Ds. J.S. van der Net - Mattheüs 16 : 21 - 23

Onderwerp

De eerste lijdensaankondiging van de Heere Jezus Christus
De inhoud van dit lijden
De bestrijding van dit lijden
De handhaving van dit lijden

MattheĆ¼s 16 : 21 - 23

Mattheüs 16
21
Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
22
En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
23
Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 3
Lezen : Mattheüs 16: 13-28
Zingen : Psalm 36: 2, 3
Zingen : Psalm 40: 3
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 56: 5

Gemeente, het Woord van God dat in deze dienst tot ons komt, kunt u vinden in Mattheüs 16 vers 21 tot en met 23:

 

Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.

En Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig; dit zal U geenszins geschieden.

Maar Hij Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

 

Gemeente, dit Schriftgedeelte spreken ons van: De eerste lijdensaankondiging van de Heere Jezus Christus.

 

Drie gedachten:

1. De inhoud van dit lijden

2. De bestrijding van dit lijden

3. De handhaving van dit lijden

 

1. De inhoud van dit lijden

 

Gemeente, wij lezen in vers 21: Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden.

Van toen aan. Ja, want vóór die tijd had de Heere Jezus alleen maar in bedekte termen gesproken over Zijn lijden en sterven. Maar nu de discipelen openlijk hun geloof hadden beleden: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Matth.16:16), nu gaat de Heere Jezus zonder terughoudendheid spreken over Zijn lijden en Zijn sterven, als Borg. Van toen aan (toen die belijdenis geklonken had) begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden.

U hoort het, de Heere Jezus gaat tot in details spreken over Zijn lijden. Want alle groepen die met elkaar de Joodse Raad vormen, worden hier nauwkeurig aangegeven.

 

Dan spreekt de Heere Jezus hier in de eerste plaats over de ouderlingen. Meisjes en jongens, als de Heere Jezus hier spreekt over ouderlingen, dan moeten jullie niet denken aan onze ouderlingen, zoals ook hier in de kerk. Wij hebben hier in de kerk ook ouderlingen. Jullie weten het wel: ouderling zijn is een kerkelijk ambt, zo noemen wij dat heel deftig. Als de Heere Jezus in dit gedeelte over ouderlingen spreekt, dan bedoelt Hij niet precies hetzelfde als de ouderlingen hier in de gemeente.

Eigenlijk bedoelt de Heere Jezus hiermee de oudsten. Want de oudsten, dat waren mensen die met toestemming van de Romeinen het bewind voerden in de steden en in de dorpen. Dus ze mochten de baas zijn in de stad en in het dorp, en een deel van die oudsten maakte deel uit van de Joodse Raad. Dat waren de ouderlingen uit de tekst.

 

In de tweede plaats spreekt de Heere Jezus hier over overpriesters. Wat waren dat voor mensen? Overpriesters waren mensen die in het verleden al eens hogepriester geweest waren. Want in de tijd van de Heere Jezus mocht je maar voor twee jaar hogepriester zijn en dan werd je door de Romeinen ontslagen. Maar die voormalige hogepriesters bleven ook deel uitmaken van de Joodse Raad, van het Sanhedrin. Ze konden door hun ervaring grote invloed uitoefenen. Die mensen worden dus bedoeld met de overpriesters.

 

De Heere Jezus noemt ook nog de schriftgeleerden. Zij werden ook wel de wetgeleerden genoemd. Dat waren de mensen die de wet moesten uitleggen. Zij waren in Israël belast met de rechtspraak over godsdienstige zaken.

 

Kortom, de Heere Jezus zegt hier dat verschillende officiële leiders van het Joodse volk, op elk terrein van hun leven, Hem zullen veroordelen.

 

De gevangenneming zal een openbare zaak zijn. De gevangenneming zal zich voltrekken voor de ogen van het hele volk in Jeruzalem. Het lijden en sterven dat de Heere Jezus tegemoet gaat, is ook daarom uitzonderlijk zwaar, omdat Hij alle straf die Zijn volk heeft verdiend op Zich zal nemen. De straf die Zijn volk verdiend heeft, is de onverdeelde toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht. Toch is het sterven van de Heere Jezus niet het sterven van een martelaar, maar het is een plaatsvervangend lijden en het is een plaatsvervangend sterven. Dat lijden en sterven is ook dierbaar in het oog van God.

Omdat het dierbaar is in het oog van de Vader, laat de Heere Jezus er op volgen: En gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. Want in Zijn opstanding zal de Vader heel de wereld laten zien dat de Heere Jezus door Zijn offer volkomen aan het geschonden recht heeft voldaan. De Zoon zal voor Zijn verzoenend werk het loon ontvangen uit de handen van Zijn Vader. Wat zal dat loon zijn? Dat zullen al de Zijnen zijn. Dat zal een schare zijn die niemand tellen kan; dat is een schare die overal vandaan zal komen.

