Ds. C. Harinck - Johannes 20 : 28

Thomas en de opgestane Christus

Het gruwelijk ongeloof van Thomas
Het barmhartig onderwijs van Christus
De krachtige geloofstaal van Thomas

Johannes 20 : 28

Johannes 20
28
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 6
Lezen : Johannes 20: 19-31
Zingen : Psalm 119: 85, 87, 88
Zingen : Psalm 73: 1
Zingen : Psalm 56: 5

Gemeente, in het laatste vers van Psalm 119 zegt David: Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten (Ps.119:176). Het is een wat vreemde uitspraak. Hij zegt dat hij ondanks dat Hij als een schaap in het rond heeft gedwaald, de geboden des Heeren niet vergeten is. Dit lijkt een tegenstrijdigheid. Toch is zijn belijdenis oprecht. In een waar gelovige blijft altijd een vlam van liefde branden, die God en Zijn geboden niet kan vergeten.

Wij zien dat ook in het leven van de apostel Thomas.

 

Onze tekst kunt u vinden in Johannes 20 vers 28:

 

                        En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.

 

Deze tekst spreekt over: Thomas en de opgestane Christus.

 

Wij letten op:

1. Het gruwelijk ongeloof van Thomas

2. Het barmhartig onderwijs van Christus

3. De krachtige geloofstaal van Thomas

 

1. Het gruwelijk ongeloof van Thomas

 

Toen Jezus op de eerste Paasdag aan Zijn discipelen verscheen, was Thomas daarbij niet aanwezig. Waarom niet? Hij was toch één van de discipelen? Waarom was hij er niet bij in de opperzaal, daar in Jeruzalem, in het huis van Maria, de moeder van Markus? Dit was toch de plaats waar ze samenkwamen? Maar Thomas was er niet! Waarom niet?

Wij vinden het antwoord niet in de Bijbel. Maar alles wat de Bijbel ons over Thomas meedeelt, doet ons vermoeden dat zijn moedeloosheid hem zo aangegrepen heeft, dat hij niet naar die samenkomst is gegaan.

Mogelijk heeft hij gedacht: Het is voorbij! Jezus leeft niet meer. Het heeft geen zin meer om samen te komen. De kring van de discipelen zal ook wel uiteenvallen. Er blijft niets van over.

Hoe het ook zij, Thomas was niet aanwezig toen de Heere Jezus aan Zijn discipelen verscheen.

Thomas is een Hebreeuwse naam. In het Grieks heet hij Didymus, ofwel tweeling. Men droeg die naam pas als één van de tweelingen overleden was. Dan noemde men de overgebleven tweeling Didymus of Thomas.

Wat we wel met zekerheid van Thomas weten, is dat hij een wedergeboren mens en een geroepen discipel van Jezus was.

 

De Bijbel vermeldt ons nog meer dingen omtrent Thomas. Uit de Schriftgegevens blijkt dat Thomas een wat zwaarmoedige man was. Hij was melancholisch, zouden wij gezegd hebben. Dat blijkt uit verschillende gebeurtenissen die in de evangeliën beschreven worden.

De eerste maal dat die zwaarmoedigheid blijkt, is wanneer de Heere Jezus vanuit Galilea naar Judea wil gaan omdat Hij gehoord heeft dat Lazarus ziek is. De discipelen zeggen dan: ‘Meester, moet U daar weer naar toe? Onlangs hebben ze daar geprobeerd U te doden.’

De discipelen zien dus gevaar. We horen Thomas zeggen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven (Joh.11:16). Thomas zoekt altijd de donkere kant van wat mogelijk gebeuren kan op. Hij zegt dan ook: ‘Dat wordt de dood van Jezus, maar dan kunnen wij beter ook maar sterven.’ Hieruit blijkt tegelijk zijn verbondenheid met Jezus.

 

Kort voor de kruisiging van Jezus zien we voor de tweede maal die zwaarmoedige kant van Thomas. Als hij Jezus hoort spreken: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; (…) Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh.14:1-2), zegt Thomas: Wij weten niet waar U heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten? (Joh.14:5). ‘Als U weggaat, zal er van ons niets terechtkomen’, zegt Thomas, ‘wij blijven dan reddeloos verloren achter.’

 

De derde maal dat we de zwaarmoedigheid van Thomas zien, is op de Paasdag. De discipelen en de vrouwen hebben elkaar opgezocht en zoeken troost bij elkaar. Zodra de sabbat voorbij was hebben zij elkaar opgezocht. Thomas is pas laat op de dag ook naar de bekende ontmoetingsplaats in het huis van Maria, de moeder van Markus, gegaan om daar zijn medebroeders en medezusters te ontmoeten.

