Ds. W. Harinck - Mattheüs 27 : 22a

De vraag van Pilatus

Het probleem
De mogelijkheden
De keus

MattheĆ¼s 27 : 22a

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 88: 1, 2
Lezen : Mattheüs 27: 11-26
Zingen : Psalm 31: 10, 11, 12, 13
Zingen : Psalm 25: 2
Zingen : Psalm 32: 5, 6

Gemeente, het woord van de prediking is uit Mattheüs 27 vers 22a:

 

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

 

We letten op: De vraag van Pilatus.

 

We zien:

1. Het probleem

2. De mogelijkheden

3. De keus

 

Pilatus vraagt hier: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? De Heere Jezus staat daar tegenover Pilatus en Pilatus kijkt Jezus aan en zegt: ‘Wat moet ik nu toch met Jezus?’ Pilatus heeft een probleem, en hij heeft de mogelijkheid om Jezus vrij te spreken of om Jezus te veroordelen. Hij moet een keus maken. Daar gaat het in deze dienst over. De vraag van Pilatus; het probleem, de mogelijkheden en de keus.

 

1. Het probleem

 

Pontius Pilatus is een naam waarmee we vanaf onze kinderjaren vertrouwd zijn. Dat is de naam van de Romeinse stadhouder. Zijn naam klinkt ook in de Twaalf Artikelen van het geloof. Hij is de rechter die over Jezus oordelen moet. Hij heeft grote macht. Hij vertegenwoordigt de Romeinse keizer.

Opnieuw staat Jezus daar tegenover Pilatus. Dat is niet toevallig. Gód brengt Jezus op de weg van Pilatus. En Pilatus heeft het moeten ondervinden, dat hij niet om Jezus heen kon. Hij kon de Heere Jezus niet negeren. Hij kon niet net doen alsof de Heere Jezus er niet was. Het was onontkoombaar voor de stadhouder: hij moest een keuze maken. Hij had geprobeerd om de Heere Jezus van zich af te schuiven, naar Herodes toe. Maar opnieuw staat Jezus nu voor hem.

Pilatus kan er niet onderuit. Hij, de vertegenwoordiger van het Romeinse recht, móet rechtspreken. Hij moet een uitspraak gaan doen, maar hij heeft het heel moeilijk met de situatie.

Hij is in vertwijfeling geraakt en hij zit bijna tegen de radeloosheid aan. Hij roept uit: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

 

We moeten goed begrijpen dat de zaak hoog opgelopen is. ‘Wat moet ik dan met Hem aan, wat moet ik met Hem doen?’ Toen Pilatus Jezus voor het eerst zag, is het de stadhouder opgevallen hoe volgzaam en hoe geduldig en ook ongevaarlijk deze Gevangene was.

Pilatus dacht nu gemakkelijk van de zaak van Jezus af te kunnen komen, maar wat heeft hij zich vergist. Hij ondervond dat je de Heere Jezus niet zo gemakkelijk opzij kunt schuiven. Het werd een probleem voor Pilatus. Een steen waartegen hij zich telkens stootte. Een hindernis waar hij niet overheen kon komen.

 

Nu komt Jezus weer bij hem terug. En wat hij ook bedenkt en aandraagt, Jezus blijft daar maar voor zijn rechterstoel staan. Pilatus had nog geprobeerd om het aan het Sanhedrin over te laten. Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet (Joh.18:31). Maar de Joden hadden geantwoord: ‘Nee, Pilatus, dat kan niet, want het is niet geoorloofd dat wij iemand zouden doden. Wij mogen de doodstraf niet opleggen.’

Zo wierpen ze de zaak weer terug in de handen van de stadhouder. Pilatus probeerde nog een beroep te doen op de gevoelens en op de emotie van de mensen: ‘Hij heeft toch geen kwaad gedaan? Hij heeft toch alleen maar goed gedaan?’