 

Daar spreekt de Heere Jezus over: Zijn lijden, Zijn sterven, Zijn opstanding. En wat zegt de evangelist Mattheüs hier? Hij zegt dat de Heere Jezus Zich aan Zijn discipelen begon te vertonen. Begrijpt u dat, gemeente? Nu pas… De discipelen hadden al drie jaar met de Heere Jezus omgegaan en nu pas begon de Heere Jezus te spreken over Zijn lijden en sterven; nu pas begon Hij dat te vertonen. Want ja, nu hadden de discipelen bijna drie jaar omgang met de Heere Jezus gehad en ze hadden met Hem verkeerd in grote liefde. In het toevluchtnemend geloof hadden ze zichzelf aan Hem opgedragen. Al die maanden dat ze bij de Heere Jezus waren, hadden zij nooit kunnen denken dat zij schapen zouden zijn die verstrooid zouden worden omdat hun Herder zou worden geslagen. Ze hebben nooit kunnen denken dat de Joodse Raad zich zo tegen de Heere Jezus zou keren en Hem zou doden.

 

O, die overgave van de Heere Jezus: vrijwillig voor Zijn vijanden. Dat zal voor de discipelen ontzettend zijn. Maar nu is de Heere Jezus de grote Opvoeder. Hier in Caesarea Filippi begint de Heere Jezus Zijn discipelen vol wijsheid voor te bereiden op de weg die ze achter de Heere Jezus moeten gaan en die zij ten diepste niet willen gaan.

Daarom, de Heere Jezus vertelt hier in de eerste aankondiging aan Zijn discipelen wel een aantal details, maar tegelijk verzwijgt de Heere Jezus ook veel dingen voor de discipelen.

Want de Heere Jezus spreekt nog niet over de ontzettende spot en hoon die Hem zal treffen. Hij spreekt nog niet over de rol die ook de heidenen zullen spelen in Zijn veroordeling. Nee, de eerste keer dat de Heere Jezus hier spreekt over Zijn lijden, zegt Hij zoveel als zij min of meer kunnen bevatten. Dat ze straks, als Hij de dood ingaat, de moed niet moeten opgeven, want Hij zal ten derden dage worden opgewekt.

Hij gaat naar Zijn middelaarsheerlijkheid, door de donkere tunnel van dood en graf. Nu moeten de discipelen daarin achter de Heere aankomen.

 

Begrijpt u, gemeente, zo begon de Heere Jezus Zijn lijden aan de discipelen te vertonen. Ik denk dat je dan niet alleen bij de discipelen stil hoeft te staan, maar dat wij de lijn ook mogen doortrekken naar vandaag, naar Gods volk en kinderen.

Gods volk moet volgen in de weg die zij ook moeten gaan. Gemeente, als wij de Heere mogen vrezen, hoe is het in het begin van de weg? Wel, in het begin van de weg is het net als bij de discipelen. Dan worden wij zo gezet op de ervaring van de liefde van God in onze ziel. Als wij nu die uitlatingen van de liefde van God in ons hart ontvangen, dan zijn er wel eens ogenblikken dat wij uitroepen: Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten (Hoogl.8:7).

In die uitlatingen van de liefde van God, in dat pas beginnende leven, daar is al zoveel zoetheid, daar is al zoveel zaligheid, dat daar niets tegen opweegt. Door die liefde trekt deze Heere Jezus een zich veroordelende zondaar onweerstaanbaar tot Hem!

 

Legt u daar nu uw hart eens naast. Herkennen wij dat ook in ons eigen leven, die uitlatingen van Zijn liefde, het jezelf veroordelen, maar ook dat we door de liefde van Christus getrokken worden? Jezelf veroordelend, maar toch onweerstaanbaar getrokken tot Hem. Dat zijn toch zoete tijden, gemeente, die vergeet je nooit meer!

Maar wat gebeurt er dan? Wel, als de Heere die gevoelige blijken van Zijn tegenwoordigheid gaat intrekken, dan wordt het zo donker, en in het donker gaan we twijfelen of het wel van de Heere geweest is. Dan zeggen wij: ‘Het is zo donker! Kon ik maar weer eens een keer hartelijk schreien zoals ik eerst gedaan heb. Want als ik weer eens zo hartelijk zal kunnen schreien, zal ik weer geloven dat de Heere begonnen is. Als ik maar eens een keer gevoelig aangedaan zou zijn onder het preken, weer wat zou gevoelen onder een preek, dan zou ik geloven dat de Heere werkt in mijn ziel. Nu is het zo koud! Ik heb toch wel eens andere tijden gehad. Had ik maar eens een keer opnieuw opening in het gebed.’

