Ds. A. Snoep - 2 Korinthe 5 : 21

De plaatsbekleding van Christus

Zijn bekwaamheid daartoe
Zijn schuldoverneming daarbij
Zijn rechtvaardigheid daaruit

2 Korinthe 5 : 21

2 Korinthe 5
21
Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 5
Lezen : 2 Korinthe 5: 11-21
Zingen : Psalm 22: 6, 7
Zingen : Psalm 32: 1
Zingen : Psalm 52: 7

Geliefden, in het kerkelijk jaar mogen we thans weer de lijdensweken aanvangen, om het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus te overdenken, en erbij stil gezet te worden, door de prediking van het Woord Gods, wat het Hem gekost heeft om de zonde van Zijn volk te verzoenen, om Sions betalende Borg en Middelaar te zijn, en op grond van recht die genade te verwerven die niemand van ons missen kan.

De Heere geve dat de Kerk des Heeren met vrucht deze weken zou mogen gedenken, en de prediking van het Woord gezegend zou worden. Er wordt niet gevraagd enig medelijden of gevoel met de lijdende Middelaar, er wordt alleen geëist het ware geloof in Hem, Die alles heeft volbracht.

Maar, gemeente, wat is het noodzakelijk dat daar plaats voor gemaakt wordt, dat het werk van de Heilige Geest in onze harten is, opdat we Hem zouden zoeken te kennen Die alleen het Leven is. Wat is dan schuldontdekking nodig. Wat is dan nodig dat de eis van Gods recht gevoeld en ingeleefd zal worden.

Want juist voor zulk een volk zal het dan zo gaan meevallen. Dan zal de Heere niet aan Zijn plaats blijven, maar Hij zal de vruchten van het werk van Christus toedienen. Hij zal in Hem aanschouwen, zodat de Heere geen zonde ziet in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël. Want Christus’ gerechtigheid is algenoegzaam, daarin is een volheid. Zo kunnen zondaren nog zalig worden.

Mocht dat de zegen zijn ook van de overdenking van Christus’ lijden en dood.

 

Laat ons nu bij de aanvang van die lijdensweken overdenken wat de apostel heeft gezegd in onze tekst, die u vindt in de tweede brief van de apostel Paulus aan Korinthe, het vijfde hoofdstuk, daarvan het 21e vers; waar we aldus het Woord Gods lezen:

 

Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

 

Dit tekstwoord bepaalt ons bij: De plaatsbekleding van Christus.

 

We willen een drietal gedachten met de hulp des Heeren overdenken:

1. Zijn bekwaamheid daartoe

2. Zijn schuldoverneming daarbij

3. Zijn rechtvaardigheid daaruit

 

Met de hulp des Heeren van elk van deze zaken een enkel woord.

 

1. Zijn bekwaamheid daartoe

 

Gemeente, de tweede brief van de apostel Paulus aan de Korinthiërs is geschreven met dezelfde doelstelling die hij in de eerste brief heeft betuigd, namelijk dat hij niet voorgenomen had iets anders te weten onder hen dan Christus Jezus, en Die gekruisigd (1 Kor.2:2). Zo was het ook weer de bedoeling van de apostel om van zichzelf af te wijzen.

Vele vermaningen, vele onderwijzingen heeft hij die gemeente gegeven. We gaan dit nu alles voorbij, wanneer de apostel de aandacht vestigt op de prediking der verzoening. Paulus zegt dat hij niet zichzelf gepredikt heeft, maar Jezus Christus. Jezus Christus, de Heere, dat was de inhoud van zijn verkondiging. Dat heeft hij vervuld in het ambt der verzoening. Zo moet het in het ambt dat de Heere op mensenschouders legt, altijd vervuld worden. Niet zichzelf te prediken, alleen in dat opzicht dat ze dienaars des Heeren zijn, maar dat ze zelf niets kunnen, noch vermogen, geen verzoening tot stand kunnen brengen en niets kunnen geven. Ze hebben alleen maar het Woord te verkondigen, in het ambt der verzoening, dat de Heere op de schouders van zwakke mensenkinderen legt.

Want de apostel zegt ook dat die schat maar in aarden vaten is (2 Kor.4:7). Die schat van het Evangelie bevindt zich in breekbare en broze vaten. Daarom is er nooit enige roem in het schepsel, ook geen enkele roem in de prediker, de verkondiger van de verzoening. Maar alleen in Hem, Die daartoe geroepen heeft en daartoe Zijn knechten komt te zenden, opdat ze de verzoening in Christus zouden verkondigen.

