Ds. J. Schipper - Exodus 14 : 15b

Een Goddelijke oproep

Exodus 14
Een oproep die ontvangen wordt door Mozes
Een oproep die bestemd is voor het volk
Een oproep die getuigt van vertrouwen

Exodus 14 : 15b

Zeg den kinderen Israƫls dat zij voorttrekken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 105: 20, 24
Lezen : Exodus 14: 1-22
Zingen : Psalm 138: 3, 4
Zingen : Psalm 68: 11
Zingen : Psalm 89: 8

Zo hebben we gezongen, gemeente:

 

De Heer’ is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

 

Dat is de geloofsverwachting van David. Wat zal dan de Heere voor David gaan voleinden? Ja, ‘het’, Hij zal ‘het’ voor mij voleinden. Wat is dat ‘het’? Dat is het werk. Het werk, van wie? Van God. Het werk Gods, datgene wat de Heere aan David deed, wat Hij begonnen is in zijn leven, Hij zal het ook voleinden, dat is Gods werk.

Hoe is dat dan begonnen in het leven van David? Ach, die liep ook met heimwee in zijn hart rond. Heimwee naar de gemeenschap waaruit hij gevallen is. De droefheid over de zonde was zijn deel. Altijd gezondigd tegen een getrouwhoudend God. Hij liep rond met die droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot de zaligheid. Maar op Zijn tijd heeft David ook het oog mogen slaan op het heil dat nu in die beloofde Messías gelegen is.

De Heere komt steeds weer op Zijn eigen werk terug. David kan het alleen maar verzondigen. David kan het alleen maar verspelen, maar God zal Zijn eer handhaven door Zijn werk te voleinden. Daarvan mag David nu juichen:

 

De Heer’ is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

 

Kennen we dat? Volk des Heeren, als u nu terugziet op datgene wat de Heere in uw leven gedaan heeft, mag het dan niet in verwondering zijn: Hij gaf mij hulp, Hij redde mij keer op keer? Als dat nu gezien en doorleefd mag worden, geeft dat dan ook niet wat hoop voor de toekomst? Geeft dat niet wat vertrouwen, wat toevoorzicht?

 

’k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied.

 

Paulus zei in de brief aan de gemeente van de Filippenzen: Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Fil.1:6). Welke dag zal dat zijn? Dat is ten eerste de dag van het sterven van Gods kind, want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren (Gen.3:19), maar de ziel gaat naar zijn bestemming. Ze zullen Hem mogen aanschouwen. Verder is het de dag der dagen, wanneer ze met ziel en lichaam verenigd, Hem zullen mogen toebrengen de lof en de eer, de aanbidding en de dankzegging, tot in der eeuwigheid. De dag van Jezus Christus.

 

Dat gaat niet vanzelf, gemeente. Nee, dat heeft de Heere niet beloofd. Het gaat niet zonder strijd. Er kunnen wel eens bange tijden aanbreken. Er kan een tijd aanbreken waarin de Heere mijn werk geheel gaat afbreken, en dat ik met alles wat van mezelf is de dood in moet. Maar door de afbraak heen zal de Heere nu Zijn werk in het leven behouden. Hij zal het voltooien. Waarom? Omdat Zijn goedertierenheid tot in der eeuwigheid is. Het is Zijn werk. De zaligheid van Gods Kerk ligt dus verankerd in de eeuwige liefde Gods, die Hij gaat betonen in de tijd. Dan zullen ze het weten, dan zullen ze er ook van zingen: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.’

Gemeente, daartoe heeft God nu van eeuwigheid ook een weg uitgedacht, waardoor ze zalig kunnen worden, waarlangs die genade zijn vrije loop kan hebben en die Kerk zalig kan worden, met behoud van Zijn Goddelijk recht en ook tot opluistering van Zijn Goddelijke deugden. Dat is die weg die gelegen is in Christus en in Zijn dierbaar hartenbloed, dat Hij gestort heeft tot een volkomen verzoening voor onze zonden.

Christus gaat dat zondige, opstandige, murmurerende volk dus voor. We zien dat ook in dat gedeelte dat Hij de wolkkolom is, ook wel genoemd de Engel Gods. Ziet het volk dat altijd? Nee, het is soms zo arm en leeg en zo dor en zo doods. Dan zijn ze zo blind in ’s Hemels wege. Maar, gemeente, wat is er dan beter, als de twijfel de kop zo opsteekt, om nu te vluchten tot die troon der genade en het uit te roepen: ‘Ach Heere, laat toch niet varen de werken Uwer handen’? Dan komt David bij de Heere niet beschaamd uit, en al Gods kinderen komen bij Hem ook niet beschaamd uit. Volk des Heeren, dan zou ik zeggen: neem dan de pelgrimsstaf maar weer op, om die pelgrimsreis te vervolgen.

