Ds. R. Boogaard - Psalmen 30 : 7 - 9

Hoe David zijn huis met psalmen heeft ingewijd

Psalmen 30
Een afgekeurde psalm
Een ontbrekende psalm
Een geboren psalm

Psalmen 30 : 7 - 9

Psalmen 30
7
Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
8
Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
9
Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 145: 6, 7
Lezen : 2 Samuël 5: 1-12
Lezen : Psalm 30
Zingen : Psalm 30: 5, 6, 8
Zingen : Psalm 89: 7
Zingen : Psalm 138: 3

Gemeente, wanneer we nieuwe weldaden van de Heere ontvangen, geeft dat ook reden en opdracht om de Naam des Heeren met blijdschap te loven en te erkennen. Nieuwe weldaden reiken nieuwe stof aan om de Naam des Heeren groot te maken. Toen Israël veilig door de Rode Zee geleid was, zong Mozes en met hem het volk, de Heere een nieuw lied. Toen de Heere aan Josafat de overwinning gegeven had over het grote leger van de Moren, hebben ze de Heere geloofd in het dal van Berácha. Toen de apostel Johannes de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen met de schare die gekocht is uit de mensen, zag staan voor de troon van God, toen hoorde hij een nieuw gezang.

Ook Gods kinderen op de aarde vinden telkens weer gelegenheden en stof om de Naam des Heeren te loven en hun psalmgezang op te heffen naar boven. En dat niet alleen in de tijd die wij beleven, maar dat is ook in oude tijden zo geweest.

Zulke tijden heeft met name ook David in zijn leven gekend. Daarvan gewaagt met name ook Psalm 30. Hoe deze psalm geboren werd, willen we in deze dienst met de hulp des Heeren wat nader overdenken aan de hand van de woorden van onze tekst, die u vindt in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Psalm 30 vers 7 tot en met 9:

 

Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, Heere, Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt. Tot U, Heere, riep ik; en ik smeekte tot de Heere.

 

Gemeente, in deze tekst, met het tekstverband, beluisteren we: Hoe David zijn huis met psalmen heeft ingewijd.

 

1. Een afgekeurde psalm

2. Een ontbrekende psalm

3. Een geboren psalm

 

1. Een afgekeurde psalm

 

Een psalm van David, een man naar Gods hart, de liefelijke in psalmen. Als bijzonderheid wordt vermeld dat deze Psalm 30 een lied is ter inwijding van Davids huis. Sommige verklaarders denken dat David deze psalm gedicht heeft toen hij na de overwinning op Absalom weer in Jeruzalem terugkwam. Hij zou dan zijn paleis opnieuw hebben ingewijd. We kunnen deze mening moeilijk delen. Immers, toen David terugkeerde na de strijd met Absalom, was hij zeer verslagen. Toen heeft hij als het ware in het paleis rondgelopen en het uitgeroepen: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! (2 Sam.18:33).

 

Nee, Psalm 30 is bij nader inzien uit een heel andere periode van Davids leven. Na al de veldslagen die David gevoerd heeft en gewonnen heeft, is er een periode van rust aangebroken. We lezen in 1 Kronieken 14 dat David merkte dat de Heere hem tot koning bevestigd had over Israël, want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven over zijn volk Israël.

Welnu, in die tijd zond Hiram, de koning van Tyrus, boden naar David, om hem daarmee te feliciteren, maar ook om hem een huis te bouwen. Hiram zond cederhout, metselaars en timmerlieden. Er moest voor David een mooi paleis gebouwd worden. De vijanden zijn nu overwonnen, de sterke burcht van de Jebusieten is ingenomen, en nu is de tijd aangebroken dat David ook gaat denken aan een paleis voor zichzelf.

 

Het was, gemeente, in Israël van oude tijden af de gewoonte om een nieuw huis in te wijden. De eerste maal lezen we daarvan in Deuteronomium 20. Als het volk uitging tot de strijd, moesten de ambtlieden zeggen: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en heeft het niet ingewijd? Die ga heen en kere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien sterve in de strijd en iemand anders dat inwijde (Deut.20:5). Zo had de Heere aan Mozes in de woestijn geboden, nog voordat het volk in het land van Kanaän was.

