Ds. D. Rietdijk - Mattheüs 14 : 19

De wonderbare spijziging

De nood van de discipelen
De handen van Jezus
De mildheid van de gaven

MattheĆ¼s 14 : 19

Mattheüs 14
19
En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 12
Lezen : Mattheüs 14: 13-21
Zingen : Psalm 147: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 33: 7, 10, 11
Zingen : Geb. des Heeren: 1, 5

Gemeente, de tekst voor de prediking kunt u vinden in Mattheüs 14, daarvan het 19e vers. Daar lezen wij:

 

En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar de hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen gaven ze de scharen.

 

Wij gaan luisteren naar de geschiedenis van de wonderbare spijziging.

 

Wij letten op drie dingen:

1. De nood van de discipelen

2. De handen van Jezus

3. De mildheid van de gaven

 

1. De nood van de discipelen

 

Gemeente, deze geschiedenis is een van de wonderen die in de evangeliën het vaakst wordt verteld. Alle vier de evangelisten vermelden het verhaal van de spijziging van de vijfduizend. Zo’n grote nadruk wordt er gelegd op dit ene wonder van de spijziging van de vijfduizend. En dan moeten wij daarbij bedenken dat die vijfduizend alleen de mannen waren, zonder de vrouwen en de kinderen. Dus misschien zijn het wel tienduizend mensen in totaal geweest, die de Heere gespijsd heeft met vijf broden en twee visjes.

 

De aanleiding tot deze geschiedenis van de wonderbare spijziging is dat de Heere, na het horen van het bericht van de moord op Johannes de Doper, alleen naar een woeste plaats getrokken was. Hij zocht daar de stilte en de eenzaamheid. Maar de schare is Hem nagereisd, te voet uit al de steden van rondom.

De Heere Jezus ziet die grote schare. Die schare van mensen die steeds weer rondom Hem te vinden is. In de evangeliën zien we altijd de discipelen bij de Heere Jezus, maar ook steeds weer de schare. Hij ziet de grote schare. En als de Heere Jezus ziet zoals Hij dat alleen maar kan – want Hij ziet door alles heen – dan wordt Hij met inner­lij­ke ontferming over deze schare bewogen. Dan laat de Bijbel ons even zien wat er in het middelaarshart van Jezus leeft: innerlijke ontferming. Dat laat het evangelie ons telkens zien. Dat bewogen hart. Het hart van de Heere, dat bewogen is met ontferming.

 

In het evangelie lezen we maar twee keer dat er van innerlijke ontferming sprake is bij mensen. Op alle andere plaatsen waar het gaat over die innerlijke ontferming, gaat het altijd om het hart van de Heere Jezus of het hart van God.

En als we die plaatsen lezen waarin sprake is van mensen die innerlijk met ontferming bewogen waren, dan zien we dat het daar eigenlijk ook om God Zelf gaat. Immers, dit wordt in de eerste plaats gezegd van de barmhartige Samaritaan en in de tweede plaats van de vader van de verloren zoon. En dan kunnen we ons dus afvragen of ook in die gelijkenissen waarin gesproken wordt van mensen die met innerlijke ontfermingen bewogen waren, niet de Heere Jezus bedoeld wordt in de persoon van de barmhartige Samaritaan, en de Vader van de Heere Jezus in de persoon van de vader van de verloren zoon.

De Heere is Degene Die met innerlijke ontferming over de grote schare bewogen is. God is Degene Die bewogen is met deze wereld. Wij schrijven de wereld af, maar de Heere niet. De Heere buigt Zich over deze verloren wereld en over die grote schare op deze wereld en Hij ontfermt Zich daarover en Hij bemoeit Zich met hen.

 

En dit gaat nog duidelijker worden als de discipelen aan het eind van de dag zeggen: ‘Heere, laat die mensen van U, want het is nabij de avond geworden.’ Het donker komt eraan. In het oosten valt dat snel in. Om 6 uur is het donker en dan is het vaak ineens donker, zo zonder schemertijd. En daarom zeggen de discipelen: ‘Heere, laat die mensen van U gaan, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelf spijze kopen.’

De discipelen willen dat de Heere die mensen maar laat gaan. De discipelen vinden het nu wel genoeg. Zij denken: Dan krijgen wij ook wat rust. De schare moet nu maar voor zichzelf zorgen.