 

Het zou heel goed kunnen, vandaag hier in de kerk, dat er een man of een vrouw zit, een meisje of een jongen, die zegt: ‘Dominee, wat u nu preekt, is precies wat er in mijn hart ook leeft!’ Dan heeft de Heere in liefde getrokken en wij hebben in de Heere Jezus de enige, de volkomen Zaligmaker gezien. Onze ziel was vervuld met liefde en hoogachting voor de Heere.

Hoe komt het dan nu, dat ik nu zo in het donker ga? Dat komt omdat wij meer op de gevoelige gaven gebouwd hebben dan op de Heere Jezus Zelf. Ik kan het ook zo zeggen: de ervaring van Zijn liefde is ons veel meer geweest dan Zijn verzoening. Al zijn we ons dat niet altijd zo bewust, we zijn op de geschenken van de Bruidegom gaan bouwen. We zijn met die geschenken gaan pronken. Maar dan gaat de Heere ons toch leren dat Hij met Zijn volk een weg gaat door de dood tot het leven. Dan neemt Hij het eerste weg om het tweede te stellen.

 

Wat gebeurt er dan, als het eerste wordt weggenomen om het tweede te stellen? Wel, ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel: dan komt er een tijd in je leven, dan pak je de Bijbel, en terwijl je de Bijbel aan het lezen bent, dan lijkt het wel of je vanbinnen versteent. Dat doet pijn.

‘Want ik heb toch tijden gehad dat de Heere van ogenblik tot ogenblik tot mijn hart sprak; welke bladzijde van de Bijbel ik ook opensloeg; en als ik in de kerk kwam, dan was er in de preek altijd wel iets voor mij bij! Nu lijkt het wel of ik versteend ben, en of mijn tranen zijn opgedroogd. En mijn gevoelige aandoeningen verdwijnen en mijn gebeden verslappen. O, ik bid wel, maar ik merk het, ik kan mij niet concentreren; ik kan mijn gedachten er niet meer bij houden; en soms weet ik niet eens meer of ik nu bid of niet. Dan houd ik niets anders meer over dan schuld!’

Want, gemeente, dan ga ik inleven wat het zeggen wil, wat de weg ten leven is! Dan moet ik alles, alles verliezen waarop ik heimelijk gesteund heb buiten de Heere Jezus. Dan gaat de Heere een afbrekende weg, waarin ik werkelijk niets meer overhoud!

Ja, maar waarom gaat de Heere Jezus die weg met ons in? Weet u waarom, gemeente? Opdat ik alleen zou roemen in Zijn kruis, het kruis van Golgotha, en meer en meer zou gaan vertrouwen op de gerechtigheid van de Heere Jezus. Om ons af te brengen van onze zoete gestalten, opdat Hij ons Zijn lijden en Zijn sterven zou vertonen; om ons af te breken in ons gevoelsleven, opdat Hij ons in Zijn lijden en sterven zou onderwijzen.

 

Daarom staat het hier ook, van Zijn discipelen. Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen. Hij heeft het Zijn discipelen verteld. Vertonen, staat er in onze tekst. In het Grieks staat daar een woordje dat betekent: laten zien. Maar nog meer valt de nadruk op de betekenis ‘bewijzen’.

Dat is eigenlijk het oorspronkelijke woord: ‘Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te bewijzen.’ Te vertonen, te onderwijzen. Want, gemeente, ik kan iemand iets laten zien door onderwijs te geven, door het te bewijzen. Dat staat hier van de Heere Jezus.

 

Zo heeft de Heere Jezus Zijn discipelen in alle rust, uit het Oude Testament aangetoond dat Hij naar Jeruzalem moest heengaan, naar de eeuwige raad van God. Dat moest, omdat Hij in eeuwigheid al Borg geworden was bij de Vader. Daarom moest Hij, vanwege de beloften van het Oude Testament, naar Jeruzalem gaan om te lijden. Want: De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jes.53:5).

De Heere heeft gezegd: ‘Om de beloften, ten aanzien van Mij gesproken, moet Ik nu heengaan, om Mij over te geven in de handen van de ouderlingen en overpriesters en de wetgeleerden.’

Hij moet gaan vanwege de schuld van de Zijnen. Hij moet gaan vanwege het verlangen van Zijn middelaarshart, vanwege het verlangen van Zijn borgtochtelijke ziel. Hij moet gaan omdat Hij vrijwillig de diepten van het lijden wilde ingaan.

 

Gemeente, wie zal bevatten wat dat is, dat de Vader Zijn Zoon heeft overgegeven voor Zijn volk. Wie zal het verstaan, dat Hij Zich vrijwillig heeft overgegeven in de dood!