Als hij daar ’s avonds binnenkomt, wordt hij begroet met de boodschap: Wij hebben de Heere gezien! Jezus is persoonlijk in hun midden verschenen en heeft Zijn opstanding uit de doden bewezen. Zij mogen weten: de Heere is waarlijk opgestaan! Thomas heeft dit gemist. Hij kwam te laat. We lezen we in vers 24: En Thomas, één van de twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam.

Toen Jezus aan Zijn jongeren verscheen, ’s avonds op die eerste Paasdag, was Thomas er niet bij. Daarom ontging hem de zegen. Hij moest die gezegende ontmoeting met de opgestane Christus missen!

Terecht mogen we wel zeggen dat wij de zegen mislopen, als we de onderlinge bijeenkomsten nalaten. In de samenkomsten van de gemeente wil de Heere immers Zijn volk bezoeken en met Zijn genade en Geest werken.

 

Maar Thomas was met hen niet. Toch trekt zijn hart naar het gezelschap van de discipelen en de vrouwen. Hoewel het waarschijnlijk al laat op de avond is, kan Thomas het toch niet nalaten hen op te zoeken.

Als hij dan binnenkomt, wordt hij begroet met een blijde jubel, het gezelschap roept hem vol blijdschap toe: Wij hebben de Heere gezien! Ze roepen hem toe: ‘Jezus leeft, Hij is opgestaan uit de doden en Hij is hier in ons midden geweest! Wij hebben Hem gezien, en met Hem gesproken!’

 

Maar wat horen we Thomas zeggen? We lezen dat in vers 25: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vingers steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, is zal geenszins geloven.

Thomas’ reactie was: ‘Dat geloof ik niet. Jullie bedriegen jezelf. Jullie geloven in iets wat geen werkelijkheid is. Jullie hebben je overgegeven aan bespiegelingen en dromen. Jullie hebben je maar wat ingebeeld. Ik zal het pas geloven als ik mijn vingers kan steken in het teken der nagelen, en als ik mijn hand leggen kan in de wond in Zijn zijde.’

Met andere woorden: ‘Pas als Christus hier lichamelijk vóór me staat en ik Hem tasten kan met mijn vingers en handen, zal ik het geloven. Ik ben niet zo lichtgelovig als jullie. Ik geloof niet in hersenschimmen en geestverschijningen. Ik geloof niet dat Jezus werkelijk in jullie midden is geweest.’

Met eigen ogen wil Thomas de littekens in Jezus’ handen en het litteken in Zijn zijde zien. Hij wil zijn vingers steken in het teken der nagelen, en zijn hand leggen in de wond die in Jezus’ zijde was gemaakt.

 

Het klinkt bijna als godslastering. Hij wil zijn zondige vingers in Jezus’ wonden steken en zijn hand leggen in Zijn geopende zijde.

We kunnen hier opmerken dat Thomas goed wist wat er op Golgotha met Jezus gebeurd was. Hij wist dat Jezus niet alleen gekruisigd was, maar ook dat Hij doorstoken was met een speer.

Maar wat een verschrikkelijke woorden spreekt Thomas uit. Wat durft hij hier niet te zeggen! Hoe durft hij zijn medebroeders en medezusters weg te zetten als mensen die in hersenschimmen geloven! Hij durft de spot te drijven met wat zij hem vertellen. Wij zouden zeggen: met zo’n man is niets meer aan te vangen. Wat een ongelovige, wat een gruwelijke ongelovige. En wat stelt hij onmogelijke eisen!

 

De Heere heeft gezegd dat in de mond van twee of drie getuigen alle woord zou bestaan. Maar hier zijn geen twee of drie getuigen, hier zijn vele getuigen die bevestigen dat ze de Heere gezien hebben. Maar Thomas gelooft hen niet. Hij gelooft Maria Magdalena niet, hij gelooft Simon Petrus niet, hij gelooft de vrouwen niet, en hij gelooft ook de Emmaüsgangers niet.

Hij gelooft niet dat Jezus enkele uren geleden in hun midden is geweest. Hij verklaart ze allen voor leugenaar. Hij stelt gruwelijke eisen en zegt: ‘Indien ik niet zie het teken der nagelen en mijn vingers daarin steek, en indien ik niet de wond in Zijn zijde kan zien en daar mijn hand in kan leggen, ik zal geenszins geloven.’

