Ds. D.W. Tuinier - Hebreeën 9 : 24

Christus' ingaan in de hemel

Hij is verzoenend ingegaan
Hij is verschijnend ingegaan
Hij is biddend ingegaan

Hebreeën 9 : 24

Hebreeën 9
24
Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 4, 5
Lezen : Handelingen 1: 6-11
Lezen : Hebreeën 9: 22-28
Zingen : Psalm 103: 10, 11
Zingen : Psalm 65: 2
Zingen : Psalm 105: 3

Geliefden, Gods Woord ligt in deze hemelvaartsdienst open bij de brief van de apostel aan de Hebreeën, het negende hoofdstuk. Met de hulp van de Heere vraag ik uw aandacht voor vers 24:

 

Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.

 

Het thema van de preek is: Christus’ ingaan in de hemel.

 

Drie aandachtspunten:

1. Hij is verzoenend ingegaan

2. Hij is verschijnend ingegaan

3. Hij is biddend ingegaan

 

1. Hij is verzoenend ingegaan

 

Gemeente, opnieuw mogen wij met Gods kerk, wereldwijd, gedenken dat Gods Zoon met een verheerlijkt lichaam, op de Olijfberg, nabij Jeruzalem, voor de ogen van Zijn elf jongeren opgevaren is naar de hemel.

Lukas schrijft in de Handelingen van de apostelen dat Hij werd opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van voor hun ogen (Hand. 1:9). Wat er achter de wolk gebeurt, kunnen zij niet zien. Dat weten zij niet. Wel weten ze dat hun lieve Meester teruggaat naar het Vaderhuis met zijn vele woningen, om voor hen een plaats te bereiden. Dat heeft Hij hen meer dan eens verteld. Maar wat er in de hemel op de kroningsdag van Sions gezalfde Koning gebeurt, weet niemand.

Toch heeft God de Heilige Geest dit geopenbaard. Ruim dertig jaar later schrijft de apostel in de Hebreeënbrief hierover. Vanaf hoofdstuk 7 trekt hij lijnen tussen de hogepriester in het Oude Testament en de nieuwtestamentische Hogepriester. Steeds wijst Hij op de heerlijkheid, de grootheid, de rijkdom en de glorie van de enige, de eeuwige Hogepriester van de nieuwtestamentische bedeling, de Heere Jezus Christus. Hij is de grote Aäron, Die Priester is in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Meer dan Melchizédek is Hij!

 

Want…, zo begint onze tekst. Dat is een redengevend woord. De apostel is bezig om te laten zien dat Jezus Borg is van een beter verbond. Al de oudtestamentische offers zijn noodzakelijk. Ze kunnen niet worden gemist. U leest in vers 22: Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Toch is Christus Hogepriester van een beter verbond. Hij is de Hemelvaartskoning.

Zijn hemelvaart is al in het Oude Testament afgebeeld. De apostel herinnert aan de plechtige gebeurtenis op de Grote Verzoendag.  Dan gaat de hogepriester van het volk in het heilige der heiligen, de plaats waar de ark des verbonds is, waar God woont boven het verzoendeksel, tussen de cherubs. Nadat er geofferd is, vloeit er bloed. Het wordt opgevangen in een gouden schaal. Daarmee gaat Gods knecht in het binnenste heiligdom.

Het volk ziet hem gaan, vol eerbied en diep ontzag. Elk jaar is het weer een plechtig gebeuren. Men vraagt zich af: Wat zal er met de hogepriester gebeuren, nu hij daar oog in oog staat met de heilige en rechtvaardige God? Geen mens kan immers voor Hem bestaan? Wie kan voor Hem verschijnen? Wie kan God zien en leven? Ook de hogepriester niet vanuit zichzelf. Zal hij moeten omkomen? Zal Gods recht hem verteren?