 

De last was de apostel opgelegd, zodanig gevoelend en inlevend zijn onbekwaamheid, dat hij die drang niet kon weerstaan en ervan uitgeroepen heeft: Wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig (1 Kor.9:16). Want, zo zegt hij in ons tekstverband, de liefde van Christus dringt ons. Zo was hem de nood der zielen opgelegd, en die liefde drong om als een gezant van Christuswege te bidden: Laat u met God verzoenen.

Nee, daar zegt hij niet: verzoen uzelf nu maar met God. Nee, alle mensenwerk heeft hij afgesneden, ook in dat opzicht. Als er staat: Laat u met God verzoenen, dan wil het niet zeggen dat de mens dat vanuit zichzelf zou kunnen. O, hij begeert het niet eens. Het is zo onmogelijk. Maar daarom is het juist zo’n wonder, want de verzoening gaat nu van de Heere uit. God wil mensen in Zijn verzoening hebben en Hij wil mensen zaligen. Ja, God is het Die mensen met Zichzelf komt te verzoenen.

Vandaar is het dan ook de bede van de apostel: Laat u met God verzoenen. Alsof hij zeggen wil: laat u toch die verzoening niet ontgaan, want God wil vrede met u maken. Want door Christus is het recht verzoend en is er een offer gebracht waaruit de verzoening voortvloeit en waaruit er vrede komt in zondaarsharten. Daarom wordt de zondaar juist genodigd tot die vrede, opdat ze de Heere zouden kennen als hun God, opdat ze Hem erkennen zouden als de enige en ware bedekking voor hun hemelhoge schuld.

Zo komt hij dat nader te verklaren in onze tekst, als hij zegt: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt.

Gemeente, eerst heeft de apostel geleerd dat God de wereld met Zichzelf was verzoenende, zoals we lezen in vers 19, hun zonden hun niet toerekenende. Dus de zonden worden niet toegerekend tot schuld, maar ze worden weggenomen. Er is een Ander Die de zonde toegerekend kreeg. Dat is Christus, Die tot zonde gemaakt is. Zo bepaalt hij ons juist nu, in dit tekstwoord, bij het Middel der verzoening. Het Middel der verzoening is Christus, Die de volmaakt Heilige, de Zondeloze is, de Zoon van God, Die geen zonde gekend heeft, zo staat er in de tekst.

 

Alle mensen hebben gezondigd, en alle mensen, schrijft de apostel aan de Romeinen (hoofdstuk 3 vers 23), derven de heerlijkheid Gods. Elk mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, en dat door de diepe val in het paradijs. Zo is er niemand die God zoekt, niet tot één toe. Daarom is het kwijt en verloren aan onze kant.

Hebben we het al ingeleefd? Hebben we de Heere al gezocht? Hebben we al geprobeerd zonder zonde te leven? Denk erom, gemeente, God stapt niet over de schuld der zonde heen. Zijn recht moet voldaan worden. Er moet betaald worden voor de schuld. De Schrift leert ons dat allen die onder de wet zijn, onder de vloek zijn (Gal.3:10). Denk eens in wat dat betekent, zulk een vervloekte te zijn, een verwerpelijk zondaar en zondares te zijn. U kunt bij God niet komen, vanwege uw vloek, vanwege uw schuld, vanwege uw ongehoorzaamheid.

 

Zie, dat wordt de inleving van dat volk, dat met alles wat ze ondervonden en genoten hebben van de Heere, voor God niet kunnen bestaan. Er moet immers betaald worden voor de schuld, en ze hebben geen kwadrantpenning om te betalen. De toorn Gods brandt op hun ziel, verschrikt hen bij dagen en bij nachten. Ja, wat een bangheid en vrees komt er in hun hart.

Maar wat een wonder, geliefden: Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Van eeuwigheid is daar het Lam Dat geslacht is, van voor de grondlegging der wereld. Christus was van eeuwigheid bereid voor voldoening en verzoening te zorgen. Die geen zonde gekend heeft en Die geen zonden gedaan heeft, maar Die daarom ook zo geschikt was Borg te zijn, Middelaar te zijn. Hij kan daarom zondaren zalig maken, omdat Hij, als de Zondeloze, de zonden toegerekend kreeg.

Zie, dan komt het alles bij God vandaan. Dan is het de Heere Die alles heeft aangebracht wat nodig is tot zaligheid, en dat om de vrije gunst uit die eeuwige vrederaad. Daar is Christus uit voortgekomen, Die bekwaamheid bezitten zal om die twee ongelijke partijen, de heilige God en de onreine zondaar, met elkaar te verzoenen. Hij zal voor verlossing zorgen. O gemeente, verlossing die alleen maar mogelijk is als het recht van God bevredigd wordt, als aan de eis van Gods recht voldaan wordt.

