? Dat ligt toch niet aan de Pinkstergeest? Dat ligt aan ons. Dat moet u tot schuld worden. Het moet ons uitdrijven in de binnenkamer met de verzuchting: ‘Genâ, o God, genâ. Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens en opnieuw genade, om Christus’ wil.’

 

Nu gaat Petrus vanuit Jeruzalem verschillende gemeenten in Judéa en Galiléa bezoeken. Hij gaat op kerkvisitatie. Hij komt niet op persoonlijke titel. Hij komt niet voor zichzelf. Hij komt ook niet mét zichzelf, maar hij komt met gezag en autoriteit.

Hij wordt gezonden vanuit de kring van de twaalf apostelen in Jeruzalem. Petrus heeft volmacht van hen ontvangen om de verschillende gemeenten te visiteren. Hij gaat vragen naar hun welstand. Zijn visitatie beperkt zich niet tot één gemeente, maar hij maakt een rondreis. Hij reist alom. Hij trekt van de ene plaats naar de andere.

 

U ziet hem komen. Hij daalt af. Hij komt van de heuvel af en arriveert in Lydda, een welvarend dorp in een vlakte. Lydda ligt aan een handelsroute tussen Joppe en Jeruzalem. Er staan pastorale bezoeken op de agenda. De kerkenraad komt bijeen. Petrus gaat op huisbezoek, hij bezoekt de zieken en doet nog meer ambtelijk werk in de gemeente.

Weet u wat bovenaan de agenda staat van zijn kerkelijke visitatie? Dat zijn de grote werken van Gods genade, gewerkt in de harten van de mensen in Lydda. Hoe weet ik dat? Er staat dat hij afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden. Petrus bezoekt de heiligen.

U vraagt: ‘Zijn die er dan? Wat zijn dat? Wie zijn heilig? Wat moet ik me daarbij voorstellen?’ Eigenlijk moet u dit woord vertalen met: afgezonderden. Dat zijn zij die door God apart gezet zijn.

Onze vaderen belijden in ons doopformulier dat onze kinderen ‘in Christus geheiligd’ zijn. Ze zijn in Hem afgezonderd van de wereld. Ze zijn door Woord en Geest geroepen uit deze boze, God-vijandige wereld. Ook in Lydda zijn er die getrokken zijn uit de duisternis van hun zondaarsbestaan en gebracht tot Gods wonderbaar en heerlijk licht.

Heiligen zijn arme kinderen van God, die mogen leven uit de bediening van de rijke Zaligmaker. Ze zijn door God de Vader verkoren, door God de Zoon gekocht, en hun zonden zijn verzoend. Ze zijn door God de Heilige Geest innerlijk vernieuwd en geheiligd.

Zij beoefenen het arme zondaarsleven. Zij zoeken hun leven en zaligheid in Hem, Die hen toeroept: Ik leef en gij zult leven (Joh. 14:19). Zij wonen en werken daar in Lydda. Ze zijn leesbare brieven van Christus. Ze ruiken naar Hem. Het zijn levende getuigen van Hem.

Zou je niet in Lydda willen wonen, jongens en meisjes?

 

Het wordt voor Petrus een onvergetelijk visitatiebezoek. Hij ontmoet de heiligen. Zijn ze er ook onder ons? Waar zijn de arme kinderen van God, die dagelijks als bedelaars aan de troon van Gods genade komen en verlegen zijn om genade? Waar zijn de mensen die een stervend leven kennen?

Wordt u afgebroken van alles wat geen God en wat geen Christus is? Mag u worden gebouwd op het enige Fundament van de apostelen en de profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is?

Geliefden, zijn ze er onder ons, de heiligen? Of moet de grote Kerkvisitator van ons zeggen dat wij rijk zijn en verrijkt en menen dat we aan niets gebrek hebben, en niet weten hoe ellendig onze toestand is? Aangrijpende realiteit!