O, Hij moet gaan. Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te bewijzen dat Hij heen moest gaan naar Jeruzalem om te lijden en te sterven. Te bewijzen, vanuit het Oude Testament, dat al die beloften ten aanzien van Christus zijn vervuld.

 

Wat ligt hier een troost voor Gods volk en kinderen. Want zij hebben leren hopen op Zijn beloften, om nu door de beloften Gods te worden onderwezen. Dan grift de Heilige Geest deze beloften in onze ziel in. Dan weten wij ook bij ogenblikken wanneer de Heere ons door Zijn beloften heeft onderwezen; geen leed zal het immers uit mijn geheugen wissen. Maar na het ontvangen van de beloften zal het ook fel bestreden worden, omdat de vervulling uitblijft en omdat de vervulling onmogelijk lijkt.

Ach, misschien is het bij u wel zo: een belofte wel eens ingegrift in uw hart en de vervulling wordt steeds onmogelijker. Welnu, luister dan: heb goede moed; al de beloften uit het Oude Testament ten aanzien van Christus zijn vervuld.

Ook nu zal niet één belofte van God ter aarde vallen! De belovende God zal niet falen; alle beloften hebben hun vervulling in Christus ontvangen. Want naar dit woord der belofte is Hij de dood ingegaan; en naar ditzelfde woord der belofte is Hij ook opgestaan uit de doden. Daar wijst de Heidelbergse Catechismus ook op. ‘De belofte van het evangelie’ is een uitdrukking waarin hij al die beloften samenvat. En wat is de belofte van het evangelie? Dat God, vanwege het enige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, aan arme zondaren en aan arme zondaressen vergeving van zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.

 

Kinderen des Heeren, vraag het toch aan de Heere of u opnieuw in Zijn Woord wordt ingeleid, opdat Hij vanuit de Heilige Schrift zou getuigen dat het offer is gebracht voor u. Want wij kunnen niet sterven met een tekst of met een versje, maar wij kunnen alleen sterven met Jezus Christus, Die de inhoud van de belofte is. Want God gaf de geschenken van de Bruidegom, opdat wij ons tot de Bruidegom zouden wenden. Christus alleen is het, Die kan leiden tot in der eeuwigheid.

Kijk, zo spreekt de Heere Jezus over de inhoud van dit lijden.

Letten wij nu in onze tweede gedachte op de bestrijding van dit lijden. Maar eerst zingen wij met elkaar uit Psalm 40 en daarvan het derde vers:

 

Mijn God, Gij hebt Uw wond’ren groot gemaakt;

Wie is ’t, die ’t onbepaald getal

Van Uw gedachten melden zal?

Wat geest zo vlug, wat tong zo welbespraakt?

Geen slachtvee, geen altaren,

Vol spijs ten offer, waren

Het voorwerp van Uw lust.

Gij hebt Mij, naar Uw woord,

Mijn oren doorgeboord,

En ’t lichaam toegerust.

 

2. De bestrijding van dit lijden

 

Als de Heere Jezus gesproken heeft, lezen we: En Petrus Hem (de Heere Jezus) tot zich genomen hebbende. Hoe moeten wij ons dat voorstellen?

Ik denk zo: als de Heere Jezus uitgesproken is, dan neemt Petrus de Heere Jezus bij de hand en dan neemt hij de Heere Jezus als het ware even apart om onder vier ogen met Hem te praten. Als zij dan samen zijn, dan gaat Petrus de Heere Jezus bestraffen.

 

Dat is eigenlijk de omgekeerde wereld, nietwaar, meisjes en jongens? Dat kunnen jullie ook begrijpen. Je zit in de klas en meneer staat voor de klas of de juffrouw staat voor de klas en is aan het lesgeven. Halverwege de les ga je staan en zeg je: ‘Juffrouw, meneer, ik moet u even hebben, kom maar eens even mee naar de gang.’ En op de gang ga je eens even de juffrouw of de meester onder handen nemen, en dan ga je zeggen: ‘Nou, wat u zegt, dat klopt helemaal niet.’ Dat zou heel raar zijn toch? Je zou zeggen: dat is de omgekeerde wereld. Want de leerling moet door de juffrouw of de meester bestraft worden, en niet andersom.

Maar wat Petrus nu doet, dat is de omgekeerde wereld. Daarom komt Petrus niet verder. Want wij lezen in onze tekstwoorden dat hij alleen maar begónnen is om Jezus te bestraffen. Begonnen, en toen is het al afgebroken. En Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig.

Wat betekent dat nu? Een beetje een rare zin, hè, meisjes en jongens, het is net of die zin niet klopt. Nu, daar heb je ook gelijk in, die zin klopt ook niet!

Kijk maar goed in uw Bijbel, gemeente, dat woordje ‘wees’ staat schuin gedrukt. Dat betekent dat het woordje ‘wees’ er in de oorspronkelijke tekst niet staat. Wat betekent die zin dan?