Maar dan blijkt dat de Heere Jezus ook nu, aan het einde van de dag, als de avond gaat komen, met innerlijke ontfer­ming bewogen is over die grote schare die daar voor Hem staat.

 

Gemeente, hier hebben we een beeld van het middelaarschap van de Heere Jezus. Dat hart van de Heere Jezus is innerlijk met ontferming bewogen en staat open voor de noden en de zorgen van de schare. Hij is bereid om te helpen.

En als het goed is, zou Zijn kerk op deze aarde dit beeld van Hem moeten dragen. Die kerk zou met innerlijke ontferming bewogen moeten zijn over die mensen die van God vervreemd zijn. En over mensen die dwalen als schapen zonder herder. Want de onkunde, de nood en de behoefte is zo schrikbarend groot in deze wereld zonder God. En dan is de grootste nood de zielennood. Natuurlijk is er grote nood op allerlei gebied en in allerlei delen van deze wereld. Maar de grootste nood van de mens is niet alleen maar honger en nood vanwege bijzondere ellende, maar de grootste nood van de mens in deze wereld is de zielennood waarin hij verkeert. Dat is dat hij zonder God over deze wereld gaat en dat hij van God vervreemd is. En daar zou de kerk nu iets moeten tonen, dat zij het beeld van de Meester draagt: met innerlijke ontferming bewogen zijn over de grote schare.

De discipelen hebben hier nog veel van de Heere te leren als zij zeggen: ‘Heere, laat die schare van u.’ Want dan zegt de Heere: ‘Het is niet nodig dat de schare weggaat; geeft gij hun te eten. Zorgen jullie er nu voor dat die schare te eten krijgt.’ We beluisteren hier de opdracht van de Heere aan Zijn nauwe kring van twaalf discipe­len: Geeft gij hun te eten. Zij moeten deze mensen voedsel geven.

En die opdracht geeft de Heere ook aan Zijn kerk: Geeft gij hun te eten. In de werkelijke, lichamelijke, materiële nood van deze wereld. Dat ook. Maar vooral ook in de geestelijke nood. Hij geeft Zijn dienaren de op­dracht: Geeft gij hun te eten.

 

Maar, gemeente, er is in die woeste plaats waar Jezus met die grote schare is, niets te vinden wat verzadigen kan.

En de discipelen hebben niet meer tot hun beschikking dan vijf broden en twee visjes. Dat is niet veel natuurlijk, als u bedenkt dat daar een schare is van misschien wel tienduizend mensen.

 

De discipelen zeggen het: ‘Heere, U zegt ons: Geeft gij hun te eten, maar waarvan moeten we dat doen?’

En dat is een bekende vraag. Of hebt u die vraag nog nooit gesteld? Als de opdracht tot ons komt iets te doen aan de nood van deze wereld, in materiële zin of in geestelijke zin, en als je dan je eigen armoede ziet, dan sta je met lege handen. Of als de boodschap van de Bijbel tot je komt en je de stem van God hoort die je oproept tot bekering, dat je zegt: ‘Heere, ik kan dat niet, ik sta met lege handen.’ Of als u uw kind ten doop houdt en uw jawoord moet geven, of als je je voorbereidt op je geloofsbelijdenis, als je dan op jezelf ziet, op je tekort, op je zonde, op je afdwalingen, op die boze begeerten die leven in je hart, dan zeg je het misschien deze discipelen wel na: ‘Heere, ik heb niet, ik heb lege handen, hoe zal ik ooit die opdracht van U kunnen volbrengen?’ ‘Heere, we hebben maar vijf broden en twee visjes, wat is dat voor zo’n grote schare die hier zit?’

 

Gemeente, weet u wat er bij deze discipelen aan de hand was? Zij gingen rekenen: zo weinig eten voor zoveel mensen, dat is ten enenmale tekort. Maar weet u, de discipelen rekenden met kleingeloof en met ongeloof. En als je zo rekent, dan kom je nooit uit. Dan zie je alleen dat wat voor ogen is. Dan zie je alleen wat je tellen kunt. En dat zijn maar vijf broden en twee visjes.

