Ds. J. Veenendaal - Lukas 12 : 13 - 21

De dankdag van de rijke dwaas

Lukas 12
Een misleidende waan
Een onuitsprekelijk verlies
Een ernstige vermaning

Lukas 12 : 13 - 21

Lukas 12
13
En een uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg mijn broeder, dat hij met mij de erfenis dele.
14
Maar Hij zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld?
15
En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.
16
En Hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;
17
En hij overleide bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.
18
En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen;
19
En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.
20
Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
21
Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 7, 8
Lezen : Lukas 12: 13-21
Zingen : Psalm 103: 1, 2
Zingen : Psalm 17: 7
Zingen : Psalm 49: 6

Gemeente, met Gods hulp is Lukas 12 vers 13 tot en met 21 ons uitgangspunt. Ik lees u vers 19 en 20:

 

En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, zijt vrolijk. Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

 

Gemeente, de psalmdichter van Psalm 116 vers 12 belijdt en getuigt: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Dat zou ook wel mogen leven in ons hart, als we zien op het achterliggende seizoen, op wat de Heere ons heeft toebedeeld. Wij mogen hier in redelijke gezondheid aanwezig zijn. Het heeft ons aan voedsel niet ontbroken. We hebben kleding, een dak boven ons hoofd en nog zoveel meer.

De dichter uit in deze uitdrukking: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, een stuk verlegenheid. Hoe zal ik dat doen? Want de weldaden maakten hem zo klein voor God.

We lezen ook, in Psalm 103:

 

Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;

Vergeet ze niet; ’t is God Die z’ u bewees.

 

Wat zou het groot zijn als ons hart die gestalte mag ontvangen op deze dankdag voor gewas en arbeid, nijverheid, handel, industrie. Kortom, laten we het maar breed houden: met betrekking tot alles wat de Heere ons in algemene genade, maar ook in bijzondere en zeer bijzondere genade heeft willen schenken. Dat deze gezindheid van het hart ook op deze dankdag ons deel mag zijn.

Altijd maar weer moet het ons tot zelfonderzoek brengen hoe het staat – niet alleen op deze dankdag, maar op alle dagen van ons leven – met de dankbaarheid jegens de Heere, jegens God. Immers, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen. En dan mag ook die dichter van daaruit weer de Heere prijzen, loven en erkennen voor al die gunstbewijzen.

En dat in onderscheiding – we weten dat met elkaar – van zovele mensen op deze aarde. Door de krant te lezen wilt u op de hoogte blijven van alles wat op deze wereld plaatsvindt. Dan zeggen we weleens: ‘Heere, er is geen onderscheid, maar U maakt onderscheid waar van nature geen onderscheid is.’

 

We kunnen zeggen dat de achterliggende zomer de velden en de akkers vruchten hebben gedragen door de zegen van God. Veel kon er binnengehaald worden voor mens en dier. Voldoende hadden wij als het gaat om de eerste levensbehoeften, die wij nodig hebben tot onderhoud van ons aardse en tijdelijke leven.

Dat geldt ook voor de dieren van de veehouders en allen die daarmee te maken hebben. Het was afdalende, gemeente en jongelui, van de Vader der lichten, zoals de Bijbel ons zegt, bij Welken geen verandering is of schaduw van omkering (Jak.1:17). Dat mogen we nooit vergeten.

Maar wij mogen niet bij de volle schuren en gevulde stallen blijven stilstaan en wat dies meer zij. Maar dat we tot onszelf mogen inkeren en onszelf de vraag stellen: waar zijn we met al het goede dat de Heere ons schonk, geëindigd? In onszelf of in de Heere? Ik weet dat het genade is, als we in de Heere mogen eindigen. Dat is ook geen vrucht van onze eigen akker. Dat zullen we ook zien op de dankdag van de rijke dwaas.

 

Dat is het thema: De dankdag van de rijke dwaas.

 

We staan stil met Gods hulp stil bij een drietal gedachten die onze aandacht vragen:

1. Een misleidende waan

2. Een onuitsprekelijk verlies

3. Een ernstige vermaning

 

1. Een misleidende waan

 

En een uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg mijn broeder dat hij met mij de erfenis dele. Maar Hij zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld?

