Ds. J. Veenendaal - Handelingen 1 : 13 - 14

De kerk tussen Hemelvaart en Pinksteren

Eendrachtig bijeen in het bidden
Biddend bijeen met smekingen
Daarin ook volhardend

Handelingen 1 : 13 - 14

Handelingen 1
13
En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jakobus, de zoon van Alfeus, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.
14
Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 20: 1
Lezen : Handelingen 1: 1-14
Zingen : Psalm 119: 25, 41
Zingen : Psalm 34: 2, 3
Zingen : Psalm 27: 7

Gemeente, met Gods hulp komt de boodschap des Heeren tot ons uit de Handelingen der apostelen, het eerste hoofdstuk, de verzen 13 en 14. We lezen daar Gods Woord:

 

En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus en Johannes en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.

Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.

 

Gemeente, de zondag tussen Hemelvaartsdag en Pinksteren wordt in de kerk des Heeren de weeszondag genoemd.

De discipelen zijn in de tempelstad Jeruzalem teruggekeerd. We kunnen wel zeggen dat er buiten de kleine kring die hier genoemd is, maar weinigen in Jeruzalem zijn die Jezus Christus in de geest missen.

Hoe is dat bij ons? Hoe is het bij jullie, jongens en meisjes? Begrijpen jullie deze uitdrukking? Gaat het u ter harte als u God in Christus nog moet missen, gemeente? Of leven we maar zo sudderend door? Nee, dat zeggen we niet met zoveel woorden natuurlijk, maar dat leeft allemaal van nature in ons hart. Het is zo’n wonder als we Hem niet meer kunnen missen. Maar het geldt ook Gods kinderen in de voortgang van het geestelijke leven.

 

Het is wonderlijk, als ze in Jeruzalem gekomen zijn, dat niet een ieder van de discipelen zijns weegs gaat, ook niet de vrouwen, ook niet de broederen. Nee, wij zien dat ze bijeenvergaderd zijn en gehoorzaam zijn aan het bevel van de Heere: Blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte (Luk.24:49).

Immers, de Heere Jezus had hen onderwezen dat het nut was dat Hij heen zou gaan, omdat anders de Trooster, de Heilige Geest, niet zou kunnen komen.

Wat zien wij nu beoefend worden, daar in die kring? Kolossenzen 3 vers 1: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, en niet die op de aarde zijn. Zoek ze daar waar Christus is. Ze hadden de belofte des Vaders ontvangen en die belofte maakte hen werkzaam.

Er zijn mensen die met de belofte bekeerd zijn geworden. Dat is een slecht teken. Het gaat niet om de belofte, gemeente, maar het gaat om de Belóver. En als u de Belover nog mist ondanks de belofte – en er zijn geen gelovige werkzaamheden – dan moet u nog maar eens onderzoeken of u wel ooit een belofte van God hebt gekregen.

Dat komt misschien wel wat scherp over, maar het is noodzakelijk. Onze harten zijn zo bot, echt waar. We moeten soms zo scherp aangepakt worden. Je hebt niets aan een lieve dominee die je vlees streelt, want je komt er voor eeuwig mee om. En daar komt u wel achter, gemeente, als God doortrekt in uw leven.

 

De blijdschap in Lukas 24 was spoedig geweken. Het is zo vaak ook door eigen schuld en ongeloof dat de blijdschap in het leven van Gods kinderen kortstondig is. Maar we weten uit het verband van de afscheidsrede van de Heere Jezus in Johannes 14 tot en met 18, als het gaat om de komst van de Trooster, de Heilige Geest, dat de discipelen bedroefd zijn geworden.

Eigenlijk komt die bedroefdheid hier weer openbaar. Anders had de kerk deze zondag ook niet de weeszondag genoemd, waar iets van die verlatenheid, van het gemis, maar nu van de Trooster Die het stempel geeft op al de werken van de Heere, weer wordt ervaren.

Ze zijn verweesde kinderen. Dat weten we ook uit Johannes 14. Want de Heere Jezus zegt: Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u (Joh.14:18).

 

Zo hebben zij, in de zin van Psalm 42, hijgend en met heimwee uitgezien naar de vervulling van de belofte dat de Trooster hun geschonken zou worden. En als dan de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, met Zijn broederen zo eendrachtig bijeen zijn, volhardend in het bidden en smeken, zien we eigenlijk dat de Heere Jezus Christus met eerbied gesproken in de hemel der heerlijkheid verkeert in de hoogste activiteit.

Dan raakt de kerk in de hoogste ontvankelijkheid. Dat gaat dan ook samen, om lijdzaamheid te betrachten ten aanzien van de vervulling van de belofte des Vaders dat de Heilige Geest uitgestort zal worden en zal gaan inwonen in de kerk des Heeren. Men komt dus opnieuw in nood. Men ziet weer uit naar geestelijke zaken. Dat is een goed teken.