De inwijding was een plechtige ingebruikneming. Dat gebeurde met gebeden, met dankzeggingen en met offeranden. En dat werd als een familiefeest gevierd. Zo werd een nieuwe woning aan de Heere toegewijd.

 

Dat behoren wij eigenlijk ook te doen. Nee, dat heeft niets te maken met de wijding zoals de Roomse kerk dat doet met wijwater. Dat is afgoderij. Maar als wij een nieuw huis mogen betrekken, dan moeten wij dat toewijden aan de Heere en aan Zijn dienst. En daarbij moeten wij onszelf en ons gezin aan de leiding en de zorg van de Heere toebetrouwen.

Wij moeten bidden om Zijn tegenwoordigheid en om Zijn zegen, in en over ons huis en gezin. Daar moet het altaar van onze huisgodsdienst opgericht worden. En met Jozua moeten we betuigen: Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen (Joz.24:15).

Zeg nu niet: ‘Dat is oudtestamentisch’, want dit geldt voor de kerk des Heeren van alle tijden en plaatsen. Maar helaas, wat wordt er weinig meer mee gerekend. Ook op het kerkelijk erf rekenen we meer met wat de wereld gewoon is te doen, dan met wat Gods Woord ons voorschrijft.

 

David weet dat het paleis Gods bescherming nodig heeft en dat de Heere daarin gediend wil worden. Terwijl de laatste hand aan het paleis gelegd wordt, het afgebouwd wordt, komt de dag van de inwijding naderbij. En dan behoeft het ons niet verwonderen, David een weinig kennend uit de Heilige Schrift, dat David daar ook een psalm voor heeft.

 

David heeft een psalm gedicht op de inwijding van zijn huis. Dat is ons voorgelezen uit Psalm 30 vers 1: Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. Echter, geen psalm zoals we zouden verwachten van David. Het is bijvoorbeeld geen psalm zoals we Psalm 103 kennen. In Psalm 103 vers 1 lezen we: Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.

O nee, ditmaal heeft David een psalm gedicht ter ere van zichzelf. Een klein stukje ervan vinden we in de tekst, in vers 7: Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Dat is een strofe uit de psalm die David wilde zingen ter inwijding van zijn paleis: ‘Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Hier ben ik. En wie doet me wat?’ Zou je dat van David verwacht hebben? Van David, de man naar Gods hart? De nadruk valt op in wat hij zegt: wat ík gedaan heb, wat ík bereikt heb.

In vers 3 en 4 lezen we wat anders: Heere mijn God, ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen. Heere, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald.

 

Maar in de tekst spreekt hij over zichzelf. Dan zegt hij wat hij zelf gedaan heeft. En dat is niet gering. Nee, daar kunnen we het wel over eens zijn. Want wie was David van zichzelf? De zoon van Isaï. Een herdersjongen. Wat heeft David jarenlang de schapen van de kudde van zijn vader geweid.

Zeker, ook in zijn jonge jaren heeft hij betoond dat hij iemand is met wie niet te spotten valt, want hij heeft een keer een beer gedood. Hij heeft zelfs een keer een leeuw gedood. Ja, hij heeft nog meer gedaan. In de strijd tegen de Filistijnen heeft hij Goliath gedood. Goliath, de reus, voor wie iedere Israëliet op de vlucht ging. Maar David heeft hem verslagen. En David is koning over Israël geworden, in de plaats van Saul. En gemeente, die plaats heeft de Heere hem gegeven. Nee, hij heeft niet zelf naar die kroon gegrepen. De Heere heeft hem laten zalven tot koning door zijn profeet Samuël. Hij is de gezalfde des Heeren, en als zodanig zit hij op de troon van Israël.

 

David, hij is de man naar Gods hart. Wat betekent dat? Dat Davids leven in overeenstemming was met Gods Woord. Dat David dicht bij de Heere leefde. Dat hij in alles de Heere nodig had.

Sommige mensen hebben zo’n vermaak in het vertellen van het kwaad dat ze gedaan hebben, in hun jongere jaren bijvoorbeeld. Dat deed David niet. O nee, integendeel, daar schaamt hij zich voor. Maar om te vertellen Wie de Heere voor hem geweest is en nog is, daar kan hij niet van zwijgen. In het zevende vers zegt hij: Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Zulke gedachten, gemeente, leven bij de goddelozen. Maar David mag weten een kind van God te zijn, en daarom zegt hij in vers 4 en 5: Heere, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald. Psalmzingt de Heere, gij Zijn gunstgenoten, en zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid (Ps.30:4-5).

