Ds. H. Hofman sr. - Johannes 19 : 30m

Het volbrachte offer van de Heere Jezus Christus

De strekking van dit woord
De troost van dit woord
De ernst van dit woord

Johannes 19 : 30m

Het is volbracht!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 85: 1, 4
Lezen : Johannes 19: 17-30
Zingen : Psalm 69: 1, 2
Zingen : Psalm 39: 3, 8
Zingen : Psalm 69: 14

Gemeente, Gods werk gaat door! Ondanks wat er in het leven gebeurt, ondanks ons en ondanks alle vijandschap en tegenstand. Gods werk gaat door. Zijn werk is volmaakt, en alles loopt naar Zijn gemaakt bestek.

Dat is ook zo in de schepping. De Heere heeft alles naar Zijn orde en plan beschikt, zoals we kunnen lezen in Genesis 2 vers 1: Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir. En dan lezen we ook: En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (Gen.1:31). Gods werk kan ook door de zonde en de dood niet worden tegengehouden, want Zijn werk gaat door.

 

We willen met de hulp van de Heere overdenken, niet alleen dat Gods werk doorgaat, maar ook dat het klaar komt.

Ons werk kan worden afgebroken. Er kunnen plannen zijn voor morgen, overmorgen of voor volgende week, die wij niet kunnen volbrengen. Maar zo is het bij God niet. Gods werk komt klaar.

Daar willen we samen bij stilstaan en met de hulp van de Heere spreken over Johannes 19 vers 30, het middelste gedeelte, deze woorden:

 

Het is volbracht!

 

Dit Schriftgedeelte spreekt van: Het volbrachte offer van de Heere Jezus Christus.

 

Wij willen drie gedachten overdenken.

1. De strekking van dit woord

2. De troost van dit woord

3. De ernst van dit woord

 

Uw aandacht wordt dus gevraagd voor het volbrachte, volmaakte offer van de Heere Jezus Christus, en onze eerste gedachte is:

 

1. De strekking van dit woord

 

Het lijkt allemaal mislukt te zijn. Op Golgotha schijnt alles, alles tevergeefs te zijn. Want de hoop van de vaderen, de vertroosting van Israël, de troost waarvan de ouden hebben gezongen in het Oude Testament, de blijdschap die gehoord is boven Efratha’s velden: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk.2:14), de vertroosting van Simeon met het Kind Jezus in zijn armen; het schijnt niet anders dan een mislukking te zijn.

Want deze Jezus, Die goeddoende het land is doorgegaan, Die veel zieken heeft genezen, Die doden heeft opgewekt, Die veel wonderen heeft gedaan, Die het jaar van het welbehagen van de Heere gepreekt heeft, Die met tollenaren en zondaren heeft willen eten, Die het verlorene heeft gezocht; deze Jezus is gevangen en veroordeeld.

Deze Jezus van Nazareth sterft aan het kruis. Zijn vrienden staan ver weg, Zijn bekenden zijn in duisternis, en met Hem verging de hoop van degenen die de Heere vrezen.

 

Hier eindigt de lange weg van de Heere Jezus Christus, Die in alles werd verzocht. Nee, Zijn leven eindigt hier niet met de kroon van de overwinning, maar in diepe smaad, verachting en spot. Ze hebben Zijn heilig aangezicht bespuugd, ze hebben Hem gegeseld en Hem aan het kruis gespijkerd. En het zaad van Abraham heeft van het verbond met Abraham, Gods vriend, afscheid genomen als van een vervloekte. Het leven schijnt op één grote teleurstelling uit te lopen.

En heeft de schare, daarin aangedreven door het Sanhedrin, niet uitgeroepen: ‘Kruis Hem, kruis Hem, het is niet behoorlijk dat Hij leeft’? En zie, daar hangt Hij. Nog een enkel ogenblik, en onze tekst vervolgt, nadat Hij heeft uitgeroepen Het is volbracht, met: En het hoofd buigende, gaf de geest.