‘Géénszins geloven zal ik!’, zegt Thomas. ‘Het is uitgesloten dat ik geloven zal zonder dat al mijn eisen worden ingewilligd.’

Met recht kunnen we zeggen: met zo iemand is niets meer te beginnen. Het zou toch redelijk zijn als niet alleen de discipelen en de vrouwen, maar ook God hem links laat liggen? Maar dat heeft de Heere niet gedaan! Daarop letten we in de tweede gedachte, als we spreken over:

 

2. Het barmhartig onderwijs van Christus

 

Vers 26 zegt ons: En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen.

Waarom acht dagen? Waarom niet na drie dagen of na vijf dagen?

Wij weten het niet zeker, maar die achtste dag viel weer op de eerste dag van de week. Het is als het ware een voorbode dat de rustdag aan het veranderen is. De belangrijkste dag voor de kerk van het Nieuwe Testament zal de dag van de opstanding zijn. Zo wordt er in het Nieuwe Testament over gesproken. De zondag is voor de christen in het Nieuwe Testament dé dag des Heeren.

 

Op deze eerste dag van de week zijn ze weer samen. De afgelopen dagen zijn voor Thomas moeilijke dagen geweest. Ongetwijfeld heeft hij zich groot gehouden. Hij zal wellicht weer gezegd hebben: ‘Ik ben niet zo lichtgelovig als jullie; ik zal het pas geloven als ik het echt zie. Als ik met mijn vingers en handen tasten kan dat Jezus het echt is.’

Maar in zijn hart is het ellendig gesteld. Hij voelt zich buitengesloten. De andere discipelen en de vrouwen zijn vol goede moed, en vol verwachting voor de toekomst. Zij zijn ervan overtuigd dat er grote dingen zullen gebeuren. Zij hebben immers de Heere gezien en weten zeker dat Jezus leeft en uit de doden is opgestaan! Zij spreken met grote blijdschap over de opstanding van Jezus. Zij weten: de Meester leeft! Maar Thomas deelt niet in die blijdschap. Alhoewel hij zich groot houdt, voelt hij zich diep ellendig. Er is duisternis in zijn ziel.  

 

Wat was Thomas er ellendig aan toe! Het leert ons dat het ongeloof duisternis in het hart brengt. Het berooft onze ziel van de blijdschap in het geloven. De toegang tot God sluiten we daardoor af, zodat we God niet vinden in onze gebeden. We zetten daarmee onszelf buiten de gemeenschap met God en de gelovigen.

Zo is het met Thomas geweest. Hij weigert te geloven dat Jezus uit de doden is opgestaan. Maar… hij is toch weer aanwezig. Hij is toch niet teruggegaan naar Galilea; hij is toch bij de discipelenkring gebleven en is tóch weer met hen in de opperzaal.

We zien aan Thomas dat er, ondanks alles, altijd iets overblijft in het hart van een waarachtig gelovige, iets dat naar God en Zijn dienst trekt.

 

De deuren waren gesloten. Maar desondanks lezen we: En Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden! Plotseling staat Jezus weer in hun midden, terwijl de deuren gesloten zijn. Ze waren gesloten, omdat de discipelen bang waren voor de woede van de Joden. Bang dat ze hun woede zouden koelen op de volgelingen van de Heere Jezus.

Voor Jezus zijn deze gesloten deuren echter geen verhindering. Hij komt binnen en begroet hen met de woorden: Vrede zij ulieden! Hij heeft de deuren geopend, zoals later de gevangenisdeuren voor Petrus open gingen.

 

Direct daarna, zo lezen we in vers 27, keert Jezus Zich tot Thomas en zegt: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.

Jezus laat merken dat Hij in het bijzonder voor Thomas is gekomen. Hij spreekt een vredegroet uit, en keert zich dan direct tot Thomas. Hij wendt Zich tot hem met een bevel: ‘Thomas, doe wat je gezegd hebt. Steek je vingers in deze littekenen in Mijn handen en leg je hand in het diepe litteken in Mijn zijde, en wees voortaan niet ongelovig, maar gelovig.’

 

Het blijkt dat Jezus weet wat Thomas gezegd heeft. Dat moet toch wel een schok voor Thomas zijn geweest. Jezus was volmaakt op de hoogte van zijn brute eisen en veroordelen van zijn medebroeders en de vrouwen. Jezus bleek op de hoogte te zijn van alles wat hij gezegd had.  

