Ds. C.G. Vreugdenhil - Psalmen 2 : 8 en 12

De zegepraal van Sions gezalfde Koning

Een vergeefs verzet tegen Hem
Een verworven erfdeel door Hem
Een dringend vermaan om te buigen voor Hem

Psalmen 2 : 8 en 12

8. Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. 12. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 62: 1, 5
Lezen : Psalm 2
Zingen : Psalm 72: 1, 6
Zingen : Psalm 2: 6
Zingen : Psalm 2: 7

Gemeente, het Woord van God ligt voor ons open in de tweede psalm; de woorden van onze tekst kunt u vinden in vers 8 en vers 12. We lezen daar:

 

Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.

 

Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.

 

Dit Schriftwoord spreekt ons over: De zegepraal van Sions gezalfde Koning.

 

We staan stil bij drie hoofdgedachten:

1. Een vergeefs verzet tegen Hem

2. Een verworven erfdeel door Hem

3. Een dringend vermaan om te buigen voor Hem

 

Hoewel boven deze tweede psalm geen opschrift staat en de naam van de dichter hier niet wordt genoemd, behoeven wij toch niet in het onzekere te zijn wie de dichter van deze psalm is. Want uit Handelingen 4 vers 25 weten wij dat David deze psalm heeft gemaakt. Hij heeft deze psalm gemaakt toen hij gekomen was op het toppunt van zijn macht en heerschappij in het koninkrijk van Israël.

Hij woont dan in Jeruzalem, op Sion, Gods heilige berg. De Heere heeft hem de overwinning gegeven over al zijn vijanden. Al de omliggende volken zijn hem onderworpen. Zodoende is zijn rijk uitgebreid van de Middellandse Zee tot aan de Eufraat, en van de rivier van Egypte tot aan Damascus. Daarover verheugt de koning zich.

 

Maar hij kent een nog veel heerlijker, een veel onuitsprekelijker vreugde, want, door de geest van de profetie vervuld, aanschouwt de koning door het geloof een veel heerlijker en nog veel machtiger Koninkrijk. En dat is het Koninkrijk van Vorst Messias, de Heere Jezus Christus, Die uit zijn lendenen zou voortkomen.

Daarover gaat het vooral in deze tweede psalm.

 

1. Een vergeefs verzet tegen Hem

 

Dat moeten we natuurlijk letterlijk, historisch eerst zoeken in het leven van David. Want de Heere had David gezalfd tot koning over Israël. Uit de geschiedenis van Israël weten wij dat er verschillende keren, de ene keer in het buitenland en de andere keer in het binnenland – denk aan Absalom – sprake van geweest is om David van zijn troon te verstoten, om David koning-af te maken.

Er zijn samenzweringen tegen hem geweest. Daarover gaat het ook in deze psalm. Hier is het niet alleen zijn zoon Absalom, hier zijn het koningen en volken, de omringende rijken, die zich tegen koning David samenspannen.

 

Maar we weten bij voorbaat dat al dat verzet tevergeefs is. Al die raadslagen tegen dat koningschap zullen ijdel blijken te zijn. Waarom? Omdat David zo’n krachtig figuur is? Nee, maar omdat de Heere David gezalfd heeft tot koning over Israël.

Ze beraadslagen tegen de Heere en tegen Zijn gezalfde. David is niet alleen door God geroepen tot het koningschap, maar ook gezalfd door Samuël. Zijn zaak is Gods zaak en daarom zal dat verzet vergeefs zijn.

 

Wij weten allemaal dat deze psalm in Christus, in Vorst Messias, zijn vervulling heeft gevonden. Daarom lezen we in deze psalm, als het gaat over dat verzet, over een verzet tegen God. Vijandschap tegen God, Die de hemel en de aarde geschapen heeft, en tegen Zijn Gezalfde, Die door God als Heerser over de schepping gesteld is.

Daarom lezen we in deze psalm een compleet stuk revolutie tegen God Zelf. Zoals de omringende volken van Israël, die aan het rijk van David onderworpen waren, het in hun hart gekregen hebben om de banden te verbreken met de koning van Israël, en om de touwen waarmee ze gebonden zijn aan dat rijk van David, weg te werpen en te verscheuren, zo is ook op deze aarde, die aan God als Schepper toebehoort, allerwegen een streven om zich los te maken van God.

Dat is de mens niet vreemd. Dat zien we ook nu in de wereld waarin wij leven, hoe de koningen der aarde en de presidenten, of wie ze dan ook mogen zijn, zich opmaken tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde. Hoe de antichristelijke machten zich bundelen om zich te verzetten tegen het rijk van Christus, om dat te gronde te richten. Hoe de politieke machten ook in ons land zich breed maken en opstaan tegen de Heere en Zijn Gezalfde.

Denk ook aan de media. Die brengen kwade geruchten wel voort, die vuren de revolutie tegen God en tegen alles wat Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard, wel aan.

