Ds. J.S. van der Net - Markus 3 : 5

Jezus en de man met de verdorde hand

Markus 3
Jezus en de sabbat
Jezus en de farizeeën
Jezus en de zondaar

Markus 3 : 5

Markus 3
5
En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 80: 11
Lezen : Markus 3: 1-15
Zingen : Psalm 54: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 84: 1
Zingen : Psalm 84: 5
Zingen : Psalm 27: 7

Gemeente, de tekst voor de prediking kunt u vinden in het Bijbelgedeelte dat wij met elkaar gelezen hebben, het evangelie van Markus, hoofdstuk 3 vers 5 waar wij Gods Woord en onze tekst aldus lezen:

 

En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

 

Gemeente, deze tekstwoorden preken ons: Jezus en de man met de verdorde hand.

 

Drie hoofdpunten:

1. Jezus en de sabbat

2. Jezus en de farizeeën

3. Jezus en de zondaar

 

1. Jezus en de sabbat

 

Gemeente, en dan kijk ik eerst naar de kinderen in de kerk, fijn dat jullie er zijn! Ik heb een vraag voor jullie. Wat heb jij gedacht toen je wakker werd? Was het dit: ‘Ha, fijn, het is vandaag zondag’? Want, kinderen, zondag is een hele fijne dag. Papa en mama hebben de hele dag de tijd voor je. Mama heeft vast wel wat lekkers gehaald om het extra feestelijk te maken.

Bovenal mag je ook met papa en mama mee naar de kerk. Dat is eigenlijk het allerfijnste. Want wat gebeurt er in de kerk? In de kerk is de preek, maar eigenlijk spreekt de Heere tegen jou. Dan wil de Heere nog tegen je zeggen dat Hij met jou te maken wil hebben. Dat is het allerfijnste van de zondag.

Weten jullie wie er ook heel graag naar de kerk ging? Dat was de Heere Jezus. Alleen in de tijd van de Heere Jezus heette de kerk synagoge. In de tijd van de Heere Jezus gingen de mensen niet op zondag naar de synagoge, maar op zaterdag. De zaterdag noemen de Joden sabbat.

 

Dat zien wij ook in ons tekstgedeelte. De Heere Jezus gaat opnieuw naar de synagoge. Hij gaat weer naar de kerk. In de synagoge zijn een heleboel mensen gekomen. Dan is er één man in de synagoge, meisjes en jongens, die opvalt. Hij heeft een verdorde hand. Wat is een verdorde hand? Tegenwoordig zeggen wij: een stijve, verlamde hand. De man kon zijn hand dus niet gebruiken. Je zou kunnen zeggen dat het een man is om medelijden mee te hebben. Daar kwam nog bij dat het zijn réchterhand was. Dat onderstreept zijn tragiek. Hij kan niet in zijn levensonderhoud voorzien, in een tijd zonder dat er sociale voorzieningen waren.

Welnu, zo ontmoet de Heere Jezus deze man met een stijve hand in de synagoge.

 

Wie zijn er nog meer in de synagoge, meisjes en jongens? Dat zijn de farizeeën en schriftgeleerden. Zij zitten daar met een hart vol vijandschap. Want waarom zijn ze naar de synagoge gekomen? Wij lezen: En zij namen Hem waar of Hij hem – de man met de verdorde hand – op de sabbat genezen zou. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ze de man zelf meegenomen naar de synagoge, om te kijken of zij de Heere Jezus een loer konden draaien.

Want iemand die dodelijk ziek was, mocht je volgens hen genezen op de sabbat, maar iemand met een stijve hand niet. Dan deed je iets wat niet mocht op de sabbat. Want die stijve hand kon ook wel op een andere dag genezen worden. De dood was er immers niet mee gemoeid.

Ze waren gekomen om Hem waar te nemen of Hij op de sabbat genezen zou; opdat ze Hem beschuldigen mochten. Zo zijn wij gelijk bij de kern uit deze geschiedenis. Het gaat hier allereerst om Jezus. Het gaat om Zijn macht en Zijn ontferming, die naar voren komt in de genezing van deze man.