Jezus laat merken dat Hij die woorden van Thomas heeft gehoord. Maar Jezus doet nog meer: Hij laat niet alleen merken dat Hij alles weet, maar – en dat is niet te begrijpen – de Heere is ook bereid aan Thomas’ eis tegemoet te komen.

‘Thomas, dat wilde je toch? Dat heb je toch als voorwaarde gesteld? Je hebt toch gezegd dat je anders geenszins geloven zult?’

‘Wel,’ zegt Jezus, ‘breng uw vingers hier en steek ze in het teken der nagelen, en leg uw hand in het litteken in Mijn zijde.’

Jezus moet Thomas zijn handen met de littekenen en zijn zijde met de wond getoond hebben. Trouwens, dat deed Jezus ook reeds op de eerste Paasdag. Hij toonde Zijn discipelen Zijn handen en Zijn voeten. Hij toonde hun Zijn wonden. Hij laat ze nu ook aan Thomas zien en zegt: ‘Thomas, doe nu wat je geëist hebt; en leg je vingers maar in het teken der nagelen, en je hand in de wond in Mijn zijde.’

 

Het is alsof Jezus zegt: ‘Thomas, je vond het niet genoeg dat Mijn handen doorboord zijn aan het kruis. Je wilt ze opnieuw doorboren met je vingers. Je vond het niet genoeg dat Mijn zijde geopend is door een speer, je wilt je hand in het litteken  leggen. Wel, kom dan met je vingers en je handen, en wees niet ongelovig, maar gelovig.’

Vooral uit deze laatste woorden blijkt dat Jezus Thomas niet aanspreekt in toorn of gramschap, maar dat Hij als het ware zegt: ‘Thomas, dat wilde je toch? Je eiste dat toch?  Doe dat dan nu, en wees voortaan niet meer ongelovig, maar gelovig.’

Thomas wordt uitgenodigd zijn vingers te steken in het teken der nagelen, en zijn hand te leggen in de wond in Zijn zijde. Het is alsof de Heere Jezus zegt: ‘Thomas, kom hier en doe het. Tast hoe diep de wonden zijn geweest. Voel en tast welk een dure prijs Ik heb moeten betalen om je zonden te verzoenen. Voel en zie wat de zonde Mij gekost heeft. Wees er van overtuigd dat ik Mij voor jou heb vernederd tot in de dood, ja tot in de dood van het kruis. En wees voortaan niet meer ongelovig, maar gelovig.’

Wat heeft de Heere liefdevol met Thomas gehandeld! Verbazingwekkend eigenlijk. Hij heeft hem niet verstoten en heeft niet tegen hem gezegd: ‘Hoe durf je zo iets te eisen?’ Nee, Hij heeft hem uitgenodigd om zijn vingers daadwerkelijk te steken in het teken der nagelen, en zijn hand in Zijn zijde te leggen.

 

Jezus heeft Thomas diep vernederd. De woorden van Jezus hebben hem dieper vernederd dan al de vloeken van de berg Sinaï kunnen doen.

Wat moet het Thomas diep vernederd hebben, om Jezus daar voor zich te zien, met de littekenen in Zijn handen en de wond in Zijn zijde. Die littekenen waren de bewijzen van het bittere lijden van Christus. En dan Jezus horen zeggen: ‘Doe het, Thomas. Doe wat je wilde. Overtuig je, wat de zonde Mij gekost heeft. Ik heb Mij tot in de dood moeten vernederen om over jouw zonden verzoening te doen.’

Wat moet de liefde die uit de woorden van Jezus sprak, Thomas innerlijk verbroken hebben. Ze hebben hem overtuigd van het vreselijke van zijn eisen en ongeloof. Tot hiertoe heeft hij eigenlijk niet beseft wat hij geëist had. Hij kon het allemaal nog wel goedpraten, hij dacht in zijn recht te staan, hij was niet zo lichtgelovig als die anderen.

Maar nu krijgt hij oog voor de vreselijke zonde van zijn ongeloof en ziet hij pas goed wat hij heeft durven eisen en zeggen!

 

Thomas is ook sterk vertroost. Het is of Jezus tegen hem zegt: ‘Zie het, Thomas, en voel het met je vingers en je handen, hoe lief Ik jou heb gehad. Zó lief, dat Ik Mijn lichaam aan het kruis heb verbroken, om voor jouw zonden te betalen.’

Tegelijkertijd is er ook bij Thomas een diepe en niet te loochenen overtuiging geboren, dat Jezus werkelijk uit de doden is opgestaan.