Overal wordt het gehoord: Laat ons Zijn banden verbreken, de banden met de God van Israël; laat ons de touwen van ons werpen.

 

Maar, gemeente, laten wij toch niet vergeten dat ook óns beeld hier wordt getekend. Dat is het beeld van ieder mens van nature. De één leeft het meer uit in vijandschap dan de ander, maar in de grond van de zaak is in ons aller hart hetzelfde aanwezig. Van nature is ons aller beeld getekend in die koningen der aarde en in die rechters, die opstaan tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.

Want die opstand is al uitgebroken in het paradijs, de opstand tegen God, om als God te zijn, om niet onder God te willen staan.

Dat is wat, als je hier netjes naar de kerk gekomen bent en je hoort dan vertellen dat je geboren bent als een opstandeling tegen God… Dat is wat! En het ergste is dat we dat nog tegen God blijven volhouden ook, als de Heere er Zelf niet aan te pas komt. Dan zullen we dat blijven doen tot – wat hier staat in vers 9 – tot Hij met Zijn ijzeren scepter ons verpletteren zal.

 

Gemeente, jongens en meisjes, dat moeten we ons maar voor gezegd houden, dat u, jij en ik van nature net zijn als die koningen en die rechters uit de tweede psalm: opstandelingen tegen God. Daarom is het ook zo’n wonder als dat verzet in ons hart gebroken wordt. Welzalig is hij die in dit leven geleerd heeft om zijn wapens van vijandschap en verzet te mogen inleveren aan de voeten van het Lam van God, Dat de zonde der wereld heeft weggedragen.

Gelukkig die man en die vrouw, die jongen of dat meisje, die in zijn of haar leven tot de ontdekking gekomen is dat die vijandschap ook in ons eigen hart leeft. Dat is door de Heilige Geest, dat kan niet anders. Want als de Heilige Geest Zijn intrek neemt in het hart van een zondaar, dan ontdekt die Geest ons er wel aan dat die koningen en die rechters, die opstandelingen tegen de Heere en Zijn Gezalfde, in ons eigen hart wonen.

Want ik wil eigenlijk niet anders dan tegen God opstaan. En als ik dan het goede eens wil, dan ligt het kwade me steeds bij. Dat kost je tranen. Een rechte ontdekking door de Heilige Geest kost een mens tranen van berouw.

Tot we mogen vluchten tot die getrouwe God en Koning, Die gezegd heeft dat Hij de strijd gestreden heeft en de overwinning behaald heeft op al die machten, ook over die opstandige machten in ons hart.

En het is alleen door Zijn kracht, wanneer dat verzet in ons hart verbroken mag worden. Dan eindigt de dichter en zegt hij: Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.

Ook na ontvangen genade is het nodig om blijvend ontdekt te worden aan die haard van vijandschap in ons hart. Want we zijn er altijd weer op uit om door het doen van de wet zalig te worden. Maar nu zegt de Schrift: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem (Rom. 3:20).

 

Deze psalm spreekt dus – profetisch gezien – over het verzet tegen de Heere en Zijn Gezalfde. Maar het betekent nog meer. Want in Christus wordt ook Zijn gemeente vervolgd. Dat verzet van die koningen en rechters der aarde, dat is ook tegen de gemeente Gods.

Hoe ik dat weet? Dat kunnen we lezen in Handelingen 4. Daar wordt deze psalm aangehaald in het gebed van de apostelen: Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls (vers 27).

Maar dan is de Heere Jezus toch al lang ten hemel gevaren? Hij is dan niet meer op deze wereld. Dus wat bedoelen ze dan met tegen Uw heilig Kind Jezus? Daar bedoelen ze mee dat ze opgestaan zijn, vergaderd zijn, tegen Christus, in Zijn Kerk, in Zijn gemeente.

Christus was al ten hemel gevaren, dus die vorsten en die volken die aangevoerd worden door de satan, kunnen bij Christus niet meer komen. Maar waar ze nog wel kunnen komen, dat is bij Zijn gemeente.

Die duivelse vijandschap zal dan losbreken over de gemeente van Christus. Dan zal Christus vervolgd worden in Zijn gemeente.

Hoewel we weten mogen dat de eindoverwinning zeker is, is het toch waar dat al diegenen die de Heere Jezus volgen mogen, eerst zullen lijden. Dat is de weg van de Kerk: door lijden tot heerlijkheid. Dat is de kruisgang van Gods gemeente door deze wereld.

Het kost je spot en smaad, als je belijdt dat je een volgeling bent van de Heere Jezus. Dat kost je smaad, van de wereld of van de godsdienst, als je een belijder bent van de Heere Jezus en als je er voor uitkomt, als je getuigt van de hoop die in je is, omdat Hij Zijn leven gegeven heeft voor Zijn schapen.

 

Maar al dat verzet zal toch tevergeefs zijn. Al bruisen de wateren van de vervolging en de versmaadheid nog zo hoog tegen Sion aan, de overwinning is gelegen in Sions Vorst en Heere.