Als je zo rekent vanuit ongeloof en kleingeloof, dan kom je tekort. Weet u waarom? Omdat je dan de belangrijkste factor achterwege laat, en dat is dat de Heere er is, dat de Heere nabij is en dat Hij het Zelf is Die de opdracht geeft.

 

De discipelen keken alleen maar naar die vijf broden en die twee visjes en dachten er niet aan dat de Heere daar bij stond. En dat Hij op het gebed mild en overvloedig wil geven, dat Hij op het gebed zoveel kan geven, dat wij met milde hand kunnen uitdelen. En zéker wanneer de Heere ons Zelf die opdracht geeft. Wanneer Híj zegt: Geeft gij hun te eten. Dan zal Hij zeker niet achterblijven wanneer we met ons tekort en met ons gebrek tot Hem de toevlucht nemen en wanneer we Hem vragen: ‘Heere, geeft Gij ons dan om uit te delen.’

Dat geldt voor het natuur­lij­ke leven en ook als we staan in dienst van de kerk. Gemeente, dan staan we wel met weinig en met beperkte middelen in onze handen, maar dan moeten we altijd bedenken dat de Heere boven bidden en boven denken kan weldoen. Nooit mogen we Zijn liefde en Zijn macht buiten beschou­wing laten.

 

Gemeente, het is niet goed dat wanneer we in nood zijn, we dan alleen maar op de nood zien, want de nood kan nooit groter zijn dan de Helper. Dat geldt in het persoon­lijke leven, dat geldt in het kerkelijke leven, dat geldt in het materiële en dat geldt in het geestelijke. De nood kan nooit groter zijn dan de Helper. Zelfs die vijf broden en die twee visjes kunnen voldoende zijn voor de schare van tienduizend mensen. De discipelen staan niet alleen. Zij rekenen verkeerd.

En weet u wat zo erg is? Met zo te redeneren en te rekenen, doen ze de Heere pijn. Hij is immers de Machtige. Zou Hij niet kunnen geven hetgeen Hij opdraagt? Zou Hij als de Schepper en de Onderhouder van alle dingen, niet in onze nooddruft kunnen voorzien? Zou Hij niet kunnen geven wat wij nodig hebben? Persoonlijk, ook jullie, kinderen. Als er problemen zijn in je jonge leven, in je verkering, tussen je vrienden of vriendinnen, op je werk? Zou Hij in onze nood niet kunnen voorzien?

Laten we niet vergeten op te zien naar de Heere. Hij alleen kan geven wat we nodig hebben. Hij kan het natuurlijke en geestelijke leven voorzien van alles wat wij behoeven. Bij Hem is nooit een tekort om te helpen. Er is ook nooit een onwil om te helpen. De Heere is de Gewillige en Hij is de Machtige, en Hij zegt in Zijn Woord: ‘Op uw noodgeschrei doe Ik grote wonderen.’

De Heere is nooit ten einde raad. Het is nooit zo dat de Heere zegt: ‘Nu weet ik het niet meer.’ In Zijn handen mogen wij onze nooddruft overgeven. In Zijn handen mogen wij onze beperkte middelen leggen. In Zijn handen, daar alleen ligt het veilig en daar alleen wordt het geze­gend. Dat gaan de discipelen leren in het vervolg van deze geschiedenis. We gaan letten op het tweede, dat is:

 

2. De handen van Jezus

 

En Hij zeide: Breng Mij dezelve hier. De Heere Jezus geeft in alle kalmte en rust deze opdracht. Hij is Zich bewust van Zijn macht. Op onbekommerde wijze zegt Hij: ‘Breng Mij die vijf broden en twee visjes en leg ze in Mijn hand.’

Gemeente, dát is het geheim. Hier hebt u het: onze beperkte middelen in Zijn handen stellen. Onze middelen zijn altijd tekort voor de opdrachten die de Heere geeft. Als wij gaan rekenen komen we met een tekort uit.

Misschien zit u wel met uw levensonderhoud of op uw werk met beperkte middelen. Misschien hebt u bijzondere noden in uw huwelijk, in uw gezin. Misschien tobt u met uw gezondheid. Misschien moet u zeggen: ‘Hoe komen we erdoor?’ of: ‘Hoe komen we eruit?’ Gemeente, dan staan we daar met zeer weinig in onze handen. Onze handen zijn machteloos, onze handen zijn onbekwaam, ze zijn ook bezoedeld, onze handen zijn zo vaak hard.