 

Toen Pilatus opving dat Jezus een Galileeër was, dacht hij: ‘Nu ben ik van hem af, want Galilea hoort bij Herodes. Dan moet Hij naar Herodes en dan moet Herodes deze zaak van Jezus maar oplossen.’ Zo was de Heere Jezus van Pilatus naar Herodes gestuurd, maar Herodes was er snel klaar mee en hij heeft Jezus weer teruggestuurd naar Pilatus.

Toen is Pilatus wat gaan zoeken en toen bedacht hij: als ik Hem laat geselen en Hem laat behandelen tot bloedens toe, dan zullen ze er wel genoegen mee nemen. Maar ook dat ketste af op de haat en de bloeddorst van het Sanhedrin.

 

Dan komt Pilatus met zijn laatste troef. Want het was een gewoonte dat er met Pasen een gevangene zou worden losgelaten. Dat er, met een moeilijk woord, amnestie verleend zou worden aan één gevangene.

Daar moet Pilatus nu aan denken. Er wordt een tweetal gesteld: Bar-abbas en Jezus. Bar-abbas was een moordenaar, een revolutionair, een woesteling. Hij was een Jood, maar hij werd door de Israëlieten gevreesd. Bar-abbas of Jezus? Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten?, zo vraagt de stadhouder in vers 21. En zij zeiden: Bar-abbas. En als Pilatus het dan nog een keer vraagt, dan roepen al die mensen, de hele menigte daar op het plein van Gabbatha: ‘Bar-abbas!’ En de overpriesters en de oudsten schuiven tussen de mensen en ze sissen als slangen: ‘Bar-abbas, Bar-abbas!’ Zo hebben ze geroepen: ‘Weg met die Jezus. Kruis Hem! Laat ons Bar-abbas los!’

 

Pilatus had zich in allerlei bochten gewrongen en zo geprobeerd om buiten de zaak van Jezus te blijven. Zijn rechtsgevoel, zijn geweten, (wat het geweest is, weten we niet) dat sprak. Hij was er van overtuigd dat Jezus onschuldig was en hij moest tegelijkertijd het volk van de Joden te vriend houden. Pilatus komt er niet uit. Hij loopt er in vast. Jezus wordt voor hem een probleem.

Toen kwam zijn vrouw hem ook nog eens waarschuwen: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil (Matth.27:19). Maar Pilatus rukt zich ook los van die waarschuwende stem. Hij hoort het geschreeuw van die honderden, die duizenden. Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

Christus werd een probleem voor Pilatus. Onontkoombaar, onvermijdelijk. Hij moet wat doen en hij weet niet wát hij moet doen. Wat moet ík dan doen?

 

Ook voor u, ook voor jou, ook voor mij is Christus onontkoombaar. De Heere Jezus werd op de weg van Pilatus geplaatst en Pilatus kon niet om Hem heen. In het Woord, in de prediking, in de sacramenten is de Heere Jezus ook op ónze weg geplaatst en komen we met Hem in aanraking. We horen Wie Hij is. Dat Hij de Christus is, de Zoon van God, de Zaligmaker. We horen dat Hij grote aanspraken laat gelden.

Want deze Jezus, Die genoemd wordt Christus, zegt: En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (Joh.11:26). Maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16).

 

Met deze Jezus, Die genoemd wordt Christus, komen ook wij in aanraking. Zijn persoon en Zijn leer stelt je voor de vraag: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

Het kwam voor Pilatus dichtbij, maar zo dichtbij komt het ook voor u en voor jou. Pilatus voelde dat hij met Jezus, Die de Christus is, iets moest dóen. ‘Wat moet ik doen?’ zo zegt hij. Pilatus, de moderne denker uit zijn tijd, de ontwikkelde Romein, hij kon er niet omheen.

En dat kan niemand, gemeente. Niemand kan om Jezus heen, al zou je nooit een kerk bezocht hebben. Al zou je nooit een woord uit de Bijbel gelezen hebben. Al zou je om het hardst met God en godsdienst spotten. Al zou je je uitleven in de wereld. Zo’n mens was Pilatus trouwens, maar hij kon niet om Jezus heen.