 

De Heer’ is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

 

We gaan naar de tekst, en die vindt u in het 15e vers van Éxodus 14, het tweede gedeelte:

 

Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.

 

Dan staan we, met de hulp des Heeren, stil bij: Een Goddelijke oproep.

 

Drie gedachten:

1. Een oproep die ontvangen wordt door Mozes; want de Heere geeft die oproep aan Mozes.

2. Een oproep die bestemd is voor het volk: Zeg den kinderen Israëls.

3. Een oproep die getuigt van vertrouwen; dat zit ook in die oproep opgesloten.

 

1. Een oproep die ontvangen wordt door Mozes

 

Nu, het gaat over een bekende geschiedenis, de reis vanuit Egypte door het volk van Israël naar het beloofde land, hetgeen een wonderlijke, onmogelijke weg is geweest. God heeft hen niet langs de kortste weg naar dat beloofde land, naar Kanaän gezonden, want dan waren ze langs de zeekust gegaan, maar dan waren ze ook de Filistijnen tegengekomen, en dat zou veel moedeloosheid in de harten der Israëlieten gegeven hebben. Want het volk van Israël was niet een volk dat gewend was om met wapens om te gaan. Om dan de strijd aan te binden met een geoefend leger, zoals de Filistijnen hadden, dat zou niets geworden zijn.

Wat heeft de Heere nu in Zijn alwijze raad gedaan? Dit volk heeft Hij een andere weg gegeven. Het was een volk dat jarenlang verdrukt geweest is, dat in de slavernij gezeten had, en bij de tichelovens gewerkt had. Daarom geen confrontatie met de Filistijnen, dat konden ze niet aan, dan zou het gevaar groot geweest zijn dat ze teruggekeerd waren naar Egypte. Ze gaan dus niet langs de kust.

Maar er is nog een reden, en die ligt in het feit dat ze eerst naar de Horeb moeten. Daar bij de Horeb zal dat verbond gesloten worden, dat wil zeggen: vernieuwd, bevestigd, want het gaat over het genadeverbond tussen de Heere en dat volk. Dat is het eeuwige en onwankelbare zoen- en zoutverbond, dat bevestigd en vernieuwd wordt bij de Horeb. Dat is een verbond dat van eeuwigheid vastligt, maar dat in de tijd opgericht is geworden met dat volk en zijn uitwendige vorm ook gaat verkrijgen.

Als we in het begin van de Bijbel lezen, dan komen we al heel gauw dat genadeverbond tegen. Eigenlijk kom je dat al heel bijzonder tegen in Genesis 3, nietwaar, als het gaat over de veroordeling van de mens en de veroordeling van de satan, na de val. Dan is het in Genesis 3, dat ingrijpende hoofdstuk, dat de Heere die trouw van Zijn eeuwig genadeverbond laat schitteren: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u - satan - den kop vermorzelen (Gen.3:15). Het genadeverbond krijgt ook een bijzondere betekenis ten tijde van Abraham, als de besnijdenis wordt ingesteld, als teken en zegel van dat genadeverbond. Maar hier ook bij de Horeb.

 

De Heere Zelf leidt dat volk dus uit Egypte. We zien de wolkkolom en de vuurkolom. Hij Zelf trekt dus mee op. Die wolkkolom wordt hier ook wel genoemd de Engel Gods. Dat is dus niet anders dan de openbaring van Christus onder het Oude Testament. Hij gaat voor. Het is een weg door de woestijn, zoals Christus eenmaal eerst de woestijn werd ingeleid, door de Geest geleid in de woestijn, om van de satan verzocht te worden. Wat dat betreft kunnen we ook zeggen: zo de Borg, zo dat volk. Dat volk gaat natuurlijk niet precies dezelfde weg als de Borg, er is maar één Borg, maar er zijn overeenstemmende zaken. De Heere spreekt nu tot Mozes van de weg die gegaan moet worden en wat er moet gebeuren. Zo trekt Israël zuidwaarts, en dan komen ze dus bij de Rode Zee.

Farao zal zijn spionnen uitgezonden hebben, en die zal denken: wat gaat dat volk doen? Waar zijn ze eigenlijk mee bezig? Zijn ze niet een beetje in de war? Er staat in vers 3: Farao dan zal zeggen van de kinderen Israëls: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. Ze zijn in de war, ze gaan de verkeerde kant op. Dan willen Farao en zijn knechten nogmaals proberen die Israëlieten terug te halen, want ze kunnen best zulke slaven nog een poosje gebruiken. Dan, staat er, achtervolgt de Farao met een keurbende van zeshonderd uitgelezen strijdwagens dat volk van Israël. Uitgelezen: geselecteerd, uitgezocht. De beste strijdwagens van Egypte. Daarmee reed men wel op het voetvolk in. Dat had een vernietigende uitwerking, want die wielen waren voorzien van messen, dus dat gaf een geweldige verwoesting. Het waren de ‘tanks’ van die dagen. Zo kwam Israël dus in die benarde omstandigheden, dat ze daar stonden voor het water, voor die zee, en dat de Egyptenaren eraan kwamen. Ze konden ook niet opzij, want daar waren de rotsen.