Gemeente, het liep uit op één grote teleurstelling; één grote mislukking zouden we zeggen. Dat is het einde van Hem, Die niet anders dan goed deed. Hier viert het Sanhedrin zijn triomfen. Bij het sterven van de verachte Jezus van Nazareth denken ze: Zijn mond blijft voor eeuwig gesloten, daar zullen we geen last meer van hebben, Hij is voorgoed weg.

 

Als Hij alleen mens was, gemeente, zou het inderdaad een tragedie, een mislukking zijn. Maar hier hangt de Middelaar Gods en der mensen, hier hangt het Lam van God Dat de zonde der wereld wegneemt; hier hangt Hij, Die met Zijn hart Borg is geworden, opdat zondaren met God zouden worden verzoend.

Omdat er geen weg is van de mens uit, en die er nooit zal zijn; omdat er geen weg terug is waardoor een zondaar met God verzoend kan worden, heeft God een Middelaar gegeven. God heeft in Zijn onbegrijpelijke, soevereine genade een Lam Gods gegeven, opdat zondaren met God zullen worden verzoend.

Nee, gemeente, het is geen mislukking. De roep van de stervende Jezus: Het is volbracht! is een triomfroep; het is de roep van de overwinning die Hij hier behaald heeft.

 

In het Grieks staat hier maar één woord: ‘genoeg’. Voor eeuwig genoeg. En gemeente, dit ene woord was sinds de val van Adam in het paradijs, tot op dit ogenblik op Golgotha, nooit eerder op aarde gehoord. De mens heeft schuld met schuld vermeerderd, zonde op zonde gestapeld; Gods recht werd niet voldaan. Brandoffers noch offers voor de schuld, voldeden aan Gods eis noch eer. De schuld onbetaald, de ongerechtigheid niet verzoend. Hier is een vertoornd God en een schuldig volk; hier is een mensdom dat in eeuwige verwoesting wegzinkt als er niet betaald wordt.

En geen mens kan betalen, u niet en ik niet. Geen mens kan ooit God tevreden stellen. Al de offers die gebracht zijn sinds de Heere voor Adam en Eva rokken van vellen gemaakt heeft, al de offeranden die onder het Oude en het Nieuwe Testament gebracht zijn, zijn onvoldoende om God tevreden te stellen.

 

Gemeente, over de hoofden van de godsdienstige schriftgeleerden en farizeeën, over de hoofden van de Romeinse soldaten en over de massa die geroepen heeft: ‘Weg met Deze, kruis Hem!’ klinkt over Golgotha één woord: ‘Genoeg!’ Ook de moeder van Jezus, de vrouwen en de enkele discipelen van Jezus die daar nog aanwezig zijn, zoals Johannes, horen daar dat ene woord: ‘Genoeg!’

Dat woord strekt zich ook uit over deze dienst. Hebt u daar belangstelling voor? Is dat een boodschap die u aanspreekt? Is het een vraag die u drukt? Is dat een vraag waarmee u misschien naar Gods huis gegaan bent: ‘Is er voor mijn zonden betaald? Wie betaalt mijn schuld? Wie verzoent mijn ongerechtigheid?’

Leeft de vraag in uw hart, wie er voor u naar de hel gaat? Want, gemeente, dat is onze bestemming als we nog onbekeerd zijn; als we nog voor eigen rekening leven. Dan is er de buitenste duisternis; dan is er de zee van Gods toorn waarin we eeuwig moeten verzinken.

Wie zal er ooit genoeg kunnen doen, genoeg kunnen betalen, zodat een ander voor ons in die plaats gaat? Gemeente, in onze tekst staat het: Het is volbracht! Hier staat de vrijspraak voor de helwaardige zondaar, want uit de mond van het Lam van God klinkt het: Het is volbracht! Hij heeft voldaan aan het eisend recht van God, aan het ‘betaal wat u schuldig bent’. Hij heeft al de schuld van de ganse Kerk op Zich genomen.

 

Waarom hangt Hij hier?

Hij is om onze overtredingen verwond (Jes.53:5).

Waarom hangt Hij hier?

Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (Jes.53:5).

Waarom hangt Hij hier? Wat zijn Zijn zonden? Wat is Zijn ongerechtigheid?