 

Te midden van alle onwetendheid en onbekendheid, te midden van alle verzet tegen Christus en het Evangelie, zit er toch een zaad van religie, zegt Calvijn, in het hart van ieder mens. En al wordt die waarheid ten onder gehouden, al leeft die mens in verzet tegen God, tegen Christus en het Evangelie, dan zit er toch diep van binnen iets. Daar zit het zaad van de religie. Die indruk van: Ja, er moet toch iets zijn van dat hogere en dat eeuwige.

Ik las eens van een Romeinse keizer, een afschuwelijk tiran, een spotter. Hij was een godloochenaar. Maar wanneer er een onweer over Rome ging, zat hij te sidderen en te beven op zijn troon, stond het zweet in zijn handen, droop het zweet van zijn hoofd, uit angst voor de majesteit van God.

 

Paulus zegt: Opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn (Rom.1:20). En dat geldt vooral ons, gemeente. Want wij, jongeren en ouderen, zijn met het Evangelie in aanraking gekomen. De Heere heeft gegeven dat je opgevoed wordt bij Zijn Woord. Wat is het een voorecht als je een moeder hebt die je geleerd heeft wat het betekent om je handen samen te doen en je knieën te buigen. Als je moeder je de eerste woordjes van je gebedje heeft geleerd. Als je een vader hebt die met je praat over een nieuw hart en over het feit dat je bekeerd moet worden tot de Heere. Wat is het groot als je een plekje gekregen hebt in de kerk; als je hier het Woord van de Heere horen mag. Hoe duidelijk spreekt de Heere dan tot ons in Zijn Woord. Dan is de Heere Jezus op onze weg gekomen, veel meer nog dan bij Pilatus. Dan zijn we met Hem in aanraking gekomen.

 

Dat was ook heel lang geleden zo bij het volk Israël in de woestijn. Ze waren door de slangen gebeten. Toen stond Mozes tussen die stervende, omkomende Israëlieten die door de slangen gebeten waren. Hij maakte op Gods bevel een koperen slang. Toen heeft hij die koperen slang hoog opgericht. Dat redmiddel stond midden onder hen.

En zo, gemeente, staat de Heere Jezus ook midden onder ons in de prediking van het Evangelie. Of zoals Johannes de Doper Hem aanwees, toen hij predikte bij de Jordaan bij Bethábara, toen hij zei: Zie, het Lam Gods (Joh.1:29). Toen wees hij de Heere Jezus aan. ‘Daar is Hij, daar komt Hij, het Lam van God, Dat de zonden van de wereld wegneemt.’

Zo wordt de Heere Jezus ook hier en nu aangewezen. Hij staat midden onder ons. Hij komt tot ons in het Woord en Hij komt steeds weer. Hij roept, Hij nodigt, Hij waarschuwt en vermaant.

En je kunt Hem niet opzij zetten; je kunt Hem niet ontvluchten, al zou je naar het andere eind van de wereld gaan. Het moet tot een beslissing komen. Want weet u wat er van deze Christus in het Evangelie staat? Hij is een val of een opstanding voor u en voor jou. Hij is voor u en voor jou, leven of dood. Het zal zijn tot voordeel of ten oordeel. Aanneming of verwerping. Hoe je hier ook zit en luistert, maar Hij staat voor ons en het is het ene of het andere.

 

Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. De mogelijkheden

 

Pilatus, de Romeinse stadhouder ondervond dat Hij Christus niet kon ontkomen. Hoe hij het ook probeerde, met medelijden of met list of toorn. Het duurde lang voordat Pilatus besefte dat er iets gedaan moest worden met Jezus. Óf hij moest Hem oordelen óf Hem vrijspreken.

Pilatus heeft lang geprobeerd te zoeken naar een derde weg. Hij heeft gezocht naar een mogelijkheid om er onderuit te komen. Maar neutraliteit bestaat niet tegenover God, tegenover Christus en het Evangelie. Het is het één of het ander. Werkelijk zwart-wit.