Maar er komen geen nieuwe geestelijke zaken in uw leven, kind van God, als het oude niet opgeteerd is. Zult u dat onthouden? Nieuwe geestelijke zaken zullen nooit je ziel bereiken als je nog steeds leeft uit je bekering van twintig jaar geleden. Of uit vroegere bevindingen. Niet dat het geen waarheid blijft in je hart en leven, dat is wat anders. Maar nieuwe hemelse zaken gaan weer gepaard met nieuwe nood.

Dat zien we ook weer vervuld hier in de kerk tussen Hemelvaart en Pinksteren.

 

We letten op een drietal gedachten:

1. Eendrachtig bijeen in het bidden

2. Biddend bijeen met smekingen

3. Daarin ook volhardend

 

Met andere woorden: de kerk tussen Hemelvaart en Pinksteren is een eendrachtige, biddende, volhardende kerk. In de eerste plaats dus:

 

1. Eendrachtig bijeen in het bidden

 

Langzamerhand wordt de kring groter van hen die de verschijning van de Heere Jezus Christus, Zijn dood en Zijn opstanding hebben lief gekregen. Hier zit dus een met bloed gewassen kerk. Dat moeten we niet vergeten. Die mogen weten waar hun schuld gebleven is en die zijn nu in een ontvankelijke houding voor het aangezicht des Heeren eendrachtig bijeen.

Er is een trekking van de band der liefde. Er is behoefte om het hart voor elkaar uit te storten en de grote dingen te bespreken die er geschied zijn, maar ook te wachten op de belofte van de Vader, dat ze vervuld zouden worden met de Heilige Geest.

 

Dan is het heel opmerkelijk dat hier al de namen genoemd worden van de discipelen die apostelen zullen worden. Dat heeft een betekenis, want daarmee wordt de duivel door God Zelf getart. Die namen worden niet voor niets genoemd. De kudde is weer compleet! Ze was uiteengejaagd, ze waren verstrooid geraakt en het leek erop dat de satan ging triomferen. Maar niet één van de discipelen ontbreekt, behalve de zoon van het verderf, Judas, die een eind aan zijn leven gemaakt heeft. Vreselijk!

Maar de verstrooide schapen waren weer bijeenvergaderd. Christus heeft getriomfeerd. In het hogepriesterlijk gebed, in Johannes 17, lezen we ook dat de Heere Jezus tegen Zijn Vader mag getuigen dat Hij hen allen behouden heeft, ja, behalve de zoon des verderfs, nietwaar? ‘Ik heb niemand verloren’, zegt Hij, ‘behalve de zoon des verderfs.’ Dat was Judas.

De gemeenschap der heiligen wordt hier wel op een bijzondere wijze betracht en is ook van een geheel enig en mystiek karakter. En dat ondanks de verschillen van de karakters en ondanks de invloed die dat natuurlijk ook heeft op het gemeenschapsleven. En als zij ingekomen waren gingen zij op in de opperzaal. Dan worden ze met name genoemd. Dan zien we ook iets van het wondere van Gods werk in de onderscheiden discipelen. Een openbaring van het geestelijke leven.

 

Petrus; ja, de man van het initiatief. Geen halfslachtig figuur. Hij ging altijd recht op zijn doel af. Eerst wordt hij in de Bijbel Simon genoemd, dan Simon Petrus, en hier wordt hij Petrus genoemd. O, door de leiding van Gods Geest heeft die man diepe wegen moeten gaan en heeft hij ook een diepe doorleving gehad. Waarvan? Dat, als Simon Petrus ook na ontvangen genade aan zichzelf overgelaten was geworden, hij voor eeuwig verloren was gegaan. Menselijkerwijs gesproken.

De Heere had hem vastgehouden. Hij was op de zeef van de duivel geweest, ook vanwege de verloochening van zijn dierbare Meester. Hij had een diepe ervaring van zijn zwakheid moeten meemaken. Zijn geestelijk leven was daardoor op een ontzaglijke wijze verdiept, gelouterd en geheiligd.

Als hij de rede mag houden op de pinksterdagen, komt dat wel openbaar. Ook in zijn gedrag tegenover het Sanhedrin. Maar vooral in zijn brieven treedt naar voren hoe hij geheiligd en gelouterd was geworden. Hoe hij de kerk erop wijst om met ootmoedigheid bekleed te zijn. Want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. O, die oproep om ons te vernederen onder de krachtige hand Gods! En zo zal Hij u verhogen te Zijner tijd.

 

Jakobus, de zoon van Zebedeüs. Een broer van Johannes. De eerste martelaar onder de apostelen. Om het getuigenis van Jezus Christus is hij de marteldood gestorven. Deze Jakobus werd wel genoemd een zoon des donders. Een Boanerges. Net als Johannes, hoewel die in de Bijbel bekend staat als een fijnbesnaarde ziel en een begaafde geest, die vaak in eenzaamheid, in stilheid verkeerde.