Het was immers alsof Jezus zei: ‘Thomas, zie je nu dat Ik het echt ben? Ik ben met dit lichaam aan het kruis gespijkerd, deze zijde is doorstoken met de speer, en met dit lichaam ben Ik begraven. Met ditzelfde lichaam sta Ik nu levend voor je. Ik ben werkelijk uit de doden opgestaan. Hier is het bewijs dat Ik werkelijk leef, dat Ik dood en graf heb overwonnen. Het is vooral het bewijs dat Ik voor je zonden heb betaald en je ongerechtigheid heb verzoend.’

 

Jezus heeft Thomas op een bijzondere wijze verlost van zijn ongeloof.  Het is een aanpak en een methode die uitzonderlijk genoemd mag worden. Wij zouden Thomas zo niet behandeld hebben. Wij hadden woorden van verwijt en veroordeling gesproken, maar hem niet uitgenodigd zijn vingers in de tekenen der nagelen te steken. 

Zo weet de Heere op Zijn wijze te verlossen uit de macht van zonde en ongeloof. Alleen verwijt en veroordeling verlost je daar niet uit. Jezus’ methode alleen kan dat bewerken.

 

Het ongeloof is zonde. Het is wel genoemd de grootste zonde. Maar het ongeloof is ook een macht. Het kan je in zijn macht hebben. Het neemt alle vroegere troost uit je hart weg. Het verdenkt alles wat de Heere ooit aan je ziel deed. Het doodt alle geestelijke werkzaamheden en drijft je in de armen van de duivel. Het maakt dat je God en jezelf allerlei eisen zult stellen. In plaats van je ongeloof te belijden, zal de duivel je er in stijven dat je in je gelijk staat. Hij zal je doen geloven dat het rechtzinnig en degelijk is om te eisen: ik moet eerst dit kennen en dat beleefd hebben, en dan pas zal ik geloven. Wat is het ongeloof een vreselijke macht en een scherp wapen van de boze!

 

Gods kinderen hebben veel te strijden met het ongeloof. Zij kunnen er soms jaren in gevangen zitten. Hoe zou het toch komen dat Gods kinderen zo’n moeite hebben met geloof te beoefenen, waar dat velen zo gemakkelijk afgaat?  

Het komt omdat Gods kinderen zichzelf leren kennen als een zondaar voor God, een overtreder van al Zijn geboden en als mensen waarin geen goed woont. Zij moeten belijden dat zij zich naar Gods rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffen hebben waardig gemaakt. Daarom hebben zij zo’n strijd met het geloven en heeft het ongeloof zo’n vat op hen.

Zij horen het Evangelie verkondigen, dat zegt dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben. Zij horen over het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt. Zij horen van de gewilligheid van Christus om de snoodste zondaar te ontvangen. De bekwaamheid van Christus wordt hen in het Evangelie voor ogen gesteld als zijnde een Verlosser Die alles bezit om een zondaar met God te verzoenen. Zij vernemen dat Hij nog nooit een zondaar heeft afgewezen. Zij horen dat Hij vermoeiden en beladenen, schuldigen en verlorenen tot Zich roept. Ja, zij zien alles wat zij nodig hebben in Christus. Zij zien in Hem al de vrede waarnaar hun ziel dorst en al de vrijheid waarnaar zij in hun gevangenis verlangen. Ja, zij zien dat alles wat zij nodig hebben in Jezus te vinden is.

En tóch kunnen ze het maar niet geloven, ja dúrven zij niet geloven dat dit nu ook voor hen is. Dat Jezus nu ook voor hen in de wereld is gekomen, dat Hij ook voor hen Zijn bloed heeft vergoten.

Als ze zien wie ze zijn voor de Heere, als ze zien op hun strafwaardigheid, zeggen ze: ‘Ik kan dat niet geloven, ik durf het niet te geloven.’

 

Toch is er hier bij Thomas iets anders aan de hand.

Een bestreden kind van de Heere zegt: ‘Ik kán het niet geloven, ik kán het niet omhelzen, ik kán mijn hand niet leggen op het offerdier, ik kan en durf het mij niet toe-eigenen dat Christus ook voor mij gestorven is.’

Maar Thomas zegt iets anders. Thomas zegt: ‘Ik wíl het niet geloven en ik zál het niet geloven. Tenzij aan mijn voorwaarden wordt voldaan. Tenzij ik mijn vingers kan steken in het teken der nagelen, en mijn hand in Zijn zijde kan leggen.’

