Ds. W. Harinck - 1 Koningen 19 : 7 - 9

Elia's geestelijke depressie

De aanleiding
Het dieptepunt
De versterking

1 Koningen 19 : 7 - 9

1 Koningen 19
7
En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.
8
Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.
9
En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 63: 2, 3
Lezen : 1 Koningen 19: 1-8
Zingen : Psalm 77: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 42: 2, 3
Zingen : Psalm 103: 7

Gemeente, de tekst voor deze dienst is uit het gedeelte van Gods Woord dat ons werd voorgelezen, 1 Koningen 19 vers 7 tot en met 9:

 

En de engel des Heeren kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan en zeide: Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.

Zo stond hij op, en at en dronk; en hij ging door de kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg Gods, Horeb.

En hij kwam aldaar in een spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het woord des Heeren geschiedde tot hem en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía?

 

Dit gedeelte bepaalt ons bij: Elia’s geestelijke depressie.

 

We letten achtereenvolgens op:

1. De aanleiding

2. Het dieptepunt

3. De versterking

 

We bepalen u dus bij Elia’s geestelijke depressie ofwel: de moedeloosheid, de geestelijke inzinking van Elia. De aanleiding, waardoor het kwam; het dieptepunt, hoe diep het ging; de versterking, hoe de Heere hem eruit haalde.

 

1. De aanleiding

 

Als we de gang en het werk van Elia volgen, dan zou je bijna vergeten dat hij een mens is van gelijke beweging als wij. Onverschrokken stond hij daar voor koning Achab: Zo waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord (1 Kon.17:1).

In de eenzaamheid bij de beek Krith dronk hij uit de beek en de raven kwamen eten brengen. Lange tijd verkeerde Elia in de stille eenzaamheid, ondergedoken bij die beek. Toen die beek opdroogde, moest hij de lange reis door heel Israël naar Zarfath maken. Hij moest naar die weduwe.

Jongens en meisjes, jullie kennen de geschiedenis wel. Over de olie in dat kruikje en het meel. En dat hield maar niet op; elke dag was er genoeg. Over dat jongetje dat gestorven was en hoe Elia zich biddend over dat kind uitstrekte en hoe dat jongetje uit de dood weer levend werd.

Daarna de ontmoeting met Obadja en dat indrukwekkende op de berg Karmel, met dat altaar en het vuur. Eén profeet des Heeren tegenover vierhonderdvijftig Baälpriesters.

 

Ja, wij kijken tegen Elia op. Wat een man van geloof en gebed is Elia geweest! Jakobus vermeldt het in zijn brief: Elía was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden (Jak.5:17).

Een grote in het koninkrijk van God. Wat een persoonlijkheid is deze Elia geweest! Hij kende geen vrees of angst, hij was vol van ijver voor de Heere en Zijn dienst. Een blinkende ster onder de kinderen en knechten van God.

Elia is een type, een voorbeeld, een heenwijzing, een vingerwijzing naar de Heere Jezus Christus. Ja, je kijkt tegen hem op.

 

En dan, dan komt het negentiende hoofdstuk. Alsof je opeens een andere Elia ziet. Een moedeloze, een krachteloze, een depressieve Elia. Is dat diezelfde man, vraag je je dan af. Hij vlucht voor Izébel. En dan zie je hem liggen onder de jeneverboom, zo wordt die boom genoemd. Je moet denken aan een soort bremstruik die in de woestijn groeit, een schaduwplekje waar de kracht van de zon gebroken wordt.

Je hoort Elia zeggen: Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen (vers 4). Die grote, sterke Elia wordt dan opeens een riethalm die door de wind heen en weer wordt bewogen.

Wat is de Bijbel toch een eerlijk boek. Heel eerlijk worden de zwakheden en inzinkingen van de kinderen en knechten van God in de Bijbel getekend. Als de Bijbel een menselijk boek was, dan zouden die dingen verzwegen worden of misschien even heel kort worden aangestipt. Maar de Bijbel is geen menselijk boek, de Bijbel is een goddelijk boek, een eerlijk boek.

 

Ik ontmoette op het eiland Bali een predikant. Hij is bijna met emeritaat, met pensioen. Hij is bestuurslid van de school die de kerk daar steunt: de Johannes Calvijnschool, een theologische opleiding. Die man vertelde hoe het Woord van God kracht had gedaan in zijn leven. Geen menselijk boek maar een goddelijk boek.