Maar nu zegt Jezus: ‘Geef het in Mijn handen.’ De handen van Christus zijn niet machteloos, maar die hebben alle macht in hemel en op aarde. Die handen kunnen wat wij niet kunnen. Die handen zijn niet bezoedeld, maar die zijn rein. Die handen zijn niet hard, maar die handen zijn mild. Milde handen en vriendelijke ogen zijn bij U van eeuwigheid. Die handen werden gebonden in Gethsémané. Die handen van de Heere Jezus werden genageld aan het kruishout.

Zo brengen deze handen ons bij het kruis. Waar de Middelaar hing, met doorboorde handen, om voor Zijn kerk de zware schuld te verzoenen, door Zijn bloed het onderhoud voor het leven te verwerven.

 

En gemeente, die handen ontvangen die paar broden en visjes, eenvoudige voedingsmiddelen. Zo mogen we met de gewone dingen van ons dagelijks leven bij de Heere komen.

Met ons dagelijks leven, met de gewoonste dingen van je leven, bij de Heere komen. Ook met het werk dat je mag doen, met de opdracht die de Heere u gaf in deze wereld. Bij Hem terechtkomen, met de dingen van elke dag. Met je school, met je werk, met het gezin. Hoor je dat, jongens en meisjes, jongelui? Met alles mag je bij de Heere terechtkomen. ‘Ken Mij in al uw wegen’, zegt Hij. Voor Hem is er niets te klein. Met alles mag je bij Hem terechtkomen en het in Zijn handen overgeven. Zo geven de discipelen ook deze eenvoudige middelen in Zijn hand.

 

En dan – de jongens en meisjes weten wel hoe het verhaal verder gaat – moeten de mensen gaan zitten. In groepen bij elkaar, zodat straks in alle orde het eten kan worden uitgedeeld. Maar eerst doet Jezus iets anders. Als Hij deze broden en visjes in Zijn handen heeft en die mensen daar allemaal op het gras zitten, dan is alles in rust en dan begint de Heere met een gebed.

Gemeente, wat is dat een ingrijpend iets, dat er staat: En opwaarts ziende naar de hemel. Daar staat de Middelaar Gods en der mensen. Hij staat er als Zoon van de Vader, Die opziet naar de hemel. Naar Zijn Vader Die de Schepper en de Onderhouder is van al het geschapene. Hij ziet op naar Zijn Vader Die in vaderlijke liefde en in vaderlijke zorg Zich over mensenkinderen ontfermt. Die Zijn schepselen als een Vader onder­houdt. ‘Meer dan een vader zorgdet Gij…’

Jezus ziet op naar Zijn Vader en Hij bidt. Hij geeft ons hier het voorbeeld. Eerst bidden! Eerst opzien tot die Vader uit Wiens milde handen alle dingen van dit leven vloeien. Uit Wiens handen wij voorzien worden van voorspoed en tegenspoed, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, loof en gras. Het komt ons niet bij geval, maar uit Zijn vaderlijke hand toe, leert ons de catechismus. Opzien tot die Vader.

Daar staat de Middelaar Gods en der mensen, als de grote Voorbidder met het brood en de visjes van Zijn discipelen in Zijn hand, voor de Vader, en Hij bidt. Hij ziet op naar de hemel.

 

Gemeente, nu is deze Jezus Die de Voorbidder in de hemel is, nog altijd bezig voor Zijn kerk en bidt Hij met uw brood en met uw visjes in Zijn hand en dan bidt Hij om uw levensonderhoud en voor al de dingen die u nodig hebt voor de tijd en voor de eeuwigheid.  Hij is de Voorbidder bij de Vader. Hij leeft om altijd voor Zijn kerk te bidden, voor alles wat zij nodig hebben naar lichaam en ziel beide.

