Ds. J.W. Verweij - Handelingen 2 : 38

Onderwerp

Een Goddelijk antwoord aan schuldverslagen zondaren
Een ernstige vermaning
Een troostrijke boodschap
Een heilrijke belofte

Handelingen 2 : 38

Handelingen 2
38
En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 38: 18
Lezen : Handelingen 2: 22-38
Zingen : Psalm 6: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 49: 1

Gemeente, in Romeinen 8 vers 14 is door Paulus opgetekend: Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.

Dat ziet op het wonder van de aanneming tot het kindschap, naar het welbehagen van de Vader, op grond van de verzoening door het bloed van de Zoon. En daaraan hebt u zich een week kunnen toetsen. Uit het Woord hebt u kunnen onderzoeken of deze dingen in uw hart en in uw leven van de hemel een plaats hebben gekregen.

Ik wilde vanmorgen uw aandacht vragen voor hetgeen er aan verbonden is, uit het tekstgedeelte wat u gelezen is, uit Handelingen 2 en daarvan vers 38. Daar geeft de Heere aan die mensen die de Geest Gods hebben ontvangen, die het niet meer weten, een Goddelijk antwoord, door de dienst van Petrus:

 

En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

 

Een Goddelijk antwoord aan schuldverslagen zondaren. Daar wijst vanmorgen onze tekst op.

 

We letten in het kort op een drietal gedachten:

1. Een ernstige vermaning: Bekeert u.

2. Een troostrijke boodschap. Luister maar wat er staat: En een iegelijk van u (die zich bekeert) worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.

3. Een heilrijke belofte: En gij (u die gedoopt bent en zich bekeerd hebt) zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

 

Dus een ernstige vermaning, een troostrijke boodschap en een rijke belofte, zetten ons stil bij een Goddelijk antwoord aan schuldverslagen zondaren.

 

1. Een ernstige vermaning

 

Hoe zijn ze schuldverslagen geworden? Door de Heilige Geest. Die van de hemel gezonden, de prediking van de apostel Petrus en de andere apostelen, aan de zielen van die hoorders heeft willen zegenen. En Die onverbloemd hun de schuld heeft aangereikt.

Luister maar wat Petrus gezegd heeft: Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden (het zijn hemelse woorden): Jezus de Nazarener, een Man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en tekenen, die God door Hem gedaan heeft in het midden van u, gelijk ook gij zelven weet (daar weten jullie van); Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde (daar is niets bij geval gebeurd, het is precies naar het welbehagen van de Vader gegaan), hebt gij genomen (jullie; en wat heb je met Hem gedaan?) en door de handen der onrechtvaardigen (hebben jullie Hem) aan het kruis gehecht en gedood. Dat is nogal wat!

Dat zegt de Heere vanmorgen ook tegen u, en tegen ons allemaal. Want niet de Joden, heeft Revius gedicht, hebben Uw kroon gevlochten en die beker gevuld, maar ík! En u? Hebt u zo de schuldbrief thuis gekregen, door de ontdekkende bediening van de Heilige Geest, dat ú Jezus Christus, vandaag en morgen, als u doorgaat op de weg van uw onbekeerlijkheid, iedere keer weer opnieuw aan het kruis nagelt? En geen acht geeft op zúlk een zaligheid die God in Hem geopenbaard heeft? Voor de zonden van Zijn uitverkoren bruidsgemeente heeft Hij Zich de schuld laten toerekenen en de helse angsten willen lijden. Daarvoor wilde Hij de dood in gaan en de dood doden. Zo heeft Hij de gerechtigheid die ten leven is aangebracht, door de weg van Zijn lijden en sterven. Déze Jezus, Die hebben jullie aan het kruis genageld!

 

En toen heeft de Heilige Geest Zich aan die boodschap verbonden. Het is gebracht waar niemand het brengen kan: in het hart des mensen. En die mensen zijn door de Heilige Geest, door het zwaard des Geestes, door het Woord van God, doorstóken geworden. En dat heeft smart veroorzaakt.

Die smart hebt u bij de aanvang van deze dienst opgezongen. Zondesmart, zondeleed en zondeberouw over dat grootste kwaad dat ik, u en jij tegen de hemel hebben misdreven. Dat we geen acht hebben gegeven op zúlk een zaligheid.