 

Wat is dat? Wat is nu de eis van Gods recht? Wel, dat is de volmaakte onderhouding van al Zijn geboden, dus volmaakte gehoorzaamheid, zoals Adam opbracht in de staat der rechtheid, in het paradijs, eer dat hij viel. Maar Adam is dus niet staande gebleven. Adam is gevallen in de zonde. Waar zal nu verlossing vandaan komen? Waar is er nu een die geen zonde gekend heeft, die geen erf- en die geen dadelijke schuld heeft?

Gemeente, wat is zonde? De kinderen weten het wel, Ledeboer zegt het in zijn vragenboekje: ongehoorzaamheid tegen God. Geen zonde gekend heeft, wil dus zeggen: altijd gehoorzaam geweest is. Die altijd aan het doel heeft beantwoord, wat Adam niet wilde, die vrij- en moedwillig van de Heere kwam af te vallen, en daarin het ganse menselijke geslacht. O gemeente, wij zijn allen doelmissers geworden. Het woord ‘zonde’, dat hier staat in de grondtaal, geeft eigenlijk aan: doel gemist hebben. Wij hebben ons doel gemist.

 

Maar Een heeft Zijn doel niet gemist, maar is altijd gehoorzaam geweest. Dat is Christus, de Zoon van God, de Middelaar Gods en der mensen, Die geen zonde gekend heeft. Want dat was wat de engel sprak tot Maria: Dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Luk.1:35). Hij is immers ontvangen van de Heilige Geest. Niet omdat Maria onschuldig was – o nee, ook Maria was geen heilige in zichzelf, ook zij had zonden gedaan – , maar omdat Hij ontvangen is van de Heilige Geest, daarom kon Hij ook zeggen in Zijn omwandeling op aarde: Wie van u overtuigt Mij van zonde? (Joh.8:46) Zijn ogen hadden geen ijdelheid aanschouwd. Zijn hart had geen ijdele dingen nagestreefd. Er is geen bedrog in Zijn mond geweest. Geen zonde heeft Hij gekend. Dat is Christus, de Zoon van God.

Maar, gemeente, zo alleen kon Hij een plaatsbekledende Borg en Zaligmaker zijn. Hij Die God was en ook God bleef, opdat de aangenomen mensheid ondersteund zou worden in dat zware lijden, in dat dragen van die toorn van God, en opdat Hij een eeuwige waardij aan Zijn verdienste zou hechten. Ach, daar is geen schepsel immers toe bekwaam, ieder mens zou onder die last moeten bezwijken.

 

De straf der zonde is tevens een eeuwige straf, gemeente. Gesteld dat er nu eens een waarachtig en rechtvaardig mens zou geweest zijn, hoelang zou die dan moeten straflijden om gerechtigheid aan te brengen? Wel, die zou eeuwig moeten lijden, en zo zou de schuld nooit voldaan worden. Zo zou nooit gezegd kunnen worden: het doel is bereikt, het is volbracht. Maar Christus heeft met één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr.10:14). Hij heeft dat doel bereikt. Dat betekent het ook in het Grieks, het is volbracht (Joh.19:30): het doel is bereikt. En dat voor zulken die het doel gemist hebben!

 

Zie hoe duidelijk de apostel het verklaart: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Hij, dat is God, en Die zonde voor ons gemaakt is, dat is Christus, de Zoon van God, Die Zich zo diep heeft vernederd en als een mens op de wereld gekomen is om te lijden en te sterven. Want de rechtvaardigheid Gods vorderde dat de natuur die gezondigd had, ook betalen moest voor de zonde.

Houdt u er rekening mee, gemeente, dat u betalen moet? Als u geen Borg en geen Middelaar kent voor uw ziel, moet u zelf betalen. Maar u kunt niet betalen. O, dat die eis van Gods recht dan eens drukken mocht, opdat u tot Hem zou worden uitgedreven Die zo volkomen betaald heeft. Want zie, daar is nu een Middelaar Die geen zonde gekend heeft!

Indien Hij Zelf zonde had gehad, had gekend, zou Hij voor anderen niet hebben kunnen betalen. Maar dat wordt nu juist dat wonder voor die ontdekte zielen. Die zien de bekwaamheid van die enige Borg zo uitschitteren. Daarom roepen ze uit: Zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel (dat wil zeggen: onschuldig), onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebr.7:26).