Zo staat Jezus daar met het brood en de visjes in Zijn handen en ziet op naar de hemel. In het Johannesevangelie staat dat Hij dankte. Nu zou je zeggen: als je maar vijf broden en twee visjes hebt voor tienduizend mensen, dan is er weinig te danken en veel meer te bidden. Maar dat doet de Heere Jezus niet. Hij zegt niet: ‘Vader, wij komen tekort en nu moeten we er bij hebben.’ Er staat dat Hij dankt. Hij dankt voor dat geringe dat daar aanwezig is. God, zo zegt hier de Midde­laar, God doet het altijd goed. Ook als je te weinig hebt, dan doet God het toch altijd goed. Want de mens zal leven bij de zegen van de hemel. En als je leeft bij de zegen van de hemel, dan is het kleine groot, dan is het geringe genoeg, dan is het altijd goed wat God geeft.

 

Jezus dankte de Vader en Hij zegent de spijze. En gemeente, als Hij gaat zegenen, dan kunnen we met de geringste middelen de opdracht vervul­len.

Waar het om gaat is niet of het veel is dat u in dit leven ontvangt, ook niet of dat weinig is, maar of dat door de handen van Jezus gegaan is. Daar gaat het om. Is dat door de doorboorde handen van Jezus gegaan? Is het gezegend door Hem Die Zichzelf gegeven heeft tot een verzoening van onze zonde? Want als we het uit de handen van de Middelaar mogen ontvangen, dan is het goed. Dat is dus het belangrijkste. Heeft het in Zijn hand gelegen en wordt het door Zijn hand ons toegereikt?

 

Dan gaat Jezus dat brood breken. Brood werd nooit met een mes gesneden in het oosten, maar dat werd gebroken. Hij geeft het aan Zijn discipelen. En dan gebeurt het wonder, jongens en meisjes. De Heere Jezus breekt het brood, maar Hij blijft aan het breken en aan het geven en uitdelen, totdat niemand meer iets nodig heeft.

Hoe nu precies die vermenigvuldiging van de broden en visjes heeft plaatsgevonden, weten we niet. Dat vertelt ook deze geschiedenis niet. Dat blijft het geheim van de Zaligmaker, dat blijft het geheim van God. Al die zegen die u krijgt als die vijf broden en twee visjes overvloed in zich blijken te hebben, is het geheim van God, dat is het geheim van de Zaligmaker. Het geheim van Zijn zegen over ons werk en over onze middelen om de opdracht uit te voeren, dat geheim blijft voor de Heere. En weet u wat voor ons overblijft? Dat we met ons werk, met onze opdracht, bij Hem terechtkomen en dat in Zijn hand stellen, opdat wij het ook uit Zijn hand weer terug ontvangen.

 

Gemeente, dan zal een vermenigvuldiging zoals hier zich niet meer herhalen. Maar de Heere gaf aan Israël het manna, dat elke dag regende. Elia onder­hield Hij door de raven. Diezelfde God kan ook nu nog maken dat Zijn volk in de woestijn van dit leven onderhouden wordt. Soms met wonder­lijke middelen, soms tegen je gedachten in. Dan geeft de Heere  uitkomsten waar je niet op rekent. Dan maakt de Heere het weinige veel, dan legt Hij in het mindere Zijn zegen, dan geeft Hij in onze noden en zorgen alles wat we nodig hebben. Dan moeten wij het in Zijn hand geven en het uit Zijn hand terug ontvangen. De Heere zal het voorzien.

En gemeente, vergeet niet dat als de boer die ene korrel zaait, die dertig- of zestig- of honderdvoudige vrucht geeft, dat dat ook een vermenigvuldiging is.

 

Als de Heere gaat zegenen, als Hij gaat breken en dat brood gaat uitdelen door Zijn discipelen, dan doet de Heere dat mild. Dat is het derde wat we met elkaar overdenken: de mildheid van die gaven.

We gaan eerst met elkaar zingen, Psalm 33 vers 7, 10 en 11:

 

De grote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht,

Het gans gedrag der stervelingen;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Waar Hij heerst als Koning,

Waar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zijn Godd’lijk’ ogen

Op al ’t mensdom neer.

 

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,

En redt hun zielen van de dood;

Hij zal hen nimmer om doen komen,

In dure tijd en hongersnood.

In de grootste smarten

Blijven onze harten

In de Heer’ gerust;

’k Zal Hem nooit vergeten;

Hem mijn Helper heten,

Al mijn hoop en lust.

