Ds. A.B. van der Heiden - Lukas 14 : 15 - 24

De nodiging tot het Koninkrijk Gods

Lukas 14
De aanrichting van die maaltijd
De afwijzing van de nodiging tot die maaltijd
De vervulling van de feestzaal

Lukas 14 : 15 - 24

Lukas 14
15
En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.
16
Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.
17
En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
18
En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
19
En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
20
En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
21
En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
22
En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
23
En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
24
Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 2
Lezen : Lukas 14: 15-24
Zingen : Psalm 65: 2, 3
Zingen : Psalm 145: 3
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, het Schriftwoord dat we met de hulp des Heeren begeren te overdenken, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 14 vers 15 tot en met 24. We lezen vers 22:

 

En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied gelijk Gij bevolen hebt, en nog is er plaats.  

 

Gemeente, dit woord bepaalt ons bij: De nodiging tot het Koninkrijk Gods. Daarbij gebruikt de Heere Jezus het beeld van een groot avondmaal dat bereid is.

 

Drie gedachten:

1. De aanrichting van die maaltijd

2. De afwijzing van de nodiging tot die maaltijd

3. De vervulling van de feestzaal

 

1. De aanrichting van die maaltijd

 

Gemeente, de aanleiding dat de Heere Jezus deze gelijkenis uitspreekt is een bijzondere gebeurtenis. Die kunnen we lezen in het eerste vers van ons teksthoofdstuk. Daar lezen we: En het geschiedde als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de farizeeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.

Jezus is dus gekomen op de sabbat in het huis van een overste der farizeeërs, om daar een maaltijd, een broodmaaltijd te gebruiken. Over het algemeen is dat niet de plaats waar we de Heere Jezus aantreffen. Eerder vinden we Hem in het gezelschap van hoeren en van tollenaren en zondaren. Dat is Hem ook als een bitter verwijt naar het hoofd geslingerd: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen (Luk.15:2).

Maar soms, zoals we hier ook in ons teksthoofdstuk kunnen lezen, is Hij ook in het huis van een farizeeër, opdat ook in dát huis Zijn grote heerlijkheid en Zijn werken openbaar zullen komen.

 

Als Jezus in het huis van die farizeeër is, dan nemen zij Hem waar. Dat kunt u lezen in het eerste vers: dat zij Hem waarnamen. Dat wil zeggen: ze letten heel scherp op Hem of Hij wel de wet van Mozes houdt, of Hij al de andere inzettingen van de ouden wel stipt en nauwgezet onderhoudt. Ze nemen Hem waar om te zien of Hij niet de wet overtreedt. Ze letten heel scherp op Hem, om Hem in verlegenheid te brengen, om Hem te beschuldigen dat Hij de wet verbreekt en de inzettingen van de ouden prijsgeeft.

 

Welnu, als Jezus in het huis van de farizeeër is, dan komt daar een ernstig zieke man in dat huis. Een waterzuchtig mens. Dan vraagt de Heere Jezus aan die wetgeleerde en aan die farizeeërs, lees het maar in vers 3: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken?

Gemeente, we lezen in de Bijbel hoe nauwgezet die farizeeërs en die schriftgeleerden toezien op de stipte onderhouding van al de sabbatsgeboden. Ze hadden een hele reeks geboden aan de wet van God toegevoegd. Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt (Ex.20:8), maar daar hadden ze nog andere geboden en verboden aan toegevoegd, vele bepalingen gemaakt. Zo zelfs, dat Christus zegt: ‘Het is een juk te zwaar om te dragen.’ Maar nu vraagt de Heere Jezus aan die schriftgeleerden, aan die farizeeën: ‘Mag men ook op de sabbat iemand gezond maken, mag je op de sabbat goeddoen?’ Dan zijn ze in grote verlegenheid. Ze staan met een mond vol tanden. Er staat in vers 4: Zij zwegen stil. Want wie zou toch durven beweren dat je op de sabbat, in het bijzonder op die dag waarop God Zijn grote en heerlijke werken predikt, dat je op die dag niet goed zou mogen doen, en geen werken van de liefde en geen werken van barmhartigheid zou mogen bewijzen?