Gemeente, Hij heeft niets onbehoorlijks gedaan. Hij heeft de pers alleen getreden, en om de overtreding van Zijn volk is de plaag op Hem geweest.

 

Het is volbracht, is een woord dat zo oneindig ver strekt. Het klinkt in de oren van de Heere Zebaoth; het is een woord voor de hemel. Daar heeft de Vader op gewacht. Zo is voleindigd het werk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft. Het is voor eeuwig genoeg, want de Vader rust in dat werk. Hij aanvaardt dat offer van Zijn Zoon, want dat kleine woord ‘het’ in Het is volbracht omvat de heerlijkheid en de rijkdom van het verlossingsplan, dat in de stilte der eeuwigheid in Gods welbehagen is ontsprongen. Satan heeft dat niet kunnen verhinderen, al heeft hij het geprobeerd. Hij is vanaf het begin bezig geweest om dat plan te verijdelen. Deze, zegt de Vader, is mijn geliefde Zoon, in Denwelken ik Mijn welbehagen heb (Matth.17:5). De Vader heeft een welbehagen in dat offer, in het leven dat Zijn Zoon hier op Golgotha aflegt.

Dat zegt de Heere Jezus in Johannes 10 vers 17 ook Zelf: Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg.

De liefde van God schijnt als een eeuwig gunstig licht op de stervende Borg. Die liefde rust op dat offer van Zijn Zoon. Zo ver strekt het woord van de Borg: Het is volbracht! Het is genoeg. De prijs die Hij heeft betaald is genoeg voor de Vader en genoeg voor de Zoon. Hij zegt: Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Joh.17:4).

Wat een onbegrijpelijk wonder dat deze ene offerande voor Christus genoeg is. Die benauwdheid en pijn zal Hij niet voor de tweede keer lijden; het is genoeg. Hij staat er achter en Hij is er door.

 

Het strekt zich uit tot de Vader, het strekt zich uit tot de Zoon, maar het is ook een woord voor de satan en de wereld; een woord voor de vijand. Dit Het is volbracht! is een overwinningsroep over de dood, de vermorzeling van de kop van satan. Het is de nederlaag van de vorst der duisternis, die alles heeft geprobeerd om dat werk ongedaan te maken.

Het is de diepe vernedering voor de overste van deze wereld; het is de vernedering voor het Sanhedrin en voor een ieder die zich tegenover Hem stelt. Het is zó ver strekkend, ook vandaag. De hemel is verzoend; de zondaar, de mens, de tweede Adam is gestraft. Het is voor eeuwig genoeg.

 

Dan zal de vraag toch niet achter kunnen blijven of het ook voor ú genoeg is. Want daar komt het toch op aan. Is nu dat ene offer van de Heere Jezus Christus, aan het kruis volbracht, genoeg voor u? Of hebt u nog iets van uzelf? Noemt u maar op wat u allemaal bijeengebracht hebt om uzelf aangenaam te maken bij God, om u op te werken. Is er nog iets in uw hand? O, dat het vandaag ook in ons hart mag zijn om te luisteren; dat de oren van het geloof dit woord van Christus zouden mogen ontvangen: Het is volbracht!

Gemeente, dan vloeit er troost uit deze stervende Zaligmaker. Want het is niet voor Hemzelf dat Hij hier hangt. Voor Hemzelf hoeft Hij geen rantsoen aan te brengen. Het is voor één die midden in de dood ligt en zich afvraagt hoe hij tot die genoegdoening van de Heere Jezus Christus kan komen.

 

Hoe maakt de Heere daar plaats voor in ons hart? Hoe maakt de Heere een zondaar leeg, opdat we naar Zijn volheid zouden worden gebracht? Hoe gaat de Heere ons leven tot op de bodem afbreken om plaats te maken voor dat werk van de Heere Jezus Christus? Hoe wordt die troost nu de onze?

Dat is in een weg van afbreking, waarin we al het onze leren kwijtraken; dat we losgemaakt worden van wat wij hebben bijeengebracht. O, die onrust in ons hart, om God te ontmoeten als de dood eens op ons af komt; als de Heere op ons hart bindt om te betalen wat we schuldig zijn! Als we zondaar voor God worden, als er geen gerechtigheid meer is aan onze kant, als er geen rust en vrede gevonden wordt, als we zonder hulp, ongered en onbekeerd over de wereld gaan, als we gekneld in de banden van de dood en in de angsten van de hel alle troost moeten missen!