Want boven dat rumoer van al die volken en boven dat woeden van de heidenen uit, ziet David omhoog; hij ziet op Jehova, gezeten in de hemel. We lezen hier in het vierde vers: Die in de hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten.

De dichter tekent hier dus Jehova als lachend en spottend met de toorn van Zijn vijanden. Hij troont hoog in de hemel. Hem kan hun woede niet meer bereiken. Maar Hij ziet neer op de aarde, Hij neemt dat woeden van de heidenen waar.

 

De hemel zwijgt. Zijn vijanden zien Hem niet. Die denken vrij spel te hebben. Denk aan het volk van Israël, wanneer ze de Messias verwerpen. Weg met Dezen en laat ons Barábbas los (Luk. 23:18).

De hemel zwijgt. Denk aan de bange tijden van vervolging, wanneer het bloed van de martelaren vertreden werd en nog vertreden wordt in allerlei landen. En de Heere zwijgt. Maar al zien Zijn vijanden Hem dan in zulke tijden niet, Hij is er wel. En voor het geloofsoog van Zijn vervolgde discipelen is Hij niet verborgen. Zij zien Hem en zij sterken zich in de Heere hun God.

Daar staat Stefanus; een regen van stenen daalt over hem neer, de krachten wijken, hij zakt in elkaar. Maar hij ziet de hemelen geopend en Jezus aan de rechterhand van de troon van God. Denk aan Paulus en Silas in de gevangenis, in de kerker van Filippi. Zij zien Hem door het geloof en zingen Gode lofzangen. Al moeten zij de smaadheid dragen en al denkt de wereld: Ziezo, die zijn even goed opgeborgen, God vergeet hen niet.

 

Want toch zwijgt de hemel niet altijd. Nee, God kent ook Zijn tijd, want er staat in vers 5: Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. Dán, daar ligt de nadruk op. Dat wil zeggen: als die toorn en die haat van de wereld ten toppunt is gestegen, dan zal de openbaring van Zijn toorn komen. Dan zal de Almachtige openbaren Wie Hij is en dan zal Hij de wraak van Zijn vijanden vergelden.

Ik toch heb Mijn  Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid (vers 6). Dat is de grond, waarom het woeden der heidenen ijdel zal zijn. God heeft Zijn Zoon van eeuwigheid gezalfd tot Middelaar Gods en der mensen, en Hem ook in de tijd bekwaam gemaakt met Zijn menselijke natuur, opdat Hij zou kunnen lijden en sterven en de schuld van Zijn Kerk uitdelgen.

Hij is Koning over Sion, zoals David de koning van Sion is. In profetisch licht bezien is Christus Koning van Sion, de berg van Gods heiligheid.

 

Weet u wat Sion betekent? Dat betekent Jeruzalem. En overdrachtelijk betekent dat de gemeente Gods. In Sion stond de tempel. Daar was de oudtestamentische eredienst. Op Sion werd dagelijks in de tempel het offer gebracht. Maar in de volheid des tijds is daar hét offer gebracht.

Net buiten Jeruzalem – daar heet het nog Sion – ligt een kale heuvel. Op die heuvel zijn drie kruisen geplant. Aan het middelste kruis heeft Hij, de Borg, gehangen. Daar heeft Hij gehangen tussen de moordenaren, om het offer te brengen voor Zijn Kerk. Om als het Lam van God de zonde van de wereld weg te dragen. Om zondaren weer met God te verzoenen. Daar, op Sion, aan dat kruis, heeft Hij Zijn hoofd gebogen en de geest gegeven, nadat Hij uitriep: Het is volbracht (Joh. 19:30).

 

Daar, op Sion, is de overwinning behaald door Sions Borg, en daar heeft Hij de dood verslonden tot een eeuwige overwinning en is Hij in victorie opgestaan uit het graf op de eerste Paasmorgen. In majesteit is Hij ten hemel gevaren en daar heeft Hij Zijn plaats ingenomen aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader. En vandaar zal Hij ook wederkomen om Zijn gericht te spannen over deze wereld.

In dat borgwerk van Sions gezalfde Koning ligt het voortbestaan van Sion, van Gods gemeente op aarde, verankerd. Daardoor is ook de nederlaag verzekerd van allen die zich tegen Sion, tegen de Heere verzetten.

Dat betekent enerzijds een schrik voor allen die Koning Jezus niet erkennen in hun leven. Maar het is een rijke troost voor allen die hun verzet mochten leren opgeven en deze Koning in onverderfelijkheid mochten leren lief krijgen.

 

Zo hebben we gezien dat het een vergeefs verzet is tegen Hem. Maar nu letten we in de tweede plaats op:

 

2. Een verworven erfdeel door Hem

 

Er staat in het achtste vers: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.

De Heere Jezus is niet alleen gegeven tot een Verbond des volks om de stammen van Jakob op te richten, maar Hij is ook gegeven tot een Licht der heidenen. De zaligheid van de heidenen ligt evenzeer verankerd in het borgwerk van Christus.