 

Het gaat vervolgens ook over de sabbat. Wat betekent de sabbat, de rustdag? Wanneer wij het slot van het vorige hoofdstuk lezen, dan blijkt dat de Heere Jezus al veel eerder hierover gediscussieerd heeft met de farizeeën.

De Heere Jezus had met Zijn discipelen gewandeld door een korenveld. Toen hadden Zijn discipelen wat korenaren geplukt en in hun handen fijn gewreven, zodat ze er van konden eten. De farizeeën zeiden toen: ‘O, verschrikkelijk, kijk eens wat zij doen op de sabbat! Jezus en Zijn discipelen ontheiligen de sabbat!’ In de wet van Mozes stond dat je wel tussen de korenakkers door mocht lopen en dan af en toe wat aren plukken. Er stond niet dat het op de sabbat was toegestaan.

Reken erop dat de farizeeën en de schriftgeleerden, de wetten van Mozes uit hun hoofd kenden! Hun godsdienst was een wettische godsdienst. Meisjes en jongens, wat is een wettische godsdienst? Jullie zeggen misschien: ‘Dat zijn al die regels waarmee je in de kerk te maken hebt. Een regeltje voor dit en een regeltje voor dat. Je wordt er weleens moe van. Dan kan dit weer niet, en dan mag dat weer niet…’ Dat is geen wettische godsdienst. Het is als je allerlei dingen regelt zonder liefde in het hart. Die liefde ontbrak nu bij de farizeeën en de schriftgeleerden. In de wettische godsdienst van de farizeeën zat geen greintje liefde. Daarom hebben zij Jezus en Zijn discipelen veroordeeld vanwege de sabbatsontheiliging.

Toen heeft de Heere Jezus aan de farizeeën geprobeerd duidelijk te maken wat de sabbat is, en gezegd: ‘De sabbat is gemaakt om de mens. Het gaat op de rustdag om het welzijn en het behoud van de mens.’ Voelt u het, gemeente, daar zit liefde in. 

Nu is het sabbat en ontmoeten zij de Heere Jezus in de synagoge. Zij loeren op Hem, kinderen. Misschien zal Hij de man met die lamme hand genezen en dan hebben zij weer iets om Hem te beschuldigen. En de nood van de man dan? Dat is toch erg? Maar daar houden zij zich helemaal niet mee bezig.

Er zit echt geen liefde in hun godsdienst. Zij zijn alleen maar bezig met de vraag: Kunnen wij Jezus een loer draaien? Kunnen wij Jezus vangen? En dat over de rug van de man met de lamme hand, om wie zij zich in feite helemaal niet bekommeren.

 

Gemeente, u begrijpt het wel. Jezus weet al deze dingen. Wat doet de Heere Jezus dan? Dan lezen wij dat de Heere Jezus tegen de man  zegt: Sta op in het midden. Meisjes en jongens, dan zien wij deze man daar in het midden van de synagoge staan. Dan stel ik het me zo voor, dat de farizeeën en de anderen daar in een kring omheen staan.

Wat gaat er gebeuren? Meisjes en jongens, er gebeurt niets, helemaal niets. Wij lezen dat de farizeeën en schriftgeleerden stilzwegen. Want de Heere Jezus had hun een vraag gesteld. Deze vraag: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? Toen bleef het stil. Niemand zegt iets. Terwijl Jezus in deze woorden uitdrukking geeft aan wat Zijn roeping is. Het is Zijn roeping om goed te doen. Het is Zijn roeping mensen te behouden.

Hij is gekomen om goed te doen in de diepste zin van het woord. Hij is gekomen om te behouden, om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Dat geldt natuurlijk alle dagen van de week, maar dat geldt toch zeker de sabbat, de rustdag, de dag des Heeren. Dat is toch zeker wel de dag om goed te doen, dat is de dag om mensen te behouden.