Nee, hij zal niet omkomen. Waarom niet? Omdat hij bloed bij zich heeft, het bloed der verzoening. Dat sprenkelt hij eerbiedig op de ark des verbonds, op het verzoendeksel. Op deze wijze doet hij verzoening voor de zonden van het volk.

Dit beeld heeft de apostel voor ogen, als hij schrijft dat het oudtestamentische heiligdom, de tabernakel, een tegenbeeld, een voorbeeld, een maquette is van de hemel zelf, onder de nieuwe bedeling.

 

De hemel is de plaats waar God woont en troont. De oudtestamentische hogepriester, die op de Grote Verzoendag verzoening doet voor de zonden van het volk, is een type van Jezus Christus, de grote Hogepriester. Hij heeft op de Grote Verzoendag in de volheid des tijds Zijn offer, het volkomen offer op Golgotha gebracht. Met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.

Drie dagen later, met Pasen, is Hij opgewekt en opgestaan en wordt bevestigd dat Hij een volkomen Hogepriester is, Die volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan.

Veertig dagen daarna treedt Hij als de grote Hogepriester de hemel binnen, niet met vreemd bloed, niet met het bloed van stieren of bokken, maar met Zijn eigen bloed, om verzoening te doen voor de zonden van Zijn Kerk. Hij brengt Zijn kinderen weer thuis, de plaats waaruit zij in het paradijs gevallen zijn: het Vaderhuis en het Vaderhart.

 

Verzoenend is Hij ingegaan, op grond van Zijn verdiensten. Verzoenend, dat is: bedekkend, vergevend, alles reinigend, uitwissend. Hier hebt u ons eerste aandachtspunt: Christus is verzoenend ingegaan in de hemel. In Zijn bloed is vergeving. Zijn offer is zo krachtig, genoegzaam voor de zonden van heel de wereld. In Zijn bloed ligt een oceaan van eeuwige, eenzijdige zondaarsliefde.

Op Zijn kroningsdag sprenkelt Hij  het verzoenende bloed op de troon van Gods heilig recht. Daardoor is Gods troon een genadetroon.

 

Die troon der genade wordt u gepredikt. Het bloed der verzoening wordt u verkondigd. Jesaja, de evangelist onder het oude verbond, roept u toe, in de Naam van Zijn Goddelijke Zender: Kom dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

En de apostel Paulus schrijft aan de Korintiërs: En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. Christus’ ingaan in de hemel, verzoenend! Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. En dan dringt als het ware de apostel Paulus achter de kudde aan: Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen. Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:18-21).

 

We gaan er eerst van zingen, Psalm 65, het tweede vers:

 

Een stroom van ongerechtigheden

Had’ overhand op mij;

Maar ons weerspannig overtreden

Verzoent en zuivert Gij.

Welzalig dien Gij hebt verkoren,

Dien G’ uit al ’t aards gedruis

Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,

Ja, wonen in Uw huis.

 

Christus’ ingaan in de hemel.

We hebben gezien: Hij is verzoenend ingegaan.

We letten nu op:

 

2. Hij is verschijnend ingegaan

 

De tekst luidt: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.

De nieuwtestamentische Hogepriester is met Zijn ingang in de hemel voor Zijn Kerk voor Gods aangezicht verschenen. Deze woorden hebben veel te zeggen: Om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons. In de oorspronkelijke taal leest u een woord dat ziet op: met vrijmoedigheid verschijnen voor het aangezicht van God. Hij gaat het binnenste heiligdom binnen, de hemel, want Zijn Goddelijke opdracht is voltooid. Zijn borg- en Zijn middelaarswerk op aarde is af. Nu gaat Hij als verhoogde en verheerlijkte Middelaar in de hemel Zijn werk voortzetten. Hij verschijnt voor het aangezicht van Zijn Vader. Hij vertoont Zich aan Hem. Hij zegt: ‘Vader, Mijn werk is volbracht. Ziet U Mijn wonden? Ziet U Mijn doorstoken zijde? Ik kan, Ik mag, Ik wil verschijnen voor Uw heilig aangezicht. Uw geschonden recht is verheerlijkt. De schuld van Mijn Kerk is betaald, hun welverdiende straf is gedragen, het eeuwige zalige leven is aangebracht. Ik heb de dood tenietgedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.’