Hij was negen jaar toen hij voor het eerst van de Bijbel hoorde. Hij woonde met zijn vader, moeder, broertje en zusje in een achtergebleven, landelijk gebied, in een klein dorpje vol ongeloof en bijgeloof. Ze hadden wat kleinvee, wat schapen en wat runderen. Ze verbouwden wat rijst.

Hij vertelde dat zijn vader hoorde dat de buurman een boek had en dat boek sprak over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij zei: ‘Mijn vader wilde dat boek ook wel eens lezen. Die buurman en zijn kinderen zijn Hindoes tot op deze dag. Maar m’n vader leende dat boek en begon eruit te lezen in het Balinees, in onze eigen taal. Ik was negen jaar en ik hoorde en voelde in m’n hart dat deze God de enige en de ware God is en dat is nooit meer overgegaan.’

En toen kregen ze met heel veel vijandschap te maken in hun dorp. Hun kalveren werden gestolen en de rijst werd verbrand. Vlak voordat het regenseizoen aanbrak, begonnen de dorpelingen met stenen te sjouwen. Want er was een rivierbedding en in de regentijd stroomde die dan vol. Zo’n beekje werd dan een snelstromende beek met krachtig stromend water. Ze gingen met stenen lopen sjouwen om de bedding van de rivier te verleggen, zodat, wanneer het water kwam, hun huisje weg zou spoelen.

‘Wat waren we bevreesd,’ vertelde hij, ‘maar toen hebben we gebeden tot die ene, ware God van Wie we gelezen hadden in dat boek. De volgende ochtend, toen we wakker werden, lag er een massief grote steen, die van de heuvel naar beneden was gerold, achter ons huis. De steen beschermde het huis en het water kon er niet bij komen.’

Hij is dus later predikant geworden. Want toen al die dingen gebeurd waren, had hij beloofd: ‘Heere, nu wil ik U dienen en Uw knecht zijn.’ Toen hij predikant geworden was is hij terug gegaan naar dat dorp en is hij op die steen geklommen en heeft hij zijn knieën gebogen om die enige, ware God te danken.

 

Het is geen menselijk boek, nee, het Woord heeft autoriteit. Ook als het spreekt over het feilen en het falen van de kinderen en knechten van God. Want dan zie je juist daarin doorschijnen hoe genadig en getrouw de Heere is.

 

Elia is moedeloos en depressief geworden. Hoe kwam dat toch? Wat is hiervan toch de aanleiding geweest?

Dat is het eerste wat we willen overdenken. Hoe kwam dat, die depressiviteit, die geestelijke inzinking in het hart en leven van de profeet Elia?

 

Dan moeten we even terug, naar het slot van 1 Koningen 18. Daar zie je de profeet voor de wagen van koning Achab uitgaan. Daar rent hij door de stromende regen in de vlakte van Jizreël. Een triomftocht!

God heeft op de Karmel laten zien dat Hij de enige, ware God is. Hij heeft daar gesproken door vuur van de hemel. Als nu het ganse volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De Heere is God, de Heere is God (1 Kon.18:39).

De koning en het volk zijn er allemaal diep van onder de indruk geraakt. Wie durft er nog te ontkennen dat de Heere God is? O, er is er één, één die durft het wel te ontkennen. Dat is koningin Izébel. Want dan komt Achab weer thuis in zijn paleis. Na alles wat er op de Karmel gebeurd is, komt hij weer thuis bij zijn vrouw en dan moet hij het gaan vertellen.

 

Moet je eens kijken hoe hij het vertelt aan het begin van het negentiende hoofdstuk: En Achab zeide Izébel aan al wat Elía gedaan had, en allen die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard (vers 1).

Het was toch de Heere die het gedaan had? Het was toch God Die daar de dingen gedaan had? Maar zo vertelt Achab de dingen niet. Voor God is geen plaats in het huwelijk van Achab en Izébel. Voor God geen plaats in hun hart. Al is de koning ongetwijfeld onder de indruk. Je zag zijn vertwijfeling. Je zag zijn aarzeling toen hij daar stond, achterblijvend op de Karmel. Maar als hij Izébel, zijn vrouw, het verhaal gaat doen, legt hij al de nadruk op Elia. Elia heeft vuur van de hemel gebeden en dat vuur heeft alles verteerd. En Elia heeft het volk laten zeggen dat de Heere God is, en hij heeft de Baälprofeten bloedig gedood bij de beek Kison. God wordt doodgezwegen.