 

Pilatus zei: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet (Joh.18:31). Hij meent zo onder de beslissing en de verantwoordelijkheid uit te kunnen komen. Maar ze legden het weer bij hem terug. Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk die zichzelven koning maakt, wederspreekt de keizer (Joh.19:12).

De stadhouder staat voor de keus. Er blijft geen derde weg meer over. Het is óf het vrijspreken van Jezus óf het veroordelen van Jezus. Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?

 

Voor of tegen. Andere mogelijkheden kent het Evangelie niet. En dat gold niet alleen Pilatus, maar dat geldt ieder mens die met Christus in aanraking komt. Toen je met Hem in aanraking bent gekomen door je opvoeding, door de prediking, door het onderwijs, door de catechisatie, door een gesprekje, door een evangelisatiefoldertje op de deurmat of door een tekst op een grafsteen op de begraafplaats.

Een derde weg is er niet. Het is: voor Hem buigen of Hem verwerpen. Toch kunnen we nog zo vaak denken dat er een derde weg is. Dat het niet zo radicaal en zwart-wit hoeft te zijn. We denken vaak dat het wel een beetje samen kan gaan. God wat en de wereld wat. Mijn eigenwillige godsdienst wat en Christus en het Evangelie ook nog wat. Maar dat is onmogelijk. Het is voor of tegen.

 

Misschien zegt u: ‘Waarom dan?’ Het antwoord is: omdat Christus Zichzelf presenteert als de Waarheid. Hij spreekt de waarheid over God. Hij spreekt de waarheid over de mens. Hij spreekt de waarheid over onze schuld. Hij spreekt de waarheid over de weg van de zaligheid. En tegenover de waarheid kun je niet onpartijdig zijn.

Het is óf de waarheid aanvaarden óf die als een leugen verwerpen. Zo moeten we op Christus zien. Hij zegt het Zelf: Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou (Joh.18:37). En Pilatus heeft dat beter begrepen dan wij denken, want Pilatus is aan die waarheid gaan tornen. Je hoort hem vragen: Wat is waarheid? (Joh.18:38).

 

Moet je eens kijken wat er gaat gebeuren als een mens gaat twijfelen aan de waarheid. Het is als een glijbaan: je begint bovenaan en eerst gaat het zachtjes en dan steeds harder en harder naar beneden. Jullie weten wel hoe dat gaat, jongens en meisjes.

En zo ging het ook met Pilatus. Pilatus, die twijfelaar op Gabbatha, die machteloze stadhouder, weet niet wat hij met Jezus moet doen. Hij luistert naar het volk. Zij zeiden: ‘Wij weten wel wat we met Hem moeten doen.’ Laat ons Bar-abbas los (Luk.23:18). Kruis Hem (Luk.23:21).

 

Niemand kan onpartijdig blijven tegenover Jezus, Die genoemd wordt de Christus, want Christus komt tot ons met een eis. Hij laat Zijn rechten gelden. Hij stelt mensen voor de keus. Nooit is Zijn boodschap vrijblijvend. Daar moet u maar eens op letten als u in de Bijbel leest. We lezen de Bijbel soms zo oppervlakkig, dat we niet eens weten dat we de waarheid in handen hebben en dat die waarheid voortdurend vraagt: ‘Wat zult u doen met Jezus, Die genoemd wordt de Christus?’

 

Dan hoor ik de Heere Jezus tegen de rijke jongeling zeggen: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij (Matth.19:21).

Dan hoor ik Jezus zeggen tegen velen die Hem volgden: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij (Luk.9:23).

 

Steeds weer is het spreken van Jezus een waarheid die om een beslissing vraagt. Denk aan Zijn woorden in de Bergrede: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan (Matth.5:20).

De Heere Jezus zegt ook: Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig (Matth.10:37).