In dat verband plaatst ook de profeet Jesaja het heil van de volkeren. Dat is niet pas opgekomen na het volbrachte werk van Christus, maar de oorsprong daarvan ligt in de stilte van de eeuwigheid. En nu licht deze tweede psalm een tipje op van de sluier die de eeuwige vrederaad bedekt. Want we lezen in het zevende vers: Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

Wij beluisteren hierin een Goddelijke beurtzang tussen de Vader en de Zoon. Beide stemmen klinken ons tegen uit de diepte van de eeuwigheid, om de verborgen raadslag te onthullen die in de stilte van de eeuwigheid gehouden is tussen de Vader en de Zoon, over het zaligmaken van verloren zondaren.

Zeker, dit woord, Gij zijt Mijn zoon, heeft ook zijn letterlijke, historische betekenis in het leven van David. In die tijd werd een oosterse koning vaak aangesproken als zoon Gods, of als een zoon der goden. Maar in profetisch licht bezien, staan we hier toch aan de ingang van Gods heiligdom en beluisteren wij de verborgen raadslag tussen de Vader en de Zoon.

 

Waar hebben de Vader en de Zoon in de stilte van de eeuwigheid over gesproken? Zij hebben gesproken over het zaligmaken van zondaren. Omdat God een barmhartig God is, is uit Zijn barmhartigheid, uit Zijn welbehagen, reeds voor de tijden der eeuwen de gedachte opgekomen om zondaren te zaligen.

Want God wist dat Adam vallen zou. En daarom heeft Hij met Zijn Zoon overlegd: ‘Wie zal verzoening aanbrengen?’ Toen hebben de Vader en de Zoon er over gesproken hoe Ze zondaren zullen zaligen. Dat er een Borg nodig was, omdat God niet alleen barmhartig is, maar ook rechtvaardig. Dat de toorn van God over de zonde gestild zal moeten worden in een weg van recht.

Sion zal door recht verlost worden (Jes. 1:27). Niet uit medelijden, maar door recht. Christus heeft toen gezegd: ‘Vader, Ik zal naar die verloren vervloekte wereld gaan; Ik zal Mijn leven geven voor Mijn schapen.’

 

Waaruit weten we dat Ze daarover gesproken hebben? Dat weten wij uit Handelingen 13 vers 33, want daar staat ook deze tekst: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Daar laat Paulus die woorden slaan op de opstanding van Christus uit de doden.

In Hebreeën 5 lezen we dezelfde tekst en daar slaat het op het hogepriesterschap van de Heere Jezus. Zowel dat hogepriesterschap als die opstanding veronderstellen Zijn lijden en Zijn sterven. Want wie levend is kan niet opstaan.

Zo weten wij dat het in die verborgen raadslag, in de raad des vredes, gegaan is over het borgwerk van de Heere Jezus.

 

Op grond van dat borgwerk zegt de Vader tegen Zijn Zoon: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. De Vader heeft Zijn Zoon niet alleen tot Middelaar gegeven, maar Hij heeft Hem ook het recht gegeven om op grond van dat middelaarswerk, de heidenen te eisen tot Zijn erfdeel.

O, dat heeft Hem wat gekost om die belofte in te lossen. Hij, Die het geen roof behoefde te achten om Gode even gelijk te zijn, heeft Zich vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen. Hij is de mensen in alles gelijk geworden en Hij is gehoorzaam geworden tot in de dood des kruises.

Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven die boven alle naam is, opdat in die Naam van Jezus zich zou buigen alle knie van degenen die in de hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God de Vader.

 

Het woordje ‘erfdeel’ duidt op een blijvend eigendomsrecht. Een erfdeel onder Israël mocht nooit doorverkocht worden. Denk aan de geschiedenis van Naboth. Nu weten wij dat het erfdeel des Heeren Israël is. Dat staat vaak in de Bijbel; het volk van Israël, als volk, wordt genoemd ‘het erfdeel des Heeren’.

Maar nu het bijzondere van deze tekst: hier staat dat de heidenen een erfdeel des Heeren zijn. Want Hij zegt: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel. De heidenen? Maar dat is een groot wonder! De heidenen zullen bij Israël worden ingelijfd!

 

Het gaat hier in het Oude Testament heel duidelijk over de roeping van de heidenen. De door God gezonden Koning en Verlosser is niet maar Koning van één volk, maar Zijn heerschappij gaat uit tot in de uiterste hoeken van deze wereld. Dat is de vervulling van de belofte aan Abraham: En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden (Gen. 2:3).

Wij weten dat die belofte aan Abraham aanvankelijk vervuld is onder de koninkrijken van David en Salomo. Maar wij weten ook dat onder de regering van Vorst Messias die vervulling tot zijn volle werkelijkheid gekomen is. Hij zal immers heersen van de zee tot aan de zee en van de rivieren tot aan de einden der aarde? Ja, al de heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen.