Gemeente, als ons leven en de dood eens werkelijkheid wordt; als dat eens op ons afkomt; als we eens zo nadrukkelijk bepaald worden bij de kortheid, de broosheid en de vergankelijkheid van het leven; als we er eens bij bepaald worden wat het is om voor God te verschijnen en we ons afvragen waar onze plaats dan zou zijn, o, wat een onrust kan dan toch ons hart vervullen!

En dan zóveel zonde tegen God te hebben gedaan en niets te hebben om de gemaakte schuld te betalen, wat kan dán ons leven benauwd zijn en wat kunnen we heen en weer geslingerd worden!

 

Is het zo in uw hart, in uw leven? Rust noch vrede wordt gevonden? O, dan mogen wij u wijzen op deze boodschap, naar dat Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Hij zei: Het is volbracht! Wat u in der eeuwigheid niet kunt doen, heeft Hij gedaan.

Hij heeft de volle, ondeelbare toorn van God gedragen, opdat mensen die gebroken zijn, geheeld zullen worden. Hij is heen en weer geslingerd op de zeef van Gods heilig, rechtvaardig ongenoegen, opdat vermoeide, belaste zondaren rust zouden vinden in Hem alleen. Opdat zij, die uit de diepte naar Hem schreeuwen, verlost zouden worden. O, gemeente, dan is dit woord niet alleen waarschuwend, maar mag het ook bemoedigend en vertroostend zijn, zoals we zien in onze tweede gedachte:

 

2. De troost van dit woord

 

Dit is een woord dat ons heenleidt naar het dierbaar en bitter, maar ook het borgtochtelijk, plaatsbekledend lijden en sterven van de Heere Jezus Christus. Dan mag het een heenwijzen zijn, dat vermoeiden en belasten in Hem alleen rust zullen vinden. Wat er dan ook gebeurt in ons leven en hoe nauw we betrokken kunnen zijn bij de boosheid van ons hart dat we altijd bij ons dragen; hoe ons leven ook mislukt schijnt te zijn; hoe we ook aan alle kanten vastlopen en we nergens hulp kunnen vinden; als al onze gerechtigheden onvoldoende zijn geworden, dan worden we zondaar, dan is er aan onze kant geen troost, geen hulp, geen uitkomst meer te verwachten.

Maar nu dit woord, gemeente. Er ligt er Eén in de banden van de dood, en Hij spreekt. Hij roept: Het is volbracht! O, dan vloeit er leven uit deze troostbron; dan vloeit er kracht uit deze bron van leven. Hieruit vloeit blijdschap voor een verloren zondaar. Dát is het evangelie voor verloren zondaren.

 

O, Zijn stem klinkt luid, Zijn stem klinkt over Golgotha. Het is niet de fluisterende stem van een stervende, maar het is de luide stem van de Overwinnaar.

Zou Hij dan uw zonden niet kunnen breken? Zou Hij dan uw kruis niet kunnen dragen? Zou Hij uw veroordeling dan niet op Zich kunnen nemen? Zou Hij dan uw hart niet kunnen breken?

O gemeente, hierin is een eeuwige volheid. Want die verloren zondaar wordt genodigd en getrokken naar de kruisheuvel Golgotha, naar dat plaatsbekledende werk van de Middelaar. ‘Dit deed Ik voor u.’

Wat een boodschap! Mag het in uw oren klinken? Is het zo in uw hart dat alle hoop u is ontvallen? Is het zo in uw leven dat u nergens meer bij kunt, dat de Heere weet dat u als een verlorene naar de kerk bent gegaan; dat het in uw hart was:

‘Heere, nu weet ik dat er in der eeuwigheid geen vrucht van mij zal zijn en dat er in der eeuwigheid geen hoop voor mij zal zijn. Ik geef het alles op. Mijn gerechtigheden zijn niet anders dan een wegwerpelijk kleed; ik moet voor eeuwig van voor Uw aangezicht verstoten worden. Ik heb tegen U, o Heere, zwaar en menigmaal misdreven; al mijn kooppenningen zijn afgekeurd; ik kom alles, alles tekort. Geen weg aan mijn kant.’