Toch schrijft God u niet af. Hij roept u toe: Ik raad u dat gij van Mij koopt, op de markt van vrije genade, goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en dat u verlegen zult zijn om ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openb. 3:18).

 

Lydda is bevoorrecht. Lydda is rijk gezegend. Ja, de gemeente is begenadigd. Van Lydda geldt wat we met elkaar zingen uit Psalm 89 vers 7:

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

 

2. Het werk van Jezus Christus in Enéas te Lydda

 

We schreven boven de preek: het werk van Jezus Christus te Lydda.

We hebben in vers 32 gezien: Zijn heiligen te Lydda. We letten nu op Zijn werk in Enéas te Lydda.

Ook Lydda ligt buiten het paradijs! Ook van Lydda geldt, zoals het huwelijksformulier begint: ‘Overmits de gehuwden gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde overkomt…’ Ook deze christelijke gemeente moet de vruchtgevolgen van Adams diepe val in het paradijs ondervinden.

 

En aldaar, in Lydda, zo lezen we in vers 33, vindt Petrus een zeker mens, een zekere lamme Enéas, die al acht jaren op bed ligt. Tijdens een van zijn bezoeken komt Petrus hem tegen. Een zeker mens, net als u en ik. Eigenlijk staat er: een zekere Adam! Mens! Een Adamskind die goed geschapen is, maar diep gevallen en totaal bedorven.

Onder de kinderen van God, onder de heiligen te Lydda, leidt God het zó in Zijn aanbiddelijk voorzienig beleid, dat Zijn knecht een mens tegenkomt. Een zeker mens. Daarmee is alles gezegd.

 

We weten niet zoveel van Enéas. Hoewel, hij hoort bij de heiligen in Lydda. De verzen 32 en 33 horen bij elkaar.

Het tweede dat we weten is de diepe nood waarin hij verkeert. Zijn grote ellende wordt in een enkele zin getekend. Acht jaar geleden heeft hij nog kunnen bewegen, lopen en springen. Toen kon hij zijn dagelijks werk nog doen. Nu ligt hij al acht jaar ziek op bed. Hij is verlamd. Wat schuilt er een diep verdriet en intense smart in die enkele woorden in vers 33: welke geraakt was. In drie woorden tekent Lukas de hopeloze, uitzichtloze situatie van Enéas. Ongeneeslijk ziek. Iedereen kent hem. Elke morgen wordt zijn bed gespreid door familie of vrienden. Totaal afhankelijk is hij van anderen.

 

Trek de lijn eens door, gemeente. Wij hebben ook een tijd gekend dat we ons vrij konden bewegen. Adam wandelde met God, zijn Schepper. U leefde uit God, met God en tot eer van Hem. Maar we zijn van een top van eer, gevallen in een jammerstaat van oneer. Ziet u, door het ontdekkende licht van Gods Geest, uw beeld in deze geraakte Enéas?

Wij zijn totaal verlamd van ons hoofd tot onze voeten toe. Dood zijn we in zonden en misdaden. U bent geestelijk onmachtig en ten diepste ook onwillig om uw handen uit te strekken tot God. Is dat al levende werkelijkheid voor u? Laat deze geschiedenis dan een bemoediging zijn voor u. Want er staat in onze tekst dat Petrus Enéas vond!

 

Zegt de profeet Jesaja niet: Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; tot het volk dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik (Jes. 65:1).

Schep moed, want Petrus vindt hem aldaar. Het oog van de Heere is met ontferming en barmhartigheid op hem geslagen. En Petrus, Zijn knecht, wordt als een magneet naar Enéas getrokken. Want God gaat Zich ontfermen over deze ellendige stakkerd. Daar gebruikt Hij Petrus voor. De genezing van deze Enéas is een middel om Zijn Koninkrijk in Lydda en omgeving uit te breiden. Er moeten nieuwelingen in Sion worden geboren! Gods volk zal worden geoefend in het allerheiligst geloof.