Er lagen drie jaar en zes maanden van droogte achter hen. Nu heeft God gesproken door het vuur van de hemel. Er viel een overvloedige regen waarvan elke regendruppel zei dat de Heere God is. Ondanks dat alles wordt God toch nog doodgezwegen.

Wat is er dan voor nodig om een mens tot bekering te brengen? De oordelen hebben Achab er niet gebracht. De zegeningen hebben ook niet tot bekering geleid.

Daar moet u eens over nadenken. Wat heeft dat ons te zeggen? God Die zo indringend heeft laten zien dat Hij alleen de waarachtige, de eeuwige God is, en Achab weigert te bukken en te buigen.

 

Izébel ontsteekt in grote toorn. In haar hart woelen haat en vijandschap. Zij was de grote propagandiste van het heidendom in het tienstammenrijk van Israël. Nu kan ze niet en wil ze niet aanvaarden wat er op de Karmel is gebeurd.

Er blijft nu maar één doel voor haar over: die profeet, die Elia moet dood. Maar tegelijkertijd bedenkt Izébel dat het gehele volk zich tegen haar zal keren als zij Elia om het leven brengt. Want in de ogen van het volk is Elia de held. Hij is de man Gods. Door hem is de regen immers gekomen.

Daarom, als Izébel Elia niet doden kan, dan zal ze dreigen met de dood. Ze stuurt een boodschapper naar de profeet Elia. Ze laat het hem met een eedzwering weten: Zo doen mij de goden en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen als de ziel van hunlieder een (vers 2).

Ze zweert bij haar goden en ze zegt: ‘Elia, ik ga met jou doen wat jij met die Baälprofeten gedaan hebt.’

De profeet wordt vogelvrij verklaard. Het bericht van Izébel is een afkondiging van Elia’s  doodsvonnis. Izébel kondigt aan dat het vonnis de volgende dag voltrokken zal worden.

 

Wat is dan de reactie van Elia? Zegt hij dan: ‘Maar mijn God is Jahweh en met mijn God spring ik over een berg en met mijn God dring ik door een bende’? Zegt Elia dan: ‘Wat zal een nietig mens, wat zal Izébel, wat zal Achab mij doen?’ Zegt hij dan: ‘Heere, Uw wil geschiede’? Prikt hij door die loze dreigementen van koningin Izébel heen? Voelt hij dat ze wel dreigt, maar dat ze niet het instrument heeft om het waar te maken?

Kijk eens naar vers 3: Toen hij dat zag… Er staat niet:‘Toen hij dat hoorde’, maar: Toen hij dat zag… Hij hóórde het niet alleen, maar hij zag het als het ware al voor zich, die furieuze Izébel in haar blinde vijandschap. Heeft Elia dan, toen hij dat zag, het zicht op God verloren? Toen hij dat zag… Daar begint die inzinking.

 

Wat kan het gevaarlijk zijn, als we afgaan op de dingen die we zien of denken te zien. Lot keek naar de vlakte, hij hief zijn ogen op en hij zag de aantrekkelijkheid van de vlakte van de Jordaan. We weten wat daarvan gekomen is.

De verspieders, behalve Kaleb en Jozua, zeiden: Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen (Num.13:33).

Toen Petrus meer zag op de wind en op de golven, in plaats van op de Heere te zien, dreigde hij te verdrinken.

 

Elia, zag op de dreiging en vijandschap van Izébel. Elia, dezelfde man die op zijn voeten bleef staan voor vierhonderdvijftig Baälprofeten, zien we wegvluchten voor Izébel.

Hij vlucht voor één vrouw die een boodschapper met een dreigbriefje naar hem toestuurt. Diezelfde Elia die voor het aangezicht des Heeren stond, hij wankelt, hij vlucht. Elia, de veroveraar, zien we hier als een vluchteling.