Zo verschijnt Christus met vrijmoedigheid voor het aangezicht van God. Daarom roept de apostel in deze zelfde Hebreeënbrief op: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (Hebr. 4:16).

 

Op Hemelvaartsdag is Christus is ingegaan in de hemel, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods.

Verschijnen voor Gods aangezicht… Zoals wij in de kerk zijn, verschijnen wij voor het heilig aangezicht van God. Bent u zich daarvan bewust? Houdt u daar rekening mee? In Gods huis komen, in Zijn huis plaatsnemen, bidden, zingen en luisteren naar Zijn Woord, is voor Gods aangezicht verschijnen. En niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten. Wij leven, slapen en werken voor Gods aangezicht. Niets is voor Hem verborgen. Niets is voor Hem bedekt. Bij alles wat we doen en achterwege laten. God kent van verre onze gedachten. Hij weet van ons zitten en ons opstaan.

 

Verschijnen voor het aangezicht van God… Er komt een keer dat wij allemaal moeten verschijnen voor Gods aangezicht. De apostel schrijft: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor. 5:10).

U leest het in ons teksthoofdstuk. De apostel zegt het in vers 27: En gelijk het de mensen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel. Waren we daarvan maar meer doordrongen. Als dat gewicht meer werd beseft, zou u anders leven. Ik zou nog meer achter u aan moeten dringen, als een herder betaamt. Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor. 5:11). De liefde van Christus dringt ons (2 Kor. 5:14).

Wij allemaal, van jong tot oud en van klein tot groot, wij zullen persoonlijk verschijnen voor Gods aangezicht. Wanneer? Als we gaan sterven. Sterven is God ontmoeten. Dan verschijnt u voor Gods troon. En vanuit uzelf is dat onmogelijk. Gods heilig aangezicht is zo fel, zo verblindend, het geeft zoveel ontdekkend licht, dat u omkomt. Waarom? Omdat Gods aangezicht uw verloren en verzondigde leven blootlegt. Alles van u komt openbaar. Uw zonden en uw schuld. De stralen van Gods heilig aangezicht doorgronden en doorzien u, tot in de diepste schuilhoeken van uw bestaan. Mozes, de man Gods, zegt dat zelfs zijn heimelijke zonden voor God bekend zijn (Ps. 90:4). Buiten Jezus Christus is God een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie niemand kan wonen.

Hoe meer licht Gods Geest u geeft, des te meer komt er openbaar. Weet u wat er van u overblijft? Niets. Een arme zondaar, een doodschuldige mensenkind, die zijn hoofd buigt en zwijgt, als God Zijn vonnis velt en de straf uitvoert.

 

Gemeente, is dat al eens gebeurd? Daar moet het naar toe. Anders gezegd: u moet in uw leven leren sterven voordat het werkelijk sterven voor u wordt. Aan deze zijde van het graf moet u reeds God ontmoeten. Dat betekent dat u verloren moet gaan. Ziet u, dan wordt Hemelvaartsdag een boetedag, een bedeldag, een dag van verootmoediging. Voor Gods aangezicht te moeten verschijnen en niet te kunnen… Dan wordt het benauwd. Het wordt nood in uw ziel.

En in die levensnood geeft God ook, op Zijn tijd en Zijn wijze, uitkomst. U mag Zijn blijde boodschap horen. U hoort van de gezegende Kruiskoning, Die op Zijn kroningsdag is ingegaan in de hemel, om te verschijnen voor het aangezicht Gods.

Het is inmiddels ruim dertig jaar geleden, maar de apostel schrijft alsof het gisteren is gebeurd. Het geloof is in oefening, Jezus Christus is in het oog, zijn pen is als een vaardige schrijver en zijn hart, vol van heilbespiegelingen, zingt het schoonste lied van zijn Koning: Christus is ingegaan in de hemel, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods, voor ons.