De Heere Jezus is bij veel mensen geroepen. Net als de Meester kan ook een dominee in veel zaken gevraagd worden om te komen. Maar, kinderen, jeugd en ouderen, de Heere Jezus sprak met geen woord verder met die man over de erfenis. Want dit verzoek, zo doorzag Hij, kwam voort uit hebzucht, uit gierigheid.

Ik zeg niet dat er geen recht gedaan moet worden als er een erfenis verdeeld moet worden. Daar is de Bijbel ook duidelijk in. Dan zouden er heel wat ruzies rondom erfenissen niet plaatsvinden. We weten dat gierigheid de wortel van alle kwaad is. In veel groepen mensen wordt hebzucht gevonden. En vaak is het zo dat hoe meer men heeft, hoe minder de ware rijkdom wordt gekend. De Bijbel zegt ons waaruit die hoop bestaat: Het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen (vers 15).

De Bijbel is zo actueel. Hij is geschreven voor alle eeuwen. We kunnen ermee toe tot aan het eind der eeuwen. Het Woord van God is onbedrieglijk. De grote levensvraag voor u en voor mij is niet gelegen in het feit wat iemand bezit, maar wie hij of zij is. Daar gaat het om. Dat is het belangrijkst. En met het oog daarop spreekt de Heere Jezus een gelijkenis uit vol onderwijs. Ook op een dankdag? Ja, ook op een dankdag.

De rijke man wordt door de Heere Jezus geen gierigaard noch een verkwister van zijn goed en geld genoemd, maar een dwaas.

Zijn land had wel gedragen. Dat is fijn voor de akkerbouwer. Als de stal vol staat met koeien en schapen is dat fijn voor de veehouder. Als het goed gaat met je bedrijf en op kantoor, dan mag je daar dankbaar voor zijn. Het werk van de man is goed, en toch is hij een dwaas.

De eerste les die tot ons komt is hoe wij niet moeten omgaan met de weldaden die de Heere ons ook in het natuurlijke leven schenkt.

 

Een goed jaar gehad. Vermoedelijk ook alles in een rechte weg verkregen. Dat is ook belangrijk natuurlijk, of je alles in een rechte weg verkregen hebt. Een wijs beleid was hem misschien gegund, en door een goed beleid is het zo gekomen. Als je ook in het bredere zou kunnen zeggen: het achterliggende jaarseizoen is voor mij een seizoen geweest waarvan ik ook figuurlijk zou kunnen zeggen: het land heeft ‘wel gedragen’.

 

De rijke dwaas maakt een avondwandeling. En tijdens die wandeling laat hij op zich inwerken hoe het gegaan is met zijn land en bedrijf. Vergenoegd kijkt hij naar de oogst. Hij vergelijkt de opbrengst van het land met zijn kleine schuren. Hij denkt na: wat zal ik met die overvloed doen?

Hij is toch wel verlegen met de toestand. Niet vanwege een verootmoedigd zijn onder God, Die het zo waardig is erkend te worden voor alles wat hij uit de hand van zijn Schepper, van God heeft ontvangen.

Zou hij gedacht hebben: ik verkoop een deel, en tien procent, een tiende, geef ik aan de dienst des Heeren? Tien is in het Oude Testament niet alleen het getal van de volheid zoals het getal zeven, maar ook het getal van de ontwikkeling. Het betekent, zegt een oudvader, dat alle ontplooiing van ons leven God toekomt. Een deel is dan symbool voor het geheel.

Niet omdat de Heere dat nodig heeft. Nee, dat heeft de Heere niet. Hij beproeft ons er in. Hij geeft ons de gelegenheid om in het aan Hem gebrachte offer Hem eer te bewijzen en te tonen dat het ons ter harte gaat en wij Hem hierin ook danken voor alles wat Hij ons gaf.

 

Zou die man nog aan de tienden gedacht hebben? Hij wist dat het een verplichting uit het Oude Testament was. Nee, daar dacht de rijke man niet aan. Wat zal ik doen met die overvloed? Er staat zelfs, als je het goed leest, dat hij eigenlijk van die overvloed blijft zeggen: ‘Dat is van mij.’