Thomas gaat een stap verder dan ‘ik kan het niet geloven en ik durf het niet geloven’. Hij zegt: ‘Ik zál het niet geloven en ik wíl het niet geloven, tenzij aan mijn voorwaarden wordt voldaan.’

Dat is toch een stap verder. Het is het ongeloof in zijn Godonterendheid en hoogmoed.

Inderdaad de grootste zonde. 

 

Maar, gemeente, toch staat dit ongeloof dichterbij ons dan we beseffen. Ga het maar na in je eigen leven en in je opstelling ten opzichte van de verkondiging van het Evangelie. Welke voorwaarden stellen wij zoal? Zeggen ook wij niet: ‘Eerst moet ik dit weten, eerst moet ik dat hebben beleefd. Eerst moet ik zeker weten dat het werk in mijn hart het werk van God is; eerst moet ik zeker weten dat deze of die belofte uit de Bijbel ook voor mij bedoeld is. Dan pas zal ik geloven.’

Wat lijken we op Thomas! We hebben allerlei eisen en stellen allerlei voorwaarden. ‘God moet me eerst dit geven en dat geven, of ik moet eerst beleven wat die man of die vrouw beleefd heeft, en dan… dán zal ik geloven.’

 

De Schrift veroordeelt ongeloof. Het is een verdenken van God en Zijn beloften. Het is een belediging van Gods betrouwbaarheid. Het wortelt in de hoogmoed van ons gevallen bestaan. Het zou dan ook rechtvaardig zijn indien Jezus aan Thomas voorbij zou gaan en hem niet mee zou rekenen onder de Zijnen. Het zou ook rechtvaardig zijn indien de Heere Jezus, vanwege al de eisen en voorwaarden die we durven stellen, ook aan ons voorbij zou gaan.

Maar Jezus is Thomas niet voorbijgegaan. En Hij gaat ook nu niet voorbij aan zulke ongelovige Thomassen als wij dikwijls zijn.

 

Jezus heeft Thomas van zijn ongeloof verlost. Maar niet zonder hem aan de zonde van het ongeloof ontdekt te hebben, en dat op zo’n manier als Hij alleen maar kan.

Jezus heeft Thomas uitgenodigd om te doen wat hij geëist had. Hij nodigde Thomas uit: ‘Doe het maar, Thomas. Steek je vingers in het litteken van de nagelen, leg je hand in Mijn zijde.’

Het is door deze opstelling van Jezus, dat de macht van het ongeloof in Thomas is gebroken. Er is niets overgebleven van zijn hoogmoedig spreken: Indien Ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.

God weet onze trotse hoogmoed en ons stellen van eisen en voorwaarden te verbreken. Hij leert ons dat we niets te eisen hebben en geen voorwaarden kunnen stellen, maar dat we een verloren en schuldig zondaar zijn.

 

Wanneer Hij ons in ons ongeloof opzoekt en door Zijn Woord of de prediking ons in ons ongeloof aanspreekt, maakt Hij ons beschaamd en stelt Hij ons schuldig. We doen dan met Job de hand op onze mond en zeggen: Zo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, dingen die voor mij te wonderbaarlijk waren, die ik niet wist. (…) Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as(Job 42: 3 en 6).

De macht van het ongeloof wordt dan verbroken en het geloof mag doorbreken, zoals we dat zien bij Thomas. Daarop letten we in de laatste gedachte, als we spreken over de krachtige geloofstaal van Thomas.

 

Zingen we nu eerst Psalm 73 vers 1:

 

Ja waarlijk, God is Isrel goed,

Voor hen die rein zijn van gemoed;

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,

Mijn voeten waren, in mijn leed,

Schier uitgeweken, en mijn treên

Van ‘t spoor der godsvrucht afgegleên.

 

3. De krachtige geloofstaal van Thomas

 

Door de woorden van Jezus breekt de macht van het ongeloof in Thomas. Het geloof verheft zich en Thomas belijdt: Mijn Heere en mijn God!

Thomas spreekt een geweldige geloofsbelijdenis uit. Het is een belijdenis die veel verder reikt dan die van de andere discipelen. Thomas komt tot een geloofskennis die  helderder en duidelijker is dan van de andere discipelen. Hij is ze ver vooruit.  

Dit gebeurt nog. Wanneer kinderen van God lang in duisternis hebben verkeerd, in veel aanvechtingen hebben geleefd en lang in de macht van het ongeloof hebben verkeerd, kan daarna het geloof krachtig doorbreken. Wanneer God de macht van ongeloof verbreekt en na een lange nacht van strijd Zijn vaderlijk aanschijn ons vertoont, komen zulke gelovigen meestal tot grote klaarheid en duidelijkheid. Dat zien we hier ook bij Thomas. Hij roept in aanbidding en in verwondering: Mijn Heere en mijn God!