 

Ja, David is een man naar Gods hart. Hij is koning over Israël. Hij heeft een paleis mogen laten bouwen voor zichzelf, daar heeft de Heere geen afkeuring over gegeven.

In vers 7 lezen we: Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. De nadruk valt op het woordje ‘ik’. In het verdere van de psalm lezen we: ‘Gij! Gij hebt dit gedaan.’ Maar in de tekst is David bezig met zichzelf. Wat heeft hij al gepresteerd! Ja, hij heeft veel bereikt. Als jongste zoon van een herdersvorst is hij koning geworden in Israël…!

David belijdt het: hij is te ver gegaan. Hij schaamt zich er over. Dat blijkt wel als hij zegt: Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen. Zulke gedachten leven bij de goddelozen. Zoiets lezen we bijvoorbeeld van de rijke dwaas. Hij zei bij zichzelf: Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vrolijk (Luk.12:19). En in Psalm 10 lezen we van de goddeloze: Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn (Ps.10:6). Dat is taal van mensen die met God niet rekenen. Maar zou je dit dan van David verwacht hebben, dat hij zegt: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid?

 

‘Ja,’ zegt u mogelijk, ‘maar zo’n uitspraak wordt ook rechtvaardigen in de mond gelegd.’ Zeker, zelfs bij David. We lezen in Psalm 27: Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop (Ps.27:3). In Psalm 46 lezen we: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën (Ps.46:3-4). Dat is heerlijke geloofstaal, zeker.

Maar in de tekst spreekt David in overmoed en in zelfverzekerdheid. In onze berijming zingen we in Psalm 30 vers 5: ‘Ik sprak, door mijn geluk misleid.’ En dan mag u onder het woordje ‘misleid’ een streep zetten. Dat geeft de mening duidelijk weer, gemeente. De kanttekenaren zeggen bij deze tekst: ‘Als ik in goede rust zat van al mijn vijanden, beeldde ik mij in dat mij geen ongeval zou overkomen.’ Hoort u dat? ‘Beeldde ik mij in’, zegt David, ‘dat mij geen ongeval zou overkomen.’ Inbeelding. David dacht dat niemand hem meer kon doen wankelen. Die tijd lag voorgoed achter hem.

 

We zijn geneigd om te vragen: ‘Is dit nu taal van de man naar Gods hart, die zoveel schone psalmen gedicht heeft?’ Ja, gemeente, het is taal van dezelfde man. Ook hier wordt ons getoond hoe gevaarlijk grote voorspoed kan zijn, ook zelfs voor Gods kinderen. Als ze grote voorspoed krijgen, dan is het gevaar zo groot om van de Heere af te wijken. Om dan dat aanhankelijke leven te missen.

Prediker zegt: Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man die kostelijk is van wijsheid en van eer (Pred.10:1). Want dat was David. Maar hier zien we alles bedorven door een weinig dwaasheid. Wat is dat erg, als de Heere met Zijn zegeningen tot ons komt en we maken er dan misbruik van. Want, gemeente, zo gaat het hier bij David. En als de Heere ons dan eens tegenkomt en de voorspoed gaat veranderen in tegenspoed? Wat dan? Ja, als straks het niet-wankelen eens op de proef gesteld zal worden? Hoe zal het dan gaan bij David?

 

Nee, het is niet zo dat dit woord alleen David geldt. Dat woord komt ook tot ons. De dichter van Psalm 66 zegt: Komt, hoort toe, o allen gij die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft (Ps.66:16). Is het niet een grote weldaad, om op goede gronden verzekerd te mogen zijn van onze staat voor de eeuwigheid? Wat wordt dat weinig meer gevonden. David mag het weten. Maar daar komt de gelovige geen enkele roem of eer van toe. Want de grond van de zaligheid ligt niet in de verzekerdheid, maar in de drie-enige God.

