Ds. M. Joosse - Micha 7 : 7

Geloofsvertrouwen in de duisternis

Micha 7
Uitzien
Wachten
Geloven

Micha 7 : 7

Micha 7
7
Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 62
Lezen : Micha 7
Zingen : Psalm 80: 5, 9, 11
Zingen : Psalm 37: 9
Zingen : Psalm 74: 2

Gemeente, de stof van onze overdenking kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, de profetie van Micha, daarvan hoofdstuk 7 vers 7. Daar lezen we Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Maar ik zal uitzien naar de Heere, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.

 

We schrijven daaronder: Geloofsvertrouwen in de duisternis.

 

Drie gedachten:

1. Uitzien: Maar ik zal uitzien naar de Heere.

2. Wachten: Ik zal wachten op de God mijns heils.

3. Geloven: Mijn God zal mij horen.

 

1. Uitzien

 

Gemeente, Micha leefde ten tijde van Jotham, Achaz en Hizkia. Dat is geweest aan het einde van het tweestammenrijk. Micha was een man van het platteland. Hij had nooit zoals Jesaja in het koninklijk paleis verkeerd. Micha was een plattelandsdominee, zouden we kunnen zeggen. Hij was een eenvoudige man, maar had wel veel inzicht gekregen in geestelijke zaken. Door Gods Geest geleid en onderwezen mocht hij zien wat er in zijn dagen gebeurde.

Hij is tijdgenoot van Hosea en Jesaja. Het is niet de Micha, de zoon van Jimla, ten tijde van Achaz; dat is een andere Micha. Van die Micha is geen boekje in Gods Woord verschenen. Micha was een kleine profeet. Hij wordt alleen klein genoemd omdat zijn boekje weinig hoofdstukken bevat.

Micha leefde dus ten tijde van Jotham, Achaz en Hizkia. Het was een tijd van afbrokkelende welvaart, de welvaart nam steeds meer af, al was er tijdens de regeerperiode van Hizkia wel weer even een opleving. De welvaart had ongekende hoogten bereikt, maar werd nu steeds minder. De oordelen van God voltrokken zich in de dagen van Micha.

 

En wat doet Micha dan, gemeente? Dan gaat hij schuld belijden. ‘Ja maar, Micha, dat hoeft u toch niet te doen? U bent een knecht van de Heere, getrouw levend voor de Heere, aan de Heere verbonden. U hoort Gods woord en u verkondigt Zijn woord.’ Denkt hij zo over zichzelf? Nee, hij gaat schuld belijden, gemeente. Daar is zijn hele boekje van doortrokken. Schuld belijden, schuld bekennen. En vervolgens gaat hij de oordelen aankondigen.

Wat een moeilijke en wat een vervelende taak, zouden we zeggen. Als we allerlei mooie dingen mogen zeggen, als we mogen profeteren dat het heil nabij is, als we mogen zeggen dat het goed gaat, ach, dat wil de mens wel graag horen. We willen graag horen dat het goed gaat, dat we het zo slecht nog niet doen, en dat het allemaal nog wel meevalt. Maar nee, Micha moet waarschuwen tegen de zonden, en dat voortdurend.

 

Hoeveel procent van wat de profeten in het Oude Testament hebben geschreven, zal er aan de oordelen zijn besteed, en aan het waarschuwen tegen de zonden? Misschien wel tachtig procent.

Waarom zou dat nu nodig zijn? Omdat de mens altijd zo getrouw, zo gewillig en zo onderdanig in Gods wegen wandelt? Het tegendeel is waar; omdat de mens altijd afwijkt! De eerste zonde van Adam zit ons in de genen. Altijd maar naar méér staan, altijd hoger willen, míjn wil, míjn naam, míjn koninkrijk. En daarom moet er gewaarschuwd worden tegen de zonden, voortdurend en onophoudelijk. De mens wijkt immers altijd maar af; wil zich niet onderwerpen, wil zich niet laten gezeggen en gaat steeds in eigen gekozen wegen en wil zélf uitmaken wat goed en kwaad is.

 

Dat komt ook openbaar in ons land, onder ons volk, en ook binnen de kerk. Het valt niet mee, gemeente, om dan voortdurend de zonden en ongerechtigheid aan te wijzen en de oordelen van God aan te kondigen. En zeker niet als het allemaal nog betrekkelijk goed gaat, als het allemaal nog voor de wind lijkt te gaan. Dan lijken die oordelen helemaal niet te komen. Dan lijken de profeten op mannen die spreken als in een holle ruimte. Dan lijkt het alsof er niets van waar zal worden. Dan halen we onze schouders er over op en denken we: het zal zo’n vaart nog wel niet lopen. Ten diepste is dat ons bestaan.

O natuurlijk, het is veel vreugdevoller als we een vreugdebode mogen zijn: Zie, uw heil komt! Het gaat goed met u. U doet het goed hoor! En u gelooft en vertrouwt op een goede manier. En u of jij richt je leven in op de juiste manier. En dát is ook niet zo heel erg, een mens moet toch ook wat!’ Och, een goede tijding brengen, een broodprofeet zijn, de mens naar de mond spreken, dat kan heel lang, en dan houden we ook nog wel vrienden.