Gemeente, dat is het einde van ons; dat is het open graf; dat is de eeuwige verdoemenis voor mij, en dat rechtvaardig.

 

Maar nu dat wonder, dat onbegrijpelijke wonder, dat nu Jezus hier op Golgotha met luide stem roept: ‘U, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, luister eens: Het is volbracht! Uw schuld is betaald, uw ongerechtigheid is verzoend. Het is voor u!’

O gemeente, om dát nu door het geloof te omhelzen!

Er kunnen tijden zijn dat we niet dúrven geloven, als we zien op onze eigen onwaardigheid en onmogelijkheid. Er zijn tijden dat we niet kúnnen geloven. Onze onmacht schijnt dan alles te verhinderen. Maar er zijn ook tijden, gemeente, dat we niet anders kunnen dan geloven.

Deze ellendige, deze verlorene, deze ten dood gekeurde legt de hand van het geloof op dat offer, dat de schuld voor mij betaald heeft. Mijn ongerechtigheid, mijn dwaasheid en al mijn vuilheid, voor eeuwig afgewassen in dat bloed! Het is volbracht! En dan dat wonder: ‘Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten ondergaan. Hij mijn dood en ik Zijn leven.’

 

Gemeente, is dat uw troost of zegt het u niets? Gaat u er aan voorbij en bent u nog bezig om voor uzelf een gerechtigheid op te bouwen? U komt voor eeuwig tekort. Want als dit offer genoeg is voor de Vader, dan komt er van ons nooit meer iets in aanmerking. Als dit genoeg is - en het is genoeg voor de Zoon - dan zal er geen andere eis meer komen. Dan is het genoeg voor Hem, Die volkomen en voor eeuwig betaald heeft.

Hier is een troostbron die niet te legen is! O, welgelukzalig zijn zij die voor het eerst uit deze bron mogen drinken.

Dat is in de strijd van dit leven ook steeds nodig, want wij zijn altijd weer geneigd van die bron af te gaan. Satan wil er wel weer een vraagteken bij zetten; wil ons wel weer aftrekken van deze bron. Zo moeten we elke keer weer bij dat volkomen offer van de Heere Jezus Christus terechtkomen, opdat we meer en meer geoefend worden om uit Zijn volheid te leven. Dat is genoeg om te leven en genoeg om te sterven. Dat is voor eeuwig genoeg. We zien het hier op Golgotha.

 

Het is geen mislukking, hebben we gezegd, maar het doel is bereikt. Gods doel en het doel van de Zoon is volkomen bereikt, dwars door alles heen, door alle verachting, door alle bespotting en vernederingen die Hij heeft ondergaan.

Denk er aan, dat de vijand bezig is geweest om dit volkomen offerwerk te verhinderen. Ook vandaag probeert hij ons bij dat offer, bij dat ‘genoeg’ van Christus vandaan te halen. Daarom is deze boodschap ook zo ernstig, ook in deze tijd, ook voor uw leven, voor jong en oud, voor ons allemaal. Het is een boodschap waaruit de troost door het geloof geput wordt. Maar dat neemt de ernst van die boodschap niet weg.

Ook de Romeinse soldaten en allen die op de kruisheuvel Golgotha aanwezig zijn, horen de boodschap. Maar er zijn er maar enkelen, énkelen, gemeente, die uit die bron drinken. O, dat het maar op onze harten gebonden mag worden om Hem te zoeken.

We willen er eerst van zingen uit Psalm 39 de verzen 3 en 8:

 

O Heer’, ontdek mijn levenseind aan mij;

Mijn dagen zijn bij U geteld;

Ai, leer mij, hoe vergankelijk ik zij;

Een handbreed is mijn tijd gesteld;

Ja, die is niets; want, schoon de mens zich vleit,

De sterkst’ is enkel ijdelheid.