 

Gemeente, ik kijk u allemaal aan. Zeg het eens eerlijk: is het voor u al een wonder geworden dat er iedere week een rustdag is? Iedere week een dag dat je al je aardse beslommeringen mag laten rusten om bezig te zijn met God en Zijn Woord? De Heere Jezus heeft aan het eind van het vorige hoofdstuk gezegd: ‘De sabbat is gemaakt om de mens, deze rustdag is er voor de mens.’ Nee, niet opdat wij de rustdag zouden ontheiligen met onze eigen pleziertjes en onze leuke dingetjes en al helemaal niet door de zonden.

De rustdag is er voor ons om te doen zoals Jezus deed: om te gaan naar het huis van God. Om naar de plaats te gaan waar het Woord van God opengaat. Het gaat om ons behoud en om onze toekomst.

Ik weet zeker, als jullie daar iets van beseffen, dan krijg je de rustdag lief. Dan zeg je toch, wat ik aan het begin van de preek gevraagd heb: ‘Wat fijn, wij kunnen weer naar de kerk. Wat een wonder dat het Woord van God opengaat!’

 

Dan ook dit nog. Zie je de synagoge daar? Daar was de Heere Jezus Zélf in het midden. Nu kijk ik naar onze meisjes en jongens. Wat denken jullie: Zou dat nog zo zijn? Zou de Heere Jezus hier vandaag in de kerk zijn? Het antwoord is: ‘Ja!’ In de kerk, waar het Woord van God opengaat, is de Heere Jezus aanwezig, ook nu.

Hij is hier onder de prediking. Hij is hier nu en Hij zegt: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen? Hij is in deze dienst in ons midden, in het kleed van het evangelie, om mensen te behouden. Daarom hebben we iedere week een rustdag en gaan wij iedere zondag naar de kerk. Omdat Hij ons behoud zoekt. Wat betekent de kerkdienst voor u en voor jou? Jezus en de sabbat…

 

Zo komen wij bij ons tweede punt: Jezus en de farizeeën. Maar voordat we daarmee verder gaan, zullen wij eerst zingen Psalm 84 vers 1:

 

Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,

O Heer’, der legerscharen God,

Zijn mij Uw huis en tempelzangen!

Hoe branden mijn genegenheên,

Om ‘s Heeren voorhof in te treên!

Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen;

Mijn hart roept uit tot God, die leeft,

En aan mijn ziel het leven geeft.

 

2. Jezus en de farizeeën

 

Daar staat de man met de verlamde hand in de synagoge. De farizeeën kijken Jezus aan en Jezus kijkt de farizeeën aan. Er is een stilte gevallen. En dan lezen wij in onze tekst: En als Hij – dat is de Heere Jezus – hen met toorn rondom aangezien had… De Heere Jezus zal de verbittering, afkeer en haat op hun gezichten gezien hebben. Zij zullen er straks met elkaar over praten hoe zij Hem zullen doden. Zij zoeken de dood van de Heere Jezus. Was Hij er maar niet meer, hoorden we Zijn stem maar niet meer… Wat een haat! De Heere Jezus heeft het van hun gezichten afgelezen.

 

Maar nog meer, Hij weet precies wat er in hun hart is. Gemeente, dat is nog zo. Hij weet precies wat er in uw en jouw hart is, ook nu in de kerk. Beseffen jullie dat, meisjes en jongens? Want jullie zitten vandaag in de kerk en ik heb al gezegd: dat is heel erg fijn. Doe je ook je best om te luisteren?

Of ben je intussen onder de preek aan het bedenken wat je morgen gaat doen? Of aan hele fijne dingen die je zo graag van de week zou willen doen? Zeg het eens, kinderen, meisjes en jongens, waar ben je met je gedachten? Ouderen, je neemt soms je werk mee naar de kerk en soms zit je op de kerkbank nog handel te drijven of afspraken te maken. Intussen gaat het Woord langs je heen.