Met alles wat buiten Hem is, kunnen ze het niet meer doen, met al de genietingen van Gods goedheid en goedertierenheid. Ach geliefden, ze kunnen zoveel genoten hebben, maar nog zo weinig geleerd. En wat moet geleerd worden, dat er betaald moet worden voor de hemelhoge schuld. En dan zelf geen kwadrantpenning te hebben…

 

O gemeente, kennen we daar nu iets van? Want met een goede stand in het leven is de staat voor de eeuwigheid niet goed gemaakt, zo zegt een der oudvaders. Daarom zal Christus’ gerechtigheid en gehoorzaamheid de onze moeten worden.

En zie, dat wordt nu de vraag van zoekende en schuldverslagen zielen, die meer en meer van zichzelf afgebracht worden, waar alles meer en meer komt weg te zinken, die meer en meer hun onbekeerlijkheid gaan inleven en hun schuld voor God. Dan moeten ze zeggen: ‘O, zou het wel ooit nog goed kunnen komen, zou het wel ooit van God geweest zijn? Want ik ben zo’n onreine, zo’n onheilige, zo’n goddeloze; ik ben zo onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad; en dat oordeel Gods, o, dat zal zo vreselijk zijn!’ Daarom vreest dat volk te moeten sterven, en roepen ze uit: ‘Hoe kom ik ooit nog met God verzoend?’

Ziedaar, geliefden, dan is daar een schuldovernemende Borg gekomen, de Heere Jezus, Die geen zonde gekend heeft, maar door God, Zijn Vader, tot zonde is gemaakt in de plaats van al de Zijnen. Onze tweede gedachte, als we dan letten op:

 

2. Zijn schuldoverneming daarbij

 

Onze tekst zegt dat Hij geen zonde gekend heeft. Hij wilde ook niets van de zonde weten. Hij voelde ook helemaal niets voor de zonde. Het was Zijn spijze de wil Zijns Vaders te doen (Joh.4:34). O, welk een liefde wordt hier gepredikt, die van God uitgaat tot gans verloren, doemschuldige schepselen. Zie toch die oneindige liefde Gods in het geven van Zijn Zoon, Die Hij tot zonde gemaakt heeft, waar Hij al de schuld en al de vloek en al het oordeel over de zonde op Hem gelegd heeft.

Dat staat er: tot zonde gemaakt. Er staat niet, gemeente, dat Jezus een zondaar geworden is. Een zondaar, dat weet u nu, dat is een doelmisser. Hij is geen doelmisser geworden, maar Hij heeft de zonden op Zich genomen. De Vader deed alle ongerechtigheid op Hem aanlopen; het is Hem alles aangerekend geworden. En het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen, in de plaats van zulken die waardig zijn eeuwig verbrijzeld te worden, vanwege hun doelmissen, vanwege hun zondebedrijf, vanwege hun ongehoorzaamheid.

Hij heeft Zijn doel niet gemist. Het was in Zijn hart om Borg te zijn en de wil Zijns Vaders te doen, al moest Hij zo lijden en sterven aan het kruis van Golgotha, de helse angsten in Zijn ziel voelen branden, ja, de toorn Gods dragen. Dit plaatste Hem, gemeente, Die tot zonde gemaakt is, voor dat bittere en zware lijden, voor die dood aan het vloekhout der schande, opdat Hij Zijn Kerk met eeuwige zegeningen zou overladen en vervullen. Daarom heeft Hij die ondeelbare toorn Gods gedragen, en dat voor de zonde van het ganse menselijke geslacht.

O geliefden, wat zal het in eeuwigheid op onze ziel branden, dat we niet gewild hebben dat Hij Koning over ons zou zijn. Want er is mogelijkheid om die welverdiende straf te ontgaan en weder tot genade te komen. Hij droeg de toorn Gods over de zonden van dat ganse menselijke geslacht. Dat was een ondeelbare toorn.

Hoe bitter en hoe zwaar was dat lijden, zoals we zongen uit Psalm 22, voor Zijn gemoed, want Hij moest betalen wat Hij niet geroofd had. Ja, hoe zwaar was toch dat lijden, waar Hij de schuld van de Zijnen op Zich nam. Geen zonde gekend, het doel niet gemist, tot zonde gemaakt. Al die plagen en lasten zijn op Hem gelegd.