O wee, als de Heere dan satan eens toelaat, om dat verzekerd zijn eens op de proef te stellen. Wat kan het dan gaan stormen in de ziel: ‘U hebt zich bedrogen. Het is alleen opvoeding. Het is maar inbeelding.’ En dan behoeft het echt niet met ergerlijke zonde gepaard te gaan om in grote nood te komen voor Gods aangezicht. De discipelen waren in Gods weg, toen ze op bevel van hun Meester naar de andere kant van het meer gingen varen. Maar met welke nood ging het gepaard! Ze dachten om te zullen komen en niet levend aan de andere kant te zullen aanlanden.

Als het licht is in de ziel, dan denken we vaak dat het nooit meer donker zal worden. Maar als het donker is in de ziel, dan vrezen we meestal dat het nooit meer licht zal worden.

 

David zegt: ‘Ik zal niet wankelen, want mijn berg (dat is: mijn troon, mijn koningschap) staat vast.’ Nee, dat is geen geloofstaal van David. Dat is geen roemen in God. Wat David wil laten zingen bij de inwijding van zijn paleis, dat kan de Heere niet behagen. Integendeel. De Heere wordt er niet in gekend.

David heeft een psalm nodig bij de inwijding van zijn paleis. Die heeft hij ook gemaakt. Psalm 30 is het, de psalm waar we mee bezig zijn. Maar aan zo’n psalm kan de Heere toch geen lust hebben? Ja, maar in Psalm 30, die door David is gedicht, is er nog wat gebeurd in het leven van David. De Heere heeft bij wijze van spreken gezegd: ‘David, die psalm hoef je niet te laten zingen.’ Nee, dat is geen psalm waar de Heere in geëerd wordt. Integendeel, daar wordt de Heere oneer aangedaan, en daar worden de vromen in bedroefd. Het ís niet eens een psalm.

En dan zal de Heere er voor zorgen dat David bij de inwijding van zijn paleis toch een psalm zal hebben. Wat een wonder, gemeente, dat de Heere dat doet. De psalm die David zingen wil wordt afgekeurd en die wordt hem afgenomen. Daar gaan we dan op letten in onze tweede gedachte:

 

2. Een ontbrekende psalm

 

Want wij lezen in de tekst: Maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

Het woordje ‘maar’, dat weten we, leidt een tegenstelling in. Dat woordje is terecht door de Statenvertaling ingevoerd. Groter tegenstelling is niet denkbaar, dan tussen ik en Gij. ‘Ik zeide wel in mijn voorspoed,’ zei David, ‘maar Gij, Gij verborgt Uw aangezicht.’

En als de Heere het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over Zijn volk niet doet lichten, als Hij dat licht wegneemt, waar blijft dan onze zelfverzekerdheid? Wat gebeurt er dan? Laten we het zien bij David.

 

David wordt plotseling aangegrepen door een ernstige ziekte. Zó ernstig, dat hij de dood voor ogen heeft. Er ontstaat een nood in zijn leven, waar hij totaal geen rekening mee gehouden heeft. Hij vreest dat het sterven zal worden. En waar blijft dan zijn heerlijkheid? Lees maar wat hij zegt in Psalm 30 vers 3: Heere mijn God, ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen. Heere, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald. En in vers 10 lezen we: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?

Daar mogen we niet iets anders van maken, gemeente, zoals velen doen. De Heere heeft David op het ziekbed geworpen en daar is het David zeer bang geworden. Ja, daar heeft de Heere Zijn aangezicht voor hem verborgen. Lees het maar in vers 8: Toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

Nee, niet pas in de ziekte. De dadelijke gemeenschap met de Heere was al eerder verbroken, toen zijn hart zich verhief en hij sprak: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Maar toen had David zelf er geen erg in. Toen ging hij op in de weldaden en in zichzelf. We lezen van Simson: Hij wist niet dat de Heere van hem geweken was (Richt.16:20). En we kunnen dat ook hier wel zeggen van David. Gods volk kan zo ver van zijn plaats zijn, dat ze de gemeenschap met God kwijt zijn voor ze er erg in hebben.  

 

David is in nood. En als hij in die plotselinge nood tot God roept, dan is de Heere er niet. De Heere neemt Zijn volk standelijk wel eens het bezit af dat Hij ze gegeven heeft, om ze er aan te herinneren hoe ze aan dat bezit gekomen zijn: alleen uit genade. En daartoe gebruikt de Heere soms wel eens diepe wegen.