En hij overlegde bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen (vers 17).

Mijn vruchten. Hoort u het? Hij beschouwt alles wat hij uit Gods hand ontvangen heeft als het zijne en gaat er nu mee doen wat hij wil. De rijke man is zo ver gekomen dat hij een boer in ruste kan worden, want hij heeft de schaapjes op het droge.

 

Zouden wij beter zijn, gemeente? Hoe zou het bij ons van nature liggen, kinderen en jeugd? Hoe zou het met ons zijn, met alles wat wij van de Heere ontvangen hebben? Ongetwijfeld zal de rijke man zijn knechten hun loon hebben gegeven en voor de armen zal er nog wel een aartje te vinden zijn op zijn land. Maar om echt te denken aan de noodlijdende mens, dat vinden we bij hem niet. Dat is erg.

De man komt tijdens zijn overleg en overdenking tot de slotsom: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijn goederen (vers 18).

Dat is wat! Ik heb niet genoeg. Nog meer, nog groter, nog rijker. Gemeente, wat is dat voor menigeen tot een diepe val gekomen, ook in de tijden die wij beleven. Ik zal er maar geen voorbeelden van geven. Wat is het menigeen tot een diepe val gekomen in de natuur en in de genade.

 

Ziel, gij hebt vele goederen. Hier wordt het woord ‘ziel’ niet gebruikt als ‘onsterfelijke ziel’, maar gewoon als mens, als natuurlijk leven. Hij wil genieten uit de bekers van de wellust. Goederen opgelegd, zegt hij, voor vele jaren. Neem rust, eet, drink, zijt vrolijk. Ik kan het er nu eens lekker van nemen. Ik ga de bloemetjes eens fijn buiten zetten. Niet meer werken, wat wil je nog meer? Rentenieren, grotere schuren, een groter huis, een grotere auto, een grotere tuin, duurdere spullen, prachtige kleding… Mag dat dan niet? U hoort het in deze gelijkenis.

De man spreekt over vele jaren. Waarschijnlijk is hij nog niet zo oud. De rijke man was vergenoegd. Hij wreef zich in de handen. Het ideaal van mij ook en van u ook, laten we maar eerlijk zijn.

 

U denkt wellicht: mijn vader werd ook tachtig en mijn moeder werd negentig, dus ik heb nog wat voor de boeg. Ik ga er eens lekker van genieten. Mijn gezondheid is ook best en aardig, dus ik kan er nog wel op rekenen dat ik vele jaren tot mijn beschikking heb. Ja, er zou mij wat kunnen overkomen. Dat er bijvoorbeeld ziekte komt of wat narigheid. Ik kan de beste dokters betalen, ik heb geld genoeg. Ik kan naar een privé-kliniek, want de ziekenhuizen van tegenwoordig zijn ook niks.

Ik actualiseer het maar een beetje. U moet er maar mee doen wat u wilt. Als u het maar Bijbels verwerkt, gemeente.

 

Dus geen nood! Droombeelden van genot. Maar in hem komt niet de gedachte op om de Heere te danken, om zijn God te loven en te prijzen. Om God in ootmoed, kleinheid en teerheid alle lof, dank en aanbidding te geven voor hetgeen Hij hem toebedeelde. Hij dacht niet aan het gebed: ‘Heere, wilt U mij nu bekendmaken wat Uw wil en weg is, wat ik met mijn vele goederen en met mijn vele geld mag doen? Zou U het mij alstublieft willen zeggen? Zou U het mij alstublieft bekend willen maken? Want U was de Gever van alle goede gaven en U hebt geschonken dat het land wel heeft gedragen.’

Maar daar heeft die man niet aan gedacht, nooit aan gedacht. Arme man! Niet wat een mens heeft, niet wat een mens spaart, niet wat een mens oplegt voor vele jaren, maar wie de mens is en hoe de gezindheid ondanks alles van zijn hart is… Hij zorgt voor alles, maar verwaarloost zijn arme ziel. Hij lijdt schade aan zijn ziel. En hier heeft ‘ziel’ de betekenis van ‘onsterfelijk’; hij moet eenmaal voor God verschijnen.