Wel, onder de Joden hadden ze zo’n eerbied voor de Naam van de Heere, voor de Naam van Jahweh, dat zij die Naam niet uitspraken. En om die Naam niet uit te spreken, gebruikten de Joden allerlei uitdrukkingen waarin ze die Naam van God weglieten. Dat waren onvolledige zinnen, vaak ook een beetje kromme zinnen, waarin zij iets uit wilden drukken van de Naam van God.

Zo mag u deze Schriftwoorden ook lezen. Petrus laat hier naar Joods gebruik de Naam van de Heere weg en daarom maakt hij hier ook zo’n onvolledige zin. Heere, wees U genadig. Met ‘Heere’ wordt hier de Heere Jezus bedoeld. Het gedeelte dat daarna komt – wees U genadig – is een uitroep waarin Petrus een beroep doet op de genade van de Heere, van Jahweh.

Petrus bedoelt hier eigenlijk te zeggen: ‘De Heere zij U genadig! God behoede U daarvoor, dat U valt in de handen van de ouderlingen en van de priesters en van de schriftgeleerden! Heere, wees U genadig. De Heere behoede U daarvoor. Dat zal U geenszins geschieden!’

 

Wat hoogmoedig, wat dwaas! Wat kan een mens toch blind zijn, ook als hij genade heeft ontvangen. Petrus spreekt hier de wens uit dat God het lijden van de Heere Jezus zal verhinderen. Petrus is totaal blind voor de noodzaak van het borgtochtelijke lijden en sterven! Hij zal alles, alles wel willen doen om dit lijden en sterven te voorkomen.

 

Kijk, gemeente, u moet niet uit het oog verliezen dat Petrus zo de Heere Jezus apart neemt onder vier ogen. Daar spreekt toch ook de grote liefde uit van Petrus voor de Heere Jezus. Want – en zo kan het nog zijn – er kan in je hart een sterke liefde tot Christus zijn, terwijl er toch weinig geloof beoefend wordt. Dat gaan al Gods kinderen in hun leven wel eens een keer verstaan. Een sterke liefde tot Christus en tegelijk toch weinig geloofsbeoefening.

Weet u wat Petrus dan eigenlijk doet? Met heel zijn mooie bestraffing staat hij zijn eigen zaligheid in de weg. Natuurlijk, Petrus heeft het goed bedoeld; hij wilde zijn Meester ook echt het lijden besparen. Dat lijden had hij de Heere Jezus graag willen besparen. Maar die hartelijke liefde van Petrus is toch blind voor het borgtochtelijke lijden van de Heere Jezus.

 

En, gemeente, zo is het nog. Want zolang een kind van God alleen leeft vanuit de hartelijke keus, dan beseffen zij toch niet dat wij alleen maar kunnen leven uit Christus. Want die keuze in het hart is wel goed, dat heeft de Heere gewerkt. Maar weet u wat er verkeerd aan is? De verwáchting die we van die keus hebben. De verwachting: ‘Heere, heb geduld, Heere, heb geduld!’

Dan beseffen we het niet zo dat wij alleen maar kunnen leven uit de Heere Jezus, Die geleden heeft, Die gestorven is, maar Die ook ten derden dage is opgestaan.

Want als wij alleen maar uit de keus leven, dan zijn wij zalig geworden zonder kruis! Als wij alleen uit die keus leven, dan denken wij zalig te worden zonder dat aan Gods recht voldaan is, zonder het borgwerk van Christus.

U begrijpt wel wat ik bedoel: dan hebben wij daar zo niet het gezicht op. O, daar is wel een dagelijkse omgang met de Heere. De uitlatingen van Zijn liefde zijn er wel. Er is een uitgaan van ons hart in liefde tot de Heere Jezus.

Wij kunnen zo opkomen vanuit de keus van ons leven, maar er is dan toch zo weinig oog voor het lijden en sterven van de Heere Jezus.

 

En ja, als de Heere Jezus de diepten van Zijn lijden ingaat, ach, dan kan het net zoals bij Petrus zijn. Dan worden wij bestrijders van Christus!

Hoe komt het dan, dat wij dan zulke dingen gaan zeggen als Petrus: Heere, wees U genadig? Wel, gemeente, ons vlees, die verdorven oude mens, dat vlees na ontvangen genade, dat blijft vlees. Vlees, ook na ontvangen genade, dat is pure vijandschap. Die oude mens der zonde heeft de doodsteek gekregen. Maar al heb je de doodsteek, dan ben je nog niet gestorven. Die oude mens, dat is één en al vijandschap tegen zalig worden om niet.

Zo kan het zijn, bij alle liefde die er is in het hart, bij alle ervaring die er in de ziel is en bij alle vertroosting, dat het hart toch een bitterheid kan voelen tegen zalig worden uit vrije genade.