Hij was een man van God, maar hij was geen engel. Hij was een mensenkind. Hij was een man vol van genade, maar die genade van God ligt in een aarden vat. Niet in een vat van ijzer of in een vat van goud of zilver, maar in een aarden vat, een broos, een breekbaar vat.

Er is verbijstering bij de profeet. Hij wankelt. En het laat ons wel zien dat ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid is. Begrijpt u wat die aanleiding geweest is?

 

2. Het dieptepunt

 

We gaan in onze tweede gedachte nu letten op het dieptepunt van de inzinking, van de geestelijke depressie van de profeet Elia.

Hij vlucht naar het zuiden, naar het uiterste zuiden van Israël. Hij verlaat het tienstammenrijk van Achab en Izébel. Hij trekt door het tweestammenrijk van Juda en hij gaat naar het meest zuidelijke plaatsje, naar Berséba.

Berséba ligt aan de rand van de Negevwoestijn. Daar laat hij zijn jongen achter en dan gaat Elia alleen de woestijn in. Elia bevindt zich nu in de woestijn, maar de woestijn is ook in zijn hart.

 

Elia zwerft een hele dag rond onder de brandende zon, in de stille uitgestrektheid van de wildernis. Dan legt hij zich uitgeput neer onder een bremstruik, een jeneverboom. Elia is lichamelijk uitgeput door de inspanningen op de Karmel. Wat heeft dat veel van hem gevraagd, ook lichamelijk.

Het in de stromende regen rennen voor de wagen van koning Achab, in die triomftocht door de vlakte van Jizreël, heeft hem veel energie gekost.

Toen dat bericht van Izébel en de haastige vlucht. Daarna die hele zwerftocht door de woestijn. Het breekt Elia op, zou je zeggen. De inspanningen van de achterliggende dagen, het wordt hem te veel. Onder die schrale struik zoekt hij wat verkoeling.

 

Maar Elia is niet alleen lichamelijk uitgeput. Hij is ook geestelijk uitgeput. Dat blijkt uit het vierde vers, als we hem horen bidden dat zijn ziel sterven zal. Hij zegt: Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.

‘Ik heb al zoveel moeten dragen, Heere. Ik heb al zoveel moeten strijden en lijden. Is het nu een keer genoeg?’

Hier horen we de ondertoon van die geestelijke depressie. Elia ervaart voor zichzelf dat het mislukt is en dat het alles tevergeefs is. Wat baat mijn bidden en mijn strijden? Wat heeft het opgeleverd dat de hemel werd gesloten en dat er geen dauw en regen is gevallen?

Wat baat het dat de hemel op mijn gebed werd geopend, dat U een overvloedige regen gaf? Izébel is nog oppermachtig en trekt nog aan alle kanten aan de touwtjes.

Hij is zo moe van de strijd en is teleurgesteld in al z’n ijver. Hij zegt in vers 14: Ik heb zeer geijverd voor de Heere, de God der heirscharen, want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen.

‘Laat het genoeg zijn, Heere.’ Elia is levensmoe, hij kan niet meer, hij durft niet meer, hij wil niet meer. Dat is nu echt een mens van wie je vandaag zegt: ‘Die ziet het niet meer zitten.’

 

Misschien herkent u of herken jij dat wel. Dat je teleurgesteld bent in de wereld en in de mensen om je heen, dat je teleurgesteld bent in jezelf, dat je teleurgesteld bent in God. Aangrijpend als mensen soms zo diep weg kunnen zinken in donkere gaten van moedeloosheid en depressiviteit. Omstandigheden waardoor het lijkt dat er geen uitzicht meer is, dat de dood een verlossing schijnt.

 

Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel. Ja, Elia is hier in een grote diepte. Het laat je wel zien dat Gods kinderen en knechten daar ook kunnen komen. Bunyan heeft dat trouwens ook getekend in Christen die naar het nieuwe Jeruzalem reist. Dat moeras van de moedeloosheid dat je naar beneden trekt, reus Wanhoop die je gevangen neemt…

Ik geloof niet dat je moet zeggen dat Elia zich hier van het leven wil beroven. Hij zegt: ‘Heere, U weet het toch dat ik niet meer kan. Neem toch mijn ziel, Heere, neem toch mijn leven.’

