Ds. K. de Gier - Handelingen 1 : 9 - 11

De verhoging van Christus in de hemel

De heerlijkheid waarmee Christus ten hemel voer
De toepassing van deze Hemelvaart

Handelingen 1 : 9 - 11

Handelingen 1
9
En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
10
En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
11
Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 4, 5
Lezen : Handelingen 1: 1-14
Zingen : Psalm 47: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 68: 9
Zingen : Psalm 149: 1, 5

Gemeente, de tekst voor de preek vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Handelingen 1 vers 9, 10 en 11:

 

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding, Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.

 

Op deze Hemelvaartsdag willen wij stilstaan bij: De verhoging van Christus in de hemel.

 

Wij kunnen in het gewone leven blij zijn dat God nog bijzondere dagen geeft, feestdagen, waarop bepaalde gebeurtenissen in ons menselijk leven herdacht kunnen worden. Feestelijke dagen bij een geboorte, huwelijksjubilea, enzovoort. Wij mogen dan stilstaan bij het feit dat God ons nog zoveel goeds heeft geschonken.

Het zijn blijde dagen waarvan David in Psalm 103 zegt: Loof de Heere, mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden (vers 1). Maar toch, de ware Kerk van God heeft ook ándere feestdagen. Dat betekent niet dat wij het ene achterwege moeten laten voor het andere, maar de Kerk mag haar feestdagen vinden in de heilsfeiten van de Heere Jezus Christus. Het zijn voor haar blijde dagen die te maken hebben met het werk van de verlossing, van de genade.

Op deze dagen mag de Kerk een hogere blijdschap hebben, als zij mag herdenken wat God in Christus voor Zijn Kerk heeft gedaan. De heilsfeiten zijn immers de fundamenten van de Kerk. Wij zijn allemaal reizigers op weg naar de eeuwigheid. Ieder van ons moet wedergeboren worden. En als wij die genade krijgen, mogen wij ook eenmaal met Christus in de hemel wonen.

Op die verlossing is de Kerk gebouwd, dat is het fundament. De heilsfeiten zijn de zekerheid voor de Kerk van God. De vrúchten hiervan moet ieder van ons ook zelf leren kennen en ontvangen. Zo is het nu ook met de Hemelvaart, die wij vanmorgen herdenken.

 

Wij hebben het samen al gezongen uit Psalm 47:

 

Zingt des Hoogsten eer;

Buigt u voor Hem neer.

 

en ook:

 

God vaart, voor het oog,

Met gejuich omhoog.

 

Heft de lofzang aan;

Zingt Zijn wonderdaân;

Zingt de schoonste stof;

Zingt des Konings lof.

 

Dat is de blijdschap van de Kerk van God over de Hemelvaart van Christus. Met Hemelvaart is de Kerk namelijk niet alleen blij ín Christus om wat zij door Gods genade heeft verkregen voor schuldige, verloren kinderen van Adam, maar de Kerk mag ook blij zijn óm Christus, want Hij is haar Koning, haar Verlosser, Die nu met eer en heerlijkheid gekroond is.

Als ons staatshoofd in het buitenland op staatsbezoek is en hij wordt daar met eer en achting behandeld, dan zijn wij als Nederlanders blij, want het is ónze koning. Zou de Kerk van God, zouden degenen die Christus door genade als hun Zaligmaker, hun Verlosser en hun Koning hebben leren kennen, dan ook niet blij zijn als Hij met eer en heerlijkheid gekroond wordt?

De lof van Koning Jezus Christus is het mooiste dat er is om te bezingen en iets mooiers zal er nooit komen. Hij was in vernedering hier op de aarde, maar is nu in de Hemelvaart opgegaan om daar in de hemel de ereplaats aan de rechterhand van Zijn Vader op de troon in te nemen.

 

Wij zullen nu dus stilstaan bij de Hemelvaart van Christus. Ik heb het al genoemd, bij de heilsfeiten zijn er altijd twee zaken: enerzijds zijn het de fundamenten en zekerheden van de Kerk, maar anderzijds moeten wij door Gods genade de vruchten en de toepassing ontvangen. Zo is het nu ook bij de Hemelvaart.

 

Als wij daar nu bij stilstaan, willen wij letten op:

 

1. De heerlijkheid waarmee Christus ten hemel voer

Onze tekst zegt: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

 

2. De toepassing van deze Hemelvaart

Wij lezen: Zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding, welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.

In dit tekstgedeelte krijgen de discipelen onderwijs, licht over deze gebeurtenis.

 

1. De heerlijkheid waarmee Christus ten hemel voer

 

Gemeente, het zal voor de discipelen toch wel een bijzonder moment geweest zijn als Christus hen op die dag ophaalt uit de zaal waar zij zo vaak met elkaar vergaderd hebben, om met hen de bovenstad van Jeruzalem te verlaten, de trappen af en door het Kidrondal heen, langs Gethsémané, de Olijfberg op. Om daar Christus voorgoed kwijt te raken! Want Hemelvaart is toch: God vaart op met gejuich, de Heere met geklank der bazuin (Ps. 47:6).