 

Jezus weet wat er in het hart van de farizeeën is. Als de Heere Jezus naar hen kijkt, dan lezen wij dat Hij naar hen kijkt met toorn, met een heilige boosheid. Past dat wel bij de Heere Jezus, toorn? Dat kan toch niet? De Heere Jezus is toch de goede Herder? Die goede Herder gaat er toch op uit om dat ene schaap te zoeken? Hij is toch de bewogen Zaligmaker? Er is toch genade uitgestort op Zijn lippen? Dat zingen wij toch zo graag in de kerk? En dan toorn? Boosheid bij de Heere Jezus? Dat kan toch niet?

Gemeente, allereerst dit: hier wordt duidelijk dat de Heere Jezus ook gevoelens heeft gekend. De Heere Jezus heeft ook emoties gehad net zoals u, jij en ik. Hij is ons in alles gelijk geworden. Hij heeft op deze wereld niet gewandeld als de grote onbewogene.

Alleen, mijn emoties – en zo zal het met u ook zijn – zijn altijd gemengd met zonden. Dat is bij Jezus niet zo. Zijn toorn is heilige toorn zonder zonde. Want ook hier in de synagoge staat Jezus als de Zondeloze. Het is bij Hem een heilige verontwaardiging. Het is waar, zoiets kan er ook wel eens zijn in het hart van Gods kinderen. Zij kunnen ook wel iets hebben van die heilige verontwaardiging, die toorn, als ze zien en horen hoe God en Christus verguisd en bespot worden. Heilige boosheid, als zij zien hoe de Heere overal wordt tegengestaan, hoe Zijn Woord wordt ondermijnd en aangetast. Als zij zien en horen hoe de Naam van de Heere Jezus door het slijk wordt gehaald.

Dan moet het natuurlijk wel de vraag worden waaróm ik boos word. Gaat het nu echt om de eer van God, om de Naam van Jezus, of zit ik er zelf tussen? Bij de farizeeën ging het echt niet om de man met die verdorde hand. Zij loerden op Jezus vol ergernis en haat. De Heere Jezus weet dat. Daarom ziet Hij hen aan in heilige toorn, met heilige boosheid.

 

Nu zit er misschien wel iemand in de kerk, die zegt: ‘Als ik dit zo hoor, dan moet de Heere Jezus mij ook in toorn aanzien. Ik heb Zijn Woord ook zo vaak weerstaan. Ik heb ook zo vaak in de kerk gezeten terwijl ik onder de preek met duizend en één andere dingen bezig was en aan Hem voorbij ging. Ik heb zelfs weleens in de kerk gezeten met een hart vol vijandschap.’

Luister, dan zeg ik dit tegen u: het is nog de genadetijd! En nergens lees ik in de Bijbel dat Jezus in toorn en boosheid neerziet op iemand die als een bedelaar aan Zijn voeten komt en alleen maar zeggen kan: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

 

De Heere Jezus kijkt met toorn. Toch is de toorn van de Heere Jezus hier wel een bijzondere soort van toorn. Want wat lezen wij? Het is toorn en tegelijk droefheid. Dat verzet tegen Hem, tegen de genade, die haat, die vijandschap tegen Hem… Hij vertoornt zich erover, maar hier wordt duidelijk: het geeft in Zijn hart tegelijk een diepe droefheid. Toorn en droefheid tegelijk. Daar zit liefde in.

Moet je eens voorstellen: een jongen die opnieuw diep in de nacht thuiskomt en gedronken heeft. Vader en moeder zitten toch te wachten, totdat hij thuiskomt. Dan komt hij eindelijk thuis en dan ziet die jongen het. Zij schelden hem niet uit, maar zij kijken hem alleen maar aan met een verdrietige blik.