Er is in zijn gebed de overtuiging dat alleen de Heere beschikt over leven en dood. En hij legt zich als het ware in Gods hand.

 

En toch is dat verlangen van Elia zo heel anders dan dat van Paulus in Filippenzen 1 vers 23: Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. Het verlangen van Paulus is een zuiver verlangen.

Hier bij Elia is het zo onzuiver. Vanuit zijn moedeloosheid, vanuit zijn geestelijke ingezonkenheid, waar hij het zicht op God zo kwijt is geraakt, zegt hij: ‘Heere, laat het genoeg zijn, neem nu mijn ziel.’

En toch, al is hij geschokt, al is hij verward, toch roept hij de naam van de Heere aan. Toch die schreeuw naar God, vanuit de diepte van zijn ellende.

 

Ja, dat dieptepunt in 1 Koningen 19 volgt op het hoogtepunt van 1 Koningen 18.

Climax en anticlimax, ook in het leven van de genade. Het op en neer, geestelijke kortsluiting, donkerheid, geestelijke depressie… Het leven met de Heere kent hoogten en diepten. Daar zijn de hoogtepunten zoals de uren op de Karmel, maar ook de uren van moedeloosheid in de woestijn, in de schaduw van een jeneverboom.

Rijke ervaringen van de liefde en de trouw van God, die zich afwisselen met tijden van ingezonkenheid en duisternis. Juist als het water van de genade – dat zien we ook hier bij Elia – zo hoog heeft gestaan. Wat kwam er toen in de woestijn, na die uren op de Karmel, een diepte. Wat kan dat dicht bij elkaar liggen in je leven. Het ene moment als een geloofsheld met Petrus in de storm op het water wandelen en niemand zien dan Jezus alleen, maar het volgende ogenblik wegzinken en vrezen dat je verloren gaat. Dan horen we Petrus roepen: Heere, behoud mij! (Matth.14:30).

 

Mogelijk herkennen we dat het zo dicht bij elkaar kan liggen.

Kijk eens naar de Heere Jezus Zelf in Mattheüs 3. Er is dat hoogtepunt in Zijn leven als Johannes Hem doopt in de Jordaan. Als de duif van de Heilige Geest op Hem neerdaalt en als daar die stem van Zijn hemelse Vader klinkt: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb (Matth.3:17).

Na het hoogtepunt van Mattheüs 3 volgt dan Mattheüs 4, waar we lezen dat de Heere Jezus in de woestijn geleid wordt en dat Hij verzocht wordt door satan.

Nadat de Israëlieten in de woestijn van het water uit de steenrots gedronken hadden, kwam Amalek.

Toen Jezus met Zijn discipelen in de nacht het avondmaal had gehouden en Johannes aan Zijn borst had gelegen, hebben de discipelen uit Zijn mond gehoord: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis (Luk.22:19). In diezelfde nacht werden allen aan Hem geërgerd.

 

Ik denk dat Paulus dat bedoelt, als hij zegt in Romeinen 11: En gij staat door het geloof, en er dan direct op laat volgen: zijt niet hooggevoelende, maar vrees (Rom.11:20). Vrees, voor de zonde. Vrees, voor de hoogmoed. Vrees, voor het ongeloof. Vrees, voor de aanvechtingen van satan en de verleidingen van de wereld.

 

Want wat is nu de ware kracht van de gelovige? Wat houdt de gelovige dan staande, gemeente? Wij staan niet in onze eigen kracht. Wat kunnen we dat makkelijk vergeten. En daarom laat de Heere tijden van diepte en inzinkingen toe in het leven van het geloof. Dan heeft Paulus een doorn in zijn vlees. Dan heeft Petrus die zwarte nacht van de verloochening. Dan ligt een moedeloze Elia onder de jeneverboom.

Tijden dat je zo troosteloos en zo hopeloos en zo bang kunt zijn. God laat het gebeuren, opdat we niet zouden vergeten dat we in onszelf maar krachteloze, hulpeloze, verloren mensen zijn en blijven.

Wat kunnen die tijden diep gaan! Heeft God vergeten genadig te zijn? (Ps.77:10). Ben ik dan maar alleen overgebleven?