 

2. Een onuitsprekelijk verlies

 

Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Alzo is het met dien die zichzelven schatten vergaderd en niet rijk is in God.

Rijkdom op zichzelf is geen zonde. Ik kom er nog even op terug. De man wordt allereerst door God een dwaas genoemd. Gemeente, we kunnen er ook niet boven gaan staan. We zijn allemaal van die dwazen van nature. Mensen die alleen maar voor dit aardse of voor het hier en nu leven. En dat doen we hoor, als we onbekeerd zijn. En als we bekeerd zijn, moeten we er elke dag en elk moment voor bewaard blijven. Want anders leef ik ook voor het hier en nu. Wie een klein beetje ontdekking van boven heeft gekregen en armmakende genade, ziet in dat we in dit tijdelijke leven opgaan.

 

Hij denkt niet aan zijn ziel en het onuitsprekelijke verlies daarvan. In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Dat is wat. Geen roepstem meer, geen oproep tot bekering meer en geen nodiging meer tot het heil, geen toebereiding tot en voor bekering.

De man die voor zichzelf en voor anderen misschien een man was die het gemaakt had in deze wereld. Een man op wie je jaloers kunt zijn, een man van succes. Die heeft het gemaakt. Maar hoe staat het met zijn arme ziel op weg en reis naar de eeuwigheid? Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33). Hij genoot van het leven en aan het sterven denkt hij niet. Laat staan dat hij overweegt dat hij een keer voor zijn Schepper zal moeten verschijnen. Daarom wordt deze man met al zijn goed een dwaas genoemd. Hij eindigt er niet mee in God. O, wat zijn we toch een dwazen, als we onze ziel vergeten!

 

Hij gaat, kinderen, voor het laatst naar bed die nacht, en over een paar uur is hij er niet meer.

Een predikant zei eens bewogen tegen de gemeente: ‘Gemeente, de boer had zijn nieuwe boerderij gebouwd, en de boer had bij het bouwen van zijn nieuwe boerderij in zijn hart zoveel idealen en wensen en begeerten, en het was ook een hardwerkende boer (en dat mag ook, je mag toch zeker idealen, wensen en begeerten hebben?). Maar voordat hij de boerderij kon gaan bewonen en van daaruit werken, was hij niet meer. De boer was overleden, en God heeft hem rekenschap afgeëist van zijn rentmeesterschap. Ja, de boerderij staat er wel, maar de boer is er niet meer.’

 

Zullen we het bedenken, gemeente, waar het nu om gaat, ook op de dankdag, met alles wat de Heere je toegeschikt heeft? Eindig er mee in de Heere. Alles moet je achterlaten. Je mooie huis, je winstgevende bedrijf, je aardige veestapels waar boeren trots op kunnen zijn. Dat mag ook tot op zekere hoogte, zeer zeker.

We zijn voor onze dagelijkse behoeften afhankelijk van de akkerbouwers en veehouders. Want zelfs de koning wordt van de vruchten van het land geëerd en vereerd. Als die mensen er niet meer zouden zijn, dan gaat het mis. Daarom moeten we de boerenstand en de veehouderstand in ere houden. We worden allemaal van het veld gediend door de zegen van de Heere.

 

Dan komen bij die rijke dwaas degenen die toebereidselen maken voor zijn begrafenis.

God heeft de mens geschapen naar ziel en lichaam. Niet de ziel als levenskracht, maar als onsterfelijke geest. En ziel verloren is al verloren, en ziel behouden is al behouden. Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? (Matth.16:26).

Al heb je een paar miljoen op de bank staan, het is allemaal waardeloos als het gaat om de lossing van je ziel.