Maar als die oordelen nu steeds aangekondigd moeten worden? Dat moet Micha nu steeds doen. En toch doet hij dat op een bijzondere manier; zo behoren Gods knechten ook vandaag in het midden van de gemeenten te staan. Als Micha de zonde aanwijst, spreekt hij uit dat hij er deel van uitmaakt, dat hij deel is van dat volk, dat hij één is met dat volk en dat hij zich niet boven hen verheffen kan. Hij is van dezelfde lap gescheurd. Als we die enkele hoofdstukken van Micha lezen, zouden we kunnen zeggen: hij is een verpersoonlijking van zijn boodschap, een verpersoonlijking van de zonden en de nood van zijn volk. Daar maakt hij deel van uit, daar is hij geheel bij betrokken. Hij voelt de pijn, hij voelt de schuld en eigent de schuld; hij komt ermee onder de Heere terecht.

 

De dagen van Micha zijn zo donker, gemeente, zo donker. Gods kinderen kunnen klagen: Is er nog wel één die de Heere dient, is er nog wel één die de Heere vreest? Als de profeet in vers 1 van ons hoofdstuk een beeld gebruikt van de wijnoogst, moet hij zeggen dat er niet één druif meer is; er is geen klein druifje meer te vinden, geen enkele vrucht. Een oogst waarbij er géén vruchten zijn; geen boom waaraan iets groeit, een wijngaard zonder vrucht. De buitenkant is misschien wel mooi. Je kunt een prachtige boom bezitten, waarvan je heel veel verwachting hebt. Maar als je dan onder de bladeren gaat kijken… niets!

Een blad van belijdenis, maar geen ware belijdenis. Een blad van keurige kerkgang, maar geen betrokkenheid op de dienst van de Heere, alleen maar vorm. Aan de buitenkant zijn de godsdienstige bladeren prachtig, maar er is niet dat ware, hartelijke belijden van schuld, dat buigen in het stof voor de Heere en komen onder God.

Vele keren wordt dit beeld gebruikt, in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament. Dan klinkt de waarschuwing u, jou en mij daaruit tegemoet: Houw hem uit, want hij beslaat onnut de aarde!

 

Wat zal het zijn, gemeente, de waarschuwingen en roepstemmen gehoord te hebben, maar toch te zijn dóórgegaan. In de dagen van Micha teerde men nog op de welvaart van weleer. Wat had de Heere gedurende een lange periode veel werk aan hen ten koste gelegd. Hij had hen verzorgd, hen rijk gemaakt. De tempeldienst floreerde. De altaren rookten. Er waren levieten en priesters, en die deden getrouw hun werk. Maar desondanks was er geen druifje te vinden, geen enkele vrucht. Dat toont de Heere aan Micha.

 

En Micha, hij zucht er onder, hij kreunt er onder. Er is geen vrucht te vinden! Wat gebeurt er dan toch in zijn dagen, was is er aan de hand? Wel, dat lezen we in de verzen 2 tot en met 6 van Micha 7. Daar lezen we dat Micha ziet dat er geen liefde is. Er is wel godsdienst, en men komt ook wel samen, maar er is geen hartelijke betrokkenheid op de Heere en op de naaste. Er is niets dan zelfzucht en egoïsme. Er is geen verlangen om de vrede te bewaren. Het gaat alleen om naam en eer en hun recht. En zorg voor de naaste is er al helemaal niet in Micha’s dagen; de trouw bezwijkt en daalt tot nul. Ik, ik, ik; dan is er een héle tijd niets, en ten slotte misschien nog íets voor een ander.

Bij de leidslieden van het volk, in vers 3, is het al precies eender. Er zijn vorsten en rechters, er zijn leidslieden, en zij allen doen maar één ding: zich verrijken ten koste van de ander, ten koste zelfs van de arme. Die armen worden helemaal uitgekleed, zouden we kunnen zeggen. En als een rechter recht moet spreken, wacht hij eerst af wie er met het hoogste bedrag komt, en dan laat hij zich daardoor omkopen. Hij wordt recht gedaan die het hoogste biedt, of hij nu gelijk heeft of niet. Het gaat allen maar om één ding: om eer, of geld, of naam; om zoveel mogelijk bezit.

Het egoïsme en de zelfzucht wordt uitgeleefd in die dagen: zich verrijken ten koste van de armen. Men laat zich omkopen door wie het meest betaalt of het meeste biedt. En bij onvoldoende inkomsten treedt de vorst ook nog eens op met harde hand.

 

Die hoge personen, die rechters en vorsten draaien zich ineen als een gevlochten touw. Eén zijn ze in hun zelfzucht, één in het onderdrukken van de armen. Ze zijn als een gevlochten touw. De jongens en meisjes weten wel dat zo’n gevlochten touw uit allemaal hele dunne, kleine andere draadjes bestaat. De mensen die de leiding hebben in de dagen van Micha, hebben zich als een touw in elkaar gedraaid. Zo vormen ze een touw waarmee ze hun onderdanen binden.

De Heere vergelijkt ze in vers 4 ook met een scherpe doornstruik of doornheg. Daar kun je niet bij in de buurt komen, want dan haalt die je tot bloedens toe open. Eigenlijk moet je steeds uit de buurt blijven van de vorsten, van de leidslieden in die dagen. Er is niets dan corruptie, niets dan zelfzucht; ze zijn alleen maar  bezig zichzelf te verrijken ten koste van de ander. De Heere zal hen bezoeken, zo moet Micha verkondigen, omdat ze niet horen, omdat ze zich niet laten gezeggen en doorgaan met die godonterende praktijken. Want daarmee gaan ze tegen Gods wil en wet in, en tarten ze Zijn heilig recht.