Welnu, gemeente, stilzwijgend moeten ze er getuige van zijn, als het ware knarsetandend, dat Jezus deze man op de sabbat geneest en hem naar huis laat gaan.

 

Dan gaat de Heere Jezus verder om onderwijs te geven, namelijk door een gelijkenis. We lezen in het zestiende vers: Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen. De Heere Jezus neemt een beeld uit het gewone leven: de aanrichting van een groot diner, zouden wij vandaag aan de dag zeggen. En met dit voorbeeld uit het gewone dagelijks leven wil de Heere ons onderwijzen in de geestelijke zaken van het Koninkrijk Gods.

Welnu, gemeente, een heer richt een grote maaltijd aan en hij nodigt er velen. In het evangelie naar de beschrijving van Mattheüs heeft de Heilige Geest ons ook deze geschiedenis overgeleverd. En daar wordt gesproken dat die maaltijd wordt aangericht ter gelegenheid van de bruiloft van de zoon van de koning. U begrijpt natuurlijk wel, bij zulke bijzondere gelegenheden worden er niet zomaar een paar mensen uitgenodigd, maar véle. Opdat ook velen zouden mogen delen in de vreugde van het bruidspaar en dat een groot gezelschap van gasten ook dient tot de eer van de zoon van de koning.

 

Een zeker mens, zo zegt de Heere Jezus, richt een groot avondmaal aan en nodigt er velen. En dan lezen we in vers 17: En hij zond zijn dienstknecht uit ter ure des avondmaals, om de genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

De genodigden, de gasten, waren lang van tevoren in kennis gesteld dat de maaltijd zou aangericht worden en dat ze aan die maaltijd zouden verwacht worden. Maar nu is het ogenblik gekomen dat ze hun plaats aan de tafel moeten gaan innemen.

Maar wat een ontzettend verbijsterend woord lezen we, het toppunt van onfatsoenlijkheid! En zij begonnen allen – ‘allen’ staat er, dus niet zomaar eentje of twee of drie, allemaal, niet één uitgezonderd! – En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te verontschuldigen. De een na de ander.

 

En dan hebben ze allemaal zo hun argument. We zouden ook kunnen zeggen: ze hebben allemaal hun smoes. De één heeft een akker gekocht. En als dan die nodiging komt van die maaltijd, van die bruiloft, ja, dan moet hij precies die akker gaan bekijken. En dan meent hij dat hij niet aan de maaltijd kan deelnemen, geen gelegenheid ervoor heeft.

En een ander is zo druk met zijn business, zouden we zeggen. Hij heeft vijf juk ossen gekocht, een landbouwer. In die tijd gebruikte men in de landbouw ossen die de ploeg voorttrokken. In die tijd waren er geen trekkers, jongens en meisjes, maar gebruikte men ossen om de akkers te ploegen en te eggen en al het werk op de akkers te verrichten. Die beesten moesten eerst uitgeprobeerd worden. En daarom zegt die man: ‘Ja, ik moet die beesten die ik gekocht heb eerst proberen, kijken wat ze in het werk waard zijn, dus ik kan niet komen.’

En de derde zegt: ‘Ja, maar ik ben getrouwd en dat huwelijk met mijn vrouw neemt mij zo in beslag, dat eist zoveel van mij op, ik heb geen gelegenheid om deel te nemen aan de bruiloftsmaaltijd.’

 

Gemeente, in het gewone burgerlijke leven zou het ook ontzettend kwetsend zijn, verschrikkelijk voor het bruidspaar van wie je een nodiging gekregen hebt.

Die eerste twee mensen verpakken hun afwijzing met aardige, mooie worden. Ze zeggen: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. Ze kunnen het nog mooi zeggen ook. Maar die laatste, die getrouwd is, die echtgenoot, die zegt botweg: ‘Ik ben getrouwd en daarom kan ik niet komen.’