Daar staat Petrus, voor Enéas. Hij noemt zijn naam. De naam van Enéas is bij Petrus bekend. Nog veel belangrijker is: Zijn naam is in de hemel bekend. Het is Gods Geest, Die Petrus liefde, ernst en bewogenheid geeft. In het geloof, vol van de Heilige Geest en in de mogendheid van zijn Meester en Koning, staat hij daar en zegt: Enéas!

Het klinkt als een machtswoord; heel persoonlijk. Petrus staat daar als een gezant van de hemel, van Hem Die heeft gezegd: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18). Gods knecht spreekt met volmacht, met autoriteit, door de opstandingskracht van Jezus Christus.

 

Daar gaat zijn arm omhoog. Hij wijst van zichzelf en van mensen af op zijn lieve Koning. Petrus is een echte wegwijzer. Hij is een oprechte evangeliedienaar. Enéas, het gaat om Jezus Christus! Er is maar één Naam tot redding en behoud onder de hemel gegeven. In Zijn Naam maak ik u gezond.

Jezus Christus maakt u gezond, klinkt uit de mond van Petrus. Het klinkt als een goddelijk bevel. Dat is het ook. Calvijn schrijft: Petrus verdwijnt naar de achtergrond, want hij spreekt het woord van Jezus Christus Zelf. Van Hem geldt: Hij hoeft maar te spreken en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Ik wil en Enéas zal.

 

Jezus Christus maakt (dat is tegenwoordige tijd) Enéas (heel persoonlijk dus) gezond. En om te laten zien dat zijn Meester geen half werk doet, geeft Petrus de verlamde het bevel om overeind te springen: ‘Sta op! Kom overeind en rol je matras op. Spreid je bed!’

Dan wordt het onmogelijke waar. Wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God. We lezen: En hij stond terstond op. U ziet het gebeuren. Zijn spieren krijgen kracht. Hij voelt het leven in zich komen. Hij staat terstond op en doet wat Petrus hem opdraagt. Weet u wat dat is? Dat is geloof. Onvoorwaardelijk gehoorzaamt hij. En hij stond terstond op.

 

Gemeente, u bent niet te lam, te geraakt of te kreupel om in Jezus’ Naam gezond te worden. Heden komt de welgemeende, ernstige oproep tot u: Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelf het bed.

In de Naam van Gods Zoon, Jezus Christus, sta op! Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden (Ef. 5:14). ‘Ja maar…’, zegt u. Nee, gemeente, niet redeneren! Het ongeloof stribbelt tegen en redeneert. Redeneren is de rede eren. Buig onvoorwaardelijk aan de troon van Gods genade. Geef u over. Verlies het van God. Zijn oproep klinkt: Bekeert u, bekeert u. Sta op en spreid u het bed!

We lezen van deze lamme man dat hij terstond opstaat. God laat zien wat Zijn genade vermag. Zijn genade en trouw schitteren. Het zal wat zijn, als u geen gehoor geeft aan deze oproep. Vreselijk zal het zijn als u in lamheid en ongeloof blijft liggen. Wee u, indien u op zo’n zaligheid geen acht slaat.

 

Natuurlijk, het is alles Gods werk. Het geloof is een gave van God. Toch blijft een mens verantwoordelijk. In de Naam van Jezus Christus maak ik u gezond, zegt Petrus. Het is Zijn werk. In Hem ligt de grond van uw behoud en verlossing.

Jezus Christus. In die twee Namen ligt de ruimte, de troost en de zekerheid van de zaligheid.

Bij het horen van deze Fonteinen van genade voor arme zondaren is het hart van Enéas harder gaan kloppen. Als een dorstige drinkt hij van het water des levens, om niet.

Zijn hongerige ziel wordt verzadigd. Het is goed, zoet en zalig. Het ware geloof in zijn ziel richt zich op Hem, de enige volkomen Zaligmaker, en dat niet alleen voor anderen, maar ook voor hem.