Maar God gedacht aan die ingezonken Elia, en Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

De versterking, onze derde gedachte. Maar het is goed om eerst te zingen Psalm 42 vers 2 en 3:

 

’k Heb mijn tranen, onder ’t klagen,

Tot mijn spijze, dag en nacht,

Daar mij spotters durven vragen:

‘Waar is God, Dien gij verwacht?’

Mijn benauwde ziel versmelt,

Als zij zich voor ogen stelt,

Hoe ik, onder stem en snaren,

Feest hield met Gods blijde scharen.

 

O mijn ziel, wat buigt g’ u neder?

Waartoe zijt g’ in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in ’s Hoogsten lof uw lust;

Want Gods goedheid zal uw druk

Eens verwiss’len in geluk.

Hoop op God; sla ’t oog naar boven;

Want ik zal Zijn Naam nog loven.

 

3. De versterking

 

Wat handelt God hier ontfermend met Elia. Ik weet niet hoe u het slot van deze geschiedenis leest, maar dat moet je eigenlijk zo lezen dat we de Heere God in Zijn hart kijken. Hier laat de Heere zien Wie Hij is.

Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen die Hem vrezen (Ps.103:13). Dat doet God hier bij Elia.

 

In vers 5 zien we dat Elia onder een jeneverboom ligt en dat hij slaapt. Dat is de eerste zegen die God aan Elia geeft. Soms maken we het mee, dat je hoofd zo tolt van al je zorgen en al je moeiten, dat je de slaap niet vatten kunt. Elia krijgt hier van God de zegen van de slaap. Een heilige rustkuur voor zijn vermoeide lichaam en voor zijn afgetobde geest. Dat is de eerste zegen van de vaderlijke goedheid die we hier vinden.

 

En dan, ja dan krijgt Elia nog meer. God zendt een engel. Kijk eens wat die engel doet. Het eerste wat die engel doet is de slapende Elia aanroeren met de tederheid van een engel, de tederheid van een Godsgezant. In die aanroering zit iets van de hemel, van dat vaderlijke van God Die deze engel gezonden heeft.

Zo roert die engel Elia aan en zegt tot hem: Sta op, eet. Dan ziet Elia naast zich een brood, een broodkoek, in kolen gebakken, zoals woestijnbewoners dat nu nog doen. Er is ook een fles met water. Elia eet en drinkt en hij slaapt weer verder. Zo werd Elia versterkt.

God is de Getrouwe, Die niet laat verzocht worden boven vermogen, maar Die met de verzoeking ook de uitkomst geeft.

 

Opnieuw, voor de tweede keer, raakt de engel Elia aan en maakt hem wakker. En de engel des Heeren kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan en zeide: Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.

 

Wat een genadige goedheid. Zo onverdiend.

Want wanneer krijgt Elia deze versterking? O, God sterkte hem bij de beek Krith, God sterkte hem in Zarfath, maar toen was Elia in de weg van God.

Nu wordt hij versterkt terwijl hij niet in de weg van God is. Want Elia heeft gezegd: Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen (vers 4).

Toen heeft God gezegd: ‘Maar, Elia, Ik ben jou nog niet zat.’ En de engel zei tot hem: Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.

 

Wat een wonder in je leven dat God je opzoekt in je nulpunt, dat God er bij komt. Mijn nulpunt, dat is Gods trefpunt. Wat een wonder, dat de Heere je ziel versterkt met brood en water.

Eenvoudiger kan het niet, dan dat de Heere de ziel met eenvoudige middelen versterkt. Hij doet dat met een woord van de Schriften, met een woord van de psalmen, met een goed woord dat iemand tot je spreekt die je opzoekt in je nood en in je zorg.

 

De Heere versterkte Elia. De Heere liet hem niet alleen in zijn verdriet. Hij liet hem niet wegzinken in zijn duisternis. Toen God kwam door middel van die engel, kwam God ook niet met barse commando’s, maar vriendelijk en uitnodigend, hem aanroerend en lokkend: Sta op, eet. Zie wat Ik bereid heb.

De Heere zorgde voor het brood en voor het water en de Heere sprak zo bewogen en ontfermend: ‘De weg zou voor u te veel zijn. Ik weet dat je maar zwak van moed en klein van krachten bent. De weg zou je te veel zijn.’