 

Christus, als Hoofd van Zijn gemeente, is Koning over de ganse aarde. De apostel zegt: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen (Ef. 1:22). De verhoogde Christus gaat Zijn Kerk, op grond van Zijn volbrachte werk, als een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, uit de heidenen, uit alle hoeken van deze wereld, vergaderen, beschermen en bewaren.

Tot aan de einden der aarde laat Hij Zijn evangelie verkondigen. Aan alle volken, ook de meest oproerige volken, ook de meest geïsoleerde volken. Hij laat er Zijn Woord brengen en Hij biedt hun Zijn verzoening en vrede aan. Ze komen aan door, het Goddelijk licht geleid, uit alle geslachten, talen, natiën en tongen.

 

Maar, gemeente, laten wij niet vergeten dat ook wij onder die belofte van onze tekst vallen: Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel.

Wij zijn ook uit de heidenen. Want de Schrift spreekt over Joden en heidenen; we zijn geen Jood, dus we komen ook uit de heidenen. Dus die belofte is ook voor ons. Naar Gods voorzienige raad is die kruisbanier van de Heere Jezus ook onder ons geplant, in ons land en in onze kerk. De heerlijkheid van Christus’ koningschap wordt u gepredikt, iedere zondag weer opnieuw. Dan gaat Zijn Woord open, dan komt de Heere Jezus Christus met de prediking der verzoening tot ons. Dan komt Hij zo dicht bij ons in de gestalte van het evangelie.

Hebt u dat nog nooit in de gaten gehad? Hebt u nog nooit iets gezien van die heerlijkheid van Christus? Regeert deze door God gezalfde Koning al in uw hart? Begeert u Hem ook als uw Middelaar om met God verzoend te worden? Of kent u deze Schoonste van alle mensenkinderen nog niet?

Christus breidt Zijn rijk niet uit met een zwaard en een spies, maar Hij doet dat door Zijn Woord en door Zijn Geest. Daarmee velt Hij zondaren neer op het slagveld van Zijn evangelie. Bent u nog nooit door Hem geraakt, terwijl Hij toch al zo vaak bij u kwam?

Zijn hier mensen in de kerk die Hem altijd nog op een afstand hebben kunnen houden? Jongens en meisjes, ouders? Ook als Hij soms heel indringend met Zijn lieflijke nodigingen uw leven binnenkwam? Bent u toen weer doorgegaan met leven, zonder u te bekommeren om uw eeuwige zaligheid?

O, bedenk toch dat diegenen die zich niet gewillig aan Zijn genadescepter onderwerpen, zullen ervaren wat er staat in vers 9: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

 

Gemeente, wees nu wijs en laat u tuchtigen. Want nog komt dat vredesaanbod van Koning Jezus tot u. Daar spreekt immers het slot van onze psalm over, zoals we dat lezen in de verzen 10 tot 12, waar ons duidelijk wordt dat die koningen en die rechters, die tegen de Heere en Zijn Gezalfde opstaan, worden uitgenodigd om te buigen voor deze Koning. In het slot van deze psalm worden die koningen en die rechters juist opgeroepen om zich alsnog aan deze Koning te onderwerpen. En dat is onze derde gedachte, als we u spreken over:

 

3. Een dringend vermaan om te buigen voor Hem

 

Gemeente, het is u misschien bekend van Alexander de Grote, de vorst van het Grieks-Romeinse rijk, dat hij de gewoonte had wanneer hij met zijn troepen een stad belegerde, om eerst een heraut voor zich uit te sturen naar de poort van de stad om een vredesaanbod te doen aan de inwoners van die stad. ‘Geef u vrijwillig over’, zo klonk het aanbod tot de bewoners van de stad. ‘Weigert u evenwel, dan zal de stormloop worden begonnen, en zult u zich te laat beklagen dat u zich niet vrijwillig hebt overgegeven.’

Het is te begrijpen dat die belegerden in de stad zich niet direct overgaven. Daarom vertrok die heraut weer naar het leger, de boodschap van de koning achterlatend. En wat deden ze dan? In het leger werd dan een brandende lantaarn geplaatst op een hoge stang, als teken dat het vredesaanbod nog steeds van kracht was. Zodra echter het roze schijnsel van de vlam was uitgedoofd, zou de stad onherroepelijk tot de ondergang zijn gedoemd.

 

Maar nu komt er in de prediking van het evangelie een Koning tot u, Die nog veel groter is dan Alexander de Grote. Dat is de Hemelkoning, op Wiens gewaad geschreven staat: Koning der koningen en Heere der heeren. Ook deze Koning komt om te strijden tegen hen die met vijandschap tegen Hem vervuld zijn. Hij heeft het recht om ons te verderven, want dat hebben u en ik verdiend.