We kunnen wel zeggen dat met name dus deze drie, Petrus, Johannes en Jakobus, de Heere het naast stonden. Ze zijn met z’n drieën meegenomen op de berg der verheerlijking, waar ze drie tabernakelen wensten te bouwen.

Het was goed om daar te wezen, nietwaar? En wat heeft met name Johannes door het geloof mogen inzien in het grote mysterie en geheim van Jezus, Wie Hij was als Persoon. Hij heeft naar Johannes 1 vers 14 de heerlijkheid van de Zoon des Vaders diep mogen aanschouwen: En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.

U ook, gemeente? Volk van God, hoe staat het ermee? Waar ben je nou mee bezig in je hart? Waar gaat je ziel nou naar uit? Ben je nog steeds aan het wroeten in jezelf, of mag je uitgaan uit jezelf om op Hem te mogen leren zien en je geheel te verlaten op Zijn bloed en gerechtigheden? Want die zijn de losprijs, anders geen.

 

Daar zaten ze, in de Heere aan elkaar verbonden.

 

Andreas, de broeder van Petrus. Die man ontving de fijne, bijzondere gave om andere mensen tot Christus te leiden. Dat was ook zijn begeerte. Hij heeft ook zijn broer tot de Heere Jezus mogen leiden. Dat zal toch een wonder zijn, als je voor je broer gebruikt mag worden, of voor je zuster? En hij mocht dus zo het middel voor Petrus zijn. Een dienaar des Woords, die als een herder ook in een persoonlijke omgang met zijn kudde een zegen om zich heeft verspreid.

Een dominee moet niet op de ivoren toren van de kansel blijven staan. Die moet temidden van zijn gemeente functioneren. Die moet de schapen van de kudde bezoeken, jongeren en ouderen, groten en kleinen. Hij moet bij de mensen zijn.

Zijn ambt moet wel geëerd worden, maar verder is hij mens onder de mensen. Aan gewichtige dominees heb je niks. Die leven meestal in ivoren torens. Daar durf je niet eens in de pastorie naar toe. Ik vind dat zo erg! Alsof die deur gesloten moet blijven. Gewichtige predikanten houdt God er niet op na, hoor. Wij wel. Maak ze ook maar niet gewichtig. Dat was Andreas ook niet. Hij bewoog zich midden tussen zijn medezondaren en -zondaressen. Hij was een instrument om ze tot Christus te mogen leiden.

 

Filippus, uit de stad van Andreas en Petrus. Hij had alles verlaten, was Jezus gevolgd. Maar ja, die jongen moest nog zoveel leren hè. Toon ons de Vader, zegt hij tegen de Heere Jezus. En de Heere Jezus zegt: ‘Filippus, luister nou toch eens, jongen. Ben Ik nou zo lange tijd bij je geweest en ken je de Vader niet? Ik en de Vader zijn Eén.’

Daar heb je weer zo’n heilgeheim hè, dat voor Filippus nog verborgen was. Voor een kind van God kunnen nog zo ontzaglijk veel dingen verborgen zijn.

Dan gaat de Heere Jezus hem onderwijzen. En dat onderwijs is tot zegen voor Filippus geweest.

 

En dan Thomas… Thomas, de zwaarmoedige, hij die de dingen zo ontzaglijk ernstig opnam en aangegrepen werd door de tragiek van het leven. Maar als hij uit de ban van het ongeloof verlost wordt, gaat hij al de andere discipelen in het geloof voorbij. En dan mag hij uitroepen: Mijn Heere en mijn God (Joh.20:28). Wat een wonder van genade! Thomas, een oprechte, diep gevoelige natuur. O, en toch schittert zijn geloof op bepaalde momenten uit boven het geloof van al de anderen.

 

Bartholomeüs; wie is dat? Nathanaël; een man van wie de Heere Jezus getuigde: Zie, waarlijk een Israëliet in welke geen bedrog is (Joh.1:48). Ja, dat zijn aangename mensen. Je weet precies wat je aan ze hebt. Heel wat mensen stellen zich bedekt op, hè? Ja, soms ook Gods kinderen. Je moet trekken om eens te weten hoe die man, die vrouw in elkaar zit. Dat belemmert de gemeenschap.

Open zijn! Eerlijk wezen! Dat was Nathanaël ook. Een man in wie geen bedrog was. Ook vandaag in het kerkelijk leven is dat een zeldzame figuur, hoor! We zijn soms zo bezig om ons standje op te houden, maar we zijn stank in de neusgaten Gods hoor!