 

Het gaat nog verder. In vers 5 moet de profeet zeggen dat er niemand meer te vertrouwen is. Allen hebben ze zo hun bijbedoelingen; je weet niet of je iemand nu wel of niet vertrouwen kunt. Zelfs je beste vrienden kun je niet meer vertrouwen. Ja, het gaat nog verder: zelfs je huisgenoten kunnen je vijanden worden. Dat geldt in het bijzonder voor hen die de Heere willen vrezen. Ook de Heere Jezus heeft later bevestigd dat het evangelie vijandschap met zich meebrengt: vijandschap tegen een leven met de Heere, tegen een nauwgezet leven.

 

In de dagen van Micha gold het ook al: wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Maar weet u wat dat volk doet? Dat kunnen we in hoofdstuk 3 lezen. Het volk zegt: ‘Is de Heere dan niet in het midden van ons? Het gaat toch goed, we zijn toch alleszins godsdienstig, en we leven toch bij Gods Woord? We leven toch bij Zijn inzettingen, en onderhouden toch Zijn geboden? En de tempeldienst is toch in volle gang, het altaar brandt, en het reukofferaltaar geeft zijn rook naar de hemel; het gaat toch goed? We zijn toch besneden, we zijn toch kinderen van Abraham, we brengen toch onze offers?’

 

Hoe zou het nu in onze dagen zijn, gemeente? Misschien dat u zojuist gedacht hebt dat die mensen, die vorsten en leidslieden van Israël in de dagen van Micha, wel bijzonder slecht waren, maar gelukkig zijn wij niet zo. Er is ook inderdaad nog heel veel onder ons waar we blij mee kunnen zijn. We mogen zondag aan zondag als gemeente bij elkaar zijn rondom het evangelie van vrije genade. We mogen te midden van alle ellende en onrust in deze wereld nog onderlinge verbondenheid ervaren. Dat is een onuitsprekelijk wonder. Daar mogen we ook blij mee zijn, en dat hoeven we ook niet te verachten. Daar mogen we ook voor danken. Als we dat niet doen, is dat ook een miskenning.

En toch, het volk van Israël vergist zich door te denken dat het goed gaat en dat het allemaal nog wel meevalt. Ze zeggen immers: ‘Is de Heere niet in het midden van ons? Waarom doe je nu toch zo moeilijk, Micha? Waarom nu toch al die oordelen en al die waarschuwingen? Zie toch eens wat we krijgen van de Heere, daar mogen we toch blij mee zijn?’

Maar dan letten ze alleen op de buitenkant. Ze zien niet verder en dieper. Want ondanks het feit dat er een tempeldienst is en hoewel er offers branden, toch is er niets dan vervreemding van God, een vervreemding van Zijn geboden. Een vervreemding van Zijn dag, van Zijn inzettingen, van Zijn Naam.

 

Gemeente, dat is in onze dagen ook zo. Als we eerlijk zijn, is er heel veel waar we zorgen over moeten hebben! Soms kunnen we in onze reformatorische zuil het gevoel hebben dat er nog heel veel goed is, maar als we nagaan hoe gering we zijn in het geheel van de samenleving… Zien we ook dat de massa van ons volk zich opmaakt voor de ondergang door godonterende praktijken? Moeten we dan niet vrezen? Het is goed om dat onder de aandacht te brengen.

Er gebeurt zoveel wat ingaat tegen Gods wil en tegen Zijn inzettingen. Denk aan de massale zondagsontheiliging, aan euthanasie, aan abortus, waardoor de baarmoeder van de vrouw de meest onveilige plek is geworden voor het leven. Dan moet we vrezen dat de oordelen laag hangen. Dan moeten we vrezen dat deze oordelen uitgevoerd gaan worden als er geen terugkeer komt tot de Heere en Zijn dienst. Dan moeten we vrezen dat de Heere onder ons niet kan blijven, en dat Hij Zijn kandelaar weg zal nemen.

Het is niet vanzelfsprekend dat de Heere wel onder ons zal blijven, echt niet. Wat gebeurde er bij de zeven gemeenten van Klein-Azië? Daar is niets meer van God en Christus te vinden. Er is nog een enkele ruïne die herinnert aan een oud christelijk bedehuis. Maar geen enkele gelovige meer.

Dat alles kan onder ons ook gebeuren, gemeente. En wat zouden we dan kunnen zeggen?

 

Hoe gemakkelijk kunnen we leven met de dingen die er in ons land gebeuren. U ook? Ik ook? En hoe is het onder ons? Denken ook wij niet: Is de Heere niet in het midden van ons? Het gaat toch goed? We denken dat de Heere er is, en we denken dat de Heere ook blijft. We denken dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen.

Maar, gemeente, wat is er ook onder ons veel buitenkant! Daarom zullen de oordelen komen, want God zal de zonde straffen. God moet de zonde straffen. Dat is Hij aan Zichzelf verplicht vanwege Zijn Goddelijk recht. Hij kan de zonde niet door de vingers zien, en daarom moeten we vrezen.

 

Och, dat dit op onze zielen zal wegen! Dat de Heere het op onze harten zou willen binden. Dat we ermee in de binnenkamer terecht mogen komen.