Nou, meisjes en jongens, als je zo thuiskomt en jouw ouders zeggen niets, ze kijken je alleen maar heel verdrietig aan, dat voelt niet fijn. Je had veel liever gehad dat zij gescholden hadden. Maar juist omdat ze jou zo verdrietig aankijken, kun je daar niet tegen. Dat komt omdat je wel merkt dat je je vader en moeder hier zoveel verdriet mee hebt gedaan. Dat breekt je hart.

Gemeente, voelt u het? Toorn en tegelijk droefheid, daar zit liefde in. Als er toch één ding is wat je hart zou moeten breken, dan is het dat wel.

 

Als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart… Meteen, tegelijk, verdrietig over de verharding. Wat is dat eigenlijk, verharding? Weten jullie dat, meisjes en jongens? Wel, de farizeeën dachten dat zij het allemaal piekfijn wisten. Dat zij zo rechtzinnig en godsdienstig waren. Maar zij waren nooit zondaar voor God geworden. Ze zijn nooit gevallen voor Jezus en hebben later tegen elkaar gezegd: ‘Hoe komen wij van Jezus af? Laten wij Hem doden, want Zijn mond moet zwijgen!’ Jezus toornt erover en heeft er verdriet over. Verharding is een proces. Dat gebeurt niet van het ene op het andere moment, maar dat gaat van stap tot stap.

 

Dan kijk ik toch weer naar jullie, meisjes en jongens. Wat zou het verschrikkelijk zijn, als dat zo bij jullie zou zijn. Wat bedoel ik? Je komt weleens meisjes en jongens tegen, die zeggen: ‘De preken doen mij soms wat hoor. Dan kom ik thuis en blijf ik er over nadenken. Dan ben ik er mee bezig.’ Dat is gelukkig, als het niet altijd langs je heengaat.

Maar dan? Dan schuif je het weer weg. Dan duw je het weer weg. Je leeft er weer overheen en gaat weer verder. Dan komen er opnieuw indrukken. Weer een preek die je raakt en waar je over nadenkt. Even onder de indruk, misschien een paar dagen, en dan schuif je het weer weg… Uiteindelijk zijn er zoveel fijne dingen in de wereld. Sommige zonden hebben toch ook een heel prettige kant. Je denkt: Nu nog maar geen bekering. Later, dán maar eens…

Dat is ook verharding. Laat ik het zo zeggen: als het Woord van God met alle klem gebracht wordt en de vuurvonken van de preekstoel spatten, dan ga je weer rustig naar huis. Je drinkt je kopje koffie en je eet je stukje appeltaart of iets anders. Je praat over dit en over dat en het gaat allemaal langs je heen. Terwijl het vroeger weleens anders was. Dat is verharding.

 

Gemeente, herkent u het in uw eigen leven? Dat u misschien moet zeggen: ‘Vroeger waren er weleens indrukken, maar nu is het allemaal zo ver weg. Het is zo hard en zo koud geworden.’ Verharding…

Je wilt, meisjes en jongens, ten diepste jezelf blijven. Je wilt niet failliet gaan met alles wat van jezelf is. Je wilt niet vallen voor Jezus. Je wilt geen zondaar worden voor God.

 

Vandaag zeg ik u: Jezus is er bedroefd over. Hij is niet alleen toornig, maar Hij is ook bedroefd. Daar zit liefde in, want Hij zoekt uw en jouw behoud. Zo wandelt Hij ook in deze dienst in ons midden. Als een wenende Jezus, Die ook wenend stond voor het vijandige Jeruzalem. Hij heeft gezegd: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u begeerd. Ik wilde wel, maar u wilde niet.’

Tijdens de prediking van het evangelie druppelen Zijn tranen nog in het midden van de gemeente. Ik wilde wel dat u, jij, dat in deze dienst eens zien zou, wanneer je altijd onbekeerd gebleven bent. Niet alleen een toornige Jezus, maar ook een bedroefde Jezus.  Dat die liefde uw hart zou verbreken. Echt waar, als u dat leert zien, dan wordt de zonde zo bitter. Dan wordt het: ‘Ik zo zondig en God zo goed. Ik zondig tegenover Zijn liefde.’