Geliefden, dat was om dan het doel te bereiken en uit te kunnen roepen: Het is volbracht (Joh.19:30). Daarom God en Mens in één Persoon. Wat wordt Hij dierbaar, wat wordt Hij onvergelijkelijk schoon voor het oog des geloofs! Die Zondenvernieler, die Kruisdrager, ja, Die alles heeft volbracht!

 

Het was reeds afgeschaduwd, gemeente, op de Grote Verzoendag, zoals we daarvan kunnen lezen in Leviticus 16. Daar moest de hogepriester Aäron twee bokken nemen. Eén moest geslacht worden en het bloed moest worden gesprengd op het verzoendeksel. De andere bok moest genomen worden, en de priester moest zijn hand op de kop van dat dier leggen, om zo symbolisch de zonde van het volk over te dragen. Dan werd die zondebok weggezonden in de woestijn.

Maar zie nu daar de handeling van de allerhoogste God en Majesteit, de Rechter van hemel en aarde, Die de zonde van Zijn volk overdraagt op Christus, Zijn geliefde Schoot- en Wonderzoon, Die Hij tot zonde komt te maken. Ja, zo heeft Jezus die zonden gedragen, die op Hem weggelegd werden op de Grote Verzoendag van Zijn kruislijden en dood, hetwelk op de Goede Vrijdag herdacht wordt. Hij is buiten de poort gejaagd om te lijden, en werd uitgestoten uit Gods gemeenschap, in de diepste verlatenheid, en leed daar de helse angsten, om te verlossen van de hel en van de dood.

 

O, hoe diep is Hij afgedaald, als er staat: heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Nee, dat is met het verstand niet te doorgronden, het is niet te peilen, gemeente, wat het Hem gekost heeft, eer dat Hij dus roepen kon: Het doel is bereikt, het is volbracht; en dat voor doelmissers. Anders zou er geen rechtvaardigheid Gods zijn. Dan zou het recht des Heeren niet bevredigd zijn. Dan zou de schuld niet voldaan zijn. Dan zou er geen verzoening zijn. Dan zou er geen vergiffenis mogelijk zijn. O gemeente, dat alles is nu door Christus verworven.

Maar Hij past het ook toe, want: heeft Hij zonde voor óns gemaakt. Dan mag Paulus zeggen: ook voor mij. Want mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied. Hij zegt het voor al Gods kinderen, voor de kleinen en de groten, voor ons.

 

O gemeente, daar zal het toch zo op aankomen, of we nu ook daarin begrepen zijn, in die schuldovernemende Borgliefde van Immánuël. Ach nee, het is geen vrucht van eigen akker om ons dat aan en toe te rekenen, of toe te eigenen. Er zijn er wel die dat doen, maar dat is een misrekening voor de eeuwigheid. De Heere brengt eerst Zijn volk tot de kennis der zonde, en die is door de wet. De wet vloekt en beschuldigt. Die zegt: U hebt al de geboden Gods overtreden; opdat ze naar die schuldovernemende liefde van Christus zouden uitzien, uitgedreven zouden worden, daar aan Zijn voeten zouden terechtkomen met al hun wetsovertredingen, met hun verbondsbrekingen, met hun sabbatsschenden, met al hun zonden, van bedrijf en van nalatigheid.

En al hebben ze dan iets van de heerlijkheid van die Borg gezien, o, al hebben ze in Zijn schoonheid zich mogen verheugen, het zal zo noodzakelijk gaan worden dat het toegepast wordt: zonde voor ons, voor mij gemaakt. Om het in de wetenschap der ziel te mogen hebben, ja, om Hem te kennen, Hem te bezitten, Die door lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid de wet bevredigd heeft en van de vloek ontwapend heeft, zodat ze een zoete vrede op grond van recht zullen proeven en smaken. O, om een verzoend zondaar met God te zijn, om dan een verzoend God en een verzoend Vader in Christus te mogen kennen.

 

Ach gemeente, dat is nu zo noodzakelijk, om welgetroost te leven en zalig te kunnen sterven. Het juichend christendom, ook in onze tijd, huppelt over al die zaken maar heen, die rekenen het zichzelf maar toe, maar er is een volk van God, dat nodig krijgt dat God het eens toerekent.

Maar als dat gebeurt, zullen ze huppelen van zielenvreugd, dan zijn ze vol van God enig en drie-enig en vol van die schuldovernemende liefde van Christus. O, dan zijn ze als een die vrede vindt, en dat door Hem Die gekomen is om de geschonden deugden des Vaders op te luisteren en met Zijn bloed volkomen verzoening te doen voor al hun zonden, te betalen wat betaald moest worden.