 

En wat is de vrucht? Als zij dit hoorden… Wat staat er feitelijk? Daar staat in het Grieks: als ze oren kregen om het te horen en te verstaan de dingen die des Geestes Gods zijn… werden zij verslagen in het hart.

De Heilige Geest steekt als het ware het zwaard des Geestes in hun zielen, en doorwondt hun zielen, en legt de breuk open die door hún zonden tussen God en hun zielen geslagen is. Dan wenen ze. Verslagen. Dan treuren ze over zoveel zonden en over zoveel schuld. Dan betuigen ze dat zíj daar persoonlijk deel aan hebben. En dat zíj persoonlijk in rekening staan met de Rechter van de hemel en van de aarde, vanwege de verachting niet alleen van Zijn geboden in het zondigen tegen de Allerhoogste, alsof het gewoon is dat we niet doen wat kwaad is in Zijn oog. Maar dat we ons kanten en keren tegen de openbaring van Zijn liefde, in het aangezicht van de Zoon van Zijn liefde.

En daarom werden zij verslagen in het hart. Doorstoken. Letterlijk staat dat er.

 

Hebt u zo de schuldbrief thuis gekregen? En hebt u daar over geweend en geklaagd? En hebt u uzelf bij God aangeklaagd? Want die gaan niet een ander aanklagen. Van nature zijn we bezig om een ander aan te klagen en te denken dat we veel beter zijn dan die ander. Maar de Heere Jezus zegt heel duidelijk hoe we dan de wet overtreden. Want waarin we een ander veroordelen, doen we dezelfde dingen. Maar hier wordt het waarheid in het binnenste: ‘Ik heb gedaan dat kwaad was in Uw heilig oog. Daarom ben ik, o Heere, Uw gramschap dubbel waardig. Ik erken mijn schuld die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis is gans rechtvaardig.’

Hebt u zo de schuld in uw leven thuisgekregen? En niet alleen thuisgekregen, want die schuldbrief wordt persoonlijk geadresseerd. Die gaat ú aan. Die gaat jóu aan. En waar zijn we er mee gebleven? Hebben we er mee onder God gebogen? Hebben we het oordeel dat er over uitgesproken is, aanvaard? Zijn we God toegevallen, en zijn we onszelf afgevallen? En hebben we op genade leren hopen?

 

En daarom zeggen ze dat tegen de apostelen. Want het moet er uit! Ze kunnen met die nood geen andere kant uit dan naar degenen die als een instrument gebruikt zijn om hun de zonde en de schuld te ontdekken. Ze vragen aan hen: ’Wat moet er nou gebeuren? Is er nog doen aan?’ Luister maar wat ze gaan vragen. En zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? ‘Is er nog doen aan? Het is verloren. Het is verzondigd. Onze handen kleven van het dierbare zoenbloed van die dierbare Bloedbruidegom. We hebben Hém veracht Die de enige Middelaar Gods en der mensen is. En we hebben gezegd, duidelijk met twee woorden, hoedanig ons leven naar Hem toe was: Neem weg!’

En u? Dat is ook ons getuigenis, als we nog leven zoals we geboren zijn. Als we geen acht geven op zulk een zaligheid, dan zeggen we dezelfde woorden of doen we dezelfde daden. Dan zeggen we het precies na, en we zeggen: ‘Laat Barabbas los, en laat Jezus gekruisigd worden. Ik moet Jezus niet!’ Dat is ons getuigenis.

 

Maar de genade Gods weet wel raad. Want daartoe is Jezus nu gestorven, om vijanden met God te verzoenen, en wederhorigen bij God een plaats te bereiden. En daarom hoort u de genade van de Heere Jezus Christus in de ware boetvaardigheid. Daarom mag Petrus gaan antwoorden: En Petrus zeide tot hen (dat is het hemelse antwoord tot zulke verslagen zielen): Bekeert u!