Maar daarna zullen de discipelen zónder de Heere Jezus terugkeren naar Jeruzalem. De dag is aangebroken dat de Heere Jezus naar het plan van de Vader de aarde voorgoed zal verlaten en opvaren naar de hemel, zoals Hij gezegd had en zo staat het ook in onze tekst: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen.

 

De laatste veertig dagen van Christus’ omwandeling op aarde zijn bijzondere dagen geweest voor de Heere Jezus én voor de discipelen. De Heere is na de opstanding naar Zijn menselijke natuur verheerlijkt: Hij behoort niet meer tot de aarde. Maar het werk van de Vader zou pas echt beëindigd worden als Christus zou opvaren om daar in de hemel de ereplaats in te nemen op de troon aan de rechterhand van de Vader. Dit was geheel volgens het plan van de Vader en Christus heeft, ook als de Opgestane, Zich aan het beleid van Zijn Vader gehouden.

De laatste veertig dagen van Zijn taak op aarde heeft Hij volbracht, en toen kwam het ogenblik dat Hij uitgesproken was op aarde. Zijn werk was af toen Hij aan het kruis hing en riep: Het is volbracht (Joh. 19:30). Maar nu Hij de aarde gaat verlaten kan Hij echt zeggen: ‘Mijn werk op de aarde is gedaan, het is af.’

Voor Christus is nu het ogenblik aangebroken dat Hij mag ingaan als de ‘Koning der ere’, om aan de rechterhand van Zijn Vader Zijn werk, Zijn ambtelijke taak voor Zijn lichaam op aarde voort te zetten.

 

Wat zal er in de harten van Zijn discipelen zijn omgegaan toen zij daar op die dag door het dal liepen, langs Gethsémané? Het was nog niet zo lang geleden dat zij samen met de Heere deze weg gegaan waren.

Alleen liep Hij toen niet lángs Gethsémané, maar ging Hij er ín. Het was die donkere nacht waarin de Heere worstelde, zó worstelde, niet meer aan een man gelijk, maar als een worm op de aarde; en de discipelen… zij sliepen, allemaal. Niet één van hen kan zich straks op de borst slaan en zeggen: ‘Wij hebben het er toch zo goed van afgebracht.’ Niet één zal straks als hij aan Gethsémané terugdenkt, kunnen zeggen: ‘Wij zijn toch zulke flinke discipelen geweest, de Heere heeft echt op ons kunnen rekenen.’

Nee, het is juist andersom: de Heere Jezus kan niet rekenen op ons, maar de Kerk kan wél rekenen op Hem. Daar hebt u nu het wonder van de genade.

 

Ook op de leerschool van Gods genade moet het altijd weer geleerd worden: de Heere Jezus kan niet rekenen op ons, ondanks al onze mooie woorden en beloften. O, zeker, als God genade in het hart van een mens geeft, dan wíl hij ook voor God leven, zeker wel. En als dat wíllen er niet is, zet dan maar een streep door uw bekering. Want als er iets van God in ons hart komt, dan willen wij die heilige God eren en dienen, met alle vezels van ons bestaan. Alleen… wij hebben verdorven harten. De Heere Jezus heeft gezegd: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth. 21:19).

Maar de Zaligmaker ging niet alleen Gethsémané ín, Hij wórstelde daar ook, zodat Hij later aan het kruis kon uitroepen: Het is volbracht! Daarom kan Hij nu met Zijn jongeren lángs Gethsémané heen naar de top van de Olijfberg lopen om daar, na alle smaad en na al het lijden, verheerlijkt te worden en Zijn plaats aan de rechterhand van de Vader in te nemen.

 

Het is toch een bijzondere plaats, daar boven op de Olijfberg. Als zij daar staan en om zich heen kijken, spreekt alles wat zij zien van historie. Aan de overzijde van de helling ligt het dorpje Bethanië. Als zij naar het zuidoosten kijken, zien zij de Dode Zee, waar eenmaal de wereld in zijn zonde en ongerechtigheid door Gods oordeel getroffen werd.

Als zij terug naar beneden kijken, zien zij Gethsémané, waar de Borg geworsteld heeft, waar de discipelen allemaal geslapen hebben en niet één uur met Hem konden waken. Als zij naar de stad kijken, zien zij daar het tempelplein waar de Heere Jezus zo vaak Zijn Woord gepreekt heeft. Hij heeft het Zelf verzucht: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth. 23:37).

Jeruzalem, stad van de grote Koning, die Hem eenmaal buitengeworpen heeft. Christus mocht zelfs niet in Jeruzalem sterven, maar moest buiten Jeruzalem gekruisigd worden, ‘als een lam dat ter slachting werd geleid’.

 

Een bijzondere plaats, en daar is nu het ogenblik aangebroken dat Jezus Christus de smaad mag achterlaten. God heeft Hem al in de opstanding uit de dood verhoogd, maar nu zal het werk van de Vader beëindigd worden. Hij zal in eer en heerlijkheid opvaren om aan de rechterhand van de Vader de ereplaats in te nemen.

‘God vaart, voor het oog, met gejuich omhoog.’