Want het is voor David wat geweest. Het is de hele stad bekend dat het paleis ongeveer gereed is en dat het ingewijd zal worden. Dat gaat natuurlijk gepaard met een feest. En nu gaat het inwijdingsfeest niet door, want de koning zelf is ziek. Hij is zelfs doodziek!

De vijanden juichen al. Want de kerk op aarde heeft altijd vijanden. Dat geldt zeker ook van een koning die God vreest. En deze vijanden, gemeente, die werden echt niet bij de koning toegelaten. Maar er zijn ook andere vijanden die geen lijfwacht kan tegenhouden. Dat zijn geestelijke vijanden. Hoe zal satan hem bespot hebben: ‘David, waar is nu uw God, op Wie u bouwde en aan Wie u zich toevertrouwde? Morgen gaan de rouwklagers door de straten van de stad, en dan zeggen ze: de koning is dood! Wat denkt u dan van uw paleis en van uw onwankelbare berg? En hoe moet het dan met de inwijding van uw huis?’

 

David is verschrikt. Hevige ontsteltenis en beroering grijpen hem aan. Dat kan ook vertaald worden met ‘verbijstering’. Nee, het ergste is niet dat hij zijn paleis niet zal bewonen, maar wat komt er terecht van Gods toezeggingen aan hem? Wat moet David daar van denken? Zal hij in het gezicht van de haven nog schipbreuk lijden en nog voor eeuwig omkomen?

Mensen met een verstandsgeloof kunnen soms zo rustig de eeuwigheid aandoen. Dat zijn mensen die God missen en zichzelf bedriegen op reis naar de eeuwigheid. Dat komt nog meest voor.

Maar David heeft een open geweten. En als mensen met een open geweten liggen voor de poorten van de eeuwigheid, dan is er geen hoogmoed meer bij. Dan gaan we wel zakken. Dan wordt het nood in onze ziel. Dan worden we verbijsterd. Dan wordt het Magôr-missabib; schrik van rondom. Dat heeft David ook ervaren.

Zo gaat het nog menigmaal ook bij Gods kinderen wel. Alleen als het geloof in oefening mag zijn, als we gelovig mogen rusten op de aangebrachte borggerechtigheid van de Heere Jezus, dan wordt het sterven ruim. Maar als dat niet in het zicht is, dan is ook bij Gods kinderen het sterven niet zo ruim. Al gaan ze naar de hemel toe.

 

David zegt: Tot U, Heere, riep ik; en ik smeekte tot de Heere.

Wat een voorrecht, als we dat in onze gezonde dagen hebben mogen leren, gemeente. Dat we hebben mogen leren bidden, de troon der genade hebben leren aanlopen als een waterstroom en de Heere hebben leren aanroepen in de nood van onze ziel. Maar ook voor de noden van het dagelijkse leven, dat we alles in Zijn hand mogen overgeven. Wat een voorrecht, als we een Toevlucht hebben mogen leren kennen voor als er nood komt in ons leven.

Velen hebben in nood kalmerende middelen nodig om niet wanhopig te worden, en dat geeft dan verlichting. Maar als de Heere betoont van ons af te weten, dat is heel anders.

Mensen in de wereld kunnen soms ook rustig sterven. Maar het gaat er maar over of we ons niet bedriegen op reis naar de eeuwigheid.

 

Tot U, Heere, riep ik. Roepen getuigt van nood, van beleefde nood. Een nood waaruit men zichzelf niet kan redden. En als er dan geen hulp van buitenaf komt, dan wordt het omkomen. Er kan sprake zijn van ziekte of van een andere nood. Wat is het dan een voorrecht als we mogen weten waar we met onze nood terecht kunnen en onze nood kwijt mogen raken. Maar noodzakelijk is dat we de Heere nodig krijgen tot vergeving van onze zonden.

Velen wachten om tot God te roepen tot er nood is. En zeker, het is waar, de Heere zegt het Zelf in Zijn Woord: Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps.50:15). Maar als we in de nood moeten leren bidden, gemeente, dan is het wel moeilijk. Dan heeft de mens soms zoveel met het lichaam te doen, dat hij nauwelijks nog kan bidden. David zegt: Tot U, Heere, riep ik. En nu zal David in zijn ziekte heus de medicijnen niet veracht hebben die hem zijn toegediend, maar hij heeft er niet op gebouwd. Nee, hij heeft de Heere aangeroepen.