Wat is dat een geweldige belijdenis! En dat uit de mond van Thomas! Een belijdenis die nog niet één van de discipelen heeft uitgesproken.

 

Thomas noemt Jezus ‘mijn Heere’. Het Griekse woord is hier: Kurios. Zo noemen de gelovigen van het Nieuwe Testament hun opgestane Zaligmaker. Kurios is een vertaling van de oudtestamentische Godsnaam Adonai. Adonai betekent: Bezitter, Eigenaar, een meester, een bezitter van slaven. De Joden vervangen de naam Jahwè of Jehovah door de naam Adonai, omdat zij de naam Jahwè niet durven uitspreken. In het Nieuwe Testament draagt Jezus de naam Kurios, dat betekent: Heere, Eigenaar. Hij is de Heere van alle dingen en vooral van Zijn gemeente. Een gemeente die Hij niet met zilver of goud, maar met de prijs van Zijn bloed gekocht heeft. De Schepper van hemel en aarde, de onbetwiste Heere, Die een naam heeft die boven alle naam is, was de Heere van de christenen. Met die naam spreekt Thomas Jezus aan: Heere, Kurios, Meester.

Mijn Heere, zegt Hij, en mijn God. U, die Heere bent, de Bezitter van het ganse heelal, bent mijn Heere en mijn God.

 

Thomas heeft de tekenen der nagelen en het litteken van de wond in Jezus’ zijde gezien, en heeft begrepen wat we lezen in Zondag 1 van de catechismus: ‘Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.’

 

Mijn Heere en mijn God! Het is ook een uitroep van verwondering.

Thomas heeft begrepen dat Jezus zijn godslasterlijke woorden en eisen heeft gehoord.

Thomas moest toen denken: Nu is het met mij gedaan. Nu zal Christus mij als discipel afschrijven en God mij voor eeuwig verwerpen… Maar dat gebeurde niet. Integendeel!

Jezus zei: ‘Doe maar wat je heb geëist. Steek je vingers maar in de littekenen van Mijn handen, en leg je hand maar in Mijn zijde, en zijt niet ongelovig, maar gelovig.’

Dat is het enige verwijt van Jezus. ‘Thomas, nu je dit alles gezien hebt, wees voortaan niet meer ongelovig, maar gelovig.’ Wat een zacht verwijt!

Het heeft Thomas met verwondering vervuld. Het deed hem roepen: Mijn Heere en mijn God!

 

Nadat Thomas zijn belijdenis heeft uitgesproken, onderwijst Jezus hem. Hij zegt: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

Jezus laat Thomas voelen dat hij nu hij de littekenen van Jezus gezien heeft wel gelooft, maar dat het veel groter is om niet gezien te hebben en toch te geloven. Thomas kan met zijn geloof niet groot worden. Hij moet tot zijn schaamte heel zijn leven blijven zeggen: ‘Tóen pas heb ik geloofd! Zo’n ongelovige Thomas was ik!’

 

Jezus zegt dat geloven zonder zien en tasten veel groter is dan geloven door middel van zien en tasten.

Echt geloven is niet zien, tasten en voelen.

Wat is geloven dan? Het is het zich verlaten op Gods beloften. Zo lezen we van Abraham: En hij geloofde in de Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid (Gen.15:6). Abraham geloofde dat hij een zoon zou krijgen, maar hij zag er niets van. Toch geloofde hij, omdat God het hem beloofd had. Daar wijst Jezus Thomas op en zegt: Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

Het geloof verlaat zich in alle strijd en onmogelijkheid op het Woord des Heeren. Zulke gelovigen worden door Jezus zalig gesproken. Het geloof dat zich vastklampt aan Gods beloften brengt God zoveel meer eer toe dan het geloof van Thomas, die pas na zien geloofde.

 

De verschijning van de opgestane Christus aan Thomas is één van de vele verschijningen van de opgestane Christus aan Zijn discipelen, die een bewijs zijn van de werkelijkheid van Jezus’ opstanding. Wanneer Thomas later de wereld intrekt, in de richting van Syrië en Perzië, moet hij zeggen dat hij aanvankelijk niet geloofde dat Jezus van de doden opgestaan was, maar dat de Heere hem daarvan overtuigd heeft. Zo is de verschijníng van Jezus aan Thomas één van de bewijzen van de waarheid van de opstanding van Jezus.