 

Gemeente, voor God bestaan er geen hopeloze gevallen, want er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht! Jezus Christus maakt gezond, vandaag, morgen, overmorgen, volgende week. Dat is dagelijks nodig. Dat is Zijn liefste werk. Kom dan, en laat u zaligen, laat u genezen!

Want dat is nodig, hoor. U bent niet een béétje ziek, u bent ongenééslijk ziek. Gods Geest leert u in een weg van ontdekking dat u uzelf niet genezen kunt. U bent een hopeloos geval. U bent ten einde raad. U bent ten dode opgeschreven. En dat wordt niet minder. Dat wordt almaar erger. Verstaat u dat?

In die weg blijft er één Naam, één Borg en Zaligmaker over: Jezus Christus maakt u gezond. Wat wordt Hij u dierbaar. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr. 2:7). Gemeente, het is nodig, maar ook mogelijk. Zou er voor de Heere iets te wonderlijk zijn, nee toch?

 

Van Enéas lezen we dat hij opspringt. Hij beweegt zich. Hij stemt in met de dichter, wat wij ook gaan doen uit Psalm 17, het derde vers:

 

Ik zet mijn treden in Uw spoor,

Opdat mijn voet niet uit zou glijden;

Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met Uw heillicht voor.

Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten,

Omdat G’, o God, mij altoos redt,

Ai, luister dan naar mijn gebed,

En neig Uw oren tot mijn klachten

 

Onderschat dat niet, gemeente, acht jaar ziek! Al die jaren heeft Enéas zich niet kunnen bewegen. Wat zal hij het hebben geprobeerd, maar het was onmogelijk. Herkent u dat? Is het voor u ook onmogelijk om tot God te komen? Schep moed! De Heere roept u bij uw naam, heel persoonlijk, zoals hij Samuël heeft geroepen.

Hij riep Levi uit zijn tolhuis en Zachéüs uit de boom. Zo roept hij Enéas en u en jullie, jonge mensen: Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelf het bed. Bekeert u! Zoek Mij en leef!

 

Als Hij u dierbaar is geworden, dan is het uw verlangen Hem meer en meer te leren kennen. U verstaat de apostel Paulus: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende (Filipp. 3:10).

Het wordt uw verzuchting: ‘Heere, wilt U mij nog eens bij mijn naam noemen? Mag ik het nog eens weten dat U van mij af weet? Wilt U het geloof oefenen? Verkwik mijn ziel. Mag ik bij U schuilen? Wilt U nog eens tegen mij zeggen: Jezus Christus maakt u gezond? Want ik ben dodelijk ziek! Ik ellendig mens! Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Geheel enige Heelmeester, ontferm U mijner!’

Dat is en blijft zo nodig, kinderen des Heeren, opdat u komen zult tot een opwas in de kennis en genade van Hem, Wiens werk volkomen is.

 

We gaan naar ons derde punt.

Het thema van de preek is: Het werk van Jezus Christus te Lydda.

We hebben gezien:

1. Het werk van Jezus Christus in de heiligen te Lydda

2. Het werk van Jezus Christus in Enéas te Lydda

We letten ten slotte op:

 

3. Het werk van Jezus Christus in de omgeving van Lydda

 

Het gaat als een lopend vuurtje rond: Enéas is beter! De genezing van Enéas is het onderwerp van gesprek. Allen die te Lydda en het naburige dorp, de vlakte van Sarona, wonen, horen het grote nieuws dat Enéas genezen is.