Dat is de eis die God op het hart legt, waar je nooit meer onderuit komt, en die je je hele leven meedraagt, kind van God, als de hemel je gearresteerd en staande gezet heeft, in de waarachtige bekering des mensen. Dat is niet alleen de wedergeboorte, waarmee dat wonder heeft aangevangen, maar dat is de doorgaande weg van de waarachtige bekering, om schuldenaar en zondaar voor God te blijven. Tot je laatste doodsnik. Dan ben je afbekeerd; als je verlost mag worden uit het lichaam der zonde en des doods, en door de gerechtigheid en de heiligheid en de volkomen verlossing van dat dierbare Godslam, God zult kunnen en mogen ontmoeten. Om Hem te prijzen omdat Hij het gedaan heeft! Dat is het doel, waartoe de hemel getuigenis geeft en zegt: Bekeert u!

 

Zonder waarachtige bekering vaart niemand wel. Daar moet u zich op onderzoeken, of u die waarachtige bekering kent en of dat plaats heeft gevonden in uw hart. En als u die waarachtige bekering niet kent, en dat wonder van die wedergeboorte niet kent, moet u zich niet aanmatigen om aan die tafel te gaan zitten. Want dan hebt u geen kinderdeel, gemeente. Daarom moet u zich eerlijk voor Gods aangezicht onderzoeken. En daar moeten we elkaar op blijven aanspreken. Opdat we niet door zullen vloeien, maar bij die waarheid zullen blijven, dat een verloren mensenkind alleen uit genade zalig wordt. Door de genade die God in Christus geopenbaard heeft tot waarachtige bekering.

Bekeert ú.  Persoonlijk. Dat geldt jou, die misschien meegeroepen hebt. Dat geldt jou die bij het kruis hebt gezegd: ‘Nou, kom maar van dat kruis af. Laten we zien of U inderdaad de Zaligmaker bent!’ Ja, dat geldt een ieder die in de schuld voor Gods aangezicht mag buigen en bukken, en de waarachtige bekering als het ene nodige gaat leren kennen en tot de hemel gaat roepen: ‘O God, wees mij de zondaar, of de zondares, genadig.’

Dan is er geen wonderlijker woord in de Bijbel, gemeente, dan het woordje ‘genade’. Want genade staat tegenover wat wij verdiend hebben. Wat hebben we verdiend? De eeuwige dood en de buitenste duisternis. Dat hebben wij ons waardig gemaakt. En God doet ons geen onrecht als Hij ons dat zou uitbetalen. Dan gaan we hopen op genade, en smeken om genade bij dagen en bij nachten. Is er voor zulke zondaren en zondaressen nog doen aan? Ja! Bekeert u!

 

2. Een troostrijke boodschap

 

Dan komt er een troostrijke toezegging: En een iegelijk van ú worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden. Dat is de troostrijke toezegging: Een iegelijk van ú, schuldverslagenen, kunt van de oorzaak van je vijandschap tegen God en tegen Zijn gezalfde Koning verlost worden, in de weg van de waarachtige bekering, en in de weg van het waarachtige berouw, om je zonde en je schuld aan de Heere voor te leggen, en de vergeving daarvan te gaan zoeken in die enige Middelaar, Die door jullie handen aan dat kruis genageld is. En Die voor jullie zonden heeft willen lijden en willen sterven. En Die uit de doden opgewekt is en vrijgesproken is van rechtsvervolging. En daarom móeten jullie en kúnnen jullie gedoopt worden in de Naam van Jezus.

Daar staat het: Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth.1:21). Dus die hun zonden belijden, die leren vluchten tot die enige Middelaar Gods en der mensen, die gaan niet bij zichzelf zoeken om de zaligheid te bewerken, want dat kan niet meer. Uit een verbroken werkverbond kun je met je doen en je laten niet tot de hemel komen, en kun je toch niet tot de Heilige genaken. Je kunt alleen in de weg van waarachtige schuldbeleving en schuldaanvaarding en buigen onder God en vergeving zoeken in het bloed van het Lam, de verzoening vinden, omdat Híj het gedaan heeft.