 

Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o Heer’,

Daar ‘k schreiend U mijn leed vertoon;

Ik, die bij U, als vreemdeling, verkeer,

En hier, gelijk mijn vaders, woon.

Ai, wend Uw hand en plagen van mij af;

Verkwik mij, eer ik daal in ’t graf.

 

Gemeente, nog een enkel woord over onze derde gedachte:

 

3. De ernst van dit woord

 

De ernst van dit woord spreekt ons van de voortgang van de heilsgeschiedenis. ‘Zo zijn voleindigd hemel en aarde’, is het woord van God aan het einde van de schepping van zes dagen. En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (Gen.1:31). En zo gaat het verlossingswerk, het vergaderend werk van de Zoon van God door de Heilige Geest voort.

En in deze tussenperiode weerklinkt het: Alzo is voleindigd het werk van de Zaligmaker, en God zag het, en zie, het was zeer goed. Het is volbracht!

 

Maar het werk gaat voort naar het einde, het gaat voort naar de volkomenheid van het werk van God. Want Hij maakt alle dingen nieuw. We lezen in Openbaring 21 vers 5: En Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En dan volgt er in vers 6: En Hij sprak tot mij: Het is geschied.

Het einde van de tijd komt er achteraan. Dat wordt hier ook in besloten. De voortgang van het werk van Jezus Christus in het bouwen van Zijn koninkrijk komt klaar, ook door deze tijd van godsverachting en godsverzaking heen. Ook in deze tijd waar er misschien nog duidelijker dan op Golgotha geroepen wordt: ‘Weg met Deze, het is niet behoorlijk dat Hij leeft!’

In deze tijd van godsverlating gaat het werk van Christus toch door, en het komt ook af. Het wordt niet afgebroken zoals hier op aarde als iemand sterft. Het kan gebeuren dat iemand onverwacht sterft, in de jeugd of in de kracht van het leven.

Dan had hij of zij nog zoveel plannen; er waren zoveel dingen die nog moesten gebeuren. Maar God zei: ‘Tot hiertoe en niet verder.’ Veel werk wordt er afgebroken, het is niet klaar als de dood ons vindt en wij voor God moeten verschijnen.

Maar zo is het niet bij Jezus. Zijn werk wordt niet afgebroken, want Hij roept uit: Het is volbracht! De vrucht van dat volbrachte werk van Jezus komt ook klaar, want er zal er niet één achterblijven van degenen die de Vader Hem gegeven heeft. Zij zullen komen met smeking en geween.

Hij zal er ook niet één vergeten. Zijn werk ligt niet half klaar, maar op het ogenblik dat de laatste binnengebracht zal zijn, dan zal die engel verschijnen en zeggen: Het is geschied (Openb.21:6). De tijd is voorbij, de genadetijd is op, de dag der zaligheid is ten einde.

In dat koninkrijk is alles door het bloed van Christus gewassen; zijn allen gereinigd en geheiligd; allen door Hem vergaderd en binnengebracht door de paarlen poorten en door de straten van goud, om met dat Lam eeuwig de bruiloft te vieren; eeuwig met de Heere te zijn. Dat is de toekomst, gemeente; dat is de vrucht van dat werk.

 

Als een mens op aarde sterft en het graf geopend wordt, dan zinkt het stoffelijk overschot van de dode in het gat der aarde en dan is het voorbij. Een lege plaats, verdriet en gemis; dan is alles voorbij. Maar dat gebeurt hier op Golgotha niet. Bij de stervende Jezus is het anders. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes.53:10).

Daarom klinkt in Het is volbracht! de ernst door van de voortgang van Zijn werk, de voortgang van de tijd.

 

Gemeente, ook de tijd waarin wij leven wordt gekleurd door het avondrood van de ondergang. Het is bij de avond. Maar nu hebt u de boodschap, de nodiging van de stervende Borg nog gehoord. Het is de nodiging van deze Jezus van Nazareth, die we lezen in Jesaja 55 vers 2: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.