Iedereen wil daar getuige van zijn. Men wil het met eigen ogen zien. We lezen: En zij zagen hem allen. Heel Lydda en Saron lopen uit. Ze staan allen om Enéas heen. Ze zien hem bewegen. Ze bewonderen hem. De gezonde Enéas is een zichtbare preek. Een preek van de onuitsprekelijke goedheid en trouw van de Heere, zijn God. Het zingt in Enéas’ hart:

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,

Gij die de Heer’ van harte vreest,

Hoort wat mij God deed ondervinden;

Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

 

Enéas is een zichtbare preek van Gods grondeloze barmhartigheid en trouw in Jezus Christus, aan hem bewezen. En zij zagen hem allen die te Lydda en Saron woonden. Weet u wat de vrucht is? Wij lezen: Dewelke zich bekeerden tot de Heere.

Er vindt een geestelijke opwekking plaats. Dat is wat geweest! Het woord dat hier voor bekering wordt gebruikt, ziet op de waarachtige bekering. Dat is de inwendige vernieuwing van het hart en leven, die Gods Geest zonder een mens, in een mens werkt. De vruchten komen openbaar. Dewelken zich bekeerden tot de Heere. Lydda en Saron komen tot inkeer. Ze keren zich af van de zonden, van de heidenwereld, en keren terug tot de levende God, de God van Petrus en Enéas.

 

Hier wordt vervuld wat de profeet Jesaja heeft geprofeteerd: En Saron zal tot een schaapskooi worden (Jes. 65:10). De Goede Herder van Zijn schapen vervult hier Zijn eigen Woord: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder (Joh. 10:16).

Allemaal zullen zij komen, door God verkoren en bemind, door Jezus Christus verlost en door Zijn Geest toegebracht. Uit heel de wereld vergadert God Zijn Kerk. En het zal worden één kudde en één Herder. Er zal er niet eentje achterblijven.

 

Dewelke zich bekeerden tot de Heere. Tot de Heere. Leest u daar niet overheen? Want bekeerde mensen zijn er genoeg. Zij hebben zichzelf bekeerd. Of ze zijn door anderen bekeerd. Maar zij zijn niet bekeerd door en tot God.

We weten van Saul. Hij was een bekeerde man. Zijn hart was veranderd, maar niet vernieuwd door Gods Geest. Bileam wordt ons tot waarschuwing genoemd in Gods Woord. Hij wil met Gods volk sterven, maar niet met hen leven. De bekering van Orpa is geen ware bekering geweest. Démas heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen. Lydda en Saron bekeerden zich tot de Heere.

Het gaat om de waarachtige bekering. De afsterving van de oude mens; een hartelijk leedwezen dat u God door uw zonden vertoornd hebt en die hoe langer hoe meer haten en vlieden. Maar ook de opstanding van de nieuwe mens; een hartelijke lust en liefde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven (Heidelbergse Catechismus, Zondag 33).

Gods eenzijdig en vrijmachtig genadewerk wordt opgemerkt. Zijn werk kan niet verborgen blijven. Het ware werk van Gods Geest is te zien in de vrucht.

 

Weet u nog de gouden draad in deze geschiedenis: het werk van Jezus Christus in Lydda, in de heiligen, in Enéas en in de omgeving van Lydda.

Zou dat ook vandaag nog kunnen? Ja! Ziet u er naar uit? Bent u er mee bezig? Buig uw knieën. Blijf eens een poosje langer liggen op je knieën, jongens en meisjes. Doe geweld op Gods genadetroon; zet je klomp tussen de deur!

We zijn zo lauw. Echt. En dat is de grootste zorg en de diepste nood van kerkelijk Nederland. Maar toch komt de nodiging van die grote Kerkvisitator tot ons: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22). Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer. 3:22).

 

We eindigen met het gebed van die bruid uit het Hooglied, en dat gebed is dagelijks nodig: Ontwaak, Noordenwind, en kom, Gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof. Doorwaai mijn tuin, mijn hart, mijn gezin, de gemeente, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame – Lydda, Saron, daar bloeit die roos; de roos van Saron – en ate zijn edele vruchten (Hoogl. 4:16).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 2

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in de nood uw Redder is geweest.