Het is de Hemelvaart. Christus verplaatst Zich voorgoed van de aarde naar de hemel. Naar Zijn menselijke natuur verlaat Hij de aarde, om straks Zijn plaats naast de Vader in te nemen.

 

Vanwaar zij stonden konden zij in het zuiden ook Bethlehem nog in de verte zien liggen. Daar in de kribbe had Christus de menselijke natuur aangenomen. Daar was de Zaligmaker geboren, daar heeft God het wonder verricht dat Hij mens wilde worden. En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid (Joh. 1:14).

 

Hij heeft de menselijke natuur willen dragen. Hij was net als wij, maar uitgezonderd de zonde. Maar Hij heeft wél de straf en het oordeel willen dragen.

Gemeente, als wij onszelf leren kennen zoals wij werkelijk zijn, met onze schuld en zonde tegenover Gods wet, dan is het toch een wonder dat de Heere zegt: ‘Ik zal Mij een volk formeren dat walgt van zichzelf, maar de Heere toch lief krijgt.’

Maar Christus is zo gewillig geworden, dat Hij bereid was de menselijke natuur aan te nemen om daarin te lijden en te sterven. Maar Hij stond ook weer op en brengt nu met de Hemelvaart deze menselijke natuur de hemel in. Hij had van tevoren Zijn discipelen al vertroost, toen Hij zei: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader (Joh. 20:17). In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh. 14:2).

In het hogepriesterlijk gebed heeft Christus hier ook om gebeden: En nu, verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was (Joh. 17:5). Christus heeft erom gebeden op grond van recht. Hij is de enige geweest op aarde die récht had om dit te kunnen bidden: ‘Vader, verheerlijk Mij met de eer die Ik had voordat de wereld er was.’

Hij heeft ook voor de Kerk van God gebeden: ‘Vader, zij waren van U, maar U hebt ze aan Mij gegeven.’ Zo heeft Christus om de eer en heerlijkheid gebeden, want Hij heeft de heerlijkheid verdiend! Daarom gaat Hij nu met récht de hemel in.

 

In het Oude Testament lezen wij over Elia die ten hemel is gevaren. Wij lezen over Henoch die door God werd weggenomen: En hij was niet meer (Gen. 5:24). Het is iets bijzonders dat mensen op zo’n manier ten hemel zijn gevaren, denk maar aan de vurige wagen en de vurige paarden bij Elia, maar toch…

Het is heel anders dan bij Christus. Elia en Henoch zijn niet ingegaan als rechthebbende, maar als verloste, als begenadigde mensen. Christus echter gaat in als rechthebbende. Hij kan eisen: ‘Vader, breng Mij in die heerlijkheid die Ik had voordat de wereld er was, want Ik heb aan al de eisen voldaan.’

Dat is het verschil tussen Christus en de Kerk van God. Als wij de genade mogen krijgen om straks in de hemel te komen, dan zal dat alleen maar zijn om het werk dat Christus gedaan heeft. Daarom mag de Kerk de hemel binnengaan, om Hem daarvoor eeuwig te bezingen.

 

Bunyan zei het zo: ‘Als ik binnenkom, dan zullen alle hemelklokken luiden om dat wonder!’ Maar Christus voer op met récht.

 

Gij voert ten hemel op, vol eer;

De kerker werd Uw buit, o Heer’!

 

Hij heeft de zaligheid verkregen, zoals Hij ook de troon heeft verkregen. Daarom kon Hij ook bidden om Zijn verheerlijking door Zijn Vader, op grond van recht en volbrachte gerechtigheid.

Christus verlangde ook naar de Hemelvaart. Het staat in de Hebreeënbrief: Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods (Hebr. 12:2).

 

Daar op de top van de Olijfberg is het wonder gebeurd, dat het Kind huiswaarts keert naar het huis van Zijn Vader. Hij had er van gesproken: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen. Daar is het, dat de Koning der ere ingaat, om daar in het paleis van Zijn Vader de hoogste eer en de aanbidding van de gehele hemel te ontvangen. Daar is het, dat een Zwerver Die op de aarde was, Zijn vaste woonplaats in de hemel binnengaat.

Hij heeft daar gestaan, sprekend met Zijn discipelen. Hij heft zegenend Zijn handen op en vaart op naar de hemel. Wat zal dat een ogenblik geweest zijn voor de discipelen, als zij Hem zien opvaren.

Hij vaart op zonder vleugels. Wij hebben vliegtuigen die kunnen ook ‘opvaren’, maar die zijn gemaakt van materialen en worden op een technische manier voortbewogen. Als engelen nederdalen, komen zij op vleugels, maar de Heere Jezus is geen engel. Toch vaart Hij op, zoals het staat in onze tekst: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen.

De Vader wil Zijn Zoon nu de eer geven. Hij trekt Hem op en haalt Hem binnen en de Zoon gaat heen, vaart op, want Hij heeft in de opstanding een verheerlijkt lichaam gekregen. In de heerlijkheid van de opstanding is Hij niet meer onderworpen aan de zwaartekracht, net zoals Hij ook niet meer afhankelijk is van voedsel en drinken. Hij heeft ook geen zuurstof meer nodig zoals wij die nodig hebben om te leven. Hij is nu vergoddelijkt en verheerlijkt en daarom kan Hij opvaren naar de hemel. Hij kan nu ingaan om de kroon waarom Hij gebeden had, te ontvangen. Hemelvaart is de kroningsdag van Christus, want nu wordt Hij gekroond met heerlijkheid, zoals het de Koning van de Kerk waardig is te ontvangen.