En zo noemt de Heere die man een dwaas. Ook op de dankdag gaat het om de waarde van uw en mijn ziel, gemeente. Want wat heeft waarde in de tijd voor de eeuwigheid? Wel, dat onze ziel geborgen mag zijn in Christus. Dat is ware rijkdom. Dan mag je dankbaar zijn voor alles wat de Heere in de tijd en als zegen op je arbeid schenkt. Maar eindig er mee in Hem. Hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

 

God houdt niet van luie mensen. God vraagt hard te werken en met zorg, overleg, wijsheid en vlijt onze taak te verrichten. De Heere heeft een grondige hekel aan luie mensen. De ledigheid van vandaag is des duivels oorkussen. We zouden de jeugd wat dat betreft ook keihard moeten laten werken. Dat ze voor die ledigheid waardoor er allerlei kwade dingen gebeuren, geen mogelijkheid meer hebben. De ouders moeten daar ook op toezien met de opvoeding van hun kinderen.

Zo had die rijke man dit ook bereikt, met hard werken, moeite, zorg, overleg en wijsheid enzovoort. Maar hun weelde, zegt de psalmdichter, is als een droom vergaan. O Heere, wanneer Gij op zult staan, zult Gij hun tonen, onverwacht, hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

Een rijke dwaas en straatarm. Verloren ziel en onuitsprekelijk verlies. Hij zal zijn ogen opslaan in de hel. Ontzettend! Al die overvloed, wiens zal het zijn?. Als je er niet voor oppast, gaan ze er ook nog over vechten, over die erfenis. Het is een ernstige vermaning, maar we zingen eerst van Psalm 17 vers 7:

 

Red mij van hen die ‘t ruim genot

Der wereld voor hun heilgoed achten;

Geen deel, dan in dit leven, wachten,

En maken van de buik hun god;

Van hen, die weelde, schatten, staten,

Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot,

Verliezen moeten met de dood,

En hunne kind’ren overlaten.

 

3. Een ernstige vermaning

 

Met een welmenend woord komt een ernstige vermaning des Heeren tot ons. Tot een ieder van ons. Vergadert u geen schatten op de aarde! Over die bezorgdheid kunt u thuis nalezen vanaf vers 22. Vergadert u geen schatten voor uzelf. Want als u daarbij niet rijk bent in God, dan bent u straatarm. Ja, maar moeten we dan niet zorgen dat…? Jazeker. En mogen we dan niet genieten van wat de Heere gegeven heeft door noeste vlijt en oprechtheid? Jazeker. De Bijbel is nuchter genoeg dat je daarvan ook in zekere zin mag genieten.

De Heere wil de zorg zegenen die u heeft voor de uwen. Hij zegent ook ijver en vlijt in het werk of in het leiden van een bedrijf op in het op goede wijze zaken doen. Dat is ook Bijbels. De Spreuken van Salomo spreken daarover. Daar mogen we ook de Heere dankbaar voor zijn. Hem erkennen en in Hem te mogen eindigen.

 

Het is zonde als wij niet, met alles wat Hij gegeven heeft, eindigen in de Heere. Wij geven het weder uit Uwe hand. En dat is groot, als wij zo diep afhankelijk zijn van de Heere. Dat is een rijkdom als je dat ook beleven mag in aanhankelijkheid. Wat zou dat rijk zijn, als we dat dagelijks mochten beleven!

Dan is die genade ook zo groot dat we uit de zegen barmhartigheid mogen bewijzen aan de naaste, aan de noodlijdende mens. Dan mag de dienst des Heeren daarin ook op de eerste plaats staan. Een catechisant zei eens tegen me: ‘Ik heb mijn portemonnee weer eens leeggegooid, dominee.’ Ik zei: ‘Goed zo, jongen. Als je het maar met je hart gedaan hebt, dan zegent de Heere je hoor.’

 

De armen en behoeftigen moet u niet vergeten, Gods arme volk niet en de dienst des Heeren niet. Maar als we alleen voor onszelf leven, dan hebben we niets, gemeente. Al zijn we rijk of arm, als we alleen werken voor ons dagelijks brood en maar verzamelen, stapelen en potten en niets uitdelen, dan zijn we toch arm.