 

Maar de Heere heeft ook wat gezegd. De Heere heeft beloofd wat staat in vers 4: En Ik zal Farao’s hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de Heere ben. En zij deden alzo. Zo beloofde de Heere.

Maar nu weet u, er zit nogal wat tussen het verkrijgen van de belofte en de vervulling daarvan. Daar kan heel wat tussen zitten, zoals de onmogelijkheden van onze kant. Daar kunnen tussen zitten de beproevingen, de aanvechtingen. De ouden vroeger zeiden wel: ‘Daar ligt de dood tussen.’ Met andere woorden, ze bedoelden dat stervende leven aan de zijde van de mens. Als het dan niet meer kan aan de kant van de mens, dan gaat de Heere het vervullen. Dan gaat Hij die belofte vervullen tot verwondering van hen.

Daarom, er moet nog wel wat geschieden. Leren sterven aan jezelf, gemeente, dat is een sterven aan de wereld en de zonde en de ongerechtigheden, dat eigen ik, opdat we het leven zouden mogen leven uit Hem Die gezegd heeft: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6); opdat we het in Hem zouden zoeken.

 

U ziet het aan dit volk, nu komt het eropaan te geloven wat de Heere gezegd heeft. Dat is nog niet zo makkelijk. Ze zeggen tot Mozes, staat er in vers 11 en 12: En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen dan in deze woestijn te sterven.

U ziet, als het geloof niet in de beoefening is, dan blijft daar een opstandig volk over. Dan is er opstand, gemeente, ten aanzien van de weg die je moet gaan, als dat geloof niet in de beoefening is. Wat een gebrek, zo kunnen we hier zeggen, aan Godsvertrouwen. Het ongeloof bewerkt altijd ontevredenheid. Dat bewerkt ook ongeduld. Dat slavenleven in Egypte, zeggen ze in feite, was veel beter.

 

Gelukkig, Mozes staat vast in zijn geloof. Hij zegt in vers 13 tot dat volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des Heeren dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

Dus Mozes zegt tot een volk dat geen uitweg meer ziet: Vreest niet. Hebt u dat ‘vreest niet’ ook wel eens mogen vernemen in omstandigheden waarvan je moest zeggen: ja, hoe moet het verder? Benauwd, en dan ‘vreest niet’, dat je het uit Zijn mond mocht horen. De Heere heeft het heel vaak in Zijn Woord laten beschrijven. Dat is ook wel opmerkelijk, dat de Heere dat heel vaak gedaan heeft: Vreest niet. Tot dat volk dat zo met vreze bezet is. Want dat is wel merkwaardig, nietwaar, een volk dat eigenlijk niet behoeft te vrezen, gezien datgene wat de Heere in hun leven gedaan heeft, ze vrezen menigmaal. En andersom, zij die eigenlijk zouden moeten vrezen, vrezen niet.

 

Maar dat ‘vreest niet’ komt nogal eens voor. Ik denk aan Abraham, die in het land gekomen is dat de Heere hem wijzen zou, en dan een poosje later is er honger en dan gaat hij naar Egypte, heel die geschiedenis kent u wel, en dan komt hij terug en dan is daar de scheiding met Lot en vervolgens die veldtocht in het noorden en de ontmoeting met Melchizédek en dan weet Abraham eigenlijk niet verder hoe het moet, en dan zegt de Heere tegen hem: Vrees niet, Abram, Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot (Gen.15:1). Vrees niet!

Als we denken aan David op de vlucht voor Saul: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam.27:1). Dan is daar Jónathan, en die komt tot David. Wat zegt Jónathan tot hem? Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israël en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel (1 Sam.23:17). Vrees niet!

Tot het volk van Israël, dat in de ballingschap vertoeft, zegt Jesaja: Vrees niet, gij wormken Jakobs, gij volksken Israëls (Jes.41:14). Vrees niet!

Ook in het Nieuwe Testament, al op de eerste bladzijden, in Lukas. Dan komt Gabriël bij Maria om die wondere boodschap te gaan melden, en dan zegt hij: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen (Luk.1:28). Dan is Maria ontsteld en ontroerd, en ze is in de war. Dat ziet Gabriël en dan komt Gabriël wederom. Met welke boodschap? Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden (Luk.1:30).