 

Geliefden, zoek uw zaligheid, reinigmaking en leven buiten uzelf, in Hem, Die verschenen is voor het aangezicht van God. De twee laatste woorden krijgen zo’n betekenis: voor ons. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij… Wat een heerlijk, onuitsprekelijk wonder, wat een troostvol hemelvaartsevangelie, als u in uw verlorenheid met ogen van het geloof op Jezus Christus ziet.

De apostel roept het hier uit als een overwinningskreet, maar ook vol verwondering en aanbidding: Christus is ingegaan in de hemel, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods, voor ons.

Voor ons. Hij sluit zichzelf er bij in. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij is Hij verschenen voor Gods aangezicht. Hij stond in het gericht Gods, opdat ik, heel persoonlijk, in het gericht zal worden vrijgesproken. Hij is ingegaan in de hemel om ook voor mij te verschijnen voor God, met Zijn dierbaar bloed. Het bloed der verzoening, dat betere dingen spreekt dan Abel.

Het evangelie op Hemelvaartsdag predikt: er is vergeving, er is verzoening, altijd bij God geweest, omdat de Zoon van Zijn eeuwige liefde in de hemel is ingegaan. In Zijn offer kan de vuilste zondaar worden gewassen. Hij is de hemelse Hogepriester, Die verzoenend, schulduitdelgend en bedekkend de hemel binnengegaan is, om voor Zijn Kerk te verschijnen voor het heilig aangezicht van Zijn Vader. Hij is hun Advocaat. Hij is hun Voorspreker, hun Voorspraak. Hij doet verzoening voor hun zonden. Hij delgt hun schuld uit. Hij verschijnt voor hen, voor Gods aangezicht.

 

Voor ons, dat is diep geladen woordje. Op Golgotha was het: Hij in plaats van ons. Voor ons, borgtochtelijk. Op Hemelvaartsdag is het: Hij eerst, ten behoeve van ons. Hij is daar voor ons, ons ten goede. Op Golgotha was het: Hij voor ons, Hij alleen. Op Hemelvaartsdag is het: Hij gaat het binnenste heiligdom als eerste binnen, en wij, Zijn kinderen, zullen Hem volgen. Op grond van Zijn bloed ziet God geen zonden meer in Zijn Jakob en geen overtreding meer in Zijn Israël. Sions gezalfde Koning zal Zijn Kerk aan Zijn Vader voorstellen als een reine maagd, zonder vlek en zonder rimpel. Waarom? Omdat Hij hen gewassen, gereinigd en geheiligd heeft door Zijn bloed en Geest.

 

In vers 23 schrijft de apostel over reiniging. Opnieuw grijpt hij terug op een oudtestamentisch gebeuren. De tabernakel en haar gebouwen, zeker het heilige der heiligen, moest op gezette tijden worden gereinigd. Christus heeft op Hemelvaartsdag het Vaderhuis met zijn vele woningen voor Zijn Kerk gereinigd. De hemel is besprenkeld met Zijn bloed. Daarom komen helwaardigen binnen, op rekening van Hem.

 

Gemeente, deze Hemelvaartskoning prijzen wij u aan! Hij is een volkomen Zaligmaker. Vraagt naar de Heere en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk (Ps. 105:4). Vanuit uzelf is dat onmogelijk. Maar wat bij u onmogelijk is, is mogelijk bij God. Omdat Zijn Naam Wonderlijk is. Jezus Christus is met Zijn verzoend bloed verschenen voor het aangezicht van Zijn Vader.

Jonge mensen, daarom kunnen jullie zalig worden. Met Hem kun je het leven aan. Met Hem kun je het leven door, getroost. Met Hem kun je het leven uit, welgelukzalig. Met andere woorden: buiten Christus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Maar in Hem is er een volheid van genade, bij God vandaan.