 

O, om dan Hem te mogen aanschouwen ook in Zijn Borglijden! Dan zinken ze er weleens onder weg, gemeente, waar Hij als Profeet geleden heeft en verklaard in dat profetisch lijden Wie God is en blijft, de Heilige en de Rechtvaardige. Maar Die daar ook volkomen betaald heeft en voldaan heeft in Zijn priesterlijke arbeid, voor hun hemelhoge schuld, en dat plaatsbekledend offer bracht. Ja, Die ook gezien wordt als een Koning, Die zo koninklijk leed, geen stap achterwaarts deed, maar volkomen gehoorzaam is geweest tot de dood des kruises, tot in alle dingen, wat God de Vader van Hem kwam te eisen, al moest Hij de doornenkroon, al moest Hij het spotkleed dragen. Het was opdat Zijn kinderen zouden zingen:

 

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.

 

Om bekleed te mogen worden met die klederen des heils. O, zaligheid nooit af te meten, die daarin ontdekt mag worden, geproefd en gesmaakt in die plaatsbekledende en schuldovernemende arbeid van Christus! Welk een liefde, waar de apostel ook van spreekt tot de Galatiërs: Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).

 

O geliefden, dat is hetgeen waar de Kerk naar uitziet. Kom, volk, ach, buk dan maar in schuld aan Zijn voeten. Vraag dan maar om hemelse ontdekkingen en nadere onderwijzingen in die ene Persoon, Die tot zonde gemaakt is. Dan zullen de vruchten van het geloof roemen tot Zijn eer. Ze zullen niet achterblijven, want Hij heeft de lijdensbeker gedronken, opdat u Sions kelk zou verheffen en daaruit zou drinken. Ja, opdat u die kelk des heils vanwege de herstelling in en door Hem zou opheffen, en met dankbaarheid Zijn genade zou roemen, ja, zou zingen, wat we thans willen doen uit Psalm 32 vers 1:

 

Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die, in ’t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.

 

3. Zijn rechtvaardigheid daaruit

 

De plaatsbekleding van Christus. Zijn bekwaamheid daartoe en Zijn schuldoverneming daarbij, maar nu ook ten derde nog iets van: De rechtvaardigheid die daaruit voortvloeit. Onze tekst verklaart het zo eenvoudig: opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Dat is het doel dus van tot zonde gemaakt te worden. Dat is het doel van de plaatsbekleding van Christus, om rechtvaardigheid Gods in Hem te worden.

Gemeente, wat wordt dan gesproken van een zalige omruiling. Christus werd wat wíj waren: enkel zonde. Tot zonde is Hij gemaakt, opdat wij zouden worden wat Híj is: zonder zonde. Zo nam Christus de zonde op Zich, opdat Hij Zijn rechtvaardigheid, Zijn gerechtigheid zou toerekenen, zodat Hij geen zonde ziet in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël.

Wat is die rechtvaardigheid Gods? Het woord ‘rechtvaardigheid’ of ‘gerechtigheid’ wil zeggen: weer in de goede verhouding met God hersteld te zijn. Dus opdat wij weer in de goede verhouding met God, in de Heere Jezus, hersteld zouden zijn.

 

Gemeente, zie daar wat toch nodig is. De rechtvaardigheid Gods wil zeggen: een rechtvaardigheid die naar de zin en mening van de Heilige Geest is en blijft, door het geloof. Die wordt dus door het geloof aangenomen, gelijk Zondag 23 van de Heidelberger Catechismus ons leert.

Tegenwoordig in de moderne theologie noemt men dat een ‘rationalistische redeneertrant’. Maar men wil heden geen verzoening meer door voldoening. De hele verzoeningsleer van het klassieke reformatorische belijden moet herzien worden, zo zeggen modernen vandaag. Maar, gemeente, dan loochent men immers de doodstaat van de mens, en het werk van de Heilige Geest acht men ook niet meer nodig. Maar laat ons daar toch bij blijven. Er moet voldaan worden voor onze schuld. Daaruit vloeit alleen de vrede met God. De rechtvaardigheid Gods eist dat er voor de schuld betaald wordt.

 

Maar nu is er een Ander tot zonde gemaakt, en Die heeft volkomen betaald. Zo ligt nu alles in Christus, is het alleen om Zijnentwil dat de Kerk voor Gods aangezicht mag staan vrij van schuld en vrij van vloek. Zo mag de Kerk voor God in Christus staan alsof ze nooit zonde gekend, noch gedaan heeft. Als heeft ze zelf alles volbracht wat Christus in Zijn gehoorzaamheid volbracht heeft.