Tot Nicodemus zegt de Heere Jezus: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).

 

Het Evangelie geeft geen derde weg. Het plaatst ons voor een keuze, voor een beslissing. Velen zeggen, als ze beseffen dat het Evangelie om een beslissing vraagt: ‘Nu niet, morgen, op een geschikter moment.’ En weet u wat de Heere dan zegt?

 

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Er blijft niet anders over dan gehoorzamen of weigeren, buigen of je verzetten, de wereld dienen of God dienen, je eigen koningschap hoog houden of buigen voor het koningschap van Christus.

Het is zaligheid zoeken in jezelf en ver blijven van die Zaligmaker Die God geschonken heeft, of de zaligheid zoeken in Christus en wat Hij heeft volbracht. Het is het ene of het andere. Schatten vergaderen in deze wereld of alles schade en drek achten om de uitnemendheid van Christus te mogen gewinnen, zo lezen we in onze Bijbel.

Daarin is Gód toch aan het woord? Het is geen vage boodschap. Zelfs Pilatus voelde: er moet iets worden gedaan met deze Jezus, Die genaamd wordt de Christus.

 

We gaan daar in de derde gedachte nog verder op letten, maar we zingen eerst uit Psalm 25 vers 2:

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt,
Leid mij in Uw waarheid, leer
IJv’rig mij Uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer’,
'k Blijf U al den dag verwachten.

 

3. De keus

 

U zegt: ‘Wat ben ik blij dat ik niet in de schoenen van Pilatus sta. Wat had die man een verantwoordelijkheid!’

Maar laten we ons niet vergissen, gemeente. Wij staan op diezelfde plaats als Pontius Pilatus. Wij staan ook voor die keus: voor of tegen. Wij allemaal, ouderen of jongeren, wij weten dat er in ieders leven momenten zijn dat we voelen: het is het één of het ander, voor of tegen, val of opstanding, hemel of hel.

God bestuurde het zo dat Pilatus gedwongen werd een keus te maken. De ene weg of de andere weg. Wat een ontzettende keus is dat geweest. Dat is een keuze voor de eeuwigheid geweest. Eeuwig wel of eeuwig wee.

Zou Pilatus doen wat Mozes deed en alles prijsgeven en zeggen: ‘Dan is de versmaadheid mij meer rijkdom dan alles wat Rome mij bieden kan’? Of zou hij kiezen voor de keizer, voor zijn eigen eer, voor zijn troon, voor zijn geld, en zal hij Christus verwerpen?

Hij gaat nog een schaaltje water halen en zijn handen wassen in onschuld. Allemaal demonstratief, camouflage. Hij heeft gekozen. Wat een verantwoordelijkheid!

 

Gemeente, nu is de verantwoordelijkheid van u en van mij niet minder dan die van Pilatus.

Ik geloof dat er in het leven van ieder mens heel vaak eeuwigheidsmomenten zijn. Gelooft u dat ook? Geloof jij dat ook? Eeuwigheidsmomenten, kruispunten op de weg van je leven. Welke weg ga je dan? Welke keus maak je dan?

Je vrienden trekken en zeggen: ‘Kom op, ga mee, vanavond gaan we feesten!’ Een stemmetje van binnen zegt dan: ‘Maar God dan en de waarheid dan?’ En: ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen…’

Of in de kerk onder de preek komt het dichtbij en dan zeg je: ‘Ja, híer gaat het om, als ik dít niet ken, als ik dáár geen deel aan heb, als ik dat leven met God mis…!’ Je voelt dat je onbekeerd bent en dat je dat eeuwige leven mist en dan denk je: Het moet anders worden. Mijn leven moet een zoeken naar God worden.

Dan komt dat andere stemmetje weer en dat zegt: ‘Je hebt nog tijd genoeg, het kan later wel. Geniet toch een poosje van je leven. Je wilt toch nog dít en je wilt toch nog dát?