Verbeeld je maar niks en loop maar niet met je borst vooruit, ook niet in het kerkelijke leven. Want als God je gaat ontdekken wie je bent en blijft na ontvangen genade, ach mens, dan weet je niet hoe diep je moet buigen en bukken voor de Heere en dan walg je van jezelf.

 

We gaan verder: Mattheüs; Levi, de tollenaar, ja. De schrijver van het evangelie. Een toonbeeld van Gods reddende genade, een levende prediking dat Christus gekomen is om zondaren zalig te maken.

 

Dan Jakobus, de zoon van Alfeüs. Waar wijst die man op? Op de praktijk van de godzaligheid. Ja, je kunt wel zeggen dat je een gelovige bent, je kunt wel zeggen dat je een kind van God bent, maar toon me dat maar eens uit de vruchten. Laat maar eens zien dat je een lichtend licht bent en een zoutend zout, zegt Jakobus. Ook in de tijd van Jakobus waren er die de naam hadden dat ze leefden, maar dood waren. Hij zegt: ‘Laat dat nou eens zien in de vrucht!’

De praktijk der godzaligheid. Je zou kunnen zeggen: het christendom van de praktijk. De ethische zijde van de religie, zeggen we Bijbels-theologisch. Dan wordt de leer door het leven bevestigd. Wijlen ds. F. Bakker, bij wie wij op de belijdeniscatechisatie zaten, zei vaak: ‘Jongens, meisjes, denk er om dat je belijdenis, de leer die je geleerd hebt, versierd moet zijn met een christelijk godzalig leven. Dat wil de Heere schenken. Daar moet je om smeken hè, dat je niet alleen rechtzinnig in de leer bent, maar dat je ook in de praktijk van het christelijk leven openbaar komt.’

Simon Zelotes; de Martha-figuur onder de discipelen. Een bezielend voorganger; waken zolang het dag is.

 

En Judas, de broer van Jakobus, Lebbeüs, de man van het hart die streed om het geloof, eenmaal aan de heiligen overgeleverd. Strijd voor het geloof, zegt hij. Die mensen zijn ook nodig. Dat zien we aan de leer, gemeente. We mogen wel bidden of de Heere aan de kerk in Nederland mannen wil schenken die qua leer en leven der godzaligheid er met kop en schouders boven uitsteken om concreet leiding te geven aan het kerkelijke, geestelijke leven. Judas, die strijdt voor het geloof, eenmaal de heiligen overgeleverd.

 

En allen in Christus verenigd, dat is het schone. Kostelijk als je zo de gemeenschap der heiligen zichtbaar voor je ziet. De genade heeft de natuurlijke gave gelouterd. De veelvormigheid van karakters komt het koninkrijk der hemelen ten goede. In de veelheid zijn ze toch één met de vrouwen die Jezus gevolgd waren: Maria Magdalena, Salome, Maria de moeder van Jakobus en Johannes, en Maria de moeder van Jezus.

Ze worden met hun namen genoemd. En ze waren eendrachtig – letterlijk staat er in het nieuwtestamentische Grieks: eenmoedig, eenstemmig – als één man bijeen. Ze zijn één in een levend gemis vanwege de persoon des Heiligen Geestes, één in de nood van de vereenzaming.

 

Ze waren in de nood opnieuw geestelijk arme mensen geworden. Ik heb het al gezegd: ze konden uit het verleden niet meer leven. Net als dat kind van God die wenend zijn vriend ontmoette, die zei: ‘Jongen, wat is er toch aan de hand, waarom huil je?’ Hij zegt: ‘Het is alweer drie dagen geleden dat ik de dadelijke gemeenschap met de Heere kende, en nu moet ik dat missen.’

Wij houden het weken, maanden en jaren uit om de gemeenschap met God in Christus te missen. Ja, de godsdienst begrijpt hier niets van hoor, want die heeft iedere dag leven aan de ziel. Maar nochtans getuigt het tegen ons dat we zo terug moeten denken wanneer die dadelijke gemeenschap met de Heere was.

Maar die man weende. Het was drie dagen geleden en nu stond hij weer in de nood en het gemis. En zo behoort het te zijn, maar zo is het niet. Dat getuigt tegen ons, gemeente.

Als het manna in de woestijn geschonken werd, werden ze dagelijks verzadigd en met manna, het hemelse brood, verzadigd. En als ze het stiekem bewaarden voor de volgende dag, dan zat het bederf er in. Werd dat maar meer beseft, gemeente. O, werd dat maar meer beleefd. Het oude moet opgeteerd zijn, anders kan het nieuwe niet komen.