 

Wat zal dat voor de hemel een bijzonder moment geweest zijn, als daar hun Koning binnenkomt. De zaligen die al verhoogd zijn in de hemel, zien daar hun Koning binnenkomen. De engelen krijgen hun Hoofd weer terug. Want eenmaal was Hij hun Hoofd, maar aan het kruis heeft Hij ook van de engelen afstand moeten doen, maar nu krijgen zij Hem weer terug als hun Koning.

 

Wij hebben het zojuist gezongen: ‘God vaart op met bazuingeklank.’ Hoe het in de hemel zal zijn, kunnen wij niet zeggen, maar naar de uiterlijke vorm mogen wij wel zeggen dat Hij met bazuingeklank is opgevaren. Er is gezongen, er is blijdschap geweest als de Koning weer terugkomt en ingaat in de hemel.

Het is nu wel anders dan toen Hij wegging, want met de Hemelvaart is er in de hemel iets veranderd. Christus is nu binnengekomen met Zijn menselijke natuur. Die was er vroeger niet. Toen was Hij als de Zoon in gemeenschap met de Vader vol heerlijkheid, glans en majesteit. Maar nu brengt Hij de menselijke natuur mee, de menselijke natuur die Hij aangenomen heeft in de kribbe van Bethlehem.

De menselijke natuur waarin Hij is doorboord aan het kruis, maar het is ook de menselijke natuur die in de opstanding is verheerlijkt. Het is zoals Johannes het zag op het eiland Patmos. Hij zag het Lam Gods, staand als geslacht. Dat is een wonder voor de Kerk van God!

 

Wat zal dat voor de zaligen daar geweest zijn. Voor een Abraham, een David, een Jesaja en noem ze maar op. Zij zagen Hem daar binnenkomen met bazuingeklank. Wat zal het geweest zijn voor de engelen die daar Zijn eer en heerlijkheid hebben bezongen. De heilige engelen hebben met hun vleugels hun aangezicht bedekt en uitgeroepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere der heerscharen!’ Hij is de hemel binnengegaan: de strijd is gestreden, de overwinning is behaald, de Koning leeft!

 

Er was blijdschap in de hemel, maar was er nu ook blijdschap bij de discipelen?

Dat is onze tweede gedachte.

Maar eerst zingen we daarvan uit Psalm 68 vers 9:

 

Gods wagens, boven ’t luchtig zwerk,

Zijn tien- en tienmaal duizend sterk,

Verdubbeld in getalen;

Bij hen is Zijne Majesteit

Een Sinaï in heiligheid,

Omringd van bliksemstralen.

Gij voert ten hemel op, vol eer;

De kerker werd Uw buit, o Heer’!

Gij zaagt Uw strijd bekronen

Met gaven, tot der mensen troost;

Opdat zelfs ’t wederhorig kroost

Altijd bij U zou wonen.

 

2. De toepassing van deze Hemelvaart

 

Was er bij de discipelen blijdschap zoals de blijdschap waarvan gezongen wordt in Psalm 68? Gij zijt opgevaren in de hoogte. Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij ons; die God is onze Zaligheid.

Waren zij blij toen zij daar stonden? Jezus ging weg en zij konden Hem na korte tijd niet eens meer zien, zoals in onze tekst staat: werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. Zij zagen Hem steeds verder weggaan. Het stipje werd steeds kleiner, er kwam een wolk en toen was het gebeurd. Voorgoed weg.

Op de morgen van de opstanding zaten zij met gesloten deuren, uit vrees voor de Joden. Zij dachten toen dat Hij weg was, maar Hij kwam terug, want Hij was opgestaan en Hij leefde! En nu is Hij weer weg, zelfs voorgoed weg. Zij zullen Hem niet meer zien met hun lichamelijke ogen.

Zou er blijdschap zijn, zou er vreugde zijn? Wat staat er in de Bijbel? Er staat dat zij hun ogen ophielden naar de hemel. Zij stonden Hem na te staren. Dat is begrijpelijk. Zij waren vol verbazing toen zij Hem zagen heengaan. Zij waren zo gebonden aan Zijn persoon, dat zij hun ogen naar boven hielden, ook al kwam er een wolk die Hem wegnam, zodat zij niet meer wisten waar Hij was. Maar zij waren verbonden met de hemel. Zij stonden daar en keken omhoog. Hij was weg. Geeft dat dan blijdschap? Geeft dat dan vreugde?

De Heere had het wel gezegd: ‘Als Ik verhoogd zal zijn, dan zal er toch blijdschap en vreugde zijn, want Ik zal Degene zenden Die de Vader beloofd heeft, de Heilige Geest, en Hij zal u in al de waarheid leiden.’