Waarom hoeft dat volk nu niet te vrezen? Wel, Ik ben de Eerste, Ik ben ook de Laatste, Ik zal het voleinden. Ik ben een Waarmaker van Mijn Woord. Ik zal niet laten varen de werken Mijner handen. Daarom behoeven ze eigenlijk niet te vrezen.

 

Dan zegt de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. De Heere spreekt dus weer tot Mozes. Waarom zegt Hij dit: Waarom roept gij tot Mij? Wel, Mozes had het volk bemoedigd, hij had hen moed ingesproken. Maar ja, Mozes is zelf ook een mens, hij heeft ook geloofsvertrouwen nodig. En nu had hij dat bij ogenblikken wel, en wat dat betreft kunnen we Mozes als het ware wel wat boven dat volk stellen, wat kennis des Heeren betreft, geestelijk leven, oefeningen des geloofs, zeker, want niet voor niets wordt hij genoemd de middelaar van het Oude Verbond. Hij stond tussen God en dat volk in. Als dat volk dan weer ongehoorzaam geweest was en ze gestraft zouden moeten worden door de Heere, dan ging Mozes weer op zijn knieën, niet om dat volk aan te klagen bij de Heere, maar om te vragen bij de Heere voor dat volk. En de Heere liet Zich verbidden. Maar toch, Mozes is ook een mens. Ook al bemoedigt hij dat volk op goede gronden, maar in zijn eigen binnenste is ook vaak vreze.

Ook Mozes, die wel de man Gods genaamd wordt, kent zijn aanvechtingen, zijn bestrijdingen en zijn beproevingen. Want die gaan niet buiten Gods knechten om. Dan moet bijvoorbeeld ook een Jeremía weer bemoedigd worden. Luistert u maar: Zie, Ik ben de Heere, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn? (Jer.32:27).

En zeker, Gods knechten moeten als het ware helden zijn om dat volk des Heeren moed in te spreken. Die moeten niet zomaar een beetje mee sukkelen, maar die moeten heenwijzen naar die onveranderlijke God, bij Wie nu alles mogelijk is.

 

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naad’ren van de dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

Dat is dus hun taak, hun opdracht. Maar hoewel Gods knechten op goede gronden zo wel eens mogen spreken, en ze ook zelf wel eens vast mogen staan in het geloof, bij ogenblikken, ze hebben inwendig ook hun strijd. Zo ook Mozes. Mozes was dus ook niet zonder inwendige vrees. Dan ziet u dat het noodzakelijk is het persoonlijke van het ambtelijke te onderscheiden. Want ambtelijk bemoedigde Mozes dat volk, en persoonlijk zei hij: ‘Heere, behoed en red mij, ik weet ook niet hoe het verder moet, hoe komen we er doorheen?’ Zijn hart schreeuwde dus naar Hem.

 

Maar nu zegt de Heere: Wat roept gij tot Mij? Hij wil eigenlijk zeggen: Mozes, dat is toch niet nodig, u weet toch wat Ik gezegd heb, u weet toch wat Ik beloofd heb, dat hebt u toch gehoord? Eigenlijk zien we hier dat de Heere Mozes een weinig bestraft. Mozes moet van de Heere ophouden met roepen, hij moet aan het werk, er is overal een tijd van. Bid en werk! Hij moet op zijn post zijn. Hij moet de opmars van dat volk van Israël bevelen, want ze moeten voort, ze moeten die zee in. Mozes moet de staf opheffen. Wat roept gij tot Mij? Ja, Mozes heeft geroepen, zeker, en bidden, het ware bidden is roepen tot God. Dat is de taal van een natuurlijk, een zeer dringend verlangen. Dat is bidden. Dat heeft Mozes gedaan.

En nu is God niet geërgerd omdat Mozes bidt, want het geloof in de verlossing door de Heere, is niet iets wat zorgeloos maakt, maar wat juist op de knieën brengt. Want dat geloof neemt, zeker ook in tijden van gevaar, het gebed niet weg, maar des te meer zullen ze tot de Heere roepen: ‘Ach Heere, zou U willen vervullen datgene wat U hebt toegezegd?’

Maar nu zegt de Heere tot Mozes: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. De Heere wil dus dat ze voortgaan. Want dat gebed is toch al verhoord, het is toch genoeg, Mozes, spreek er verder niet van. Je ziet het in het leven van Gods kinderen ook nogal eens, dat ze vragen om een bevestiging en nog weer een teken willen ontvangen. Maar, gemeente, steeds weer een teken willen ontvangen kan ook wel eens een teken zijn van ongeloof, dat we de Heere niet onvoorwaardelijk geloven. Zelfs kan het vragen om een teken gevaarlijk zijn. Ik denk aan Zacharias in die geschiedenis van Lukas 1 over Zacharias en Elisabet. Zacharias vroeg een teken; achteraf heeft hij moeten zeggen: ‘Ach Heere, zo had ik het niet bedoeld.’