 

Gemeente, ze zijn in de nood, maar ze komen in die nood als één ziel openbaar, nietwaar? Er is zoveel traannood, er is zoveel beschouwend gemis, er is zoveel nederige hoogmoed. Ja, ga jezelf maar na. Ik preek ook tegen mezelf! Ik zeg: ‘O God, wat een walgelijk schepsel. Maak ons toch waar, maak ons toch eerlijk voor Uw heilig aangezicht, Heere.’ Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u (Joh.14:18). Het is net of Ik van u heen ga, anders kan de Trooster, de Heilige Geest, niet komen. En als de Heere het nieuwe uit genade weer gaat geven, is het altijd meer dan het laatste daarvoor.

 

Ze zijn niet meer twistend bijeen: ‘Ik heb meer geleerd dan jij, hoor!’ ‘O, zo? Het is enkel genade hoor man, ik zou me er maar niet op verheffen.’ Ja, twistend bijeen wie de beste plaats aan de rechter- en aan de linkerhand van de Heere Jezus zou ontvangen. Hoogmoed in de kerk is verschrikkelijk. En hoogmoed onder Gods kinderen is o zo erg. Wat wordt de Heere daarmee verdriet gedaan. En wat wordt daardoor de gemeenschap, ook onder Gods kinderen, op een verdrietige wijze verbroken. Maar hier is de kerk op zijn best, omdat ze recht verweesd in nood is. En dat geeft gebed. Daarbij bepalen we u in de tweede plaats:

 

2. Biddend bijeen met smekingen

 

Deze allen waren eendrachtig, volhardend in het bidden en smeken met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, met Zijn broederen. Het gebed, de sleutel tot opening van de Schriften. Maar ook het gebed als middel, dat als u werkelijk een belofte van de Heere hebt gekregen om daar gelovig mee werkzaam te mogen zijn en blijven opdat de Belover gekend mag worden van de belofte.

Ja, er zijn tegenwoordig zoveel mensen bekeerd met een belofte. ‘Ja, ik heb wel eens een belofte van de Heere mogen krijgen, wel eens meerdere beloften…’ Ja, maar ken je ook de Belóver, ken je ook God in Christus als de God van volkomen zaligheid? Weet je je ook gewassen en gereinigd in Zijn bloed? Weet je je ook bekleed met Zijn gerechtigheid? Mag je God in Christus als je Vader leren kennen en de Heilige Geest als Trooster? In deze kerk gaat nu in vervulling: ze liepen als een stroom Hem aan, Hij liet hen nimmer schaamrood staan, Hij wendde straks hun lot. Dat is een van de kenmerken van een waar gebed hè, dat smekend biddend te zijn, nietwaar?

 

Ze zijn eendrachtig; je kunt ook zeggen: het is een gebed in liefde. Jazeker, maar het is ook een gebed waarin ze gelijkgezind zijn in het bidden en smeken. Het bindt hen samen aan de troon van Gods genade. En als Christus’ werk voor Zijn kerk dus voortgaat in de hemel, dan komt die kerk, heb ik gezegd, ook in heerlijke ontvankelijkheid. Als Christus de liefde gaat opwekken, dan gaat de kerk verlangen. Verlangen naar nieuwe hemelse zaken, en dat uit enkel genade.

Christus Zelf had de Vader gebeden dat de Trooster zou komen. Dat weten we. Maar nu luisteren: al heb je nu een belofte gehad en het gebed van Christus is daar aan verbonden, want al de beloften Gods zijn in Christus Jezus ja en amen, Gode tot heerlijkheid, sluit dat jouw gebed niet uit, sluit dat uw gebed niet uit! Nee, dat gaat samen op. De kerk verkeert hier in de binnenkamer van het gebed. Hier zien we dat de Heilige Geest Zich moet beroepen op de Geest.

Kinderen van God in ons midden, dan buig je je knieën, dan kom je met je armoede en met je leegheid op je knieën terecht en dan weet je nog geen gebedje te vinden. Dan lig je misschien wel vijf minuten zonder gebed, zonder een zucht op je knieën. En dan roep je in één keer uit: ‘Heere, schenk me een gebed om een gebed.’ Dat kennen we toch: ‘Heere, geef me een gebed om een gebed’?

En als je dan eens ervaren mag dat de Heere door Zijn lieve Geest dat gebed schenkt, dan zeg je later: ‘Hoe is het mogelijk dat ik toen kon verwoorden waar het me ten diepste in mijn hart, in mijn ziel om te doen was, en dat ik dat allemaal aan de Heere bekend kon maken!’ Dan heb je een gebedje van boven gekregen, echt. En dat zal de Heere op Zijn tijd en wijze ook verhoren.

 

Ze bidden hier om de volheid van de Geest. En waarom? Gods kinderen hebben gelijk hoor, dat is geen gezelschapspraat. Laat ze maar praten, de mensen die dat zeggen. Die kennen er zelf niets van. De Heilige Geest leren we het eerst kennen in Zijn werkingen en het laatst in Zijn Persoon. En het is een hele grote genade als we de Heilige Geest als de Trooster, als de Persoon des Heiligen Geestes voor eigen hart mogen kennen.