Dan ben je jezelf een raadsel. Dan kun je jezelf niet meer snappen. Zoveel liefde in je hart, zoveel vertroostingen en zoveel ervaring, en dan toch die bitterheid in je hart, om dan zalig te worden uit vrije genade alleen! Want zolang wij niet alles loslaten wat buiten Jezus is, dan is er in je hart de bitterheid tegen vrije genade.

 

Wanneer laten wij nu alles los waarop wij bouwen? Wanneer laten wij nu alles los waarop wij hopen? Wanneer laten wij nu alles los waar wij op vertrouwen, buiten Jezus? Weet u wanneer? Wanneer wij door Woord en Geest in aanraking komen met het borgtochtelijke lijden en sterven van de Heere Jezus.

Gemeente, dan ga je er aan. Dan ga je er echt helemaal aan. Dan moeten wij al het onze loslaten. En wat loopt het dan laag met ons af! Wat worden wij dan arm, wat worden wij dan leeg, wat worden wij dan dwaas in onszelf. Wat worden wij dan doemwaardig in onszelf. Dan gaan wij buigen onder het doodvonnis dat de Heere over ons uitspreekt. ‘Uw doen is rein, Uw vonnis is gans rechtvaardig.’

 

Want, gemeente, waar de Borg Zich gaat openbaren, daar is het recht. Waar de Borg Zich gaat openbaren, daar is die nadere ontdekking. Daar is het plaatsmakende werk van de Heere Jezus en daar is het afbreken van al het onze. Waar Christus Zich als Borg in mijn ziel openbaart, blijft er van het uwe en van het mijne niets meer over. Kijkt u maar naar Petrus.

 

De bestrijding van dit lijden. Maar dan zien we ten slotte ook de handhaving van dit lijden. Maar wij zingen eerst nog Psalm 40, en daarvan het vierde vers:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid’ Ik: Zie, Ik kom, o Heer’!

De rol des boeks is met Mijn Naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd’ en ijver brandt.

Ik draag Uw heil’ge wet,

Die Gij de sterv’ling zet,

In ’t binnenst’ ingewand.

 

3. De handhaving van dit lijden

 

We lezen verder in onze tekstwoorden: Maar Hij (dat is de Heere Jezus) Zich omkerende, zeide tot Petrus. Hoe moeten wij ons dat voorstellen?

Kennelijk is de Heere Jezus, toen Petrus Hem bij de hand nam, wat voorop gaan lopen. U weet wel, Petrus met zijn ongeduldige karakter, heeft niet kunnen wachten tot de Heere Jezus naast hem liep om Hem te bestraffen. En terwijl Petrus zo achter de Heere Jezus aan liep, begon hij al te bestraffen. En als Petrus dan zijn bestraffing heeft uitgesproken, dan draait de Heere Jezus Zich om. Ja, daar staat Christus oog in oog met Zijn discipel.

Terwijl de Heere Jezus zo Zijn discipel aanziet, zegt Hij: Ga weg achter Mij, satanas! De kanttekenaren zeggen: ‘Het is de wederpartijder van Christus.’ De tegenstander van Christus, die bij het begin van Zijn optreden ook geprobeerd heeft de Heere Jezus in de woestijn te verzoeken; maar hij is toen weerstaan met dat ene wapen van het Woord: Er staat geschreven (Matth.4:10). Dat was bij het begin van Zijn optreden. Nu, bij het begin van Zijn lijden, verzoekt de duivel opnieuw. Dan komt hij tot de Heere Jezus als een engel des lichts.

 

Hoe doet de duivel dat, als een engel des lichts komen? Wel, hij legt onder de toelating van God beslag op de gedachtewereld van Petrus. De satan vermomt zich niet alleen in de gestalte van een geliefde discipel, maar de satan kleedt zich ook aan in het kleed van de liefde en de vriendelijkheid van Petrus, die vanuit een verkeerde liefde bezig is.

Want het is de satan er alles aan gelegen om bij de Heere Jezus ingang te vinden; om de Heere Jezus bij het begin van Zijn lijden te laten struikelen. Het is de duivel er alles aan gelegen dat de Heere Jezus Zijn offer niet zal brengen. Want als de Heere Jezus nu maar doet wat Petrus vraagt: Dit zal U geenszins geschieden, dan zal er geen loskoping zijn van degenen die de Vader van eeuwigheid aan Zijn Zoon heeft gegeven.

Als de Heere Jezus doet wat Petrus zegt, dan zal Christus van Zijn kruis afzien en dan zal er nooit één zondaar behouden kunnen worden. De satan heeft dat geweten en de satan heeft zo onder de toelating van God beslag gelegd op het denken van Petrus.