Dan is het dat ze maar blijven roepen en vragen, als ze daar staan voor een weg van kruis, druk en moeite, een weg die ze toch moeten gaan. En als ze dat doen, dan zal ook aan hen bevestigd worden wat Jesaja schrijft: Want gijlieden zult niet met haast uitgaan, noch met der vlucht heengaan; want de Heere zal voor ulieder aangezicht heentrekken, en de God Israëls zal uw Achtertocht wezen (Jes.52:12). Een Voortocht en een Achtertocht. En vandaar: Wat roept gij tot Mij?

En dan ontvangt Mozes die oproep: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. De verlossing van Israël zal blijken te zijn Gods werk, dat is geen mensenwerk. Dan is het ook:

 

2. Een oproep die bestemd is voor het volk

 

Er kunnen tijden zijn in het leven van dat volk, gemeente, dat het hart met vreze is vervuld.

 

Hier scheen ons ’t water t’ overstromen;

Daar werden wij gedreigd door ’t vuur.

 

Dat water kan hoog opklimmen. Dat kan tot de lippen komen, maar het zal er niet overheen gaan. Daar zorgt de Heere Zelf voor. Want dat is tot roem van Zijn Naam. Dan is het dat ze op zo’n wijze ook oefeningen verkrijgen in het genadeleven. Ze blijven arm, ze blijven afhankelijk, na alle weldaden die ze in het leven hebben mogen ondervinden van de Heere, die Hij aan hen bewezen heeft. Nooit zal Christus waarde en betekenis krijgen als er niet zulke oefeningen zijn. Die zijn dus ook noodzakelijk. Anders behelpen Gods kinderen zich met datgene wat geweest is wat toezeggingen, wat zoete overdenkingen, wat bevindingen, en noemt u maar op. En dat is alles groot, maar wat kunnen dan de oefeningen op een laag peil staan.

Wat een genade, gemeente, als de Heere er Zelf aan te pas komt. Hij Die weet wat goed is voor Zijn volk, Hij gaat hen leiden langs wegen van ontgronding, ontkleding en beproeving. Ze worden beproefd, opdat ze des te meer Hem zullen benodigen. Dat is nu een wedergeboren volk, waarvan gezegd kan worden: afgesneden van Adam, ingelijfd in Christus, en de weldaden die ze mogen ondervinden, heeft Hij voor hen verdiend en heeft Hij voor hen verworven, want Hij is Middelaar van verdienste, maar Hij is ook gelukkig Middelaar van toepassing.

 

Israël is dus uitgeleid uit Egypte, dat is noodzakelijk. Hoe anders zal er van een inleiding sprake kunnen zijn? Wij moeten uitgeleid worden uit de macht van de vorst der duisternis, die helse Farao, de satan. Dat is een Godsdaad, soevereine genade, eeuwige ontferming. Maar alleen dan zal dat volk ook in Kanaän ingeleid kunnen worden.

Ze worden dus uitgeleid onder leiding van Mozes en ingeleid onder leiding van Jozua. Gaat dat door een vlak veld? Nee, het gaat door de woestijn. Het is dus een woestijnleven. We kunnen ook zeggen: een leven van oefeningen, een leven van louteringen. Waarom? Ja, opdat de Heere de eer zal krijgen. Hij zal dus een zondig, onverbeterlijk mens steeds weer op de juiste plaats moeten brengen. Dat is aan Zijn gezegende voeten. Zo worden ze geleid, niet langs de kortste weg, maar het gaat langs een omweg. Zo komen ze aan de boorden van de Rode Zee. Dan is die Farao daar weer, want, gemeente, de satan laat geen middel onbeproefd om dat volk maar weer aan te vallen, om ze te hinderen, om ze te benauwen.

 

Nu kennen ze de bedoelingen des Heeren niet als ze daar in de engte terechtkomen, wanneer het voor hen gaat vastlopen, wanneer het afgesneden wordt aan hun kant. Alles schijnt uit te lopen op een eeuwige teleurstelling. Dan is de hemel van koper en de aarde van ijzer, en ga ik voorwaarts, ik zie Hem niet, en achterwaarts, ik bemerk Hem niet. Dan is het: ‘Mijn God, waar is mijn hoop en waar is mijn moed gebleven?’ Maar dan zegt de Heere: Gij zult het na dezen verstaan (Joh.13:7). Wat is dan nodig? Wel, dat de Heere licht doet opgaan over een bepaalde zaak.