Wat een ontzettende smaad, wat een ontzettende belediging voor die koning die die nodiging verzonden heeft. Moet je je voorstellen: je krijgt een uitnodiging van koning Willem-Alexander om deel te nemen aan een diner en je komt niet en je zegt: ‘Ja, moet je eens luisteren, ik heb er geen tijd voor.’ Het is een slag in het gezicht, wat een belediging voor hem die deze grootse maaltijd heeft aangericht en zijn vriendelijke uitnodiging verzonden heeft! Door allerlei uitvluchten wil men zich verontschuldigen om niet aan die maaltijd deel te nemen. Uitvluchten die niet steekhoudend zijn.

 

Wat wil de Heere Jezus ons nu in deze gelijkenis leren en zeggen? Wel, in de eerste plaats, als het over die afwijzing gaat, is het de eerste gedachte dat de Heere ons wil zeggen: ‘Kijk, zo is het nu gegaan met dat volk in het midden waarvan Ik verschenen ben; het volk Israël, de Joden.’ We lezen immers: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). De Zoon van God is immers in deze wereld gekomen. Hij is gekomen in het midden van het volk van Israël. En in Zijn komst laat de Heere een bijzondere nodiging tot Zijn volk Israël uitgaan. Want het is in de komst van Christus als het ware dat er een maaltijd, een heerlijke, een geweldige maaltijd door God aangericht wordt. Hij zegt het Zelf dat Hij het Brood is dat uit de hemel is neergedaald.

Dus het gaat hier in de eerste plaats over Israël, dat zo bevoorrecht is geweest met het Woord van God. We lezen in de Bijbel dat een dichter daarover zegt: ‘Zo heeft God met geen ander volk in de wereld gehandeld.’ Alle volken in de wereld ging God voorbij, maar aan Israël gaf Hij Zijn Woord.

 

Maar u begrijpt natuurlijk dat u niet moet zeggen: ‘Nou, dan zijn we gauw klaar met deze woorden, daar hebben wij geen boodschap aan.’ Nee, gemeente, het gaat hier niet alleen over Israël. De Heere spreekt hier ook over de gemeente van het Nieuwe Testament die onder het Woord van God leven mag en die de prediking van het evangelie ontvangen mag. Want de Heere vergelijkt op verschillende plaatsen van Zijn Woord het evangelieheil, de eeuwige zaligheid, met het aanrichten van een maaltijd, een diner, een tafel waarop heerlijke spijzen, heerlijke gerechten staan.

Denk maar aan de woorden van de profeet Jesaja. Jesaja zegt over die maaltijd dat het een vette maaltijd is, een maaltijd van reine wijn en van vet vol merg (Jes.25:6). Dan gaat het over de zaligheid en het heil dat God bereid heeft en over het grote wonder dat in een wereld verloren in zonden en schuld, in een wereld waarover het oordeel van God over de zonden gekomen is, de Heere in Zijn grondeloze barmhartigheid de boodschap van het evangelie laat uitgaan, waarin Hij ons predikt:

 

               Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

               Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.

 

Dat er voor verloren zondaren nog zaligheid te verkrijgen is en eeuwige behoudenis voor mensenkinderen die in zichzelf voor Gods aangezicht verloren en doemwaardig zijn. Kortom, gemeente, met die maaltijd waar de Heere Jezus hier op wijst wordt bedoeld de prediking, de verkondiging van het evangelie, waarin God het hart van Zijn liefde geopend heeft, waarin Hij de volheid van Zijn genade laat uitstallen, waarin Hij ons heen wijst naar Christus als de enige Weg, de Waarheid en het Leven, waarin Hij ons heen wijst naar wat er in Christus voor verloren zondaren te verkrijgen is, om niet, wat er in Hem bereid is: eeuwige gelukzaligheid en de eeuwige verlossing.