Dat velen onder ons, ook vanuit deze gemeente, de knieën zouden buigen om te bidden voor ons land en ons volk. Dat de Heere u wilde laten zien hoe godonterend, hoe goddeloos, en hoe verschrikkelijk ons land en volk zich opmaakt voor de ondergang. Heere, geef toch gebed, en geef ons te zien dat we er deel van uitmaken, omdat we er nog niet eens wakker van liggen, en dat het ons nauwelijks aangaat, terwijl onze kinderen straks deel van die maatschappij zullen uitmaken! Heere, gedenk toch, gedenk toch aan Uw trouw, en keer weder, Heere. Wil de oordelen nog afwenden, Heere, geef nog een terugkeer naar Uw inzettingen, en naar Uw heilzame geboden. Dat het ons bezig zou houden.

 

Micha ziet in die zwarte dagen waarin hij leeft in het rijk van Juda, dat de oordelen zullen komen. Het zal niet lang meer duren, en dan wordt het tweestammenrijk weggevoerd naar Babel. Het tienstammenrijk was ruim honderd jaar daarvóór al weggevoerd naar Assyrië. Dat was bekend bij het tweestammenrijk, want het was nog niet zo lang geleden. En toch ging Juda op dezelfde manier door. Men werd gewaarschuwd, en nog eens gewaarschuwd, maar dat volk ging gewoon door in zelfzucht en liefdeloosheid. Hoe vaak moeten wij gewaarschuwd worden, gemeente?

 

En toch, midden in die duistere nacht van het bestaan van het tweestammenrijk, mag Micha zijn oog richten op de Heere. Dat is zijn uitzien; onze eerste gedachte. Waar alle vertrouwen op de voorspoed en op de mensen wegvalt, daar mag Micha uitzien; hij mag het oog op de Heere slaan. Te midden van de dreigende oordelen mag hij door genade zijn oog gaan richten op de levende God.

We lezen in ons vers het woordje ‘maar’. Dat woord brengt heel vaak een tegenstelling. Jongens en meisjes, misschien heb je wel eens tegen je vriendje of vriendinnetje gezegd: ‘Jij mag dit van mij hebben, máár...’ en dan komt er een teleurstelling. Even wordt je vriendje blij, omdat hij denkt dat hij wat gaat krijgen, ‘maar dan wil ik van jou...’ en dan komt er een teleurstelling. Hier gaat dat nu precies andersom. Als Micha al die oordelen ziet, en hij alles opsomt wat er in zijn land gaande is, dan komt er plotseling dat goddelijke ‘maar’, dat ‘nochtans’ der genade. Dan mag hij dwars door de duisternis van zijn tijd zijn oog richten op de levende God. Dan mag hij zien op de Heere.

 

Dat woordje ‘maar’ brengt een onverwachte tegenstelling aan het licht. En zoals dat in de dagen van Micha kon, zo kan dat vandaag nog. Micha mag zijn oog richten op de Heere. Hij mag opwaarts zien, en zijn hoofd boven de gebreken uittillen. Hij wordt er zélf als het ware bovenuitgetild. Het is de Heere Die hem daar brengt.

En dan roept hij het uit: Maar ik zal uitzien naar de Heere. Ondanks de duisternis mag hij zijn ogen richten op God. Dat is al genade, gemeente. Herkent u dat, weet u wat het inhoudt om uw oog, een geloofsoog te slaan op de Heere? Dan mag u even los komen van wat u drukken en beknellen kan, van wat u gevangen kan houden. Dan mag u het oog slaan op de Heere.

Wat doen we, als we ergens naar kijken? Door te kijken willen we datgene waar we naar kijken iets dichterbij halen. Dat is het zien van Micha, dat gelovig zien. Hij ziet op naar de levende God, van Wie zijn heil is, om nu de Heere als het ware door zijn geloofsoog dichterbij te krijgen. Dat is zijn zien op de Heere. Hij ziet op de Heere om Hem nabij te krijgen. Hij ziet op de Heere, de Heere der heren, de Verbondsgod, Die de Getrouwe is. Hij is de Onveranderlijke, Die niet zal feilen in Zijn trouw. Op Hem mag hij een ogenblik zien.

Ondanks de duisternis van zijn tijd legt Micha zich daar niet bij neer. Daar had hij echt wel reden toe gehad. Maar nee, hij mag zijn oog richten op de Heere; het wordt biddag in zijn leven. En hij gaat het, ondanks de duisternis, ondanks de oordelen, van de Heere verwachten.

 

En dan komt in vers 9 zomaar even openbaar hoe hij zich één weet met dat volk: Ik zal des Heeren gramschap dragen. Hij geeft niet alleen aan hoe het moet, door tegen de leiders, de oversten en rechters van het volk te zeggen dat zij zich bekeren moeten en de verkeerde handelingen uit hun leven weg moeten doen, maar hij buigt zelf voor Gods aangezicht.

Dat gaat altijd samen als we mogen zien op de Heere. Dan gaan we in schuldverslagenheid en in het bekennen van schuld buigen onder welverdiende oordelen. Dan mag er hartelijk beleden worden: Ik zal des Heeren gramschap dragen.

Wat ben je daar rijk mee, gemeente. Daar heeft de natuurlijke mens nu zo’n afkeer van. Die denkt of zegt bij zichzelf: Altijd dat buigen, altijd dat nare, waarom toch? Maar op die plek van berouw, daar gebeurt het! Juist daar. Juist in de weg van buigen, in de weg van schuld eigenen en straf aanvaarden, daar mag het oog wel eens geslagen worden op de Heere. En dat is dan onvergetelijk.