Ik denk aan dominee Van Reenen en zijn Keurstoffen. Daarin beschrijft hij twee mannen die in het donker zitten, in de nacht, en met elkaar aan het praten zijn. Op een gegeven moment gaat het over een bepaald voorwerp. Die ene man zegt: het is groen; en die ander zegt: nee, het is blauw. Daar krijgen ze eigenlijk wat meningsverschil over. Wel, als je dat dan precies wilt weten, dan moet je de lamp aandoen, dus het lamplicht erbij; maar toch kunnen ze het dan nog niet goed zien: groen of blauw? Dan moeten ze wachten, zegt ds. Van Reenen, totdat het daglicht wordt. Gij zult het na dezen verstaan.

 

Zo is dat volk uitgeleid, en wedergeboren zijnde, kunnen ze het in het diensthuis van de zonde niet meer uithouden. Dan worden ze uitgeleid uit de Stad des Verderfs. Want we weten, ook van de catechisatie, op de wedergeboorte in engere zin volgt de wedergeboorte in ruimere zin, dat wil zeggen de bekeringsweg, de weg van de waarachtige bekering. Ze vluchten uit de Stad des Verderfs, want de waarachtige bekering (Zondag 33) bewerkt een hartelijk leedwezen over de zonde. Dan zullen ze de zonden en de ongerechtigheden haten en vlieden. Dan is het dat ze door Woord en Geest ook iets mogen gaan proeven en smaken van de liefde Gods.

 

O, ze dachten direct naar Kanaän te kunnen afreizen, van kracht tot kracht voort te kunnen gaan, maar de wegen des Heeren zijn anders. Ze komen voor die zee, en er is geen weg. We kunnen soms voor vele zeeën geplaatst worden. God kan dat doen. Zeeën van tijdelijke nood, die kunnen er ook zijn, van ziekte, van rouw, van eenzaamheid, van gemis, verborgen kruisen, noem maar op, dat je geen doorzicht en geen inzicht hebt. Het kan ook een zee zijn van zonde en van schuld, en dat alles door de Heere ordentelijk voor ogen gesteld wordt, van jongs af aan. Het is een schuld die wijder en dieper is dan die zee.

Dan kun je wel uitgeleid zijn en een wolk- en een vuurkolom in de nabijheid hebben, terwijl je toch vastloopt, voor die zee van Gods heilig recht. Dan is er een volk dat erbuiten moet vallen. En daar hadden ze niet op gerekend. O, die zee van Gods toorn, van Zijn heilig recht, waarin dat volk naar het rechtvaardig oordeel van God voor eeuwig zal moeten ondergaan.

Dat wordt nu geleerd, gemeente, door de Geest op de Goddelijke leerschool, waar geleerd moet worden dat de mens op het diepst vernederd wordt, maar God ook op het hoogst verhoogd. Als ge dan moet wegzinken in die zee van Zijn toorn en van dat Goddelijk recht, o, hoe noodzakelijk is het dan te leren kennen Hem Die zo ontzaglijk diep is afgedaald in de zee. Anders gezegd: nedergedaald ter helle. Zo diep als Hij is een mensenkind nooit afgedaald.

Dat deed Hij als Borg, waar Hij de hof van Gethsémané betrad en waar Hij kroop als een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk. Daar liep het zweet van Zijn gezicht af als grote droppelen bloeds. Hij heeft uitgeroepen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe (Matth.26:38). De banden des doods hebben Hem omvangen en de angsten der hel hebben Hem getroffen. Hij heeft de straf weggedragen, Hij heeft de schuld geëigend en Hij heeft aan het recht Gods voldaan. Hij heeft de wet gehoorzaamd. Hij heeft het leven aangebracht waar alleen maar dood te vinden was. Hij heeft de hitte van Gods gramschap geblust, en dat om Zijn gunstgenoten de weg der verlossing in Hem te doen ontsluiten.

Dat is nu ook tot heerlijkheid van God, gemeente, opdat ze dan met Christus begraven zijnde in Zijn dood, ook zullen opgewekt worden tot een nieuw leven, tot die eeuwige verlossing. Als ze dan deel mogen hebben aan Hem, o, dan zal de Heere nooit meer op hen toornen. Dan zal de Heere nooit meer op hen schelden.

 

Nu spreekt de Heere tot Mozes, en voor dat volk: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Dat volk is op reis, ze moeten voort. Dan kan die begeerte wel in je hart leven, om voort te gaan, maar dan moet je eigenlijk ook een weg zien. Als je nu geen pad ziet? En toch, ze moeten voortgaan. Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.

Hoe moet je dan voortgaan? Een beetje opbouwen in je gestalten, wat rusten op de kenmerken, met wat bevindingen en met wat teksten en op dat kompas dan maar voortgaan? Tevreden zijn met wat bevindingen en dingen uit het verleden?