De Trooster was hun wel beloofd, maar Hij was er nog niet. Wij kunnen wel eens blij zijn met een belofte, maar als de belofte niet wordt toegepast, wordt de armoede van ons hart niet weggenomen. Dan wordt de leegte in onze ziel niet weggenomen. Dan wordt de schuld van de zonde niet weggenomen.

Zeker, wij kunnen met een belofte wel eens bemoedigd worden, maar het gaat er toch altijd weer om dat ook de toepassende kracht ervaren moet worden in het hart.

 

De Heere Jezus is van hen opgevaren en zij hebben niet gezien waar Hij eigenlijk is ingegaan, want een wolk nam Hem weg. Er wordt over die wolk nog wel eens gezegd dat het een teken is van Gods aanwezigheid, een teken dat de Vader Hem binnenhaalt.

Denk bijvoorbeeld aan de gelijkenis van de verloren zoon. De vader stond al lang voor het huis te kijken of zijn zoon eraan kwam. En toen hij hem eindelijk aan zag komen, ging de vader hem tegemoet om hem in de armen te vallen. Zo is het nu ook met God de Vader, met eerbied gezegd, Die een wolk als teken van Zijn aanwezigheid zendt om Hem op te nemen in de hemel.

 

Op een lichte wolkenwagen,

Wordt de Heer’ van d’ aard gedragen,

Vaart Hij op naar ’s hemels troon.

 

Aan de andere kant belet die wolk de discipelen de hemel in te kijken. Nee, dat mogen zij nog niet zien, dat kúnnen zij nog niet zien.

 

Wij hebben het al gehad over de openbaringen die Johannes op het eiland Patmos kreeg. Hij heeft daar iets gezien van de hoogheid, majesteit en heerlijkheid van Christus.

En, zegt hij, toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten (Openb. 1:17)

De discipelen waren nog op de aarde. Het waren begenadigde mensen. Maar al hebben wij genade, dan zijn wij daarmee nog niet in de hemel. Laten wij daar goed op letten. Wij zijn nog op de aarde, wij zijn nog gebonden aan de zonde. De hemelse heerlijkheid, de glans en de majesteit zou voor de discipelen te groot zijn om te zien. Daarom nam de wolk Hem weg en is Jezus uit hun ogen verdwenen.

 

Maar hoe kan er dan ook voor de discipelen blijdschap en vreugde zijn in de Hemelvaart? Gemeente, het is zoals het altijd is bij de heilsfeiten, ik wil u daar vanmorgen bijzonder op wijzen. Het heilsfeit is het fundament en de zekerheid van de kerk, maar de vrucht, de bediening, de toepassing moet geschonken worden. En wie moet dat doen? Wel, dat moet Christus Zelf doen, Hij is de Uitdeler van de genade.

Toen Christus geboren was en in de kribbe van Bethlehem lag, zijn de engelen gekomen en hebben de boodschap aan de herders gebracht: En dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe (Luk. 2:12).

De herders kregen een teken van de hemel, de weg werd hen gewezen. ‘Ga er maar naar toe!’ In de opstanding kwam de Heere Jezus Zelf en zei tegen de vrouwen: ‘Weest gegroet. En ga naar de discipelen, en ook Petrus, en zeg dat Ik hen voor zal gaan naar Galilea en daar zullen zij Mij zien. Daar zal Ik Mij als de Levende aan hen openbaren. Daar zal Ik hen de troost en kracht schenken van de opstanding uit de doden.’

En nu staan de discipelen op de Olijfberg. En wat zij nu nog moeten ontvangen, is de toepassing over de Hemelvaart. En waar moet die toepassing vandaan komen? Die kan niet van u komen en ook niet van mij en ook niet van de discipelen zelf. Nee, die moet Christus Zelf schenken. Dat is nu het wonder van Gods genade, ook voor ons! Als we iets van de blijdschap en vreugde van Hemelvaart willen kennen, dan zal dat met de toepassende kracht, de genade en het licht van de hemel moeten komen.

 

Maar de Heere is zo anders als mensen. Bij mensen geldt het wel eens: uit het oog, uit het hart. Wij hebben soms vrienden, maar als wij verhuizen dan is de vriendschap voorbij. Zo is de Heere Jezus niet. Al is Hij weg, uit het gezicht verdwenen, al kunnen zij Hem niet meer zien, Hij denkt wel aan hen. Want Hij is ambtelijk opgevaren in de hemel en Zijn ambtelijke bediening is daar niet veranderd. Hij blijft de Profeet Die onderwijs geeft, Hij blijft de Priester met de kracht van Zijn bloed, Hij blijft de Koning Die de aarde regeert.

Als Christus in de hemel is aangekomen en de engelen en de gezaligden Hem daar de eer toebrengen, denkt Hij niet aan Zichzelf, maar aan de discipelen die achtergebleven zijn. Eerst moet er een boodschap naar de discipelen op de aarde. Menselijkerwijs zouden wij ons voor kunnen stellen dat die engelen liever in de hemel gebleven zouden zijn, toen daar rondom de troon het feest en het geklank en het eerbetoon was. Zij zouden graag meegedaan hebben om daar de Koning de eer toe te brengen, maar engelen zijn gedienstige geesten, dus gaan zij naar beneden, naar de aarde, naar de discipelen op de Olijfberg.