Ik bedoel dat niet hard, het gaat om ons heil. Dan gaat het om onze lege ziel. Daar ga je dan mee over de aarde. En als je dan voor God moet verschijnen deze nacht, dan zal Hij uw ziel van u afeisen. En dan? Met een lege ziel en met een leeg hart, zonder God en buiten God voor Hem verschijnen?

 

Wat is die mens gelukkig, die door Christus rijk is in God. Dat is met geen woorden te vertolken. En daarom, de Heere heeft het goede met ons voor in die welmenende nodigingen en roepstemmen tot bekering en tot het heil.

Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Matth.6:19-21).

Dan ben je rijk in God, al ben je misschien arm wat geld en goed betreft. Zijt tevreden met wat de Heere Zijn Kerk beloofd heeft. Hij zal Zijn Kerk nimmer doen omkomen.

 

Als we nu eens een aantal jaren op water en brood gezet zouden worden… En dan bedoelt de Bijbel er de eerste levensbehoeften mee en meer ook niet. Zou dat erg zijn, gemeente? Nee, dat is niet erg, als het er maar aan mee mag werken dat wij heel diep beseffen dat het gaat om het rijk zijn in de Heere. Dan proef je de goedheid in het eten van je brood en het drinken van je water. Figuurlijk bedoeld, want het betekent iets meer.

Als wij bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood, dan bedoelt de Heere daarmee: je mag vragen om de levensbehoeften die je voor jezelf en voor je kinderen nodig hebt. Voed mij, zegt Agur, met het brood van het mij bescheiden deel (Spr.30:8). Dat wil zeggen: Heere, U weet wat wij nodig hebben tot onderhoud van ons lichaam, zowel man, vrouw als kinderen. En dat U dat ons toebedelen wil. Terwijl die man ook nuchter was. Agur wist dat als hij rijk was, hij het gevaar zou lopen om de Heere te vergeten. Maar ook: dat ik, als ik arm ben en geen dubbeltje meer heb om te betalen, dan ga stelen. Hij was een man die ontdekt was. Hij was nuchter gemaakt: Voed mij met het brood van het mij bescheiden deel.

 

Laten we eerlijk zijn, gemeente, kijkend op het achterliggende seizoen. We hebben toch meer gehad dan alleen brood en water? Zou u de Heere daar dan niet voor willen erkennen? Zou u de Heere daarvoor niet willen danken en zeggen: ‘Heere, als we het vergelijken met zoveel mensen op deze wereld, dan zijn wij schatrijk.’ Ik heb nog geen nacht wakker gelegen van de kredietcrisis. Dan zeg ik: ‘Heere, het is goed.’ Laten we maar eens een maatje minder nemen. Laten we maar eens op water en brood gezet worden. Dat zou weleens goed zijn, in vele opzichten. En waarom? Omdat ik mag weten dat er voor mij Eén rijk was, Die voor mij arm is geworden opdat ik door Zijn armoede rijk zou worden.

Er zijn er meer onder ons die daarvan kunnen getuigen. Die dierbare Christus, Die Gezegende van de Vader, moest alles ontberen. De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matth.8:20). Je wilde Mij volgen, hè kind, maar zul je onthouden dat je eerst de kosten berekent? Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Mark.8:34).

Hij Die rijk was, is arm geworden, opdat wij door Zijn armoede rijk in God mochten worden. Volk van God, wat een wonder, wat een eeuwig wonder van genade!

 

Ik zal jullie eens wat vertellen. Ik was het met God niet eens met betrekking tot een kleinkind. Ik zei: ‘Heere, ze waren zo blij. Ze hadden een dochtertje verloren en nu kregen ze weer een dochter uit Uw hand, en nu moeten ze het weer afstaan.’ Ik was zo boos op God, ik kon er niet onder komen. Ik buig mijn knieën en zeg: ‘Heere, hier ligt die opstandeling. Hier ligt die onverenigde dominee. Hij moet dankdag preken, daar komt niets van terecht.’ Ik heb eerlijk beleden hoe verkeerd het was. ‘O God, wil de werken des duivels en van het boze hart verbreken!’ Toen kreeg ik een beetje lucht, toen ik in de schuld voor God mocht komen.