U begrijpt: nee, het kan niet buiten Christus om, die Zee van bloed. Dat bloed spreekt betere dingen dan Abel. En dan te leren zien op Hem, Die nu de Schoonste aller mensenkinderen is, van Wie de bruid getuigd heeft: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16). Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10). Hij is blank vanwege die Goddelijke heiligheid, maar ook rood vanwege dat gestorte bloed en die aangebrachte gerechtigheid. Dan is Hij niet alleen Profeet en Priester, maar ook de eeuwige Koning van de Kerk; Hij draagt de banier boven tienduizend.

Als straks de dood komt, volk des Heeren, en die komt, grijp dan eens moed, om dan in de oefeningen des geloofs, nu met afzien van alles wat van u is, u te mogen verlaten op dit machtswoord: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Want:

 

U zullen, als op Mozes’ beê,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

Geen golven overstromen.

 

Daar gaan we van zingen, Psalm 68 vers 11:

 

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan;

Dien haar’gen schedel vellen,

Die trots, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert,

Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer’ heeft Zelf ons toegezeid:

‘’k Zal u, door macht en wijs beleid,

Uit Basan weêr doen komen;

U zullen, als op Mozes’ beê,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

Geen golven overstromen.’

 

3. Een oproep die getuigt van vertrouwen

 

Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Dat getuigt ook van vertrouwen, dat er toch nog een weg is. Het heeft wat samenhang met Zondag 10: in tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar, voor het toekomende wat toevoorzicht, wat vertrouwen te mogen beoefenen. Dus vertrouwen in de uitkomst, ook al kun je de goede afloop nog niet bezien. Dat is een leven uit en door het geloof. Zo ik niet had geloofd dat in dit leven…

Dus de weg ligt verder. Gods volk moet leren wandelen door geloof, niet door aanschouwen. Zo heeft de Heere het ook de discipelen voorgehouden, toen Hij heenging: Het is u nut dat Ik wegga (Joh.16:7). Thomas moest het ook zo leren: niet door aanschouwen, maar door het naakte geloof, maar dan wel het geloof in de beoefening.

Daar schort het over het algemeen nog wel eens aan, aan die oefeningen, dat er niet zoveel oefeningen te bespeuren zijn. We moeten maar tot onszelf inkeren. Dan zijn er weinig vorderingen op de weg des levens. Zo weinig wat arm maakt in mezelf en rijk maakt buiten mezelf in Hem. Het is eigen schuld en het moet beschaamd doen staan. Psalm 42 spreekt over dat vertrouwen:

 

O mijn ziel, wat buigt g’ u neder?
Waartoe zijt g’ in mij ontrust?
Voed het oud
 vertrouwen weder.

 

En dan gehoor te geven aan die oproep, die de Heere tot Mozes geeft, en de kinderen Israëls: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Dus doen wat voor je ligt, de uitkomst aan God overlaten, de middelen gebruiken, in biddend opzien of de Heere die zegenen wil tot waarachtige bekering, maar ook in de voortgang, en of Hij Zijn Geest aan het Woord wil paren. Dat Woord, dat Hij toch als een genademiddel geschonken heeft. En dan die weg maar volgen en de uitslag voor Zijn rekening laten.

 

Wat gebeurt er dan? Dan laat God die Engel des Heeren, die wolkkolom die voor het leger uitgaat, staan achter het leger. Zo maakt die wolkkolom scheiding tussen Israël en Egypte. Die wolkkolom verspreidt licht over het volk van Israël, zodat ze de weg kunnen zien. Christus geeft licht en genade voor Zijn volk. Maar bij die Egyptenaren verspreidt die wolk duisternis, zodat ze moeten wachten totdat de dag aanbreekt. Dan ziet u dat ook Christus schrik en oordeel verspreidt onder die vijanden. Dan lezen we ook in vers 21 en 22: Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de Heere de zee weggaan door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee op het droge; en de wateren waren hun een muur, tot hun rechter- en tot hun linkerhand. Zo gaat de Heere werken. Daar lezen we dus wat verwoord wordt door de dichter van Psalm 66:

 

God baande, door de woeste baren

En brede stromen, ons een pad.

 

Zo spoedig mogelijk zijn ze aan de andere zijde. In het licht van de wolkkolom mogen ze dat pad gaan, naar de andere kant. Wat een genade, gemeente, te mogen zien op Hem Die nu als een Vader Zich ontfermt over Zijn kinderen. Gelijk een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo mogen ze het ondervinden.

Waar kunnen ze toch die veiligheid vinden? Wel, Christus is in Juda verborgen. Hij trekt met hen mee op. Hij is het Die meegaat.