Het gaat hier, heb ik gezegd, om de kerk, gewassen in het bloed van Christus, die de Persoon van de Heilige Geest nog missen, de verzegelende Geest, Die het zegel zet op al de weldaden en zaken die God in het geestelijk leven heeft gewerkt en geopenbaard.

Ja, daar gaat het de kerk om, de Geest der aanneming tot kinderen in Zijn Persoon te leren kennen, door Welke wij roepen: ‘Abba, Vader!’

 

Wat denkt u ervan, kinderen van God, dat de Heere Jezus tegen de discipelen, die toch getrokken waren, ze waren wederom geboren, ze hadden omgang met de Heere Jezus, ze hadden profetisch onderwijs van Hem gekregen, het priesterlijke werk was nog verborgen voor het grootste gedeelte voor hun hart en leven, en dat de Heere Jezus zegt: ‘Tot nog toe hebben jullie in Mijn Naam niet gebeden.’

Hadden die mensen dan nog nooit gebeden? Wat dacht u, een ziel die tot God bekeerd wordt, bidt in het begin wat af: ‘Heere, wees me genadig, Heere, onfermt U Zich, Heere, zou het nog kunnen, is er nog doen aan?’

Maar om te leren bidden in de Naam van Jezus, dat kan hij nog niet. Hij zegt natuurlijk wel: ‘Om Jezus’ wil’, maar hij weet nog niet wat hij zegt. Want bidden in de Naam van Jezus betekent gelovig gebruik maken van Zijn bloed en gerechtigheid. Om in die verse en levende weg die Hij in Zijn vlees geopenbaard heeft, tot God te naderen. En dan zegt de Heere Jezus: ‘Als gij in die Naam zult bidden, dan zal de Vader u verhoren.’

Ja, er ligt onderscheid in het bidden. En nu mogen ze ook in de Naam van Jezus bidden. Ze pleiten op Jezus’ volbrachte arbeid, op Zijn eeuwig geldende offerande, op Zijn zegepraal. De Naam Jezus is de sleutel waarmee de poort des hemels voor de weeskinderen geopend zal worden.

 

Het is ons mensen van nature, en vele kinderen des Heeren, vaak nog vreemd om zo te mogen bidden, om zo gelovig gebruik te maken van die verse en levende weg in Zijn bloed, om te naderen tot de troon der genade en verhoring te ontvangen. Dat mochten ze hier doen. Ze hadden de belofte des Vaders. Christus had gebeden, maar hun gebed sluit dat niet uit.

In de wedergeboorte gaat de mens leren bidden, zeker, om genade. Dan krijgt hij eigenlijk ook losmakende genade van de aarde en binding aan de hemel. Maar in het wedergeboren hart is vaak nog de geest der dienstbaarheid, de geest der vreze. Niet de kinderlijke vreze, maar vreze voor de hel, vreze voor de toorn, enzovoort.

En nog steeds vreze om met de wet in de hand tot God te naderen om met Hem verzoend te worden. Dat is de geest der dienstbaarheid. Dat is niet de geest der vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Dat worden ze door genade later, als ze Hem in Christus mogen kennen als de God van hun zaligheid. Er is nog zo weinig besef dat we niet gekomen zijn tot de tastelijke berg, het brandende vuur en de donkerheid en de duisternis en het onweder, maar dat we gekomen zijn tot de berg Sions en de stad des levenden Gods, het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen.

 

De hemelvaart van Christus is ons geopenbaard om dat sluimerbesef te verlevendigen. En de Naam van Jezus is aan de kerk gegeven om haar in haar gebeden te vervrijmoedigen dat Jezus mijn Jezus is. Niet de Jezus van een ander, maar dat Hij door genade mijn Jezus is en dat ik door mijn Jezus tot God mag gaan, omdat Hij volkomen zalig kan maken, omdat Hij altijd leeft om voor Zijn volk te bidden.

Dan is Hij mijn Voorspraak en dan hoeft de reinheid en de glans des hemels ons niet te verschrikken, want Hij, Die inging met Zijn eigen bloed, heeft Zijn kerk gewassen in dat bloed. En de Zijnen zijn bekleed met het smetteloze gewaad van Zijn borggerechtigheid. Door één offerande heeft Hij volmaakt geheiligd degenen die tot God gaan. Dat zijn nadere weldaden hoor, kinderen des Heeren, dat zijn nadere weldaden.

 

Gemeente, het bidden wordt smeken. Want God zal Zijn Heilige Geest alleen hen schenken die Hem daar dag en nacht om bidden en smeken, maar ook daarvoor danken in een levend vertrouwen dat de Heere Zijn belofte zal vervullen.