 

Van Achaz lezen we dat hij in zijn ziekte de medicijnmeester zocht, maar niet de Heere. Ja, dat gebeurt natuurlijk nog. ‘Dokter, help mij toch. Dokter, kunt u nog iets voor me doen?’ Maar David roept tot de Heere, en hij zegt in het tiende vers: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Zo bidt hij tot de Heere. God heeft er toch geen voordeel van als David gaat sterven? Hij zal dan wederkeren tot stof. ‘Maar,’ zegt David, ‘dat stof zal U toch niet loven, dat stof zal Uw waarheid niet verkondigen.’

Als de Heere hem redt, dan zal David daarin de trouw van God ervaren en daarvan spreken. Want, zo zegt hij: Tot U, Heere, riep ik; en ik smeekte tot de Heere. En dan ziet u in uw Bijbeltje de naam Heere met hoofdletters staan. De God des verbonds.

Zijn roepen wordt een smeken. Hoor hem smeken! Ja, smeken is inniger dan roepen. Het is bedelen. Het is een smeken aan de troon der genade. En in het smeken, gemeente, betoont degene die smeekt zijn afhankelijkheid en zijn onwaardigheid. Dat gaat gepaard met een buigen voor God als de vrijmachtige Schepper van hemel en de aarde. En smeken, dat is ook aanhouden, met hoop op verhoring.

In dat smeken geeft de dichter getuigenis dat hij meer geloof bezit en beoefent, dan hij van zichzelf hier durft geloven. De smekeling is een boetvaardig mens. Hij bedelt om genade, om vergeving. En dat gaat gepaard met belijdenis van zonde en de inleving van schuld.

 

Maar… er zouden zulke bidders op de aarde niet zijn, gemeente, als er geen Voorbidder in de hemel was. Hij bidt voor een volk dat verloren ligt in zonde en schuld. Voor een volk dat geen enkele grond in zichzelf vinden kan. Maar dat volk zoekt de grond alleen in de borggerechtigheid van Immanuël. Bij Hem vinden die bidders dan ook een open oor.

Hij weet de ervaring van zondeschuld. Hij weet wat zielsbenauwdheid is, vanwege de last der zonde die op Hem gelegd werd en waaronder Hij gebogen heeft. Waar Hij verzoening voor doen moest. Hij weet wat het betekent.

We lezen er van in het heilig Evangelie: Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe (Matth.26:37-38). En Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen (Luk.22:44). Dat heeft Hij in volmaakte onderwerping aan Zijn Vader gebeden. Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39). Maar Hij kreeg geen antwoord van Zijn Vader, opdat Hij het antwoord zou verwerven voor een volk dat geen antwoord waardig is.

O, daarom heeft Hij die bittere smartbeker leeggedronken en heeft de Vader die smartbeker niet van Hem weggenomen. Hij heeft hem geledigd tot de laatste druppel. De zonde moest betaald worden. De schuld moest verzoend worden op grond van Zijn borggerechtigheid. En zo heeft Hij genade verworven, voor doodschuldigen, voor helwaardigen. Ja, door Zelf die dood te ondergaan, heeft Hij Zijn volk verlost van de eeuwige dood, en heeft Hij de tijdelijke dood gemaakt tot een doorgang tot het eeuwige leven.

 

En daarom heeft de Vader Hem ook uitermate verhoogd. De Vader heeft Hem een Naam gegeven welke boven alle naam is. Daarop wijst de apostel, als hij zegt: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:34).

En vanuit de hemel werkt Hij door Zijn Woord en Geest in zondaarsharten. Dat is dat wondere werk van de waarachtige bekering. Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef (Ez.16:6). Dat is alleen vrucht van de toepassing van Zijn verdienste. Dat brengt hier een mens op deze aarde wenend voor God, om zijn schuld eerlijk te belijden en voor God te erkennen en te smeken om genade.

 

Is dat al gebeurd, gemeente, in ons leven? Mogelijk dat nu iemand zegt: ‘Ja, daar kijk ik nu al zo lang naar uit, maar ik mis het nog steeds. Het is nog altijd tevergeefs…’ Is dat in de hemel bekend? Blijf dan aan de troon der genade biddend werkzaam en laat ook onder de zuivere prediking van het Evangelie uw plaats nooit zonder noodzaak leeg.