 

Kom, gemeente, ik lees nergens in de Bijbel dat Jezus toornt over mensen die met liefdesverdriet buigen en aan Zijn voeten komen. Dan is er bij Hem genade!

 

Jezus en de farizeeën. En dan ten derde: Jezus en de zondaar. Maar we zingen eerst nog uit Psalm 84 vers 5:

 

O God, Die ons ten schilde zijt,

En ons voor alle ramp bevrijdt,

Aanschouw toch Uw gezalfde koning.

Eén dag is in Uw huis mij meer

Dan duizend waar ik U ontbeer;

‘k Waar’ liever in mijns Bondsgods woning,

Een dorpelwachter, dan gewend

Aan d’ ijd’le vreugd’ in ‘s bozen tent.

 

3. Jezus en de zondaar

 

Ziet u, die man daar staan met zijn verlamde hand in de synagoge, tussen Jezus en de vijandige farizeeën in? Dat heeft de man natuurlijk gevoeld, die spanning en beklemming. Ik zou mij zo voor kunnen stellen dat hij zijn kwaal nog nooit zo gevoeld heeft als op dat moment. Hij is nu immers met zijn kwaal de inzet geworden van een twistgesprek tussen Jezus en de farizeeën.

Je zult maar in een rolstoel zitten en over jouw hoofd heen gaan de mensen ruzie maken met elkaar. Dan voel je je diep ongelukkig.

 

Daar staat hij dan, en Jezus heeft zojuist gesproken over goed doen en over mensen behouden op de sabbat. Heeft dat nu hoop gewekt in het hart van deze man? Wat denkt u, heeft dat hoop gewekt?

Gemeente, wij weten het niet. Heeft hij dan tot Jezus geroepen: ‘Ontfermt U Zich over mij’? Daar lezen wij ook niets van. Ik denk dat wij daaruit mogen opmaken dat deze man niet genezen is om zijn bidden of iets in hem.

Dan kijk ik even rond. Dan zit er vast wel een man of vrouw in de kerk, een meisje of jongen, die zich heel schuldig voelt. Die bij zichzelf helemaal niets kunnen vinden waar zij op kunnen pleiten. Bij zichzelf zien zij alleen maar nood en verlorenheid. Luister, van deze man lezen wij ook niet dat hij op iets van zichzelf gepleit heeft. Je leest niet eens dat hij tot Jezus geroepen heeft. Maar het Woord van God zegt ons: Hij geeft redding om niet. Bij Hem is verlossing uit enkel genade.

 

De man is niet ’s morgens naar de synagoge gegaan, misschien wel meegetroond door de farizeeën, met de gedachte: Vandaag gebeurt mijn genezing! De Heere komt onverwacht, boven bidden en denken. Dat was toen zo en dat is nog zo.

Dan gaat Jezus de man verlossen uit zijn nood, onverdiend. In deze man was geen enkele reden.

 

Kijk, gemeente, dat is nu de ruimte van het evangelie. Bij mij is geen reden. Dan zou Jezus moeten zeggen: ’Weg ermee!’ Dat Hij dan tóch verlost, dat Hij dan tóch redt, dat is de ruimte van het evangelie. Jezus gaat een mens behouden op de sabbat, want daar is de sabbat voor. Ondanks de haat, ondanks de tegenstand van de farizeeën, kunnen zij Jezus niet tegenhouden. Al had er een heel leger farizeeën gestaan, het staat Jezus niet in de weg. Hij is door niets en door niemand tegen te houden. Wat een bemoediging!

Al keert heel de hel zich tegen Hem, als Christus mij wil redden, dan kan niets Hem tegenhouden. Dan is niets in staat Hem af te brengen van de weg van Zijn Vader. En daarom wordt Gods Kerk zalig.