Het is alsof de Heere, met eerbied gesproken, zegt: ‘Ik weet het wel, Elia, Ik begrijp het ook wel dat je niet meer kunt en dat je niet meer durft en dat je niet meer wilt.’

Geen enkel verwijt, maar dat begripvolle, dat getrouwe, dat liefdevolle. Wat houdt Gods genade het lang uit met een mens! Hij zal niet feilen in Zijn trouw, noch Zijn verbond ooit schenden.

 

Elia werd gesterkt. Hij ontving nieuwe kracht. Daar gaat hij, veertig dagen en veertig nachten. Hij maakt de omgekeerde beweging, hij gaat naar Horeb. De Israëlieten kwamen veertig jaar na Horeb in het beloofde land, maar Elia gaat vanuit de tegengestelde richting, veertig dagen en nachten door die woestijn. Dan komt hij uit bij de Horeb

Naar de Horeb; een pelgrimstocht door de woestijn. Een zondaar, zwak van moed en klein van krachten, maar die door God wordt gesterkt met water en brood en die door de kracht van God die pelgrimstocht maakt door de woestijn naar Horeb.

Horeb is de plaats waar God Zijn verbond en Zijn liefde aan Zijn volk bevestigde.

Een goddelijk getal, veertig. Het is in de Bijbel het getal van de voorbereiding, van de beproeving. Het ziet op een door God bepaalde tijd. Al die veertig dagen, al die veertig  nachten werd Elia gesterkt als pelgrim in de woestijn.

 

Die God, Die Zijn volk versterkt, leeft nog.

Gemeente, is Hij ook onze God? Leven wij van dat water en dat brood dat God toeschikt in de woestijn van het leven, in de woestijn van je hart?

Elia ontving het zonder prijs en zonder geld.

Zo ook een zondaar die platzak is, die wordt door God gesterkt.

 

Maar er is wel voor betaald. Die versterking van Elia is door Christus verworven, door Zijn bitter lijden en sterven. Nee, dat was voor Christus geen makkelijke weg. Hoe diep en hoe zwaar was de weg die Christus moest gaan! Hij is in grotere diepten geweest dan Elia of de diepten waarin Gods kinderen of knechten ooit geweest zijn.

Nooit, nooit heeft Christus gezegd: ‘Heere, het is genoeg, neem nu mijn ziel.’ Maar in die diepten (denk aan Gethsémané) heeft Hij wel gezegd: Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39).

 

Zo ging Hij de kruisweg, de stervensweg, om de schuld te verzoenen. Om het recht van Zijn Vader te verheerlijken, om waarheid en genade te bevestigen.

Daarom wordt Elia hier bewaard in de kracht van God. Omdat de meerdere Elia getrouw is geweest tot in de dood, ja de dood van het kruis.

O, daarom is die belofte zeker en vast: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen (Jes.42:3).

Want, als God je bij de hand heeft gevat, dan laat Hij je nooit meer los!

 

Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn. Zonder deze spijs en drank, zonder dit water en brood, van God beschikt in de woestijn, is de weg te veel.

De weg van het leven is te veel, gemeente, als je die gaat zonder dat water en dat brood; zonder dat voedsel voor je hart en voor je ziel.

 

Elia hoefde er geen lange reis voor te maken; de engel raakte hem aan en schudde hem wakker. Hij hoefde er geen prijs voor te betalen. Daar, heel dichtbij, binnen handbereik, was water en brood.

In iedere preek en bij elke roepstem in je leven, word je van de hemel aangeraakt. Iedere kerkdienst, ook nu, word je aangeraakt, net als Elia in de woestijn: ‘Eet, drink!’

Het evangelie spreekt van Christus als het Brood van het leven. Hij is ook het water van het leven, het water uit de steenrots. Hoe vaak heeft het Woord je al wakker willen schudden: ‘Zondaar, sta op, eet en drink!’

Want God heeft geen lust in onze dood. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7).

Dat heil, die zaligheid, is zo dichtbij. Voor u, voor jou. Het is binnen handbereik.

 

En zo stond hij op, en at en dronk, en hij ging door de kracht van diezelve spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de berg Horeb.

Die pelgrims, ze komen er zeker en vast. Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 7

 

Geen vader sloeg met groter mededogen,

Op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,

Dan Isrels Heer’ op ieder die Hem vreest.

Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten;

Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,

En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.