Er ligt een taak. In het koninkrijk van God gaat het over de gehoorzaamheid aan God. Onze catechismus zegt in Zondag 49 dat wij mensen onze taak op aarde net zo gewillig zouden moeten doen als de engelen in de hemel. Welnu, deze engelen waren zo gewillig. Zij bleven niet daarboven in die feestzaal waar de vreugde en waar de blijdschap opklinkt rondom de Koning, maar zij deden wat hen opgedragen was.

Het is alsof Christus zegt: ‘Eerst naar de aarde, eerst naar die discipelen op de Olijfberg, want Ik moet hen laten weten dat Ik aangekomen ben, dat Ik hen niet vergeten heb en dat Ik nog steeds Dezelfde ben gebleven, al ben Ik nu in het huis van de Vader. Het is zelfs in hun voordeel omdat Ik nu Zelf hun belangen bij de Vader kan bepleiten met Mijn eigen bloed, met Mijn eigen gerechtigheid.’ Daar hebt u nu de trouw van Christus.

 

U ziet wel eens dat mensen, als zij in het maatschappelijk leven een paar plaatsjes omhoog gegaan zijn, hun afkomst vergeten. Hun oude vrienden zijn dan vergeten, of beter gezegd: die zijn hen te min geworden. Maar zo is de Heere niet. Hij is Zijn afkomst niet vergeten. Hij weet wie daar staan. Hij stuurt de engelen naar de discipelen om tegen hen te zeggen: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet?

De engelen komen bij hen in witte kleding. Zij hebben geen rouwkleren aan. Het verschijnen van die engelen met hun witte kleding is op zich al een teken voor de discipelen: zij hoeven niet te huilen, niet te rouwen, maar zij mogen blij zijn. De engelen brengen de vreugde van de hemel mee. In hun witte klederen brengen ze iets van de hemelse blijdschap, reinheid, heerlijkheid en heiligheid mee naar de aarde.

In de hemel zijn geen tranen en geen rouwkleren meer nodig, want in de hemel zijn geen graven. In de hemel is alles heerlijk. En daarvan straalt iets met de engelen mee naar de discipelen. ‘Wij komen nu blijdschap en vreugde brengen. U hoeft niet te rouwen, nee, wees blij en verheugt u. Wat staat gij en ziet op naar de hemel?’

 

De engelen spreken de discipelen aan met ‘Galilese mannen’. In het Jodendom en in Jeruzalem was dat eigenlijk een beetje een scheldwoord. Het werd ook tegen Petrus gezegd in de nacht dat de Heere verraden werd: ‘Ja, jij bent ook zo’n Galileër. Ontken het nu maar niet, want je spreekt dat dialect.’

Galilea stond niet zo best bekend. Maar uit de mond van Christus, door de engelen, is het anders, want wat bedoelt Hij eigenlijk? Hij zegt: ‘Jullie zijn die eenvoudige mensen uit Galilea, maar wat doen jullie? Jullie kijken naar omhoog. Jullie kijken naar de hemel! Dat is wat anders dan de grote mannen in Jeruzalem doen. Dat is wat anders dan wat de farizeeën en de schriftgeleerden met al hun akten en professoraten doen.’

Deze discipelen keken naar de hemel. En, gemeente, daar let God op: of wij naar de hemel kijken!

Jongens en meisjes, het is voor God het belangrijkste of we naar de hemel kijken. Er staat zelfs geschreven dat Christus zei dat er bij de engelen blijdschap is als één zondaar zich bekeert. Dan is er in de hemel blijdschap!

Wanneer kijken wij omhoog? Is het eigenlijk niet zo dat wij vaak juist teveel naar de aarde kijken, naar de mensen? Maar deze mannen doen dat niet, zij kijken omhoog. Er staat zelfs dat zij naar de hemel bléven kijken. Zij zijn verbaasd, verwonderd, onder de indruk van de majesteit, van de heerlijkheid van Christus’ Hemelvaart. Zij konden hun ogen niet van de hemel aftrekken.

 

Maar het is toch niet erg om naar de hemel te kijken? Wij kijken vaak te weinig naar de hemel. Maar de engelen zeggen: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Let op, zij zeggen het met een vraagteken. Ja, de Heere kent hen, Hij weet wie zij zijn. Hij is hen niet vergeten. Het zijn eenvoudige vissers, het zijn mensen met zonden en met gebreken.

Zij hebben het er de afgelopen dagen ook niet best afgebracht. Dat is allemaal waar, maar de Heere Jezus weet dat zij omhoog kijken. Zij staan daar en kijken naar de hemel. Gemeente, daar let Christus op, en daar letten de engelen ook op: of wij naar de hemel kijken.

 

Misschien ligt er in deze vraag ook een kleine terechtwijzing. Calvijn is nogal scherp als hij het hier over de wolk en de discipelen heeft. Hij zegt dat ze berispt worden, niet omdat zij naar de hemel kijken, maar omdat zij daar Christus met vleselijke ogen zoeken. Maar goed, laat het zo zijn, in ieder geval brengt de Heere Jezus nu licht over de Hemelvaart, geeft Hij de toepassing van de Hemelvaart. Dat is wat wij allemaal nodig hebben en wat geen van ons kan missen: de toepassing van de Hemelvaart.