O gemeente, dan mag dit woord aan uw hart worden gelegd. Dat u Hem vandaag nog gaat zoeken, dat u op de heuvel Golgotha zou leren neerknielen en u buigen aan Zijn doorboorde voeten en bidden: ‘O God, kan het nog voor mij? Dierbare, stervende Jezus, Uw werk, Uw verzoening, Uw lijden en sterven, is dat ook voor mij? Zou U het ook aan mij willen geven? Zou U het aan mijn hart willen verzegelen en toepassen?’

Vraag het aan de Heere, jongens en meisjes, kinderen, vaders en moeders, ouderen. Buig toch uw knieën, want u leeft onder de ernst van dit tijdelijke leven. Ach, we hoeven het niet nogmaals te zeggen, maar het kan zo spoedig te laat zijn; het kan zo onverwacht tot een einde komen, zodat er ook over ons leven wordt gezegd: ‘Hij of zij is niet meer.’ Daarom, u kunt het niet uitstellen. O, wil dan toch de tijd niet vermorsen met iets van uzelf op te zoeken of aan te dragen. In dat ene woordje ‘het’ van Het is volbracht! is alles wat nodig is om met God verzoend te worden.

Alles wat nodig is om getroost te leven en getroost te sterven ligt buiten ons, gemeente. Het kan door ons niet verdiend worden en dat hoeft ook niet. Hier is de eeuwige volheid uitgestald die genoeg is voor uw zonden; voor uw ongerechtigheid. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18). Dan zal Jezus uw zonden wassen, ja, witter dan sneeuw.

 

Daarom, dit is ook een hoogst ernstig woord. De hoofdman over honderd ontkent het werk van Jezus niet, want hij verheerlijkte God en zei: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig (Luk.23:47). En velen gaan van Golgotha weg, slaande op de borst. Er zijn er ook velen die blij zijn dat de boodschap van deze Jezus, die verachte Nazarener, nu niet meer gehoord wordt.

Bent u er blij mee, gemeente? Voedt u zich met iets van uzelf? Meent u voor God te kunnen bestaan zonder de bedekkende gerechtigheid van de Heere Jezus Christus? U komt er eeuwig mee om. Maar zien op deze lijdende en betalende Borg is genoeg!

O, uit Zijn volheid mogen we putten: genade voor genade. Weet toch: de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheden. In het uur van ons sterven zullen we met niets anders dan met het volbrachte offer van Christus voor God kunnen bestaan. Daarom, gemeente, zoek Hem nu, terwijl het nog het heden van de genade is.

 

Gods Woord leert ons dat het beter is in het klaaghuis te gaan dan in het huis der maaltijden. We worden in deze dienst nog in het klaaghuis op Golgotha ingeleid om daar de stervende Borg te aanschouwen; door het geloof op Hem te zien, Die de overtredingen van Zijn kinderen op Zich genomen heeft.

 

Zie, daar komen Jozef van Arimathéa en Nicodémus. Nicodémus heeft honderd pond specerijen bij zich en Jozef vraagt om het lichaam van Jezus. De liefde is bij hen lang verborgen geweest. Wat denkt u, gemeente, als deze twee het lichaam van Jezus van het kruis hebben afgenomen en met hun specerijen tussen de doeken Hem ingezwachteld hebben, gereed gemaakt hebben voor de begrafenis, zou het niet – zonder woorden – in hun hart geweest zijn: ‘Mijn lieve Jezus, gestorven voor mij’?

U bent misschien ook een nachtdiscipel met zo’n stil verlangen, zo’n stille, onuitgesproken liefde tot deze Zaligmaker. O, gemeente, dat is troost, dat is de enige troost in leven en sterven. Geve de Heere u en mij dat ook op deze dag. Dan zal het met recht Goede Vrijdag zijn, waarin we de rust mogen verwachten, zoals we dat ook lezen bij de begrafenis van Jezus: en de sabbat kwam aan. Zij rusten naar het gebod, rusten in het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus.

 

Gemeente, daar wordt de rust gevonden, de zaligheid genoten, want Zijn werk komt klaar!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 69:14

 

Gij hemel, aard’ en zee, vermeldt Gods lof;

Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda’s steên herbouwen uit het stof.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad;

God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,

Zij die Zijn Naam beminnen, erf’lijk wonen.