Toen lazen we van Octavius Winslow: ‘Je mag met alles wat je hart bezet, en ook met je zonden en schuld en opstand, tot een aardse vriend komen, die dan begrip voor je heeft en meeleeft en zegt: Jongen, ik kan het wel begrijpen, maar het is niet goed. Om met de wil des Heeren verenigd te mogen worden in alles.’ ‘Maar’, zegt Winslow, dat is rijk en dat doet je goed, ‘maar er is een allerhoogste Vriend.’ En daar ging mijn hart open! Jezus Christus, Die voor ons bidt, ook als wij niet bidden willen. Wat is een mens na ontvangen genade als God hem laat staan? Dat gaf zo’n troost! Hij bidt, Hij treedt tussen. Hij verzoent, ook die opstand, ook dat onverenigd zijn, ook dat soms boos zijn op de Heere. Of je zakt bijvoorbeeld weg in grote moedeloosheid. Mijn vrouw was weggezakt in grote moedeloosheid. Ik zei: ‘Heb je ook nog wat gehad aan die meditatie?’ Ze zei: ‘Ik was zo moedeloos en zo verward in al mijn gedachten, ik kon zelfs geen gebed meer doen. Maar toen las ik dat er een Voorbidder is, Jezus Christus!’

Gemeente, je bent zo rijk in God als je die Voorbidder mag leren kennen. Ondanks wie je blijft, ook na ontvangen genade. Toen raakte ik het kwijt aan God en toen zei ik: ‘Heere, als dit kind dan moet sterven, mag het dan een Godgeheiligd zaad zijn, dat eeuwig U mag eren? En dat mijn kinderen door U ondersteund mogen worden, en wij ook.’

 

Er zitten er hier ook die kinderen verloren hebben. We denken ook aan de weduwen en weduwnaars. Dan ben je het lang niet altijd met God eens. Dan kijk je weer op die lege plaatsen: ‘Ja, daar had Jan kunnen zitten, en daar had Janine kunnen zitten, maar ze zijn weg.’ Als ze maar eeuwig bij God mogen zijn! Maar dat maakt de Heere niet altijd bekend.

De Heere Jezus heeft met Zijn bloed verzoening gedaan voor de zonden, ook van deze dominee, die menigmaal niet verenigd kan worden met de wil van God. We zijn aangewezen op genade en op het werk van die dierbare Christus. Anders is het voor eeuwig kwijt. Maar dan krijg je zo’n ruimte: ‘Heere, wat bent U onuitsprekelijk goed!’ Dan zeg je ook weleens met Jakob: Ik ben geringer dan al deze weldadigheden (Gen.32:10).

Dat is weldadigheid, dat je het weer met God eens mag worden.

 

Ik sprak een vriend en hij zei tegen mij: ‘Ik heb werkzaamheden met mijn kind gehad, maar ik werd stilgezet bij deze woorden: Ik zal zijn Die Ik zijn zal.’ Dat wil zeggen: geheel verenigd worden met Gods wil. Alles in de handen van de Heere willen en kunnen geven: ‘Heere, wat U doet is goed.’

Maar daar ben je zomaar niet. Dat zijn stukken waar je gebrácht moet worden, hoor. Dat kun je zomaar niet. En de Heere wil dat geven als je eerlijk je zonden en je schuld belijdt. Dan zijn ze rijk in God, omdat zij door het geloof Christus als Zaligmaker en Borg hebben mogen leren kennen. Om hun dagen te tellen om een wijs hart te bekomen en om als een schoof in Zijn schuur gebracht te mogen worden. Zodat, wanneer het huis des tabernakels afgebroken wordt, we in het huis van God gebracht mogen worden, eeuwig in de hemelen. Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht (Kol.1:12).

Om straks eeuwig dankdag te mogen houden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 49: 6

 

Men denkt niet meer aan hun voorleden staat,

Wijl al hun glans met hen in ’t graf vergaat;

Maar na de dood is ’t leven mij bereid;

God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.

Vreest hem dan niet die grote schatten heeft,

Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;

Want hij zal niets in ’t sterven met zich dragen;

Zijn naam, zijn roem, ’t ligt al terneergeslagen.