 

Thomas was de eerste zondag na Goede Vrijdag niet aanwezig in de opperzaal met de discipelen en de vrouwen. Daardoor miste hij de zegen. Hij was er niet, toen Jezus aan de Zijnen verscheen. Wanneer je de kerkdienst verzuimt, mis je de zegen. God bindt ons aan de samenkomst van de gemeente. Wij mogen die niet verachten. Dan mis je de zegen.

 

Daaraan ontdekte de Heere Thomas. Acht dagen lang heeft hij in duisternis gewandeld. God laat het Zijn kinderen gevoelen hoe verkeerd ze bezig zijn, als ze de Heere eisen en voorwaarden stellen. Als ze zeggen: ‘Eerst moet ik dit bezitten, en dat kennen, en dan pas zal ik het geloven.’

Misschien vinden wij de voorwaarden die Thomas stelde nog zo vreemd niet. Zonder meer geloven dat Jezus uit het graf opgestaan is, dat doe je toch zomaar niet? En zomaar geloven dat je een kind van God bent, dat kan toch ook niet?

Wij hebben bij dat soort geloof onze bedenkingen. Wij scharen ons aan de zijde van Thomas en zeggen: ‘Eerst zal ik goed moeten weten dat mijn boetvaardigheid de echte boetvaardigheid is. Eerst moet ik weten dat mijn zondekennis echt en diep genoeg is. En dat mijn honger en dorst naar de verlossing de échte honger en de échte dorst is. Pas dán zal ik het geloven.’

Wij lijken zo op Thomas en zeggen: ‘Ik ben niet zo lichtgelovig en oppervlakkig als de mensen die zo gemakkelijk geloven.’

Nu is zelfbeproeving een Bijbels gegeven, en vrees voor zelfbedrog en lichtvaardig geloven een goede zaak. Toch ga je een streep over als je zegt: ‘Ik wil eerst zien en dan geloven.’ Jezus heeft zulk spreken veroordeeld en tot Thomas gezegd: Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

 

Wat is geloven dan? Het is tot Christus komen als een arme, verlorene en schuldige, ons verlatende op Zijn eigen woord: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Zulk komen heeft te maken met nederigheid en onwaardigheid. Het geloof is daarom een nederige genade genoemd. Ongeloof daaarentegen is hoogmoed! Het stelt eisen en heeft rechten. Ongeloof is niet zó te willen komen, zoals God wil dat we komen zullen: verloren en schuldig, zonder rechten, met een koord van veroordeling om de hals, als een strafwaardig en verloren zondaar, als iemand die het hebben moet van genade en barmhartigheid. Al dat eisen stellen en dat voorwaarden stellen is hoogmoed en ongeloof!

 

Maar, gemeente, er is ook een andere zijde. We willen het ongeloof niet in bescherming nemen, maar het is niet Bijbels dat velen zonder enige strijd zich de grootste zaken van het christendom toe-eigenen en zeggen dat Christus hun Zaligmaker en God hun Vader is, en dat de hemel hen wacht. Men heeft niet de minste strijd met het geloven en weet ook dikwijls niet waarom men gelooft. Er is geen nood die tot het ware geloven drijft.

Gods kinderen geloven te midden van strijd en nood. Zij worden dikwijls van alle zijden beschuldigd en benauwd. In deze nood grijpen ze zich vast aan Gods beloften en aan Christus. Jezus zegt van zulk geloof: Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

 

Jonge mensen, ongeloof is wreed. Ongeloof zegt: er is geen God en geen Schepper, er is geen hemel noch hel, er is geen Jezus, geen opstanding en er is geen Christus.

Wat houd je dan over? Je houdt niets over dan zinloosheid en uitzichtloosheid. Het is het nihilisme van de Godsontkenning.

Wat is ongeloof wreed en leeg. Het neemt ons God af, het neemt ons de Bijbel af, het ontneemt ons alle hoop. Je houdt niets over dan: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij (1 Kor.15:32). De duivel en onze wrede wereld willen je alles afnemen. Maar God wil tot geloof leiden. Een geloof dat vrede vindt bij God door onze Heere Jezus Christus.

 

Tot slot, gemeente: ongeloof eindigt in de hel. Alle bedreigingen van God zullen daar werkelijkheid worden. Geloof eindigt in de hemel. Daarom: Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet! (Ps.95:7-8).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 56: 5

 

Ik roem in God; ik prijs ‘t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

Mij bijstand boodt, en ‘t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.