 

Nu draait de Heere Jezus Zich om en Hij zegt tegen Petrus: Ga weg achter Mij, satanas!

O, gemeente, dan ontmoeten wij hier Petrus op zijn kleinst. Petrus is hier op zijn zondigst. Diezelfde Petrus die enkele uren daarvoor nog beleden heeft, en dat heeft hij in alle oprechtheid gedaan: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (vers 16).

En wat zien wij hier? Wel, wat in het leven van een christen ook zo vaak gebeurt: dat na de hoogten van het geloof de diepste dalen liggen. O, Petrus heeft zojuist zijn geloof beleden, en nu verzoekt hij de Heere Jezus van Zijn borglijden af te zien.

 

Zo is het nog. De satan heeft altijd nog een zekere greep op de wedergeboren mens. Onder de toelating van God heeft de satan nog een bepaalde greep op die oude mens. Dat zou ons wel heel erg voorzichtig moeten maken.

Het gebeurt vaak dat de zonden van Gods volk en kinderen worden vergoelijkt. De Heere Jezus doet dat niet. Hij zegt: Ga weg achter Mij, satanas! Laten wij daarom de zonden van Gods volk en kinderen ook maar niet vergoelijken. Want zonde is zonde. En daarom, Petrus met al zijn goede bedoelingen is voor de Heere Jezus een aanstoot.

 

Want dan zegt de Heere Jezus verder: Gij zijt Mij een aanstoot. Wat bedoelt de Heere Jezus hier mee?

Wel, in Israël lagen veel rotsblokken, grote brokken steen. Die lagen soms zomaar op de akker, op de wegen en op de paden. Dat was gevaarlijk. Want als het donker was en je liep over zo’n akker of over zo’n pad of een weg, dan kon je o zo makkelijk struikelen. Dan kon je je geweldig bezeren of verwonden. Wat zegt de Heere Jezus nu tegen Petrus? Hij wijst als het ware op zo’n stuk steen op de weg en Hij zegt: ‘Kijk eens, Petrus: zo ben jij nu! Zo’n stuk steen, waar je elk ogenblik over struikelt.’

Gij zijt Mij een aanstoot (een valstrik); want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn. ‘Hoor je het, Petrus, niet de dingen die van God zijn, maar wat van de mensen is.’ Want wat Petrus wil, is puur vleselijk.

 

En, gemeente, zo bent u toch ook? Zo ben ik nu ook. Jij ook hoor, meisje, jongen. Laten wij nu eerlijk zijn. Wie van u begeert er nu om te lijden? Niemand toch? Wie van u zegt: ‘Ik verlang ontzettend naar pijn’? Niemand toch? Wie van u zegt: ‘Ik zou zo ontzettend graag een poosje in het ziekenhuis willen liggen, en een zware operatie ondergaan’? Niemand toch?

Daarom, wat de satan hier opwerpt, is een volstrekt menselijk iets. Wij willen het lijden uit de weg gaan. En wie zou dat niet kunnen begrijpen? Wat de satan hier doet, is een volstrekt menselijk iets opwerpen, en Petrus vertolkt het. Hij verstond het lijden van Christus niet.

 

En u, gemeente, kijk ik u allemaal aan zoals u hier vandaag in de kerk zit. Jullie ook, meisjes en jongens. Ik hoop dat je goed geluisterd hebt naar de preek. Nu kom ik tot de persoonlijke vraag aan u. Hebt u er oog voor, voor het lijden van de Heere Jezus? Meisjes en jongens, hebben jullie daar oog voor, voor dat lijden van de Heere Jezus voor je eigen hart?

Gemeente, is Hij u in Zijn lijden al dierbaar geworden? Dat u er iets van hebt mogen zien dat Hij de weg die Hij gegaan is naar Golgotha, heeft moeten gaan omdat ik zo’n vijand ben. Een vijand van vrije genade! Hebt u gezien dat Hij die weg gegaan is om een goddeloze en om een vijand vrij te kopen?

O, om alleen daar maar in te mogen blikken: ‘Hij voor mij, omdat ik anders de eeuwige dood moet sterven.’ Dan krijgen we een blik in het heiligdom van de Heere Jezus, en dan wordt dit lijden ons zo dierbaar en zo noodzakelijk.

Daar hebben wij ook steeds weer opnieuw het onderwijs van de Heilige Geest in nodig. Want Petrus kon dit heiligdom van het lijden van de Heere Jezus niet inblikken met vleselijke gedachten. Dat kunnen wij ook niet, ook niet na ontvangen genade. Wat hebben wij die ontdekkende bediening van de Heilige Geest dan nodig, om de dierbaarheid van dit lijden te verstaan!