Is er dan geen strijd meer? Jawel, dan is er nog wel strijd. Die strijd is er gedurig, want dat volk wordt achtervolgd, uitwendig, inwendig. Al is de zee dan gekliefd en al is er een pad gebaand, maar de strijd blijft niet uit. Dan zien we, elke Godsdaad levert ook weer strijd op. Dan wordt het Godswerk bestreden, gemeente, maar de vijanden moeten verliezen. De raderen van die wagens, van die wielen slaan in die vochtige bodem en ze kunnen niet verder meer. De Egyptenaren raken in verwarring. Dan is het Mozes die de staf opheft over de zee, nogmaals, en die muur van water slaat ineen en die Egyptenaren, heel dat leger, verdrinkt. Wat een scheiding wordt daar aangebracht. Dus dat volk is aan de overzijde, want de Heere bekroont Zijn eigen werk. Ze komen allen aan de overzijde, zowel de kleinen als de groten. Ze moesten wel door de diepte heen, maar ze komen behouden aan. Geen verdienste aan hun zijde, maar Zijn machtige arm beschermt de vromen. Wat is het groot als je vertrouwen mag koesteren in die oproep: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.

 

Waartoe worden ze nu geleid door die zee? Wel, opdat Zijn Naam ook de eer zal ontvangen. Want daar zal het op uitlopen! Het loopt altijd op de Godsverheerlijking uit. Dat zie je ook verder in hoofdstuk 15. Dan gaan ze de lofzang opheffen, Mozes met het volk, als ze aan de overzijde gekomen zijn, zeggende: Ik zal den Heere zingen, want Hij is hogelijk verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen (Ex.15:1). Dan mogen ze daar aan de overzijde zingen van de grootheid en de hoogheid des Heeren. Dat is ook het doel, maar ook dat er dus een voortgang is op Zijn weg.

Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Als u nu weet waarvan u verlost bent en u mag de wijze waarop dat is gegaan overdenken, dan is het ook met Psalm 118:

 

Dit werk is door Gods alvermogen,

Door ’s Heeren hand alleen geschied;

Het is een wonder in onz’ ogen;

Wij zien het, maar doorgronden ’t niet.

 

En dan ook te ondervinden door Wie dat nu gebeurd is, namelijk door Hem Die Zichzelf als de Christus der Schriften gaat openbaren in het leven, maar Die Zich ook op Zijn tijd en wijze wegschenkt aan Zijn volk. Dat is die goedertieren Ontfermer.

Israël wordt verlost, want Christus is in hun lendenen verborgen. Hij is met hen ook in de diepte gegaan. De verlossing ligt dus alleen, gemeente, in Christus verklaard. Hij heeft uitgeroepen aan het kruishout der schande: Het is volbracht (Joh.19:30). Niet: Ik heb volbracht; maar: hét, het werk dat de Vader van eeuwigheid op de schouders gelegd heeft, dat is nu volkomen volbracht. Hij heeft Zichzelf in hun plaats gesteld, opdat ze met Hem begraven zijnde in de dood, ook zullen worden opgewekt tot dat nieuwe leven. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven.

Daarom zullen ze ook eenmaal de kroon gaan werpen voor Zijn voeten. Die kroon die ze ontvangen hebben, zullen ze neerwerpen aan de voeten van het Lam, want Zijn werk zal gekroond worden.

 

En daarom: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. En nu dat anker der hoop, volk des Heeren, maar uitwerpen in die vaste ankergrond, namelijk in Hem Die gezegd heeft: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6). Hij leidt door de diepte naar de verlossing. Door lijden gaat het tot heerlijkheid. Hij verlost niet alleen van zonde en schuld, maar geeft ook een recht ten eeuwigen leven.

Dan kan bij het sterven de dood ook als een zee zijn, dat je geen pad meer ziet, zoals Christen in de Christenreize bij die Doodsjordaan kwam, en geen pad zag. Hij wist niet hoe erdoorheen te moeten komen, want er is geen pad van jouw bekering of van je bevindingen of noem maar op. Maar als nu de Heere die dierbare Middelaar Gods en der mensen aan de ziel ontdekt, dan wordt het waar wat Johannes ook getuigd heeft in het laatste bijbelboek, in de Openbaring: En de zee was niet meer (Openb.21:1). Dan zal dat volk mogen komen op die plaats waar de zeeën van zonde, moeite, schuld en kommer verdwenen zijn. Die zijn voor eeuwig weg. Dan mogen ze staan met die zangers aan de glazen zee. Dan mogen ze in die zee inblikken van peilloos eeuwig welbehagen, en inblikkende zullen ze nooit grond kunnen zien.

 

En daarom, gemeente, mogen we elkander toch nog wel toeroepen: Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. Want de Heere is zo getrouw als sterk; Hij zal Zijn werk voor mij voleinden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.