Daarom, in Christus, in Hem, is de Kerk met een drie-enig God verzoend, dan is er tussen God en hun ziel niets meer wat de dood eist of het eeuwig oordeel waardig doet zijn. De Kerk is in een Ander vrij van schuld en straf en heeft een recht ten eeuwigen leven. Want Hij is tot zonde gemaakt, wat wil zeggen dat Hij voldaan heeft in hun plaats.

Welk een wonder toch! De Kerk verkoren in Christus, en de Kerk gekocht door Christus. Dan vloeit daaruit de rechtvaardigheid Gods, ja gemeente, dat God geen zonde ziet in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël. O, wat valt het dan toch mee voor dat zuchtende volk, want al hun zonde en vloek is weggedaan. Er is een Ander Die dat op Zich nam, ja, Die tot zonde gemaakt is, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, opdat zij kinderen Gods zouden zijn. Ja, opdat zij de toeleiding daartoe zouden hebben, door de Heilige Geest.

Ach, dan kan het toch niet anders betekenen dan dat ze voor God als rechtvaardig aangemerkt zijn en dus ook behouden worden, en dat door Christus, de Zondedrager.

 

Gemeente, gelijk nu onze zonde de rechtsgrond is voor Christus’ lijden en dood, zo is ook Zijn gehoorzaamheid de rechtsgrond voor onze vrijspraak, voor onze rechtvaardigheid Gods in Hem.

Ach, in onszelf zijn en blijven we onrechtvaardigen. Het is niet gelijk de roomsen leren, dat er een zekere rechtvaardigheid wordt ingestort en dat je dan een beter mens wordt. Nee, je wordt nooit een beter mens. Na alle ontvangen genade blijf je een onverbeterlijk zondaar. Maar naarmate genade geoefend mag zijn, worden de zonden juist daarom zo bitter, want die zonden hebben Christus aan het kruis doen slaan! O geliefden, Hij in hun plaats geleden, gestorven, begraven, ja, opdat zij worden zouden rechtvaardigheid Gods in Hem.

 

Ach, let eens op dat woordje ‘worden’. Zovelen zijn er die het zich maar aanmeten en toerekenen door een historisch geloof, en ze zeggen: ‘Ja, ik geloof toch, en Jezus heeft alles volbracht, dus het is toch in orde?’ Ach, gemeente, het woordje ‘worden’ wijst op dat lijdelijke van de zondaar, dat hij er zelf niets aan toe of vanaf kan doen, maar dat hij juist zo door die Heilige Geest geleid moet worden. Ja, dat ‘worden’ is een woord dat gedoopt is in vrije genade. Dat leert ons het werk van de Heilige Geest, om een zondaar totaal zondaar voor God te maken, die het oordeel komt te billijken, maar die door Gods en Christus’ gerechtigheid gerechtvaardigd wordt.

O, zie toch dat er nodig is de geloofsvereniging met Hem, Die tot zonde gemaakt is en Die geen zonde gekend heeft. Daar hebt u nu de band aan Christus. In Hem, maar ook uit Hem zal het vloeien. In Hem zijn ze rechtvaardig voor God, maar uit Hem komt die band der liefde. Dat doet Hem dierbaar, maar ook zo noodzakelijk achten, ook in de voortgang van het geestelijk leven, als ze moeten sterven aan alles wat buiten Hem is, maar ook als ze de rechtvaardigheid Gods in Hem hebben mogen omhelzen als hun rechtvaardigheid. In de weg der heiligmaking loopt het zo laag met dat volk af. Dan is het maar steeds nodig uit die volle Christus bediend te worden, om genade voor genade te verkrijgen, gelijk Johannes, de evangelist, zegt (Joh.1:16).

 

Ja, wat is het dan mogelijk, gemeente, om nog zalig te worden; ziet u dat? Want dan ligt het alles in een Ander verklaard, maar dan ligt het ook buiten de mens. Dan hebt u als het ware niets meer te doen dan alleen maar zalig te geloven, en dat is nu een gift van de Heilige Geest. Dan zult u weten hoe u daaraan gekomen bent. Als u dat mag beamen, rechtvaardigheid Gods in Hem te bezitten, ja gemeente, dan zult u weten hoe alles tot schuld en zonde geworden is, en dat u dacht onder het oordeel te verzinken, maar dan uit Hem bediend, o, dan Hem te mogen ontmoeten, Hem te mogen verkrijgen, als die enige Parel van grote waarde.