Jongens en meisjes, hoe sluiten jullie het avondgebed af? Met de woorden ‘om Jezus’ wil.’ Omdat de Heere Jezus op Hemelvaartsdag naar de hemel is gegaan, om te verschijnen voor het aangezicht van Zijn Vader, daarom kunnen jullie een nieuw hart krijgen. Daarom zingen jullie:

 

Schoon mijn zonden vele zijn,

maak om Jezus’ wil mij rein.

Amen.

 

Gemeente, kunt u begrijpen dat Christus’ jongeren op Hemelvaartsdag met grote blijdschap en vreugde zijn teruggegaan naar Jeruzalem? Verstaat u hen als ze in de tempel zijn, dankende en lovende God? Elf Galilese mannen mogen weten dat hun Meester is heengegaan, hun ten goede. Hij verschijnt voor hen voor Gods aangezicht.

Wellicht hebben ze nog niet alles goed begrepen. Hier op aarde raakt u nooit uitgeleerd. Toch is de blijdschap en de vreugde van het geloof zo intens, dat de echte vrede en ware rust in Jezus Christus hun ziel vervult. Dat is een vrede die alle verstand te boven gaat. Ze mogen door de oefeningen van het geloof weten dat zij zelf, heel persoonlijk, zijn begrepen in de vrucht van Christus’ hemelvaart.

Voor ons… Dat drukt Gods Geest af in hun ziel. En daarom gaat het. Meer is niet nodig. En dit is al zo groot en onverdiend. Maar met minder kan het niet.

 

Gemeente, dit is Hemelvaart. Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.

Deze inhoudsvolle woorden wijzen er ook op dat Hij voor hen bidt. Dat is het derde aandachtspunt:

 

3. Hij is biddend ingegaan

 

De apostel heeft daarover al eerder geschreven: Die ook voor ons bidt (Rom. 8:34). Een ander woord voor bidden is pleiten. En onze catechisanten weten dat Christus zit aan de rechterhand van Zijn Vader, in de hemel. Zitten ziet op rusten. God de Vader is volkomen tevreden met het offer van Zijn Zoon. In Hem ziet Hij in gunst en genade neer op gevallen Adamskinderen.

Stefanus ziet Hem staande ter rechterhand Gods (Hand. 7). Dat ziet op Zijn altijd bezig zijn voor Zijn Kerk op aarde. Hij bidt voor Zijn kinderen in de strijd. Steeds weer laat Hij Zijn bebloede handen en doornagelde voeten aan Zijn Vader zien. Hij doet verzoening voor hun dagelijkse zonden.

Hij bidt als zij niet bidden kunnen. Hij bidt als zij niet bidden willen. Hij bidt voor Petrus als hij op de zeef van satan ligt. Simon, Simon, (…) Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:31-32). Hij bidt voor een onwillige Jona. Hij bidt voor Daniël in de leeuwenkuil. Hij bidt voor Manasse in de gevangenis, of God hem te sterk wordt. Hij bidt voor Thomas die ongelovig is. Hij bidt voor Paulus dat God de doorn uit zijn vlees niet wegneemt. Want Paulus heeft het kruis nodig, opdat hij des te afhankelijker van de Heere zal zijn. Hij moet leren: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:9).

 

Gemeente, de biddende Hogepriester bidt voor de schapen die van Zijn stal nog niet zijn. Zij moeten Zijn stem ook nog horen en Hem leren volgen. Zij moeten ook worden toegebracht.

Als u wilt weten wat de grote Hogepriester bidt, moet je vandaag Zijn gebed in Johannes 17 maar eens lezen. De apostel Johannes schrijft van Zijn gebed: Mijn kinderkens, (…) indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Hogepriester, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld (1 Joh. 2:1-2).