 

Eeuwigheidsmomenten. Iedere zondag, iedere kerkdienst, iedere avondmaalsbediening, iedere doopdienst, telkens als het Woord opengaat: Wet en Evangelie, de vloek en de zegen.

Een eeuwigheidsmoment, waarin de Heere Jezus voor ons staat en we met die vraag te maken krijgen. Wat gaat u dan doen? Wat zul jij dan doen met Jezus, Die genaamd wordt de Christus? Wat zullen we doen met Zijn dierbaar bloed? Wat zullen we doen met Zijn liefde, die ons gepredikt en aangeboden wordt? Wat zullen we doen met die roepende stem: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20)? Wat zullen we doen met het bevel: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark.1:15)?

 

Wat deed Pilatus? Hij koos voor zichzelf, voor zijn eigen positie, voor zijn vriendschap met de keizer. En de farizeeën en de oudsten? Die kozen ook voor hun dwaling en eigengerechtigheid.

Kiezende mensen, de Bijbel is er vol van. God laat het je zien. De keus van Ezau, van Saul, van de rijke jongeling, van Agrippa en van Simon de tovenaar.

En uw keus en jouw keus? Onze keus is al bepaald. Het verloren paradijs beheerst het mensenhart. Net als Adam kiezen we voor onszelf en we willen als God zijn. Ík maak wel uit wat waarheid is, wat leugen is. Ík maak wel uit wat goed is en wat kwaad is. Ík maak wel uit hoe ik leven wil, waar ik wel aan mee doe en waar ik niet aan mee doe.

 

O, er is wel verschil. Pilatus verwerpt Christus op een andere manier dan de Joden doen. De overpriesters en de oudsten van het volk verwerpen Christus weer op een andere manier dan het volk. Er is wel verschil. De één doet dat op een ruwe, afstuitende manier en zegt: ‘Wat heb ik met U te doen, Gij Jezus de Nazarener?’ Een ander komt met verontschuldigingen en zegt: ‘Sta mij toe nog eerst even naar mijn akker te kijken; ik moet nog wat aandacht aan mijn vrouw en mijn gezin besteden; ik heb net een nieuw juk ossen gekocht dat ik nog moet uitproberen. Houd mij toch alstublieft voor verontschuldigd.’ Wat de één afstotend hard doet, doet de ander vriendelijker en zachter.

Maar als het er nu op aankomt en ik moet kiezen: Christus of ik, Hij of mijn afgod, Hij of mijn eigen gerechtigheid, Hij of de wereld, dan geeft een mens Christus prijs.

 

Waarom verwerpen mensen Christus toch? Waarom doen mensen dat toch?

Hij brengt de boodschap van God. In een wereld vol ellende brengt Hij de boodschap van het Leven. Hij predikt de troost en de verlossing, Hij verkondigt naastenliefde en barmhartigheid. Hij laat zien wat het is om de Vriend van tollenaren en zondaren te zijn. En toch zeggen ze: Neem weg, neem weg, kruis Hem (Joh.19:15).

Er was geen enkele beschuldiging tegen Hem in te brengen, behalve dat Hij gezegd had de Zoon van God te zijn. En niet alleen de wereld, niet alleen Pilatus verwerpt Hem, maar ook de godsdienst: de overpriesters, de ouderlingen, het gehele volk.

Waarom kiest een mens tegen Christus en tegen het Evangelie? Mensen blijken daar allerlei redenen voor te hebben. De één zegt: ‘Ik ben teleurgesteld in die kerk.’ De ander zegt: ‘Ik ben omgevallen met die kerkmensen, vooral met de ambtsdragers in de kerk.’ Weer een ander zegt: ‘De Bijbel is te moeilijk. Het is allemaal veel te ingewikkeld en het klopt niet meer met de moderne wetenschap.’

Zo hebben mensen allerlei antwoorden, maar de werkelijke reden is het ongeloof. Het ongeloof wil Christus niet aanvaarden, wil Hem niet hebben als onze God en Koning.