Als God ons geen genade schenkt, laten we daar toch van overtuigd zijn, dan doet Hij ons geen onrecht. Nee, er is niemand die er rechten op kan laten gelden. Laat Benhadads knechten nog maar ten voorbeeld zijn. U weet uit het Woord van God: die knechten kwamen met koorden van veroordeling om de hals tot de koning van Israël. Dat wil zeggen: ze betoonden daarmee waardig te zijn om opgehangen te worden, om gedood te worden. En als het ons in waarheid om de Heere te doen mag zijn, dan zal Hij ons niet afwijzen.

 

Vanuit de hemel houdt Christus ook het werk der genade in de harten van Zijn volk in stand. Ook als ze er niets meer van kunnen bezien. Mogelijk heeft u dat al dikwijls ervaren in uw leven, volk van God, dat de Heere zo goed is voor u. Het kan zijn dat u dat wel eens hebt mogen geloven, dat de Heere alles voor u zal zijn, in tijd en eeuwigheid, naar ziel en lichaam. Dat Hij uw zonde heeft vergeven en dat de zaligmakende genade door Christus uw deel is mogen worden. Dat u weet dat Hij u de eeuwige zaligheid zal schenken. En dan is het best mogelijk dat u er vandaag de dag niets van kunt bezien. Dat u vreest dat u het uzelf maar hebt toegeëigend. Dat het misschien inbeelding geweest is. Hoe bang kan dat zijn!

Maar hoor dan wat David zegt in deze psalm: Tot U, Heere, riep ik; en ik smeekte tot de Heere. Echte nood leert aanhouden in het gebed, aan de troon der genade. Dan zijn het noodkreten. Soms ook echt maar SOS-seinen: ‘Red mijn ziel, Heere! Ontferm U over mij! Wees mij zondaar genadig!’

Toen Petrus in de golven zonk op het meer van Gennésaret, toen had hij geen tijd voor een lang gebed. Hij riep alleen maar: ‘Heere, help mij!’ De Kananese vrouw had ook geen lang gebed. Ze riep: ‘Heere, help mij! Zone Davids, wees mij een Helper!’

En zulke bidders, gemeente, die smeekgebeden opzenden naar de troon van Gods genade, mogen moed houden. Want de apostel zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr.4:16).

 

We gaan er van zingen. Psalm 89, het zevende vers:

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort;

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ‘t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

 

Het was in de derde plaats ook:

 

3. Een geboren psalm

 

De kastijding heeft aan het doel beantwoord waartoe hij gegeven is. Want het was een Vaderlijke kastijding. David was hoogmoedig geworden op de weldaden die de Heere hem gegeven had. Dat gebeurt wel vaker, gemeente, in het leven van Gods kinderen. Het stemt de Heere tot droefheid als Hij Zijn kinderen weldoet en die kinderen worden dan hoogmoedig op de weldaden die Hij in Zijn grote goedheid aan hen schenkt.

En ja, dat bezoekt de Heere vaak met de roe en met bittere tegenheden. Menigmaal spaart Hij dan ook geen vlees en bloed. Dat behoort bij de hemelse opvoedkunde. Op de leerschool van de Heilige Geest worden weleens pijnlijke lessen geleerd. Toch doet dit van het geluk van Gods volk niets af. Ze liggen met ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, voor rekening van een drie-enig God.  En ze worden hier voorbereid voor een eeuwige heerlijkheid.

 

Ouders, wat liggen hierin ook een lessen voor de opvoeding van onze kinderen. We mogen ze niet in alles toegeven. We moeten ze opvoeden overeenkomstig Gods Woord. Met liefde moeten ze onderwezen worden en gewezen worden op het enige nodige.

 

Blijkbaar is de ziekte van David van korte duur geweest. Er is spoedig een wending ten goede gekomen. Nu kan het inwijdingsfeest tóch doorgaan. Maar David heeft nu wel een andere psalm. Een geboren psalm, door de bediening van de Heilige Geest. Nu is het niet meer: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid, maar nu is het: Heere mijn God, in eeuwigheid zal ik U loven.