 

Er is geen andere middelaar en geen andere zaligmaker. Een andere middelaar zoeken, dat is Jezus de eer onthouden die Hem alleen toekomt. Want Hij is de enige en de volkómen Zaligmaker. Daarom gaat Hij ze ontledigen van alle pogingen om buiten Hem te trachten een verzoening  bij God op te bouwen of die te zoeken in hun doen en laten. Want daar is het niet. Het is in Jezus’ Naam alleen.

Christus, Hij is de verhoogde Ambtsdrager. Hij is de allerhoogste Profeet, Die zulke zondaren hun rechte plicht gaat verkondigen, en Die ze gaat aanprijzen en aanwijzen Zíjn priesterlijke bediening. De enige offerande waarmee Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd mogen worden door dát bloed, in de vergeving der zonden. En Die als die Priester-Koning gaat heersen in de harten van de armen, van de ellendigen, van de behoeftigen, en die voor Zijn Woord beven, en die niet getroost kunnen worden met iets wat de vergeving der zonden niet inhoudt. Want het gaat hier over de uitdelging van het zondenregister voor Gods aangezicht. Opdat de zaak tussen God en onze zielen in de weg van de ware schuldbeleving en de schuldaanvaarding en de schuldbelijdenis, récht zal komen tussen God en onze zielen.

 

Wat wordt daar overheen gewerkt, gemeente. We troosten onszelf búiten die schuldvergiffenis. Maar God zegt dat de troost alleen te vinden is ín de schuldvergiffenis. En daar troost Hij het hart mee dat schreiend tot Hem vlucht en dat ongeveinsd in het midden der ellenden zich met gebeên, vanwege zijn zonden, naar Zijne troon blijft wenden.

En wat zegt Hij nu eenvoudig: ‘Bekén alleen uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God gezondigd hebt.’ Dan ziet u geen weg meer en u ziet geen middel meer. En door de weg van de onmogelijkheid aan ’s mensen zijde, wordt de Weg en het Middel en de Middelaar verklaard en geopenbaard in de doodsnacht van uw leven. Wat een wonder, hè? Jezus Christus is onze Zaligmaker. En er is geen andere. Er is maar één Naam onder de hemel gegeven waardoor wij móeten zalig worden. En de zaligheid is in geen ander.

 

Wilt u weten wat Jezus betekent voor ter dood veroordeelden? Hij is de Opstanding en het Leven. Zij roepen in de doodsnood en de schuldbeleving uit: ‘Geef me Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’ Waar zult u het anders zoeken? Daarom zegt Hij tegen die kinderen: Doe dat tot Mijn gedachtenis (Luk.22:19). Tenzij dat gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelf (Joh.6:53). Daarop zegt die ter dood veroordeelde: ‘Amen. Dat is waar. Ik heb buiten Jezus niets anders gevonden. Buiten Hem vind ik niets dan de dood en het verderf.’

En ze komen enigszins tot de wederopstanding uit de doden, naar de woorden van de apostel. Enigszins. Maar in die wederopstanding uit de doden, als zij Hem en Zijn leven en Zijn heerlijkheid door het geloof mogen aanschouwen, gaat de ziel de ruimte kennen van de Zaligmaker, de Ruimtemaker. Hij maakt ruimte in het leven van de bedrukte van hart en de verslagene van geest, en geeft er getuigenis aan dat in Hem alleen de zaligheid is. En buiten Hem is er géén zaligheid.

 

3. Een heilrijke belofte

 

Dan gaat die apostel nog iets zeggen, gemeente, en dat vraagt onze bijzondere aandacht. En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Maar die hádden ze toch gekregen? Want door de Heilige Geest roepen ze in schuldbeleving en schuldaanvaarding en schuldbelijdenis, en leggen ze hun doodsnood voor de Heere open, door de dienst van de apostelen. Dus ze hébben de Heilige Geest toch ontvangen? Zónder de Heilige Geest is er geen levendmaking, geen zondeontdekking, geen schuldbeleving.

In de kanttekeningen staat hier bij: ‘Niet alleen de gaven van de Heilige Geest die alle gelovigen algemeen en ter zaligheid nodig zijn,  maar ook deze extraordinaire gaven die wij nu ontvangen hebben, want deze werden toen ook aan andere gelovigen meegedeeld, tot verbreiding en bevestiging van het Evangelie.’