Het ongeloof wil de levensstijl niet veranderen, wil het eigen leventje blijven leven en keert zich daarom af van Christus en van het Evangelie. Want Hij eist van ons dat we ons leven heiligen, dat we onszelf verloochenen, dat we ons kruis op ons nemen, dat we Hém navolgen, dat we ons bekeren. Want Hij staat ons niet toe om in de zonde te blijven leven.

Wij zien de noodzaak van bekering en geloof niet. Het is het ongeloof dat Christus verwerpt. Het ongeloof wil niet bukken en wil niet op de zondaarsbank gaan zitten en zeggen: ‘Heere Jezus, wees mij genadig. Ontferm U over mij.’

 

Gemeente, beginnen we te zien dat wij allemaal aan de kant van Pilatus, de Joden, de farizeeën en de schriftgeleerden staan? Beginnen we te zien dat wij ook bij die mensen horen die in ongeloof de Heere Jezus aan het kruis spijkeren?

 

O, wat een wonder als het in een mensenleven anders wordt. Daar geven we God en de genade van God al de eer van. Wat een wonder als mensen de gekruisigde, de verworpen en versmade Jezus te voet gaan vallen zoals Saulus van Tarsen. Wat een wonder als mensen het Saulus gaan nazeggen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6).

Wat een wonder als mensen in de nood en verlorenheid van hun leven gaan zeggen: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

Wat een wonder als je je blindheid en je dwaasheid gaat zien, en als je je schuld daarvan, vooral de schuld van je ongeloof, voor God gaat belijden. Dat je gaat zeggen: ‘Daar sta ik nu ook schuldig aan, aan wat Pilatus deed en aan wat ze geroepen hebben: Neem weg, neem weg, kruis Hem.

Wat een wonder dat je dan jezelf gaat veroordelen omdat je die grote waarheid in ongeloof hebt verworpen. Jezelf veroordelen omdat je Zijn dierbaar bloed onrein hebt geacht en dat je tegen God en tegen Christus hebt gestreden.

 

O, hoe zalig om het tegen Hem te gaan verliezen! Wat krijgt Jezus dan een waarde in ons leven, zoals Hij daar staat tegenover Pontius Pilatus. Hij staat daar met doornen gekroond, met een gestriemde en bebloede rug, bespot en verworpen.

Dan staat Hij daar, de onschuldige, de eniggeboren Zoon van God. En dan gaan we zien waarom Hij daar staat: om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld.

Als de vraag dan terugkomt: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?, weet je wat je hart dan gaat zeggen? Dan gaat je hart zeggen: ‘Ik zal Hem aanbidden, ik zal aan Zijn voeten vallen, ik zal Hem liefhebben, ik zal Hem omhelzen, ik zal in Hem roemen, ik zal al mijn zaligheid in Hem zoeken. Ik begeer Hem de hoogste plaats in mijn hart en in mijn leven te geven.’

Dan ga je het zeggen:

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

 

Dan gaan we het anders zien. Dan gaat het zo anders worden.

 

Wat zult u en wat zul jij dan met Jezus doen, Die genoemd wordt de Christus?

O, Pilatus had eigenlijk maar in de verte een vermoeden van die waarheid en van die allesbeslissende keus.

Wij weten er zoveel meer van. Het komt voor ons zoveel dichterbij.

Gemeente, wat doen wij dan met Jezus, Die de Christus is? Die de Eniggeborene van de Vader is, vol van genade en waarheid?

Jezus is u gepredikt, Die aan de deur van uw en van jouw hart staat te kloppen en Die op zoveel momenten voor ons staat en zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart!’ Kom, kies dan heden wie je dienen zult.

 

Nog iets.

Het is niet alleen de vraag: ‘Wat zal ik nu met Jezus doen?’

Denk ook aan straks: ‘Wat zal Jezus straks, als Hij terugkomt, met míj doen?’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 5 en 6

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,
Of als een muil, door domheid voortgedreven;
Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,
Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;
Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.