De Heere loven, dat is het sleutelwoord van Psalm 30. Het is een echte inwijdingspsalm geworden. Een psalm tot verheerlijking van God, waar de heilige engelen eerbiedig naar luisteren. In deze psalm beluisteren we de echo van Gods eigen werk.

Maar maak dit In eeuwigheid zal ik U loven niet los van het voorgaande. Van het roepen en smeken. Want zonder het eerste te leren, is al ons loven maar namaak. Maar waar het smeken geleerd wordt, daar zal ook de lofzang tot God gehoord worden.

De Heere heeft een volk op deze aarde dat Hij leert smeken om genade en leert roepen om ontferming. Maar Hij wil het gebroken hart en de verslagen geest oprichten. Hij brengt Zijn volk in de ruimte, opdat ze door het geloof Hem zullen loven en prijzen. En zij zullen ervaren: ‘Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht; Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht.’ Ja, zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3).

 

Een eigenschap van de ware gelovigen, gemeente, is dat zij altijd aanhouden. Zij doen als de weduwe bij de onrechtvaardige rechter, zoals de Heere Jezus dat in de gelijkenis heeft geleerd. En zij schreien zich liever blind, dan dat zij zich op een valse grond laten troosten. Oprechten willen eerlijk zalig worden. Daarom willen ze ook eerlijk behandeld worden. Zij weten dat er geen andere weg is dan die ene weg, het smalle pad dat ten leven leidt. En daar gaat het ze om. Dat wordt hun door de Heere geleerd.

En dan is er ook een lofzang. Ja, in de eerste plaats is het een weeklacht. Over de zonde, de schuld, de verlorenheid. Maar als de Heere door de weg van ontdekking en beproeving gaat leiden aan de voeten van Immanuël, dan wordt de lofzang gehoord. En die lofzang, gemeente, die wordt gezongen uit het hart.

Dan denk ik aan die gezegende Borg. We lezen van Hem: En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg (Matth.26:30). En lezen we dan van de Borg dat Hij daar is gaan zingen? Nee, Hij begon droevig en zeer beangst te worden. En Zijn zweet werd gelijk als druppelen bloed, die op de aarde afliepen. Ja, wat heeft Hij er voor gedaan, wat heeft Hij er voor overgehad, dat er een volk op de aarde zou kunnen zingen als David, van de wonderen van de genade van God. De zonden van Zijn ganse Kerk zijn op Hem gelegd. Hij heeft voor volmaakte voldoening gezorgd. De Vader heeft een volkomen genoegen genomen in het offer van Zijn Zoon, als Borg en Zaligmaker van Zijn Kerk. En Hij is uit de dood opgewekt. Hij leeft aan de rechterhand van Zijn Vader.

 

De zaligheid van Gods kinderen ligt vast in dat eeuwig zalig verbond. Satan kan er geen vinger meer tussen krijgen. Als Gods kinderen door het geloof mogen zien op die gezegende Borg en Zaligmaker, dan kunnen ze de dood uitdagen, en zeggen: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus (1 Kor.15:55-57).

Gelukkig volk, dat op goede gronden mag instemmen met de apostel!

 

Als u het mist, het is nog te krijgen. De nodiging tot de zaligheid komt nog tot ons. Met heilige ernst en met een dringende roepstem wordt het Evangelie nog aan ons hart gelegd. ‘Heden, terwijl gij Mijn stem hoort, verhard u niet,’ zegt de Heere, ‘maar laat u leiden!’ Ja, Hij zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

 

Zo is dan ook deze psalm, evenals vele andere psalmen, een psalm die getuigt van nood en van uitredding. En daarin is het leven van de Kerk van alle eeuwen en plaatsen in grote lijnen getekend. Hier is alles aan een voortdurende wisseling onderhevig. Licht en donker, zoet en bitter wisselen elkaar af op weg naar de hemel.

Kinderen van God, u moet er maar mee rekenen dat zolang als u leeft op deze aarde, u meer en meer moet sterven aan uzelf. Alleen in die weg wordt de Heere heerlijk en wordt Christus benodigd.

En Hij verheerlijkt Zich door de bediening van Woord en Geest. En vanuit die bediening wordt het geleerd, om eeuwig psalmen te zingen tot Gods eer. Nu en eeuwig!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138: 3

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ’s Heeren wegen;

Want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn majesteit

Ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.