Is dat ook bij u zo? Het geloofsleven en het geestelijk leven van een kind van God wordt aangerand omdat je altijd maar weer toegeeft aan het ongeloof hè: zou het wel waar zijn, is God wel met me begonnen, heb ik wel een aandeel aan Zijn genade? Dat doet het geestelijke leven inzinken. Dan geven we voet aan de duivel. O, dat ongeloof, die twijfel…

 

Ja, er zijn ook dominees en kinderen des Heeren die zo ‘godzalig’ zijn dat ze telkens maar twijfelen en ongelovig zijn aan het werk des Heeren. Daar is niets godzaligs aan hoor, echt niet waar. Dat de kerk met twijfel en ongeloof te maken heeft weet ik ook wel. Maar het gaat er om God te houden voor een waarachtig Man.

Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Zou Hij Die het beloofd heeft, het niet op Zijn tijd vervullen? Is Hij het niet waardig dat u gelovig bidt en smeekt aan de troon van Zijn genade en Hem Zijn Woord voorhoudt? Dat heeft David ook gedaan:

 

Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,

Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;

Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;

Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;

Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd,

Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

 

 

Want daar gaat het om, gemeente, kinderen des Heeren in ons midden, de Belover te mogen leren kennen, gelovig Hem achteraan te kleven met bidden en smeken. En dat volhardend.

 

Voordat we nu overgaan tot onze derde gedachte, zingen we eerst Psalm 34 het tweede en het derde vers:

 

Komt, maakt God met mij groot;

Verbreidt, verhoogt met hart en stem

De nooit volprezen naam van Hem,

Die ons behoedt in nood.

Ik zocht in mijn gebed

De Heer’ ootmoedig met geween;

Hij heeft mij in angstvalligheên

Geantwoord, mij gered.

 

Zij sloegen ’t oog op God;

Zij liepen als een stroom Hem aan;

Hij liet hen nimmer schaamrood staan,

En wendde straks hun lot.

Hij, die door smart op smart

Gedrukt werd, zond tot God zijn beê;

Terstond verdween ’t ondraagbaar wee

Uit zijn benepen hart.

 

3. Daarin ook volhardend

 

Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;

Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft,

Zijn gunstgenoot, van blijden troost en vree,

Mits hij niet weer op ’t spoor der dwaasheid treê.

Voorwaar, Gods heil is reeds nabij ’t geslacht

Hetwelk Hem vreest, en Zijne hulp verwacht;

Opdat er eer in onzen lande woon’,

En zich aldaar op ’t luisterrijkst vertoon’.

 

Ja, gemeente, als een lichtend licht en een zoutend zout in deze ondergaande wereld.

Wie was dat, een stad op een berg? Een licht op een kandelaar kan niet verborgen blijven. Als we alleen maar vervuld zijn van het hemelse en niet meer van het aardse, dan is onze wandel in de hemel, van waaruit wij de Zaligmaker verwachten. Ja, dan gaat het goed, hè?

Volhardend; ja, daar komt het op aan, want de drie doodsvijanden zitten niet stil hoor: de duivel, de wereld, de zonde, enzovoort. En die weten dat het gebedsleven van de kinderen Gods de ademtocht van hun ziel is. En die ademtocht moet weggenomen worden, zegt de duivel. Dat gebed moet staken. Nee, ze waren volhardend in het bidden en smeken, maar ook in het uitzien naar de vervulling van de beloften.

 

Ja, tien dagen hebben ze moeten wachten. Dat is net als het getal zeven, het getal van de volheid, de tijd van Gods welbehagen. Wie het bidden opgeeft – en dat probeert de duivel van binnen hoor, dan komt de zonde en de zondige wereld in je op – maar wie het bidden opgeeft, gemeente, omdat hij niet dadelijk verhoord wordt, wat toont hij daarmee? Dat zijn nood niet diep genoeg is. Die is nog houdbaar. Dat kun je lang volhouden hoor, die houdbare nood.

Het was hier een onhoudbare nood, net als bij die weduwe die haar recht zocht bij de rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag. Ja, maar dat zijn ontaarde schepselen! Dat zijn van die Gallio’s, weet je wel. De nood van een ander interesseert hen helemaal niet. Maar zij hield vol. Telkens kwam ze weer terug: ‘Doe mij recht!’ Op het laatst zegt hij: ‘Ik word dol van dat mens, ik krijg er wat van!’ Ja, de gestadige druppel doet de hardste steen uithollen.

 

Volharden…

Philpot zegt in een van zijn preken: ‘Hoe komt het toch dat jullie zo weinig antwoord op jullie gebeden krijgen? Omdat je niet volhardend biddend, smekend uitziet naar het antwoord. Hoe komt het toch dat, als je nood de Heere bekend gemaakt is en je je lasten bij Hem hebt neergelegd, en een half uur later heb je die last weer op je rug? Omdat je die niet bij God gelaten hebt.’ Dan loop je weer te zuchten en te kermen, want je hebt het niet bij de Heere gelaten.