Maar nu het wonder van Zijn genade: voordat Hij ons verpletteren zal met Zijn ijzeren scepter, zendt Hij Zijn herauten uit met de boodschap des vredes: ‘Geef u vrijwillig over, dan hebt u niets te vrezen. Lever uw wapens van verzet en vijandschap bij Mij in. Geef Mij de sleutels van uw hart. En zo niet, dan kom Ik met Mijn wapens tegen u strijden, en uw einde zal vreselijk zijn.’

 

Nog gaan de herauten uit om dat vredesaanbod van die grote Koning aan u over te brengen, gemeente. Nog steeds schijnt die fakkel van het evangelie des vredes. U kunt allemaal nog tot God bekeerd worden, want die kruisbanier staat nog overeind. En die Koning heeft uw aller behoud op het oog! Want de Heere wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Dat is Zijn geopenbaarde wil aan ons.

Nu zegt Hij: ‘Buig toch voor die grote Koning. Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; verhard u niet, maar laat u leiden!’

Ga er toch niet gerust op slapen vanavond, als u nog geen vrede hebt met deze Koning. Want dat kan niet; u weet niet hoe lang dat aanbod nog van kracht blijft. Nog deze nacht kan onze ziel van ons worden afgeëist. En dan? Nu staat Hij nog voor u en Hij roept: ‘Kom! Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts en hij bekere zich tot de Heere.’

 

Mogelijk is er een jongen of meisje in de kerk, die zegt: ‘Ik wil stoppen met het leven in de zonde, ik wil de Heere gaan vrezen. Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?’ Zijn aanbod is nog van kracht!

Misschien bent u wel tachtig, misschien staat u al heel dicht bij het graf. Hebt u dan nog nooit gehoor gegeven, nog nooit antwoord gegeven op dat vredesaanbod van die Koning? Hoe moet dat dan straks?

O, als die herauten uitgaan, geef dan acht op het Woord! Eerst heeft de Heere Zijn oordeel laten prediken. David is eerst de heraut geweest van het oordeel. Maar dat kan het laatste woord van God niet zijn.

Daarom, dat oordeel wordt juist gepredikt opdat wij ons zouden bekeren. Want de Zoon des mensen is gekomen, niet om te verderven, maar om in het leven te behouden. Dat staat toch in de Bijbel? Welnu dan, daarom vermaant David ons hier tot berouw; hij zegt in vers 10: Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde.

‘Nu dan’, zegt hij, ‘het is de hoogste tijd om berouw te hebben, want die gelegenheid wordt u niet eindeloos gegeven. Er komt straks een tijd dat het aanbod des vredes niet meer van kracht zal zijn.’ Nu dan… Hoe sparend klinkt dit!

 

Dient de Heere met vreze, en verheugt u met beven. Nu worden die koningen en die rechters met hun volken, waaronder ook u en ik behoren, geroepen en uitgenodigd om Sions Koning te dienen, om ons aan Hem te onderwerpen.

 

Gemeente, dien de Heere met vreze. Jongens en meisjes, dien niet de zonde en de wereld, maar dien de Heere met vreze en verheugt u met beven. Dat is niet een angstige slaafse vrees; dat wordt hier niet bedoeld. Hier wordt bedoeld een kinderlijke vrees, een ootmoedige, eerbiedige vreze, want de Heere, onze God, is een heilig God.

Omdat Hij een heilig God is, daarom is het wonder zo groot dat Hij gekust wil worden. En daar staan we straks nog een ogenblik bij stil. Maar we zingen eerst met elkaar uit Psalm 2 vers 6:

 

Vreest ‘s Heeren macht en dient Zijn Majesteit;        

Juicht, bevend op ‘t gezicht van Zijn vermogen,

En kust de Zoon, vanouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg voor aller ogen;

U op uw weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn lang gehoond gedrag.

 

Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.

Kust de Zoon. Het is als horen wij hier de stem van de Vader op de berg der verheerlijking: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem (Matth. 17:5).

De Zoon kussen, wat betekent dat? Dat is een oosterse uitdrukking in beeldspraak. Dat betekent: Hem openlijk als de door God gezalfde Koning erkennen, huldigen. Zoals Samuël, nadat hij Saul gezalfd had tot koning, hem kuste tot een teken dat hij hem als de door God gezalfde koning erkende.

De kanttekenaren zeggen wat dat betekent: ‘Eert Hem als Mijn Zoon. Neemt Hem voor uw Koning aan. Gelooft in Hem, weest Hem onderdanig.’

 

Dus, gemeente, dat kussen van de Zoon kan niet gedaan worden buiten het ware geloof. Het gaat hier immers om het zich onderwerpen van ons hart en leven aan de Heere Jezus.

De bruid van Christus buigt zich voor Hem neer, omdat Hij haar Heere is. Maar ik moet u zeggen: het is wel een zalige onderwerping, als je als een arme zondaar of zondares komen mag om je aan Hem te onderwerpen.