 

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen;

In Hem verblijdt zich ons gemoed,

Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen,

Die Naam, zo heilig, groot en goed.

Goedertieren Vader,

Milde zegenader,

Stel Uw vriend’lijk hart,

Op Wiens gunst wij hopen,

Eeuwig voor ons open;

Weer steeds alle smart.

 

3. De mildheid van de gaven

 

Want de discipelen ontvangen de brokken uit de hand van de Heere. Er staat dat de Heere het brood brak en dat Hij het aan Zijn discipelen gaf. En dan mogen zij uitdelers zijn. Geeft gij hun te eten. Die opdracht neemt de Heere niet terug.  Hij zegt niet: ‘Ja, dat is waar, dat is te weinig.’ Hij zegt ook niet: ‘Dat doe Ik wel.’ Nee, de Heere houdt Zich aan die opdracht. Dus die discipelen moeten uit gaan delen. Zij hebben de opdracht: Geeft gij hun te eten. En dan hebben ze maar één ding te doen: het over te geven in de hand van de Heere: ‘Heere, wij hebben te weinig’, en de hand op te houden om die brokken uit Zijn hand terug te ontvangen en dan uit te gaan delen. Zij zijn tafeldienaars bij deze maaltijd geworden. Ze mogen doorgeven wat zij van de Heere ontvangen hebben.

Zij behoeven de spijze niet te maken, zij behoeven ook die broden en die visjes niet te vermenig­vuldigen. Dat kúnnen zij ook niet. Maar zij mogen uitdelen. Uitdelers zijn van de verborgenheden Gods, uitdelers zijn van de menigerlei genade Gods. Daar hebt u de dienaars van het Woord, die met hun opdracht bij de Heere terecht moeten komen, in Zijn hand hun beperkte middelen stellen, maar dan uit Zijn hand ook weer terug ontvangen om uitdelers te zijn aan de schare.

 

Gemeente, zo mag dat zijn met alle opdrachten die de Heere geeft, elk werk dat Hij ons in dit leven te doen geeft. Daarvoor geldt: het in Zijn hand stellen en dan de brokken uit Zijn hand weer terug ontvangen om uit te delen.

Dan vermenigvuldigt Hij het brood zonder tussenkomst van de discipelen, maar de discipelen krijgen het wel van Hem terug en mogen het dan gaan uitdelen. Hij doet het en zij mogen uitdelen.

 

En gemeente, wat een mílde hand heeft de Heere! Want als hun hand weer leeg is, uitgedeeld is, op is, dan gaan ze weer naar Hem terug en dan krijgen ze nieuwe brokken. En de Heere blíjft geven. Zolang er die lege handen van de discipelen maar zijn, blijft Hij uitdelen. Elke keer komen ze weer terug: ‘Heere, het is op’, en dan geeft de Heere weer nieuwe brokken.

Zo mogen ook de dienaars van het Woord bij Hem terugkomen. Zo mag u altijd met uw opdracht die u van de Heere kreeg bij Hem terugkomen, je lege hand aan de Heere laten zien en zeggen: ‘Heere, het is weer op.’ En zo blijft Hij geven tot de laatste man toe.

De discipelen hebben niet kunnen begrijpen hoe Hij van de vijf broden en twee visjes alsmaar kon blijven uitdelen. Maar dat was ook niet hun zaak. Zij mogen uitdelen. Iedere keer als hun hand leeg is, mogen ze weer bij de Heere terugkomen.

Dat is een les. Als onze hand leeg is, mogen we bij Hem terugkomen en mag je weer van Hem ontvangen wat nodig is.

 

Jezus kan zo rijk en overvloedig geven. Er staat: En zij aten allen en werden verzadigd. Dat is het zekerste bewijs dat de Heere overvloedig gegeven heeft en dat Hij inderdaad die broden vermenigvuldigd heeft. Zij werden allen verzadigd. De vragers hielden eerder op dan de gevers. En de broodeters hielden eerder op dan de broodgever.

En zo is het altijd. Het is niet zo dat wij vragen en God niet geeft. Er zijn mensen, die hebben altijd aan de Heere alles gevraagd, maar God gaf het niet. Maar zo is het niet. De vragers houden eerder op dan de Gever. Altijd. Overal. Want die Gever staat eigenlijk te wachten om uit te delen. Zo is het met God gesteld. Hij staat gereed om uit te delen. En Hij wil gaarne geven, mild en overvloedig.