 

Wat is nu die toepassing voor de discipelen? De engelen zeggen het: ‘Deze Jezus is opgenomen in de hemel. U hebt het niet kunnen zien, want een wolk kwam ervoor, maar wij komen het vertellen. Wij zijn er bij geweest. Hij is nu in de hemel. Hij is nu aan de rechterhand van de Vader. Dat is een zekerheid en dat moeten jullie weten.’

De discipelen moeten immers straks apostelen worden, zij moeten het met zekerheid kunnen prediken: ‘Hij, Die in de dood gegaan is, is opgestaan, Hij leeft en Hij zit nu aan de rechterhand van God de Vader. Hij is met zekerheid in de hemel.’

De engelen die de boodschap komen brengen, zeggen het in Zijn Naam: ‘Wij hebben het gezien, Hij is in de hemel. Hij is daar voorgoed en voor altijd, maar Hij komt terug op de laatste dag, op de wolken van de hemel. Hij komt straks met Zijn menselijke natuur terug op de wolken van de hemel, zoals je Hem hebt zien heengaan met Zijn verhoogde menselijke natuur.’

 

De discipelen stonden daar. Zou Hij voorgoed weg zijn? Zou Hij nog terugkomen? Zij waren daar toch ook mee bezig geweest toen zij nog onderweg waren. Zij vroegen het Hem: ‘Zult Gij in deze dagen het Koninkrijk waarvan Gij gesproken hebt, oprichten?’ Zal Hij nog terugkomen? ‘Nee,’ zeggen de engelen, ‘Hij komt nu niet meer terug. Maar eenmaal komt Hij wel terug op de wolken van de hemel met hetzelfde lichaam waarmee u Hem hebt gezien. Dan komt Hij terug om jullie en de hele Kerk voor eeuwig naar lichaam en ziel met Hem mee te nemen naar de hemel, net zoals jullie Hem naar de hemel hebben zien heenvaren.’

Dat was de troost voor de discipelen: Hij zou hen ook eenmaal, niet alleen naar hun ziel, maar ook met hun lichaam meenemen, verheerlijken, zalig maken in het hemelse leven. Daarvoor zou Hij komen op de wolken van de hemel.

Het woord van de engelen heeft zo’n toepassing gekregen bij de discipelen, dat zij, zo staat er in Lukas 24, de Heere aanbaden. Zij waren vervuld met de heerlijkheid en glans van de ten hemel varende Christus. Nu vallen zij neer en dan zien wij hen op de knieën met de handen omhoog om te aanbidden, om Hem de heerlijkheid en de glorie toe te brengen. Zij mogen daar op de top van de Olijfberg hun Koning aanbidden. Zij aanbidden, vol van de majesteit, de glans en de heerlijkheid van hun Koning. Zij waren daar zo mee vervuld, dat zij hierna met blijdschap terugkeerden naar Jeruzalem.

 

Zo kan dat gebeuren. Met Pasen zaten zij met gesloten deuren, terwijl wij dan toch zouden zeggen: ‘Wees blij, Hij is opgestaan!’ Nu met de Hemelvaart zouden wij ons best kunnen voorstellen dat de discipelen treurend weggingen. Maar nu lezen wij dat zij met blijdschap gingen.

Weet u hoe dat kan? Dat was de toepassende kracht van de Hemelvaart. De Heere had hun de belofte gegeven en gezegd: ‘Ik kom weer tot u. Ik zal u geen wezen laten. Ik zal u Mijn Heilige Geest geven.’ Die belofte van de Heilige Geest was zo’n kracht in hun ziel, dat zij de blijdschap en de vreugde beleefden dat Christus nu voor hen de Bidder was in de hemel. Dat Hij nu de Koning was om hen te regeren. Dat Hij nu de Priester was in Zijn bloed.

Zo konden zij met blijdschap teruggaan naar Jeruzalem, naar de moordstad. Ik denk, als je het aan de discipelen had gevraagd wat zíj zelf wilden, dat ze dan geantwoord hadden dat zij liever naar Galilea waren gegaan. Daar waren zij meer thuis, dat was hun eigen land, hun eigen volk. Daar waren zij onder de vissers bekend. Maar nu moesten zij naar Jeruzalem, de stad waarvan geschreven staat dat zij de profeten hebben gedood met hun vijandschap en haat.

Maar de Heere zei: ‘Daar moet je naar terug gaan, naar Jeruzalem.’ En dus gingen zij en zij waren nog blij ook! Daar heb je nu het wonder van de genade van God. Het volk van God is een apart volk. De kinderen des Heeren kun je nooit narekenen met menselijke wijsheid.