‘O Heere, hier ben ik dan, ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt. Ik heb niets mee te brengen dan al mijn zonden. Ik kan ook niets verbergen; mijn ongerechtigheden bedek ik niet voor U, Heere, Gij weet het. Maar ik ben gekomen, Heere, om een beroep te doen op Uw barmhartigheid. En dan buig ik mij neer, Heere Jezus, aan de voet van Uw kruis, om daar iets te mogen ervaren van die vrede met God, die alle verstand te boven gaat; van die verzoening door Uw bloed.’

 

Begeert u Hem ook als Koning in uw hart? Als dat waar is, dan hebt u ook de zonde leren haten, dat kan niet anders, want Christus en Belial kunnen niet samengaan. Maar in die zalige onderwerping aan de Heere Jezus ligt meer genieten dan in heel de wereld.

Kust de Zoon. Dat is de Zoon van God, Die ook de Zoon des mensen geworden is. Hij is gekomen om hier te strijden en te lijden en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor de zonde; om op te staan en ten hemel te varen. En nu Hij daar is in de hemel en nu laat Hij, door middel van Zijn herauten, Zijn gemeente toeroepen: Kust de Zoon!

 

Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde.

Hoort u dat? Diezelfde mensen, die in het begin van de psalm werden gezien als de grootste vijanden, die opstonden tegen God en tegen Zijn Gezalfde, die uitriepen: Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen (vers 3), diezelfde opstandelingen worden hier genodigd! Tot hen komt nu dat vredesaanbod. Tot mensen die God de rug hebben toegekeerd in het paradijs.

Tot mensen, dood in zonden en misdaden, die de dood en het oordeel dubbel en dwars hebben verdiend.

 

Hoort u wel hoe onvoorwaardelijk dat vredesaanbod van Koning Jezus tot u komt? Dat zegt de Heere Zelf in Zijn Woord. De Heere zegt: ‘Koningen en rechters, kom nu maar! Opstandelingen, kom maar, onderwerp u aan Mij!’

Niemand die hier in de kerk zit kan zeggen dat hij of zij niet bedoeld wordt. Als de Heere zegt: Kust de Zoon, dan komt dat woord tot opstandelingen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.

Gemeente, het zal toch een keer moeten gebeuren! Want als u Hem hier niet kust in die zalige onderwerping aan Hem, dan zult u zich toch een keer moeten onderwerpen in de dag der dagen, maar dan is het te laat! Dan is het geen zalige, maar dan is het een rampzalige onderwerping.

Wil het wel zijn met ons, dan zullen we de Zoon moeten kussen. En dat kan nog. Al waren je zonden als scharlaken, dat je zegt: ‘O, ik schaam me zo voor God en voor de mensen’, dan zegt de Heere: ‘Ik zal ze maken als witte sneeuw. Kom dan en kus Mij maar.’

 

Waarom zou je het dan niet doen, gemeente? Hij is toch de Schoonste van alle mensenkinderen? Lever toch uw wapens van vijandschap bij Hem in. Wie zal zeggen hoe lang dat vredesaanbod nog geldt.

Kust de Zoon! Hoort u wel hoe dat daar staat? Het staat er in de gebiedende wijs! Dat betekent dat het moet gedaan worden. Daar heeft de Heere recht op. ‘Ja’, zegt u misschien, ‘maar een mens kan dat toch zomaar niet, zich onderwerpen aan de Heere Jezus?’

Daar zou ik veel op kunnen zeggen, maar ik zal u antwoorden met het eigen woord van de Koning, dat we lezen in Johannes 5 vers 40: En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.

Ja, onze wil moet omgebogen worden, dat is zeker waar. Maar dat is ook het werk van die Koning! Hebt u geen goed gebogen wil? Ga dan maar tot die Koning en Hij buigt die wil om. Want dat is Zijn werk. Het vloeit alles voort uit Zijn verdienste. Hij doet het door Zijn Geest.

U zegt misschien: ‘Hoe moet ik de Zoon kussen?’ Arme tobbers in ons midden, doe het maar zoals die vrouw in Tyrus en Sidon. Haar nood was groot, haar ellende was diep. Ze wist ook niet meer hoe het moest in haar leven. Maar toch, ze had gehoord van de Heere Jezus en ze was naar Hem toegegaan en ze had geroepen: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Matth. 5:22). Dat was haar kussen van de Zoon. En ze is niet beschaamd, want de Heere Jezus heeft haar niet teruggestuurd.

 

Kust de Zoon. Dat is de kus der verzoening. Wij hebben verdiend dat God ons wegvaagt van voor Zijn aangezicht. Maar dan staat daar die kruisbanier opgericht, en nu zegt de Heere: Kust de Zoon. Het is de kus der verzoening, want door het offer van Christus is er een volkomen verzoening aangebracht. Daarom is er nu voor woedende heidenen, voor ijdelheid bedenkende volken en voor arme zondaren vrede te vinden bij God, in een weg van bekering en geloof.