 

Jongens en meisjes, een klein kind loopt langs de kant van de weg en plukt voor moeder een bos bloemen, voor Moederdag. Waarom? Omdat het zoveel van mama houdt. Natuurlijk is zij heel blij met het mooie boeket: witte, gele, blauwe bloemen, veel groen… Maar… ze ziet ook dat er tussen de bloemen veel onkruid zit. Verlepte en uitgebloeide bloemen horen er eigenlijk niet bij. Toch is mama heel dankbaar voor de bloemen. Ze zijn met veel liefde voor haar geplukt. Weet je wat ze doet, voordat ze het boeket op tafel zet? Ze haalt de verlepte en de uitgebloeide bloemen eruit. Even later staat het op tafel te pronken.

Als jij de Heere lief hebt, verlang je om te doen wat de Heere wil. Waarom? Omdat Hij het zo waard is. Maar jouw bloemen voor Hem, dat zijn goede werken, zijn altijd met zonden bevlekt. Het is nooit een 10. De Heere Jezus neemt het zondige, het onvolmaakte weg en Hij verzoent het. De verlepte bloemen haalt Hij weg. En het boeket, zo mooi en volkomen, is voor Zijn Vader, tot Zijn eer!

 

Twee dingen nog:

1. Let op het woordje nu. Wanneer was dat? Nu… De apostel schrijft dat dertig jaar nadat Christus naar de hemel is gegaan. Nu… op Hemelvaartsdag, dertig jaar later, maar dat woordje is blijvend. Het is vandaag ook nu. Dit geldt voor elke dag. Wat een wonder! Want dat hebt u, als het goed is, ook dagelijks nodig.

2. De hogepriester… Op de Grote Verzoendag, nadat hij zijn werk heeft gedaan in het heiligdom, wacht het volk in de voorhof op hem. Nog even en hij zal hen zegenen. En onder zijn zegenende handen gaan de mensen naar huis. Christus bracht Zijn offer op Goede Vrijdag. Op Hemelvaartsdag ging Hij het hemelse heiligdom binnen. Hij zal ook terugkomen. Ziet u de lijn van Hemelvaartsdag naar de dag van Zijn wederkomst op de wolken van de hemel? Dan zal Hij de Zijnen zegenen. Dan zullen zij ten volle delen in de zaligheid en vreugde des Heeren, die voor hen is weggelegd van voor de grondlegging der wereld. Volk van God, vertroost elkaar met deze woorden.

 

Gemeente, Hemelvaartsdag predikt ons ook dat Christus wederkomt. Houdt u daar rekening mee? Zal dat een dag zijn van vreugde voor u zijn, een bruiloftsdag, of zal het voor u een dag zijn van eeuwig afgrijzen? Is het evangelie op deze dag tot uw oordeel of tot uw eeuwig voordeel?

Welgelukzalig zijn zij die hier in dit leven de hemelse Bruidegom hebben leren kennen. Zalig zijn zij die in Hem, in Zijn volbrachte werk, in Zijn gezegende Persoon, alles zoeken wat tot hun zaligheid nodig is.

Want, zo eindigt de apostel dit hoofdstuk: Alzo ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male (op de oordeelsdag) zonder zonde gezien worden van degenen die Hem verwachten tot zaligheid. Dat is het tweede advent. Wanneer komt die dag? O, volk van God, ziet u daar naar uit? Verlangt u daar naar? Wat wordt dat weinig onder ons beoefend. Gods Geest doet u zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is. Gods Geest maakt u los van het aardse. Gods Geest leert u sterven aan alles wat geen God en geen Christus is. Hij maakt u hemelsgezind, om straks uw Koning te zien in Zijn schoonheid, met eer en heerlijkheid gekroond.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 105:3

 

Vraagt naar de Heer’ en Zijne sterkte;

Naar Hem, Die al uw heil bewerkte;

Zoekt dagelijks Zijn aangezicht;

Gedenkt aan ’tgeen Hij heeft verricht,

Aan Zijn doorluchte wonderdaân;

En wilt Zijn straffen gadeslaan.