Hoe dikwijls hebben de profeten niet gesproken van Hem Die het Brood des levens is, als het Manna dat uit de hemel is neergedaald. En nu is Hij gekomen, in de wereld verschenen. Hij is vlees en bloed geworden. Hij is, zoals Johannes zegt, de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid (Joh.1:14). En zo is Hij in Israël verschenen.

 

En nu is het deze nodiging die tot ons komt. Want God heeft in de komst van Christus een heerlijke maaltijd aangericht. Zoals de nodiging van die koning die die maaltijd bereid heeft, is ook nu de boodschap: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. Dat is toch wat, gemeente! Komt, want alle dingen zijn nu gereed. Zou de Heere dat nu echt menen als Hij dat zegt? Twijfel er niet aan, want als God iets zegt is dat altijd waar. Wij kunnen dingen veinzen, wij kunnen soms dingen zeggen waarin een dubbele bodem zit. Maar als de Heere het zegt: Komt, want alle dingen zijn nu gereed, dan is het zo waar en zo zeker en zo ontwijfelbaar waar.

Maar wat doen we ermee? Wat heeft Israël ermee gedaan, met dat Woord van God? Er staat: ze hebben Hem niet aangenomen. De Heere Jezus zegt: De genodigden wilden niet komen. De maaltijd hebben ze versmaad.

We letten op onze tweede gedachte:

 

2. De afwijzing van de nodiging tot die maaltijd

 

Zij begonnen allen zich eendrachtelijk te verontschuldigen. Wat zijn dan de argumenten, de verontschuldigingen waarmee ze menen zich aan die vriendelijke nodiging van de koning te kunnen onttrekken? De één heeft het verschrikkelijk druk en zit midden in zijn werk. Dat is de eerste, ‘ik heb een akker gekocht’. Wat kunnen ook wij soms door ons werk helemaal opgeslokt worden. Dat we ermee opstaan en ermee naar bed gaan. Dat we midden in de nacht ook nog liggen te denken. Van de vroege morgen tot de late avond ben je met je bedrijf bezig. Of, jongens en meisjes, met je studie of met je hobby’s en je liefhebberijen. Dat we zo in al deze dingen opgaan, dat de nodiging van God en de roepstem van het evangelie veracht wordt en aan de kant geschoven wordt. Dat je in de kerk zit en je nog bezig bent met heel veel dingen van de wereld, bijvoorbeeld met je sociale media. Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

Wat kan een mens soms allerlei argumenten aanvoeren om toch maar je onbekeerd zijn te verontschuldigen, en je onwil. En, gemeente, dat moet ook eens een keer onderstreept worden: je onwil voor de Heere. We lezen in de Bijbel dat Jezus zegt: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben (Joh.5:40).

 

Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. Als we dat nog steeds gezegd hebben – en dat héb je gezegd, als je zoveel keren in de kerk en op catechisatie geweest bent, en nog steeds onbekeerd bent – besef je dan wat een belediging, wat een oneer je de Heere aandoet, Die zo dringend, zo welmenend tot u de boodschap van genade laat komen? Je wilt je verontschuldigd houden omdat je zo druk bent met dit en met dat en met van alles en nog wat. Straks, als je staat voor de Rechter van hemel en aarde, dan kunnen we geen enkele verontschuldiging meer uitspreken. Ook al verpakken we die verontschuldiging met mooie, aardige, nederige woorden: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

 

Het is het beeld van de mens die niet komen wil. Mensen die in hardnekkigheid aan de roepstem van het Woord van God en de nodiging van het evangelie voorbijgaan en helemaal opgaan in de dingen van het hier en nu, in de dingen van de wereld.

Gemeente, als u zo doorgaat, wat zal het dan tegen u getuigen dat u de nodiging van de Koning veracht hebt en verworpen hebt. O, wat een aanklacht! Het staat in de Bijbel als het ware met vlammende letters geschreven: En de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat zegt de Heere.