Zo leert de Heere dat al Zijn kinderen. Zij roepen uit: ‘Het is verloren, het is verzondigd, ik heb het gans en al verdorven.’ Maar die gaan heilbegerig het oog opheffen naar omhoog, om het van de Heere te verwachten als rechtelozen. Uitroepend: ‘Ik heb het verdiend, Heere. Ik heb niets te zeggen, Heere. Ik kan de mond vol hebben over van alles en nog wat, over de regering van ons land en over het beleid van vele kerken in ons land, maar ik, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Ik ben niet op mijn plaats geweest, ik heb U niet aangelopen als een waterstroom, ik heb niet gebogen, ik heb het zo gemakkelijk laten gebeuren.’ Is het uw, jouw, mijn schuld al eens geworden?

 

Micha heeft in zichzelf niets. Maar daarom ziet hij uit naar de Heere, en gaat hij het van Hem verwachten. Dan wordt het biddag. Daar, op die plaats van berouw.

‘Heere, wilt U in gunst op ons volk neerzien? Heere, wilt U de oordelen afwenden? Heere, wilt U bekeren wat onbekeerd is? Heere, wilt U Zelf aan de spits treden? Heere, wilt U opstaan in deze strijd, en ons de zege geven? Heere, wilt U het voor me opnemen? Heere, gedenk in Uw toorn des ontfermens!’

En hoe donker ooit Gods weg mag wezen, de Heere ziet, ja, Hij ziet in gunst op wie Hem vrezen. Als de Heere dat geloof in oefening brengt, gaat zo’n ziel uitzien en het van de Heere verwachten. Vanuit de verootmoediging, vanuit de schuldverslagenheid, vanuit de schuld van zijn verzondigde bestaan, vanuit de schuld van zijn zelfzucht, want hij is één met zijn volk.

 

En gemeente, wie wij ook zijn, ook ambtsdragers, ook kinderen van God, is het niet waar dat we vaak met deze geest uit de wereld bezet zijn? Een geest van zelfzucht, van genieten, van ‘pluk de dag’, van vakanties… Eenmaal heeft de dichter uitgeroepen: ‘Hoe kleeft mijn ziel aan het stof!’ Dan maken we deel uit van hen. Dan kunnen we ook zo gericht zijn op de dingen van de tijd. Dan kunnen we ons soms ook zo gemakkelijk overgeven aan de zorgvuldigheden van het leven. Dan hebben we onze zorg voor de kinderen, maar ook de zorg voor onze huizen, voor onze bezittingen; daarmee zijn we dan zo bezet.

Maar waar is dat hartelijke buigen, die kinderlijke vreze, dat onder de Heere verkeren? Dan zou het zijn: ‘Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk of ik ben.’ Maar waar is dat gebleven?

 

Gemeente, waar is dat leven? Is dat u tot schuld? Beseffen we dat het oordeel bij het huis Gods begint? Waar zijn ze, die hartelijk bidden, die hartelijk berouw hebben, die de schuld eigenen? We kunnen zo gemakkelijk een ander de schuld geven. Waar zijn ze, gemeente, waar zijn ze, die verbonden zijn aan de troon van Gods genade? Lezen we dat dan echt alleen maar in de stichtelijke boeken van vroeger? Daarin lezen we hoe onze ouden dag aan dag op hun knieën te vinden waren, driemaal daags. Zij kenden een gebedsleven, en konden zonder die ademtocht van de ziel niet leven. Dan zouden ze stikken. Ze konden niet anders dan verbonden zijn aan de troon van Gods genade. Anders hadden ze geen leven!

 

Gemeente, er zijn er die dit herkennen; we mogen het horen. Zij zeggen: ‘Gun leven aan mijn ziel. Mag ik weer eens levendig gesteld zijn, mag ik weer eens levend verbonden zijn aan de troon van Uw genade? Heere, wil toch Zelf opstaan in deze strijd!’

Misschien worden ze dan gehinderd door gedachten als: Ja, nu heb je de Heere zo aan Zijn plaats gelaten; denk je nu werkelijk dat er iets van God bij is geweest? Nou, dan had je wel méér gebeden, dan was je wel méér bezig geweest voor je vrouw, je man, je kinderen, voor de gemeente. Is er wel ooit wat van God bij geweest? Denk je dan nog gehoor te vinden, denk je dan zo nog aan te kunnen komen? Dan had ik wel meer, en dan had ik… Wat kan de duivel op de been zijn om zo de moed te ontnemen, te benauwen en  terneer te drukken. Om bij de pakken neer te gaan zitten.

Och, dat u uw oog weer zou wenden tot de Heere, en dat u uw heil weer zou verwachten van de Heere! Dat u met een waar geloofsoog op de Heere mocht zien. Dat de Heere dat in ruime en rijke mate zou willen werken. En geloof de boze niet, die het werk van God, ook in het verleden, verdacht wil maken, wil bestrijden en teniet wil doen. Geloof hem niet. Hij is altijd bezig om het licht van God te doven, om het geloof te ontkrachten. Het zal hem echter niet gelukken.

Och, hef toch uw oog op tot God in de hemel, zoals Micha deed, te midden van de duisternis van zijn eigen bestaan. Richt u op de Heere. Zo mocht Micha licht ontvangen, midden in de duisternis van zijn schuld en zijn verlorenheid. Zo mag Gods kind genade ontvangen. Ik zal wachten op de God mijns heils. Ziet u, dat wordt dan zijn leven.

 

We gaan naar onze tweede gedachte, maar willen eerst zingen Psalm 37 vers 9:

 

Gods macht verbreekt de arm der goddelozen,

Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt;

Al treden z’ op geen weg, bezaaid met rozen,

Zij wachten ’t heil, door God hun toegezeid;

Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der bozen,

Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.