Gemeente, het is niet zo dat wij vragen en Hij niet geeft. Het is wel zo dat Hij geven wil en wij niet vragen. Er is bij de Heere meer om te geven dan bij ons om te vragen. Zij aten tot verzadiging toe.

 

Wat wordt er in deze geschiedenis een ruim gezicht gegeven op de liefde en de genade van de Heere Jezus! Denkt u zich eens in. Er zitten tienduizend mensen. Hij wist best dat dat allemaal geen waar zaligmakend geloof was. Hij wist tot op de bodem toe van al die mensen, dat ze daar niet allemaal zaten met hongeri­ge, begerige zielen naar het Brood des levens. Hij wist dat velen kwamen uit nieuwsgierigheid.

Maar nu laat de Heere zien, door dit ene wonder dat door de vier evangelisten wordt herhaald, de grootheid van Zijn liefde en van Zijn genade. Dat Hij met innerlijke ontferming is bewogen. Zij aten allen en werden verzadigd. Niemand ging hongerig weg. Niemand! En dan blijft Hij Dezelfde. Genadig en barmhartig, lankmoedig, groot van goeder­tierenheid en waarheid. Dat is de Heere. Daar kunt u terecht.

 

En gemeente, dan is het niet zo dat wij onszelf eerst als heiligen moeten beschouwen om bij Hem terecht te kunnen. Want Hij ontvangt zondaren, Hij ontvangt mensen die daar zaten, die misschien alleen maar uit nieuwsgierigheid gekomen waren om te kijken wat Hij met die kranken en die zieken deed. Hij heeft die schare gezien en Hij heeft geweten wat er in hun hart was en Hij heeft ze geholpen, allemaal, alle tienduizend, ze werden allen verzadigd.

Gemeente, Hij handelt nooit naar onze zonden en Hij vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Hij overlaadt zelfs vijanden met Zijn gunstbewijzen.

Dan zal niemand zich kunnen verontschuldigen. Als we aan het eind van het leven gekomen zijn, zal niemand kunnen zeggen: ‘Heere, mij hebt U overgeslagen.’ Dat zal niemand kunnen zeggen, want Hij geeft zo veel. Elke dag weer opnieuw overlaadt Hij ons met Zijn weldadigheden, zodat Hij tegen ons kan zeggen: ‘Waarom bent u niet bekeerd? Waarom bent u niet bekeerd? Paulus schrijft in de Romeinenbrief: ‘Wist u niet dat het de goedertierenheden zijn die ons tot bekering leiden?’ En waren Mijn goedertierenheden er dan niet? Heb Ik u niet brood en vis gegeven? Heb Ik niet uitgedeeld, alsmaar uitgedeeld, tot verzadiging toe?’

 

De Heere geeft aan die hongerigen brood. In de woestijn heeft Hij Zelf gehongerd. Veertig dagen lang was Hij zonder eten en drinken, en ten laatste hongerde Hem. Toen kwam satan en zei: ‘Zeg tot deze stenen dat zij broden worden. Laat zien wat U kunt!’ En toen heeft Jezus gezegd: ‘Dat doe ik niet. De mens zal niet alleen bij brood leven, maar bij alle woord dat de mond Gods uitgaat.’ Want we worden onderhouden door de zegen van de hemel, niet door brood, maar in de allereerste plaats door de zegen van de hemel.

En om wat Hij nu in de woestijn deed en weigerde, omdat Hij staande bleef, daarom kan Hij hier de hongerige schare spijzigen. Daar gaat de Heere laten zien dat Hij ten goede van de verloren schapen van het huis van Israël Zijn wonderen vertoont om hen te spijzigen, opdat zij bij Hem het leven zouden vinden. Hij alleen kan het leven geven. Niet alleen voor de tijd, maar ook voor de eeuwigheid.