En nu kunnen we soms zo gemakkelijk over zulke woorden heenstappen en net doen alsof het er niet staat, er met een grote boog omheengaan en de werkelijkheid wegredeneren. En dan kunnen we er nog een Bijbeltekst bij harken ook, om te zeggen: ‘Kijk, de oorzaak ligt uiteindelijk niet bij mij.’ Want daar zijn we meesters in, dat hebben we van onze eerste vader, Adam, geleerd, om de schuld niet te eigenen maar op een ander te werpen. Adam gaf zijn vrouw de schuld en uiteindelijk God: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt (Gen.3:12). En Eva gaat in hetzelfde spoor: De slang heeft mij bedrogen (Gen.3:13).

 

Maar, gemeente, wat is het een boodschap tot ons allemaal. Ook tot jullie, jongens en meisjes in de kerk. Die nodiging tot die maaltijd, tot dat heerlijke avondmaal, de nodiging van het evangelie komt, als de Heere ons toeroept, ook in de kerk: ‘Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin heb Ik lust dat u zich zult bekeren en zult leven.’ De Heere zegt ook nu nog tot je: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart!’ De Heere zegt, en het staat ruim honderddertig keer in de Bijbel, dus niet zomaar een of twee keer: ‘Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven en niet leven, maar verloren gaan?’

O, houdt u zich steeds verontschuldigd? Verontschuldigd, omdat je het te druk hebt met je werk, je hobby of met je studie of met je gezin, zodat er geen plaats meer over is voor het Woord van God?

 

Wat staat er dan in vers 21? En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Gemeente, die dienstknecht, die onder verantwoordelijkheid van zijn heer die boodschap gebracht heeft, komt terug. En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Zo moeten de ambtsdragers en de dienaars van het evangelie het aan hun Heere gaan boodschappen als zij op de hardigheid, de onbekeerlijkheid en de onwil van de hoorders stuiten.

Elke ouderling komt het tegen op huisbezoek, op catechisatie, en elke dienaar ontmoet het in de ontmoeting met mensen: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. De één heeft zus en de ander zo, maar het komt altijd weer hier op neer: ze hebben niet gewild dat de Heere Koning over hen zijn zou. De liefelijkste nodigingen en de ernstigste roepstemmen werden veracht.

Gemeente, weet wel dat de dienstknecht van God met de uitkomst van de nodiging van dit evangelie bij hun Heere moeten terugkeren. En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Een ouderling moet op huisbezoek soms veel aanhoren: kritiek op dit en kritiek op dat, maar ook uiteindelijk zoveel onwil, afkeer en verborgen verzet tegen het Woord. Dat gebeurt gelukkig niet ieder huisbezoek. Er zijn ook huisbezoeken dat de ambtsdrager blij thuis mag komen omdat hij heeft mogen horen dat de Heere nog wil werken in het hart van een jongen, een meisje, een man of een vrouw. Maar ook dit komen zij tegen: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. Dan is het een roeping van de ouderlingen om met deze uitkomst bij de Heere terecht te komen, het aan de Heere te vertellen. En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer.

 

En wat staat er dan, gemeente? Laat dat ons niet koud laten, maar laat het ons aangrijpen: Toen werd de heer des huizes toornig. Toornig omdat de genodigden niet wilden komen. Dan lezen we in de Bijbel dat een vreselijk oordeel komen zal over allen die het evangelie van de Zoon van God ongehoorzaam geweest zijn.

Gemeente, hoort u het? Hier staat het: Toen werd de heer des huizes toornig. Diezelfde  toorn zal oneindig groot komen over allen die onder de prediking van het evangelie verkeerd hebben en die onbekeerd gebleven zijn. Dan staat dat voor ons allen als een ernstige waarschuwing: Toen werd de heer des huizes toornig. Jongens en meisjes, we hebben geen enkel excuus voor onze onbekeerlijkheid!

Toen werd de Heere toornig… Zal de bruiloftszaal leeg blijven? Zal alles een mislukking zijn? Nee, gelukkig niet. Want de feestzaal van het Koninkrijk Gods zal vol komen. Dan zegt Christus in vers 21: Ga haastelijk uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in.