 

2. Wachten

 

We spreken over: Geloofsvertrouwen in de duisternis. Daarbij zagen we hoe Micha met een geloofsoog mocht uitzien om het heil dat bij God is, naderbij te brengen. En nu is het eerste wat hij moet doen: wachten. Hij moet niet vooruitlopen, maar wachten. Wachten op Gods tijd, wachten op wat de Heere doet. Wachten als een verlegen zondaar.

De jongens en meisjes weten het wel: als je op iemand wacht, ga je niet slapen. Nee, dan sta je voor het raam, dan kijk je uit tot hij of zij komt op wie jij wacht. Je kijkt naar dat moment uit. Daarom ga je niet slapen.

Zo is het ook geestelijk. Dan gaat het niet alleen om het wachten, nee, dan is er ook een verwachten, een uitzien naar Zijn komst. Daarin is geen lijdelijkheid; Gods kind gaat dan niet met de armen over elkaar zitten, met de gedachte: Nu ja, nu moeten we maar afwachten. Nee, het is een verwachten, een uitzien naar de Heere. Een wachten met het oog gericht op de Heere, onze God, totdat we Hem in het oog mogen krijgen, totdat de verbinding met Hem tot stand komt, totdat wat de Heere heeft ook mijn deel mag worden.

Dat is geen kwestie van naar mij toe halen. Nee, daar moet een mens op wachten. Wachten tot de Heere gaat schenken en toerekenen wat ik niet kan verdienen en wat ik alleen uit genade ontvangen kan. Dat is een werkzaam wachten op de Heere, met een geloofsverlangen gericht op de Heere. Uitziend en wachtend op het woord Gods gesproken tot Zijn knecht waarop hij verwachting heeft gekregen. Wachtend op de vervulling van de beloften Gods.

 

Gemeente, bent u werkzaam met een belofte? Bent u daarmee al aan de slag geraakt? Heeft de Heere vanuit Zijn Woord u al eens iets beloofd? Persoonlijk toegezegd? Bent u al wachtend en verwachtend geworden? Weet u van een wachtenstijd? Of hebt u het altijd op het moment dat u het ook wilt hebben? Hebt u het altijd op het moment dat u de conclusie trekt dat u het hebt? Redenerend er is verlossing voor zondaren. Ik ben een zondaar. De conclusie is dan al snel getrokken: de Heere zegt dat Hij voor zondaren is gekomen, en dat ben ik, dus dan is Hij ook voor mij gekomen. Die geloven per conclusie, die zijn er direct en ook gelijk helemaal.

Gemeente, het ware zaligmakende geloof is een weg vanuit de dood tot het leven. En alleen door de Heilige Geest worden zondaren geleid. Als de Heilige Geest daarin leidt, dan zijn er aan die weg allerlei kenmerken verbonden, waaruit de zondaar op kan maken of hij door Gods Geest geleid wordt en niet door zijn verdorven en verduisterde verstand. Een van die kenmerken is dat er een wachtenstijd is tussen een ontvangen belofte en het verkrijgen van het beloofde.

 

Hoeveel Bijbelheiligen hebben geen wachtenstijd in hun leven gehad?

Denk aan Abraham, aan de toezegging van de Heere dat hij een kind zou hebben, dat hij een zoon zou hebben. En dan maar wachten, een jaar, en nog een jaar, en nog tien jaar, en nog tien jaar... Waarom, waarom? Zo komt de Heere aan Zijn eer, gemeente. Niet als u redeneert, maar als de Heere het een wonder gaat maken in uw leven.

Denk ook aan Izak. Negentien jaar lang moesten Izak en Rebekka wachten. Zij mochten uitzien en wachten. En Izak bad in de tegenwoordigheid van zijn vrouw. Zo mocht hij uitzien naar het heil hem toegezegd. De belofte die zijn vader ontving, zou door hem in vervulling gaan. Hij bleef uitzien en bidden. Hij stopte niet na vijf jaar, en ook niet na tien jaar. Hij bleef bidden in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw.

Denk ook aan David, die tot koning gezalfd was. Maar daarna moest hij vluchten als een veldhoen op de bergen. Jaar na jaar na jaar. ‘Zouden Gods beloftenissen verder haar vervulling missen, vrucht’loos worden afgewacht, van geslachte tot geslacht?’

Soms duurt het vele, vele jaren. Maar als de Heere overbuigt, en verbindt aan de troon van Zijn genade om geholpen te worden ter bekwamer tijd, dan gaat de Kerk wachten als de wachters op de morgen; de morgen, ach, wanneer? En wanneer het geloofsoog dan eens open mag gaan voor verbondsweldaden, die in Christus Jezus ja en amen zijn, dan beleeft zo iemand onvergetelijke ogenblikken. Wachten op de Heere; ja, wacht op de Heere.

 

Gemeente, is het zo al biddag geworden? Biddend wachten, biddend verwachten, wakend en het oog gericht op de Heere, opdat Hij Zijn toezegging, Zijn Woord, Zijn beloften aan u waar zal maken. En als het waar wordt, roept Micha door het geloof uit dat God de God zijns heils is.

Er zijn verschillende verklaringen die vanuit de grondtaal spreken over de God van mijn Jezus, de God van mijn heling. Zij merken op dat Micha al iets ziet van de genezing, van het heil dat zal komen in de Christus der Schriften. In Hem is immers heil en heling beloofd. Door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5). Ook daar komt dat grondwoord weer naar voren.