 

Gemeente, dit spreken van Petrus heeft het lijden van de Heere Jezus op een bijzondere wijze verzwaard. De Heere Jezus krijgt Zijn eigen Kerk, Zijn eigen discipel hier tegen, als een instrument in de hand van de satan.

Die slag kwam harder aan dan de slagen die de Heere Jezus van de soldaten in het gezicht kreeg. Terwijl de Heere Jezus deze weg gaat uit vrijwillige liefde, kwam die slag van de woorden van Petrus harder aan dan de zweepslagen van de soldaten. Wat is dat een bange verzoeking geweest!

Maar de Heere Jezus handhaaft Zijn lijden in Zijn eeuwige liefde en trouw aan Zijn kinderen. En daarom zegt Hij: Ga weg achter Mij, satanas! Hoort u de diepe liefde die daarin doorklinkt? Het is geen hard woord, maar het is een woord vol van liefde voor Zijn kinderen: Ga weg achter Mij, satanas!

Het is ook geen opgekropte ergernis, maar het is een woord vol van liefde voor Zijn kinderen: Ga weg achter Mij, satanas! Petrus, ga nu uit Mijn weg vandaan, opdat Ik naar Golgotha zal gaan. Dat zal tot zaligheid zijn. De Heere Jezus laat Zich door niemand tegenhouden; Hij kiest vrijwillig de dood, opdat Hij hen zal zaligen, die hun eigen zaligheid in de weg staan!

 

Deze onuitsprekelijke zondaarsliefde komt nu in de prediking tot ons allen. Maar heeft die onuitsprekelijke zondaarsliefde nu al eens waarde voor u gekregen? Zeg het eens. Want van nature doen wij toch ook niet anders dan God tegenstaan.

Nu klinkt de boodschap nog, dat er nog meisjes en jongens, die een hekel hebben om naar de kerk te gaan, zalig kunnen worden! Er kunnen nog meisjes en jongens zalig worden die plezier hebben in zondige dingen. En waarom kunnen meisjes en jongens nog zalig worden? Omdat de Heere Jezus vrijwillig naar Golgotha is gegaan!

 

Meisjes en jongens, ken je de Heere? Of leeft er in je hart nog verzet? Je zit in de kerk en je luistert naar de preek en je denkt: ‘Toe nou, moet dat nu weer zo?’ Dat is dat verzet in je hart. Dan mag ik je zeggen: voor zulke meisjes en jongens is Hij nu juist naar Golgotha gegaan! Je kunt nog zalig worden, ook al voel je vijandschap tegen Gods volk en Zijn kinderen. Als je vijandschap voelt tegen de kerk en vijandschap voelt tegen de ouderlingen of de diakenen en ga zo maar door, dan kun je toch nog zalig worden. Dat kan, omdat Jezus tegen Petrus gezegd heeft: Ga weg achter Mij, satanas!

 

Dat was een onuitsprekelijke diepte. Want nu kunnen nog mensen zalig worden die nooit naar God hebben gevraagd. Nu kunnen vijanden, tegenstanders van hun eigen zaligheid en tegenstanders van het kruis, nog zalig worden.

Kom, val Hem dan te voet en smeek om bekering. Want het is onze hoogmoed en onze vijandschap die ons belet om tot Jezus te gaan. Wat dacht u dat er tussen Jezus en ons stond? Het is alleen maar hoogmoed en vijandschap wat er tussen staat.

Maar eeuwig wonder dat de Heere Jezus hier zegt: ‘Petrus, ga uit Mijn weg vandaan, want Ik ben gekomen om zulke wederstrevers nog zalig te maken; om Mijzelf in de dood te begeven!’

O, smeek dan om Zijn vriendschap, want de Heere Jezus hoort zo graag het ootmoedige smeekgebed. ‘Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.’

 

Volk des Heeren, wat hebben wij toch vaak die Petrusgestalte. Dan is het vlees aan het woord en aan het praten en dan vertrouwen we op de geschenken. Wat kunnen we dan dwaas bezig zijn. Maar zie nu hier. De Heere Jezus bestraft Petrus en daar klinkt Zijn borgtochtelijke liefde in door. Petrus is vastgehouden, daarom is hij gered.

Wij kunnen vaak net als Petrus denken dat onze liefde beslissend is voor de Heere Jezus. Maar van die goede Petrus is niets overgebleven. Door de diepte is het heengegaan, om alleen zalig te worden door die peilloze diepten van Jezus’ liefde. Dat is de liefde die de weg vindt door de helse angsten en door de duisternissen van de hel.

O, om Hem dan te mogen volgen, dan moet je sterven aan jezelf, en jezelf verliezen. Net als de straatmaker. U kent dat beeld wel: op je knieën, en dan maar achteruit…

Achteruit, om alleen Jezus over te houden!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 56: 5

 

Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;

’k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

Mij bijstand boodt, en ’t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.