 

We zingen eerst Psalm 145 vers 3:

 

Zij zullen, uit de volheid van ‘t gemoed,

Gedachtig aan de milde overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheên.

De Heer’ is goed en vriend’lijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

 

Het Schriftwoord bepaalt ons bij de nodiging tot het Koninkrijk Gods, vergeleken met de nodiging bij het grote avondmaal. We stonden met u stil bij de aanrichting van de maaltijd, in de tweede plaats bij de afwijzing van die maaltijd, en nu in derde plaats bij:

 

3. De vervulling van de feestzaal

 

Ga haastelijk uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in.

En dan zeggen onze schriftuitleggers dat daarmee in de eerste plaats gedacht moet worden aan het feit dat God Israël, nadat ze het evangelie verworpen hebben, voorbijgaat en dat Hij Zijn Woord aan de heidenen laat brengen. Aan de armste, aan de blindste, aan de allerongelukkigste heidenen die het Woord van God nooit eerder gehoord hebben. Daar zal de Heere immers voor zorgen, dat Zijn Woord gebracht wordt. Ook uit de kring van onze gemeenten mag dat gebeuren. Het is begonnen met ds. Kuijt die naar de binnenlanden van het verre Nieuw-Guinea ging , waar de mensen nog in het stenen tijdperk leefden. Waar een onvoorstelbare onkunde, armoede en ellende was. Tot aan het uiterste einde van de aarde… Blinde, arme heidenen, die zullen de feestzaal van het Koninkrijk Gods ingaan!

Want de maaltijd zal tóch doorgang vinden. Het zal geen lege bruiloftszaal zijn, daar zal God voor zorgen. En daarom zegt de Heere tot Zijn dienaren: ‘Ga ze maar nodigen en ga een heilige dwang op hen uitoefenen. Laat het niet vrijblijvend zijn, maar dwíng ze om in te gaan!’ Wie? ‘Armen, verminkten en kreupelen, die nooit eerder van het Woord van God hoorden. Ga en nodig hen!’

Die farizeeërs en die schriftgeleerden vonden zichzelf helemaal niet blind. In stomme verbazing vroegen ze: ‘Zijn wij ook blind?’ Ze hadden nooit het licht van de ontdekking in hun leven gezien. Die farizeeërs waren niet arm, die waren niet blind, die waren niet naakt en kreupel.

Zo was het in de gemeente van Laodicea ook gesteld. Als u het rapport van de kerkvisitatie van die gemeente leest in Openbaring 3, dan leest u helemaal niet van bijzondere dwalingen in die gemeente. Ze zijn rechtzinnig in de leer. Maar er is geen leven in die gemeente! Er staat dat ze rijk zijn en nergens behoefte aan hebben en nergens gebrek aan hebben, maar ze weten niet dat ze jammerlijk en arm en blind en naakt zijn. Met andere woorden: ze bedriegen zichzelf. Zo kan een kerkmens zichzelf ook bedriegen.

Als de Joden over de heidenen spraken, dan spraken ze over ‘honden’. Maar dan zegt de Heere: ‘Ga maar naar die honden toe, ga daar nou maar naartoe.’ Daaruit zal God Zijn Kerk vergaderen, uit de heidenen uit de verste delen van wereld.

 

Dan komt die dienstknecht terug, en dan mag hij zeggen: Heere, het is geschied gelijk gij bevolen hebt. Wat is dat een zegen, als een dienaar zó bij de Heere terug mag komen. Als een ambtsdrager zo bij de Heere terug mag komen: ‘Heere, het is geschied zoals U het mij bevolen hebt. Ik heb ze in Uw Naam mogen nodigen. En nog is er plaats!’

Want de feestzaal van het Koninkrijk is nog niet vol. Er moeten nog lege plaatsen worden ingenomen.