 

Dan gaat de Heere Jezus Zich wenden tot de man met de verlamde hand, zijn rechterhand. In de Bijbel is de rechterhand het symbool van sterkte en kracht. Juist  de rechterhand is bij die man verstijfd en verlamd. Een krachteloos mens, een mens in nood.

Zo kun je ook vandaag in de kerk zitten, als een mens in nood. Dan bedoel ik vooral ook de geestelijke nood. Je hebt geen kracht in de strijd tegen de zonden en de duivel. De duivel is er als de kippen bij en zegt tegen je: ‘Jij, jij bent veel te slecht!’

Maar let u dan op: midden in zijn nood komt het woord van Christus tot deze man. Als dat woord tot u, tot jou komt, midden in de nood, door de kracht van de Heilige Geest, dan gebeuren er wonderen. Dan moet de nood wijken en doet dat woord wonderlijk kracht. Dan wordt het woord tegelijk daad.

 

Kijk, daar weten nu al Gods kinderen van. Als de Heere zegt: ‘Zondaar, leef!’, dan ís er leven. De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25).

Als de Heere zegt: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden (Hand.16:31), dan brengt Hij Zelf dat geloof mee. Als dat woord kracht doet in je hart, als dat woord daad wordt midden in je nood, dan doet het zoveel kracht, dat het onmogelijk is om níet te geloven.

 

Zo komt dat woord tot de man midden in zijn nood. Want dan zegt de Heere Jezus tot die man: Strek uw hand uit. Een bevel, maar achter dit bevel zit de almacht van de Zaligmaker. Zijn bevel is gedoopt in Zijn kracht.

Nu moet u opletten. Jullie ook, meisjes en jongens. De Heere Jezus beveelt de man iets wat hij niet kan: Strek uw hand uit. Die lamme hand, die slappe hand uitstrekken, hoe moet dat? Je zou zeggen dat dit een onmogelijk bevel is.

Misschien zit u zo ook soms in de kerk. Je luistert naar de preek en je haalt de schouders op en denkt: de Heere beveelt het onmogelijke. Dat denken jullie vast ook weleens een keer, meisjes en jongens. Hij zegt vandaag tegen mij: ‘Bekeer je! Bekeer je!’ ‘Onmogelijk, ik kan me toch niet bekeren?’ Of Hij zegt vandaag tegen u of jou: ‘Geloof het evangelie!’ ‘Onmogelijk, ik kan toch niet geloven?’ Hij beveelt het onmogelijke!

Ach, wij beroepen ons graag op onze onmacht, maar wat kunnen wij daarmee Gods bevel krachteloos maken. Maar het is Zijn bevel en Hij heeft er alle recht op. Dan zeg ik u, wie u ook bent: laat Zijn bevel uw gebed worden: ‘O God, dat ik het niet kan, dat is mijn eigen schuld. O God, dat ik het niet kan, dat is mijn onwil en mijn vijandschap. Overwin mij alstublieft door Uw kracht. Bekeer mij en dan zal ik bekeerd zijn.’

 

Onthoud dit, jullie ook, meisjes en jongens. Al zegt u misschien: ‘Het is een onmogelijk bevel, bekeert u en geloof’, als Hij Die het beveelt met dat bevel Zelf de kracht geeft, dan gebéurt het. Wat Hij eist, dat geeft Hij. Dan wordt Zijn woord daad.

Dan gaan blinden zien, doven horen en doden leven. Met al de liefde van mijn hart zeg ik het tot u en jou: houd toch eens op met dat redeneren, buig je knieën en zeg: ‘God, ik sta naast de man in de synagoge en allebei mijn handen zijn verdord, verlamd in het paradijs. Ook mijn handen kunnen door mijn schuld de zaligheid nooit bewerken. Geestelijk ben ik net zo dood, verdord en verstijfd als de rechterhand van die man, vol met zonden.’