Zo mag Micha de Heere kennen, zo mochten de gelovigen van de oude dag en de oude bedeling de Heere kennen. Bij het altaar werd uitgebeeld dat er verzoening door voldoening zal zijn. Door een plaatsvervangend offer. Dan mocht de ware Israëliet wel eens verder blikken dan het offer, en iets zien van het heil dat God bereid heeft voor de grootste van de zondaren in Zijn Zoon, het Lam Gods Dat de zonde der wereld zal wegnemen. Dan mocht hij er iets van ervaren dat de Heere genoegen nam met de storting van dat bloed, met dat plaatsbekledende offer. Dan mocht er wel eens iets van de ruimte in het heil des Heeren ervaren worden.

Zo mag Micha de Heere kennen. Hij mag uitroepen: De God mijns heils! Er is genade in de beloofde Messias. Er is genade, afgebeeld in de schaduwendienst. Dan wordt het biddag.

 

Mag u zo al uitzien, verlangend, heilbegerig? Bent u verlangend om zo God te mogen zien, Hem te mogen aanschouwen, de God mijns heils? God, Die in Zijn Zoon Jezus Christus voor mij heil bereidde. God, Die in Zijn Zoon Jezus Christus het offer gaf, een algenoegzaam offer voor de schuld, waardoor de mogelijkheid ontstond ontslagen te worden van schuld en straf.

Is dat uw uitzien op deze biddag? Mocht u dat al eens ervaren, dwars door de duisternis van ons land en volk en alle godverlating heen? Zijn er nog, die het hoofd boven de gebreken mogen opheffen, en mogen uitzien naar de God mijns heils? Hij, Die in Zijn Zoon heil verworven heeft, heil bereid heeft, en Die op Zijn tijd weg zal schenken. Dan kan er wel eens een wachtenstijd zijn, dat kan ook wel een lange tijd zijn, maar wacht op de Heere! Gij vromen, wacht op de Heere, als de wachters op de morgen; de morgen, ach, wanneer?

 

Christus is de enige Weg om met God verzoend te worden, om de verbinding met God tot de stand te brengen. In het zien op Zijn middelaarswerk, Zijn lijden en sterven, wordt de verbinding gemaakt en verzoening bewerkt met een drie-enig God.

Is het uw begeerte om door Hem met God verzoend te worden? Is het uw overtuiging dat er geen andere weg is om vanuit uw ellende te komen tot heerlijkheid? Gemeente, Hij is de Weg om God en mensen met elkaar te verbinden? Is het uw uitzien om door het  Verbondshoofd Christus het vastgemaakt bestek van Gods gunstbewijzen te ervaren en verzoend te mogen worden met een drie-enig God? Is het uw uitzien om in Hem en door Hem met God in een verzoende betrekking te mogen komen? Bent u zo al wachtend op de Heere, zoals de wachters op de morgen? Is er in uw leven al een wachtenstijd gekomen? Is het uw uitzien met smartelijk verlangen dat u dit heil mag kennen, dat uw geloofsoog op de Heere gericht mag worden? Is het uw verlangen dat de Middelaar, door Wie we met God verzoend kunnen worden, u geopenbaard zal worden, en dat u Hem mag kennen in Zijn zondaarsliefde?

Dat is iedere keer weer opnieuw nodig in het leven van Gods kinderen. Wacht op de Heere, gij vromen; zo is het iedere keer opnieuw.

 

Meestal gaat het dwars door de nood en de onmogelijkheid heen; we hebben het overdacht met elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de geschiedenis van Jaïrus; waarom moest dat nu toch zo? Hij ging door het geloof naar de Heere Jezus, maar toen ging Deze plotseling iemand anders helpen. Het ging helemaal verkeerd naar de mening van Jaïrus; zo lijkt alles te eindigen in de dood.

Maar juist in die weg, gemeente, komt God aan Zijn eer. Als het vandaag voor ons onmogelijk is, en donker, en doods, dan is het bij de Heere mogelijk. Misschien is het dan juist wel heel dichtbij.

 

Micha werd één met de zonden van zijn volk, en hij ging schuld belijden. En wij, doen wij dat ook in onze tijd? Zijn wij één met de schuld van ons volk? Zijn wij vandaag biddend bezig met de vraag of de Heere Zich opnieuw aan ons wil openbaren? Mogen we het geloven dat Hij Zichzelf wil geven tot een genezing van onze zondenkwaal?

Als de Heere Zijn kinderen levend maakt en hen levendig doet zijn, dan komt er dat uitzien weer, dan komt er dat heilige verwachten, dat werkzaam wachten. Dan wordt er gebeden en mag de ziel zich verbonden weten met de Heere.

Micha, hij mag het geloven; hij ziet er naar uit, hij mag het verwachten, en dan gaat de Heere hem ook geloof geven.

 

We spraken over uitzien en wachten. Ten slotte nog iets over onze derde gedachte:

 

3. Geloven

 

Er staat immers in onze tekst: Mijn God zal mij horen.

Wat een geloofstaal! Micha is het niet waard dat de Heere onder zijn dak inkomt; hij moet zeggen: Ik zal des Heeren gramschap dragen. En toch mag hij zijn oog door de duisternis heen op de Heere richten, de levende God. Dan wordt hij als het ware tot God getrokken, en door het gebed aan de Heere verbonden. Dan mag hij zien op God, dan mag hij wachten op God, dan mag hij bidden tot God. Dan mag hij de Heere aankleven.