 

Mijn vader zei eens toen er feest in het dorp was: ‘Soms ben ik blij als de mensen bang zijn. En als de mensen in het dorp blij zijn, dan ben ik wel eens bedroefd.’ Zo is het ook bij de discipelen. Zij keerden met blijdschap terug, want de verhoogde Immanuel, de Opgevarene, paste het toe. Hij zei: ‘Nu ben Ik voor jullie bezig in de hemel. Ik ben daar de Voorbidder. Direct bij de Vader breng Ik Mijn bloed voor jullie. Ik zal zorgen dat jullie straks de beloofde Trooster krijgen, Die de leegheid en de armoede in je ziel zal wegnemen. Je zult beter af zijn met de Heilige Geest.’

En zo konden zij met blijdschap terug naar Jeruzalem gaan. Daar hebt u het wonderlijke werk van de genade van God. Gods kinderen zijn wel eens blij als de wereld bedroefd is, maar zij zijn wel eens bedroefd als de wereld blij is. Waarom? Wel, dat is de toepassende kracht van Gods genade, het heilgeheim waarvan de Kerk mag zingen in Psalm 25 vers 7: ‘’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond, getoond.’

 

Christus in de hemel. Wat betekent dat nu voor ons allemaal? Wel, Hij is er ambtelijk, Hij bedient Zijn Koninkrijk vanuit de hemel. Hij laat Zijn Woord nog prediken, ook vanmorgen. Hij laat de sacramenten bedienen, nog verkondigen dat er een Zaligmaker en Verlosser is. En voor de Kerk zegt Hij in het bijzonder: ‘Laat uw wandel in de hemel zijn, want op de aarde is uw plaats niet. Ik ben voor u plaats aan het bereiden, Ik ging u voor in de hemel. Maar straks kom Ik u allen tot Mij halen, niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam.’

Dat is voor Gods Kerk de verzekering van de opstanding. De Hemelvaart is voor de Kerk van God het onderpand, het bewijs dat zij eenmaal met Hem zullen opstaan uit de doden. De duivel gaat met zijn rijk ten onder, maar Christus’ Koninkrijk zal er eeuwig zijn. Dat is de troost, maar wij hebben daar wel het licht van de hemel voor nodig.

De discipelen hadden die toepassende kracht ook nodig. De engelen kregen zelfs een aparte boodschap voor hen: ‘Wees verheugd en blij, Ik ben met u.’ Dat doet Hij nog. Zijn wij arm, zijn wij in nood: de hemel houdt er rekening mee.

Wij kunnen nooit te arm zijn, want Christus is de rijkdom. Wij kunnen nooit te leeg zijn van onszelf, want Hij vervult ons. Zo kan de Kerk uit de Hemelvaart blijdschap, troost en kracht hebben, want Hij is voorgegaan naar de hemel.

 

De apostel Paulus maakt de toepassing als hij zegt: ‘Wij zijn met Hem opgestaan.’ In de opstanding is Christus niet voor Zichzelf opgestaan, maar als de Borg en Middelaar. Hij heeft de hele Kerk in Zich vervat, en wij zijn met Hem opgenomen in de hemel. De Kerk heeft haar Hoofd in de hemel. Daarom zegt de Heidelberger Catechismus dat wij in de Hemelvaart ‘ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben’, want het Hoofd van de Kerk is in de hemel en zal ons, Zijn ledematen, Zijn lichaam dat nog op aarde is, straks tot Zich opnemen in de hemel, zodat het hele lichaam verenigd wordt.

En… zullen wij daar dan bij zijn? Jongens, meisjes, denk daar eens over na. Zullen wij daar bij zijn? Want het staat hier: ‘Ik kom terug!’ Christus komt terug met de menselijke natuur, maar dan niet meer tot zaligheid, maar dan komt Hij om te oordelen: óf tot een eeuwige verlossing óf tot eeuwige straf. Lees vanavond maar eens dat prachtige artikel 37 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Als Hij komt zal de Kerk van God met opgestoken hoofd Hem aanschouwen, hun Zaligmaker, hun Verlosser. Maar de wereld zal zeggen: ‘Bergen, valt op ons, en heuvelen, bedekt ons!’

 

Hier op aarde is er bij tijden al iets van die blijdschap. De discipelen aanbaden Hem, maar het was wel kort, want zij moesten weer naar beneden, naar Jeruzalem. Maar zij hebben het wel gedaan. Zij zijn daar een ogenblik in het stof geweest, zij zijn daar verguld met de majesteit en de heerlijkheid van hun Koning. Maar Petrus zegt het: ‘Zijt nuchter’, ga niet op je tenen lopen!

Nee, dat kon niet, want zij moesten naar beneden, de berg af. Maar Christus bad voor hen, dat was de troost, de kracht en de sterkte. Zo kan de Kerk door deze wereld heen, want het blijft waar: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 149: 1 en 5

 

Looft, looft de Heer’, Dien, onbedwongen,

Een nieuw gezang zij toegezongen,

In ’t midden Zijner gunstelingen,

Die Hem ter ere zingen.

Dat Israël, met blijde klank,

Zijn milde Schepper loov’ en dank’;

Dat Sions kroost, met lofgejuich,

Zich voor zijn Koning buig’.

 

Zo zal de heerlijkheid der vromen

Op ’t luisterrijkst te voorschijn komen;

Zo schenkt Gods goedheid hun begeren;

Lof zij de Heer’ der heren!