 

Dat woord ‘En nog is er plaats’ heeft in het leven van John Bunyan een bijzondere betekenis gehad. Die schrijver van dat bijzondere boek, ‘De christenreis naar de eeuwigheid’, kennen we toch allemaal wel? Die man die zoveel geleerd heeft van de Heere. Dat woord ‘En nog is er plaats’ heeft in het leven van Bunyan een bijzondere betekenis gehad. Bunyan was in een toestand dat hij verschrikkelijk benauwd en beangst werd, omdat een stem – en dat was Gods stem niet, maar dat was de duivel – vanbinnen in zijn hart tot hem zei: ‘Voor jou is er geen plaats, jij bent niet verkoren tot de zaligheid, jouw naam staat niet geschreven in het Boek van het leven van het Lam.’

Wat kan de duivel de troostleer van Gods genadige, verkiezende liefde misbruiken, om je hart afkerig en onrechtvaardig van God te laten denken, je daarmee als het ware tot de wanhoop te brengen.

Maar wat zegt de Heere? Als de Heere iets zegt, dan liegt Hij niet. En nog is er plaats! Nóg, ook vandaag, nóg is er plaats! Zelfs voor de grootste van de zondaren is er nog plaats. En de Heere zegt tot die dienaar, tot alle dienaren van het evangelie: ‘Ga uit in de heggen, in de krottenwijken, en dwing ze met een heilige drang om in te gaan. Die boodschap mag niet vrijblijvend zijn, maar dwíng ze om in te komen!’

 

Gemeente, hoort u dat de dienaar een hemelse opdracht heeft om in de prediking niet één zondaar ongemoeid te laten? Want wee de prediker die zijn hoorders makkelijk verloren laat gaan en die niet bewogen is. Maar Gods opdracht is aan elke ambtsdrager om met een heilige aandrang zielen te dwingen. Dwing ze om in te gaan! Om ze in de Naam des Heeren te nodigen, om ze toe te roepen dat ze de toekomende toorn moeten ontvluchten.

Gemeente, jongens en meisjes, als je nog onbekeerd bent, kun je er nog altijd zo gerust onder blijven leven, terwijl je zo de eeuwigheid tegemoet gaat? Want het is niet de eerste keer en ook niet de laatste keer dat het gebeurt, dat er een jongen of een meisje in de kerk zat en dat voor die jongen of dat meisje de volgende zondag Psalm 103 gezongen moest worden: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven.’ Het kan zijn dat de mensen die achter je zitten, volgende week zeggen: ‘Hoe is het mogelijk zeg, vorige week zondag zat die jongen of dat meisje nog voor mij in de kerk, en nu is hij of zij er niet meer.’ Dat is niet zomaar een theorie. Maar, jongens en meisjes, dat kan zomaar gebeuren. De dag van ons sterven kan nabij zijn, zo dichtbij. De Heere laat ons vandaag nog nodigen.

En wat lezen we dan in de Bijbel? Paulus zegt in bewogenheid: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:11). Wat kunnen we soms rustig voortleven, alsof er geen eeuwigheid voor de deur staat. Dan slapen we als het ware aan de rand van de afgrond waar we elk ogenblik in kunnen storten. Of zoals het vroeger ook wel in de preek werd gezegd: slapen in het topje van de mast. Dat je geen tijd hebt voor de Heere en Zijn dienst en ook dat je geen tijd hebt om je af te zonderen in het gebed voor de Heere.

 

Gemeente, jongens en meisjes, geloof het toch: als je onbekeerd sterft, dan wordt dit woord op een aangrijpende wijze een woord dat in vervulling gaat: Toen werd de heer des huizes toornig. Dan zal de gloed van de toorn van God zo vreselijk zijn. Het is niet mijn woord, maar het woord van God Zelf door de mond van Paulus, dat het vreselijk moet zijn om te vallen in de handen van de levende God.

Bedenk het toch eens, gemeente, en stap er niet overheen: Toen werd de heer des huizes toornig. En zullen we daarom u vandaag niet moeten toeroepen: vlucht voor die toekomende toorn! Want we gunnen de duivel er niet één.