Wat een wonder, als het vandaag wáár mag zijn. Dan gaat u zoeken in het Woord, dan gaat u steunen op het Woord, dan gaat u leunen op de beloften, dan wordt u werkzaam met de beloften en toezeggingen van God aan u gedaan. Wat is dat een goed leven, gemeente. Wat ben je op die plek goed. Dan is het misschien nog ver weg, al hoop je dat het dichterbij zal komen, maar toch is er – als de Heere het geeft – in die levende werkzaamheden aan de troon van Zijn genade al zoetheid. Och, dan is het daar zo goed, in de onderwerping aan de straf, in de onderwerping aan de oordelen, en in dat hopen op de Heere.

 

Misschien bent u bekommerd en missend, onbekeerd en strafwaardig, maar dat u toch niet kunt aflaten hand en oog op te heffen naar omhoog. Steeds maar weer de binnenkamer in om uw ziel uit te strekken tot de God Die leeft. Nochtans…! Dat is al zo zoet, dat is al zo goed. Die plek wil Gods volk niet ruilen met al het goede van deze wereld. Waren we altijd maar zo gesteld! Al zou Hij mij doden… dan kunt u ook het oordeel onderschrijven, ondertekenen. ‘O Heere, dat vonnis is heilig en rechtvaardig.’ En daarbij toch dat: Al zou Hij mij doden, dan zal ik nochtans hopen.

Daardoor blijven zij heilig werkzaam aan de Heere verbonden. En dan mogen ze wel eens geloven: de God mijns heils zal mij ten Redder wezen. Dan wordt Gods Woord eigenlijk helemaal waar, gemeente. Dan is er geen enkele bladzijde waar ze géén troost in vinden, al wordt u tegelijk op elke bladzijde veroordeeld.

 

De grond van dit alles ligt in Gods Zoon, Jezus Christus en Die gekruisigd. Hij is tot zonde gemaakt, opdat er een volk zou zijn dat van de zonde, de schuld en de straf ontheven wordt. Micha mag zich op God gaan verlaten. Waarom? Vanwege de Zoon van God, Die uitgeroepen heeft: Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Hij riep dit uit opdat Zijn volk nimmermeer verlaten zou worden.

Zo mag Gods kind zich op de God zijns heils verlaten. Hij mag de nabijheid van zijn God ervaren in het zien, in het wachten. Dan mag hij ook zeggen: Mijn God zal mij horen, want er was er Eén, Die gehangen heeft tussen hemel en aarde, en geen gehoor kreeg van Zijn Vader. Hij werd niet gehoord in Zijn smeken en in Zijn klagen. Voor Hem was de hemel dicht en gesloten. Daarom zal er eenmaal een volk thuis mogen komen; ze zullen in hun gebeden hier op aarde op Gods tijd een vrije toegang krijgen tot de troon van Gods genade, en eenmaal mogen zij ingaan in de vreugde huns Heeren. Omdat Hij Zijn Zoon niet verhoorde, kreeg Micha gehoor. 

Dat geldt ook voor vandaag. Omdat de Vader Zijn Zoon niet hoorde, zal er een volk gehoor vinden, dat roept uit de diepten van ellende. Dan mogen zij ervaren: Hij neigt Zijn oor, Hij hoort mijn stem, mijn smeken en mijn klagen. Dan mag Gods kind wel eens krediet krijgen op God, door Zijn Zoon Jezus Christus. God wendde Zijn oog van Zijn heilig Kind Jezus af, om een volk te ontvangen, door schuldbesef getroffen en verslagen, dat een thuiskomen zal krijgen bij Heere.

 

Gemeente, is de duisternis van uw schuld een belemmering? Och, dat u uw oog met Micha mag slaan op de levende God. Dat u een luisterend oor mag ontvangen bij de levende God. En dat vanwege Hem, Die dood geweest is, maar eeuwig leeft. Die aan ‘s Vaders rechterhand gezeten is en Die loon eist op Zijn volkomen middelaarsarbeid. Die als Middelaar Gods bad aan het vloekhout van het kruis, maar niet werd verhoord. Die heeft uitgezien naar de komst van Zijn Vader, maar door Zijn Vader verlaten werd vanwege de zonde van Zijn uitverkoren Kerk die op Hem lag. Hij moest de ongedeelde toorn van God over de zonde dragen, om een volk te redden van het verderf. Hij hing daar vrijwillig, vanwege Zijn zondaarsliefde, vanwege het eeuwig welbehagen.

En nu zal er een volk thuiskomen, gemeente; die zullen gehoord worden in hun bidden. Die zullen een geopend oor en een geopende toegang vinden tot de troon van Gods genade. En dat alles vanwege de kruisverdienste van deze gezegende Middelaar.

Daarom, hoop op de Heere, gij vromen! Is Israël in nood, er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zéér groot. Het vrome volk, in Hem verblijd, zal huppelen, zal huppelen van zielenvreugd, daar zij hun wens verkrijgen.

 

Zoek dan de Heere, gemeente, terwijl Hij te vinden is! Bid tot de Heere, en zie uit naar Zijn heil. Want dat heil is er, en het is ook vandaag nog te verkrijgen. Zie dan uit, en wacht op de Heere, wacht op de Heere!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 74: 2

 

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;

Denk aan Uw volk, door U vanouds verkregen;

Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen;

Aan Sions berg, waar G’ eertijds hebt gewoond.