Dus met het pinksterfeest deelt de Heere aan de apostelen en aan de ware gelovigen extraordinaire gaven, bijzondere gaven uit, om dus de verbreiding van het Evangelie, tegen alle tegenstand en opstand tegen God en tegen Zijn Gezalfde, dus meer gezag en majesteit van de hemel te geven. 

Eén van die extraordinaire gaven kunt u lezen in het vijfde hoofdstuk. Dan zie je dat als Petrus door de straten van Jeruzalem gaat, en zijn schaduw valt op iemand die ziek is, iemand die wankelt ter doding, die persoon wordt genezen. Dat is een extraordinaire gave. En die extraordinaire gaven zijn dus tot een bevestiging van de eerste christengemeenten dienstbaar geweest. Wat is er overgebleven? De ordinaire gaven, de gewone gaven. Het woord ‘ordinair’ betekent: gewoon. Extraordinair is dus: buitengewoon. Dus daarin horen we de bijzondere werking van de Heilige Geest, en de bevestiging in het geloof, bestreden en aangevochten, in de harten van Gods kinderen.

 

Wat een wonder, gemeente, dat de Heere zó voor Zijn kinderen zorgt. Toen, vandaag en morgen. En als er bijzondere verdrukkingen en bijzondere vervolgingen zijn, dan houdt de Heere er ook wel eens bijzondere leidingen op na. Dat is natuurlijk duidelijk. Maar laten we ons maar voegen tot het ordinaire, tot het gewone, tot het eenvoudige, dat God in Woord en Geest in de harten van Zijn kinderen komt te verklaren en komt te bevestigen.

En weet u wat dat ordinaire en dat gewone nu is? Heel eenvoudig, dat kan de kleinste vanmorgen begrijpen. Wie zit er nu straks hier aan de tafel? Die een recht van de Heere heeft ontvangen. Daar gaat het toch over? En die zondaar en schuldenaar voor God geworden is. En die zijn hoofd uit de gebreken, als het ware, naar de hemel niet durft op te heffen, en die nochtans tot God gaat en zegt: ‘Heere, zou er opnieuw of voor het eerst, nu een plaats zijn voor zo’n arme zondaar en zondares, die het zo verzondigd heeft? Zou U me antwoord willen geven? Ik kan niet op mijn eigen gezag aan die tafel lopen. Ik sta er buiten. Ik moet er eeuwig buiten vallen. Maar U kunt me daar een plaats geven, opdat ik Uw dood in het midden van de gemeente zou mogen verkondigen.’

Want die dood is de enige oorzaak, waardoor die ter dood veroordeelde geroepen wordt uit de duisternis en gebracht tot het wonderbaar licht. Om de Naam en de zaak van Koning Jezus te mogen verkondigen en Zijn Naam te belijden te midden van een krom en een verdraaid geslacht.

 

Het gaat toch niet om u en om uw zaligheid in de eerste plaats? Het gaat toch om de Naam en de zaak van de Koning? Opdat Hij verheerlijkt zou moge worden. Dat zulke zondaren verwaardigd zouden mogen worden om in dat eten van het brood de gedachtenis te mogen ontvangen van wat míjn zonde Hem kostte. Dat kostte Hem Zijn leven, en dat kostte Hem Zijn bloed. En zó getroost te mogen worden met de verzegeling van Zíjn werk in mijn ziel en in mijn leven, dat het mag uitlopen tot de verheerlijking van Gods Naam en tot zaligheid van onze zielen.

 

Wat een wonder, gemeente, dat de Heere nou een plaats heeft bereid bij Hem, en de gedachtenis daarvan komt te bevestigen. Dat Hij gaat zeggen: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders (Luk.22:32).

 

Amen.

 

 

Zingen: Psalm 49: 1

 

Gij, volken, hoort; waar g’ in de wereld woont,
‘t Zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond;
‘t Zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord.
Mijn mond brengt niets dan lout’re wijsheid voort,
Bij mij in ‘t hart opmerkzaam overdacht.
Ik neig het oor, daar ‘k op Gods inspraak wacht,
Naar ‘s Heeren spreuk, en zal u, op de snaren
Der blijde harp, geheimen openbaren.