Kust de Zoon. Al drukt uw schuld nog zo zwaar, of al drukt uw schuld misschien in het geheel niet, als een gezant van Christus’ wege bid ik u: Laat u met God verzoenen! (2 Kor. 5:20) En dat kan nog. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21). Moet u dat vredesaanbod van Koning Jezus nu altijd maar weer opnieuw blijven beantwoorden met vijandschap en met verzet? Kust de Zoon!

 

Tenslotte nog dit. Die kus, dat is dus de kus van de onderwerping en het is de kus van de verzoening. Maar u weet ook dat een kus de uitdrukking van de liefde is

En dan wil ik u toch nog wat vragen: Hebt u de Heere Jezus lief? Zijn er hier mensen die zeggen: ‘O, ik moet wel zeggen dat mijn eigen leven er tegen getuigt en dat ik het er helemaal niet zo best af breng. Iedere dag opnieuw heb ik te strijden tegen mijn zondige bestaan. Maar één ding zeg ik toch: Hem heb ik lief gekregen. Zoals Hij tot me gekomen is, zoals Hij Zich in Zijn ontferming over me heengebogen heeft in de gestalte van Zijn evangelie, zo heb ik Hem toch lief gekregen.’

Daar zal het op aankomen, gemeente. De kus van de liefde…

 

We zagen dat het vredesaanbod van Alexander de Grote twee kanten had. Wie het inwilligde werd gespaard, maar wie het weigerde kwam om. En dat is ook zo met het aanbod van Koning Jezus. Wie dat weigert, wie liever zijn zonden heeft dan Jezus, die heeft de rechtvaardige toorn te duchten. Want dat staat er ook. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat.

Die toorn zal hevig zijn; die hoeft slechts een weinig te ontbranden, zegt onze tekst, en we zullen vergaan op de weg van zonde en van ongeloof. Want dan zal het Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden. Als dat aanbod nu tot u gekomen is en u hebt het uw hele leven geweigerd, dan komt er ook een bedreiging in de prediking tot allen die met hun leven bewijzen dat ze met Koning Jezus niet te maken willen hebben. Die zeggen: ‘Wat deel heb ik aan Hem?’ Ja, dan zal Hij eens tot ons zeggen: ‘Wat deel hebt u aan Mij? Breng ze hier en sla ze voor Mijn voeten dood…’

 

Er wordt weinig bij stilgestaan dat de Heere Jezus ook toornen kan. Dat de Vader toornt, ja, dat weten we. Hij is Rechter. Maar Christus is toch het Lam, de goede Herder? Ja, dat is waar, maar in de dag der dagen zal er toch geen vreselijker toorn zijn dan de toorn van het Lam. Want bedenk dat de vertrapte, de afgewezen, de geweigerde liefde van de Heere Jezus dan zal omslaan in toorn en in gramschap. Dan zal het Lam ook blijken de Leeuw te zijn.

Daarom: Vlied toch die toekomende toorn! Want de Rechter van straks is nog de Redder van nu. Dat vredesaanbod is nog van kracht. Die fakkel van het evangelie des vredes brandt nog.

 

Kust de Zoon. ‘Ach’, zegt u, ‘ik zou het zo graag willen, maar ik heb de vrijmoedigheid niet, want ik voel zoveel zonden in mijn hart.’ Doe het dan maar zoals die zondares. Die kuste ook de Heere Jezus. Ze ging naar het huis van Simon de farizeeër, waar de Heere Jezus was, want ze kon niet meer buiten Hem leven. Hoe dichter ze bij de Heere Jezus kwam, hoe meer ze zich schaamde over haar zonden. En toen ze voor Hem stond, toen kon ze niet eens meer praten. Weet u wat ze deed? Ze weende heel haar zondige leven uit! Haar tranen drupten op de voeten van de Heere Jezus.

Wat deed ze toen? Toen droogde ze die voeten met haar haren en toen gaf ze er een kus op. Kijk, dat was dan haar kussen van de Zoon. Maar de Heere Jezus heeft gezegd: Uw zonden zijn u vergeven (Luk. 7:48).

 

Over dat toevlucht nemen spreekt ook het slot van de psalm. Want daar staat: Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen. Het woordje ‘betrouwen’ kun je ook vertalen met ‘toevlucht nemen tot’ of ‘schuilen bij.’

Welgelukzalig zijn ze die bij Jezus schuilen. Want als we schuilen mogen bij Hem, dan mogen we het ervaren: Milde handen en vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid.

 

Kom, gemeente, wat dunkt u van Sions Koning? Is niet alles wat aan Hem is, gans begeerlijk? Zowel in de bloedige tekenen van Zijn lijden, als in de glorie van Zijn overwinning? Is Hij niet onze hulde waard? Kom, kust die Zoon! Buig u voor Hem neer en zeg het: ‘U zoekt Mijn hart, mijn oog blijft op U staren.’

Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 2: 7

 

Welzalig zij die, naar Zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;

Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!

Welzalig zij die vast op Hem betrouwen!