 

Aan al die mensen was de belofte des Vaders gedaan, en die heeft een toebereide plaats in het hart ontvangen. Maar ze moeten wachten. Dat is moeilijk!

‘Ja, dokter, ik had afgesproken dat u mij om twee uur zou helpen, maar het is nu al half drie, ik heb een half uur moeten wachten.’ ‘Ja’, zegt de dokter, ‘maar de patiënt die voor u was, had nogal wat onderzoek nodig.’ Wachten is toch zo moeilijk, hè. Maar het is een oefenschool!

Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3).

Maar ik zal uitzien naar de Heere, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen (Micha 7:7).

Dat is geloof! Geloof oefenen op de beloften, in een zalige inleving van je armoe en je leegheid, in het beoefenen van lijdzaamheid. Bezit uw zielen in lijdzaamheid. ’Leven op de belofte’, zegt Alexander Comrie in de Eigenschappen des Geloofs, ‘dat betekent dat je een diepe leegheid en armoede constateert in jezelf. Maar je bent rijk in God als je gelovig werkzaam mag zijn met die toegezegde belofte.’

Ja, daar komt het op aan. De discipelen willen in de belofte de Belover ontmoeten. Zo worden de harten gelouterd en gezuiverd, want het gaat hen om de beloofde zaak. Aan mijn kant geen recht hoor, aan mijn kant geen aanspraak, maar van waaruit ontvangt de ziel vrijmoedigheid? Ja, vanuit het spreken des Heeren, vanuit het Woord des Heeren.

Maar weet u, de vervulling hangt niet van u af, ook niet van uw bidden. Het gaat wel in de weg van het bidden en smeken, maar het hangt af van de Belover. Is dat geen wonder? Ja, van de Belover. Want als Hij het beloofd heeft, dan doet Hij het.

 

Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan (Mal.4:2). Je kunt op verschillende wijze over die gerechtigheid spreken. Maar ook dit: dat de Heere rechtvaardig is jegens Zijn volk om Zijn Woord te vervullen. En als je dan ongelovig bent, en twijfelt? Nou, laat ik het maar heel eenvoudig zeggen: dan doe je de Heere heel veel verdriet aan. En dan moet je nog eens een poosje langer wachten op de vervulling van de belofte, zegt John Owen.

Ja, zo liggen de zaken. Eigen schuld, eigen schuld. Want het ongeloof houdt God verdacht in al Zijn liefde, trouw en macht. En dat ongeloof is de officier van alle geestelijke kwalen in mijn ziel.

Gemeente, kind van God, echt waar hoor, bezit uw zielen in lijdzaamheid. En de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk. Abram heeft 25 jaar moeten wachten op de vervulling van de belofte. Tegen hoop op hoop geloofd, dat God doen zou wat Hij beloofd had.

 

Tien dagen; tien dagen moesten ze wachten; de tijd van Gods welbehagen. Geen rechthebbend mens. Dat werkt ootmoed, maar ook hoop en verwachting, in doorleefde onwaarde en afhankelijkheid.

En zo leert ook een ziel – luister goed! – verlost te worden van het leven op haar gestalten, bevindingen en ervaringen. Het leven op een goede gesteldheid van de ziel is een vorm – niet schrikken – van eigengerechtigheid. Onthouden hoor: van eigengerechtigheid. Dan leef je op je gestalten, op je aangename gevoel, maar niet uit Christus.

Dat is een stukje eigengerechtigheid. Daar walgt de Heere van. Niet boos worden hoor, want ik ben net zo slecht als jullie. Deze man heeft het soms nog: och ja, als ik het nou maar gevoelen mag, als ik het nou maar ervaren mag, als ik het nou maar bevinden mag, als ik nou maar een goede gestalte heb…. Eigengerechtigheid!

 

De dood op jezelf leren schrijven en je verlaten op het bloed en de gerechtigheid van Christus, dat is Gode aangenaam, nietwaar? God schenkt Zijn genade onafhankelijk van heel ons gestaltelijk leven. Omdat de Heere Zich door Zijn Woord aan mijn ziel heeft verbonden, zal ik gelovig werkzaam zijn met het Woord. Dat Woord, zegt Luther, waarop wij bouwen en waarop wij vertrouwen, dat evangeliewoord. Heere, U hebt het toch Zelf gezegd, U bent toch een Waarmaker van Uw Woord? Aan mijn kant geen recht, aan mijn kant geen waardigheid, maar U hebt het toch gezegd, U bent toch een Waarmaker van Uw Woord?

 

De tijd wordt rijp, de nood loopt op, de vervulling is nabij!

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.

 

Ze zijn niet beschaamd geworden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 27: 7

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.