 

Jong en oud, ik zou willen zeggen: kijk eens naar je handen. Getuigen deze handen niet tégen u? Meisjes en jongens, wat heb je allemaal met je handen gedaan? Dan moeten wij toch beschaamd staan voor God. Kijk dan eens naar de handen van Jezus. Want die handen van Jezus zijn vol reddende kracht. Straks zullen de spijkers er dwars doorheen geslagen worden. De spijkers die er doorheen gaan, dat zijn mijn zonden. Dat is mijn opstand en vijandschap. Maar die spijkers die door Zijn handen heengaan, spreken ook van Zijn onuitsprekelijke liefde.

 

Wel, Jezus zegt: Strek uw hand uit. Als Hij dat met kracht zegt en Zijn woord daad wordt, dan gebéurt het. Dan ziet u de kracht van het geloof.

Weet u wat het geloof zegt? ‘Heere, of ik drijf of zink, of ik leef of sterf, hier ben ik. Hier is mijn verschrompelde hand, hier is mijn verdorde ziel.’

De man deed iets wat hij nooit kon, omdat het woord van Jezus kracht deed. Gemeente, als het vandaag kracht doet – bid daar ook om onder de dienst – dan gaat u doen wat u nooit kon doen. Bekeert u, geloof het evangelie!

 

Toen gebeurde het. Hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. Nee, deze man heeft niet eerst geredeneerd, want het geloof redeneert niet. De man heeft ook niet gezegd: ‘Dat kan zomaar niet. Ik moet toch eerst een beetje therapie volgen. Er zal toch eerst een beetje beweging in moeten zijn.’ Helemaal niet. Hij is overwonnen door het Woord, en in geloofsgehoorzaamheid strekt hij zijn hand uit.

Dat is ook weer zo’n les. Wij willen eerst voelen en dan geloven. Dit is bij deze man niet zo geweest: Als ik maar eerst iets voel, als ik nu maar een tinteling in die hand voel, als ik hem een heel klein beetje bewegen kan, dan zal ik hem uitstrekken…

Het was een zaak van geloofsoefening. Jezus’ bevel en macht.

Daar staat die man. Wat een wonderlijke verrassing: twee gezonde handen. Door de kracht van Christus, op Zijn woord, door het geloof.

 

Nu zie ik iemand zitten, die zegt: ‘Dominee, ik heb echt wel aandachtig naar deze preek geluisterd. Weet u dat ik geen voeten heb om tot Jezus te gaan? Ik heb geen handen om ze tot Jezus uit te strekken.’ Dat klopt, dat had die man ook niet. Christus geeft in Zijn genade handen en voeten. Handen ook om de Heere te dienen uit dankbaarheid.

Want deze genezing vond plaats op de sabbat, op de rustdag. Jullie weten het wel van de catechisatie, meisjes en jongens, dat is nu de rustdag, de opstandingsdag van de Heere Jezus. Op de sabbat wordt de hand van de man genezen. Dan kan hij verder de week ingaan met een genezen hand. Zo hebben wij ook de rustdag om daar een zegen te ontvangen, en dan de week verder in te gaan in ootmoedige dankbaarheid.

Kijk nog eens naar uw handen. Meisjes en jongens, waar heb je ze allemaal voor gebruikt? Moeten uw handen niet tégen u getuigen? Dan hoop ik van harte dat het vandaag met u mag gaan als met deze man.

 

Gemeente, wij gaan eindigen. Het gaat hier over de waarde van de sabbat en vooral over de waarde van Jezus. Hij is u in deze dienst gepreekt als een toornende Jezus, maar ook als een Jezus Die bedroefd is. Bedroefd over uw onbekeerde hart. Dat de tranen van een bedroefde Jezus uw hart zouden breken! Want Hij wordt, vanuit dit Schriftgedeelte, u ook gepreekt als een machtige Jezus. Hoe verdord, hoe verschrompeld uw leven ook mag zijn, Jezus hoeft maar één woord te spreken en daar is genezing en verlossing.

 

Amen. 

 

 

Slotzang: Psalm 27: 7

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven,

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer,

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.