Gemeente, hoe gelukkig als we zo met ons hele leven, naar lichaam en naar ziel, bij Hem mogen terechtkomen en het in Zijn hand mogen stellen. Dan zullen we hetgeen we hebben ook weer uit Zijn hand mogen terug ontvangen. En dan zal het voller en rijker zijn dan het was. Als we met ons tekort bij Hem schuilen, dan zal Hij dat tekort opheffen. Hij verandert water in wijn. Hij maakt van vijf broden en twee visjes dat tienduizend mensen verzadigd worden. Laten wij met heel ons leven bij Hem terechtkomen, want bij Hem is overvloed.

 

Want – en dat is het laatste – dan krijgen die discipelen de opdracht om de overgeschoten brokken op te gaan halen. De gaven van de Heere zijn kostbaar. De Heere zegt in het Johannesevangelie: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga (Joh.6:12). Dus daar mag niks van verloren gaan. Het is belangrijk om daar even de nadruk op te leggen.

De gaven van de Heere zijn kostbaar. Laten we zorgvul­dig omgaan met eten dat de Heere ons geeft. Laten wij het kostelijke eten ook niet minachten. Ik denk dat jullie, jongens en meisjes, opgroeien in een tijd waarin zoveel overvloed is en zoveel keus is, dat zelfs het kostelijk­ste soms niet meer kostelijk genoeg is, omdat we dít niet lusten en dát niet lusten en dát niet nodig hebben. Laten we er eens aan denken dat het allemaal komt uit de hand van Hem, Die Zijn bloed gegeven heeft opdat mensen eten zouden hebben. Zullen we daar eens aan denken, dat het bloed drupte op de aarde? En dat omdat dat dat bloed op de aarde drupte, de aarde haar gewas nog voortbrengt? Zullen we daar aan denken als we aan tafel zitten?

 

De discipelen hebben dat eten bijeenvergaderd. Twaalf volle korven zijn er over. Dan moet u die korven niet te groot opvatten. Dat waren hengselmand­jes. Mandjes waarin men in het oosten de mondvoorraad meenam voor op reis. Dat was dus eigenlijk iets voor één persoon. Als u dan ziet wat er overge­scho­ten was, dan was dat op die tienduizend mensen niet zo bar veel. Maar let u erop dat het twaalf korven zijn. Voor iedere discipel een korf. Daar was niet alleen genoeg voor deze dag, maar ook voor de dag van morgen hadden die discipelen eten. Dan is er overvloed. Niet alleen voor deze dag, maar dan laat de Heere zien aan Zijn twaalven: voor morgen heb Ik ook gezorgd. De volgende dag ligt ook in Mijn hand. Zo mogen Zijn discipelen ook de dag van morgen in Zijn handen overgeven.

 

Gemeente, wat een eeuwig wonder! Zo’n grote schare en geen honger meer. Ik denk dat dit wonder zo dikwijls wordt herhaald in de Schrift omdat Johannes een schare ziet, zó groot dat niemand hem tellen kan. Als straks de nieuwe aarde er is, dan zal Jezus een schare hebben die niemand tellen kan. En dan staat er van die schare geschreven: Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten. Dan zal er geen honger en geen dorst meer zijn. De zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte (Openb.7:16).

Daar heeft Jezus een voorschot van gegeven, een vooruitgrijpen, op de heerlijk­heid die komt. Als Hij die grote schare ziet, dan ziet Hij door die schare heen, de schare die niemand tellen kan, die eeuwig bij Hem zal zijn, die niet meer zal hongeren en niet meer zal dorsten en eeuwig bij Hem zal zijn.

Laten we dan die paar jaar hier in Zijn hand stellen, om het ook uit Zijn hand terug te ontvangen. Hier elke dag uit die doorboorde hand te leven. En God geve dat we straks voor eeuwig met Hem mogen zijn, in die eeuwige zaligheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 1 en 5

 

O allerhoogste Majesteit,

Die, in het rijk der heerlijkheid

De heem’len hebt tot Uwen troon,

Wij roepen U, in Uwen Zoon,

Die voor ons heeft genoeg gedaan,

Als onze Vader need’rig aan.

 

Geef heden ons ons daag’lijks brood;

Betoon Uw trouwe zorg in nood;

Gij weet wat elk op aard’ behoev’;

Dat ons dan geen gebrek bedroev’;

Dat nooit Uw zegen van ons wijk’,

Die maakt alleen ons blij en rijk.