Zie, wat een gemeenschap er dan beoefend wordt, ja, wat een zielsverkeer tussen Christus en de Zijnen, waar ze rechtvaardigheid Gods in Hem hebben mogen verkrijgen. Maar uit Hem nu de bediening, door de Heilige Geest, telkens weer! Wie de gemeenschap dan ook met Hem heeft verkregen, die zal het verkrijgen ook met de Vader, in en door de Zoon, om de toeleiding door de Heilige Geest tot de Vader te verkrijgen.

 

Ach, we moeten ophouden, maar de Heere snijde nu dat bekommerde volk maar af van alles wat geen rechtvaardigheid Gods in Christus is. Dat is een pijnlijk sterven, vaak geoefend door diepe wegen heen. Maar hoe wonderlijk dat de Heere Hem Die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons wilde maken.

Die, zo zegt de apostel, Die heeft het gedaan. Dan is de Vader van eeuwigheid met innerlijke barmhartigheid en ontferming bewogen, maar Hij laat niets van Zijn recht vallen en neemt niets van Zijn toorn weg.

Ach, geliefden, het is alles uitgewoed op Christus, Zijn Zoon, Die in de plaats van arme zondaren leed en stierf, en Die Zijn volk, gans hulpeloos tot Hem gevloden, tot een Redder zal zijn. Ach, het is zoals we begonnen: ‘Mijn ziel, wat treurt ge dus verslagen?’ Dan eindigt dat met de roem: ‘Mijn Redder is mijn God.’ Zie, hier staat het verklaard: Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Hij bereikte dat doel, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

 

Och, mocht dat nu maar de vrucht zijn in ons aller leven. Mocht dat nu de vrucht der prediking zijn, ook zo God het geeft in de lijdensweken. Ja, mochten er nog zondaren tot God bekeerd worden.

Want, onbekeerden, bedenk toch eens, als u geen rechtvaardigheid Gods in een Ander bezit, als u geen rechtvaardigheid voor God bezit, dan zal God de schuld zo aanrekenen en het oordeel toerekenen. Dan zult u eeuwig de dood moeten sterven. Nee, niet omdat u niet uitverkoren was, o nee, maar omdat u niet geloofd hebt in de Naam van Hem Die tot zonde gemaakt is. Omdat u niet wilde komen aan Zijn voeten, omdat u Hem verwierp in Zijn kruislijden, omdat u Hem bleef verachten en dacht met uw doop of belijdenis wel zalig te kunnen worden. Ach, wat zal het een eeuwige vergissing zijn.

Kom dan eens tot uzelf, opdat u Hem zou kennen door het geloof, en u Zijn plaatsbekledende liefde zou omhelzen, als die Enige, Die tot zonde gemaakt is. O, in uw plaats, om dat eeuwig welbehagen, om die vrije gunst die eeuwig God bewoog, Die Hem gaf opdat zondaren gezaligd zouden kunnen worden, en vrij van schuld en straf zouden leven, eeuwig in Zijn gemeenschap.

 

Ach, die toekomst is voor dat volk in Christus weggelegd. Dan zullen ze eeuwig Hem grootmaken en de kroon aan de voeten van het Lam werpen, Dat hun zonden op Zich nam, door Wiens bloed ze zijn geheiligd. O, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Dan zullen ze de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, loven en prijzen, Die hier verklaart, van eeuwigheid, de liefde, maar ook wat het dan voor een liefde geweest is in een Ander, Die Zich zo gegeven heeft, opdat Hij hen vervullen zou met Zijn gerechtigheid. Die gerechtigheid redt van de dood.

O, zoek Hem dan te kennen, gemeente, haast u om des levens wil. Hij is het Die alles volbracht heeft, en nu uit Hem doet vloeien Zijn Geest tot verheerlijking van Zijn daden, in harten van zondaren, opdat ze ook overvloeien zouden van Zijn liefde, Zijn lof zouden vertellen en zouden jubelen: ‘Hij nam mijn schuld op Zich en ik kreeg Zijn gerechtigheid. En daarom ben ik vrij, o, vrij van doemschuld.’ Daarom zing ik met Da Costa:

 

In het kruis zal ik eeuwig roemen,

en geen wet zal mij verdoemen,

want Christus droeg de vloek voor mij,

heeft genâ voor mij verworven,

is de dood voor mij gestorven,

‘k ben van dood en doemschuld vrij!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 52: 7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij ’t hebt gedaan;

’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven,

Uw waarheid zal bestaan;

Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed

Van al Uw gunstvolk goed.