 

De Heere zegt: ‘Dwing ze!’ U zult zeggen: ‘Ja, maar dat kan een mens toch niet, een ander mens dwingen? Dat konden ook Paulus en Petrus niet. Want ook onder hun bediening zijn er mensen verloren gegaan.’

Gemeente, de Heere zegt niet dat een ambtsdrager een hard hart breken kan, dat is altijd het werk van God. Maar dat dwingen en dat bewogen bezig zijn, dat is het middel waarvan God Zich bedienen wil. Het is de opdracht aan alle ambtsdragers die in het ambt gesteld zijn: ‘Dwing ze om in te gaan!’ Een dienaar moet met een heilige aandrang zielen aansporen en u prediken: ‘Vlied de toekomende toorn! Nog is er plaats!’

Dat kunnen we nooit krachtig genoeg, die liefelijke nodiging van het evangelie aan uw hart leggen, en u ervan verzekeren dat het waar is wat de Heere zegt: ‘Zo waarachtig als Ik leef…’ God is de God van de eed. ‘Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin dat u zich bekeert en leeft!’ Dat u dan geen harde gedachten van de Heere zult hebben!

En weet dan dat er bij God nog plaats is. Ook nu nog. Nóg is er plaats! Nóg staat de Heere aan je hart, jongens en meisjes. ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ Nog zegt de Heere: ‘Bekeert u, bekeert u, want waarom zou u sterven en verloren gaan?’

De schuld van je onbekeerd zijn kun je nooit overdragen aan de Heere. Want: Toen werd de heer des huizes toornig. Hij heeft je geroepen en je hebt nog geen antwoord gegeven. En als je zo volhardt, als je daarin doorgaat, hoe zul je ontvluchten als je op zo’n grote zaligheid geen acht geslagen hebt?

 

Gemeente, dat deze woorden toch in uw hart mogen ingaan. Buig je knieën en vraag: ‘Heere, wilt U mij overwinnen? Wilt U mijn harde hart breken, mijn blinde ogen openen, mijn stenen hart verbreken?’

Het woord ligt voor uw rekening: Nog is er plaats. Wat een wonder!

 

En waarom is er dan nog plaats? Waarom is het dat kreupelen, blinden en lammen genodigd worden? Waarom zegt de Heere nog: ‘Dwing om in te gaan’? Omdat er voor Jezus geen plaats was. Toen Hij op aarde kwam was er voor Jezus geen plaats in de herberg. Voor Hem was geen plaats, en eigenlijk was er op heel deze wereld geen plaats. Jezus had geen twee voeten grond overgehouden. ‘Kruist Hem, kruist Hem, weg met Deze!’ En zo heeft Hij de plaats verdiend voor een zondaarsvolk dat een plaats in de hel verdiend heeft. Voor Hem was er geen plaats. Er was geen plaats in de hemel, er was geen plaats op aarde meer. Hij hing tussen hemel en aarde omdat er voor Hem geen plaats was. Hij zonk weg in de afgrond van de Godsverlatenheid, opdat Hij een plaats zou bereiden voor zondaren die eeuwig door God verlaten zouden moeten worden. Hij moest uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Opdat Zijn volk nimmermeer van Hem verlaten zou worden.

Daarom, gemeente, jongens en meisjes, is er nu bij de Heere plaats voor zondaren. Nog is er plaats. Hoe kom je daar aan? Wel, als dat nu je probleem is, dan staat er in de Bijbel een mooi voorbeeld van een bruid, die zegt: Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl.1:4).  ‘Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn.’ Laat dat je gebed zijn.

Nog is er plaats! Maar als u die plaats niet inneemt, dan zal het oordeel verschrikkelijk zijn. Dan zal de toorn van het Lam over u komen. Toen werd de heer des huizes toornig. Omdat de genodigden de uitnodiging verworpen hadden. Daarom, overdenk het, gemeente, opdat u heden bewogen werd tot het geloof.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.