Ds. D. Rietdijk - Romeinen 8 : 37

Christus en Zijn slachtschapen

Het opgelegde kruis
De zekere overwinning
De verborgen kracht door Hem Die ons liefgehad heeft

Romeinen 8 : 37

Romeinen 8
37
Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 3, 4
Lezen : Romeinen 8: 31-39
Zingen : Psalm 33: 9, 10
Zingen : Psalm 46: 4
Zingen : Psalm 52: 7

Gemeente, wij willen met u het Woord van God overdenken zoals u dat vinden kunt in Romeinen 8 vers 37. Daar lezen wij:

 

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem Die ons liefgehad heeft.

 

Wanneer wij deze woorden overdenken, letten wij op: Christus en Zijn slachtschapen.

 

Wij denken dan aan:

1. Het opgelegde kruis

2. De zekere overwinning

3. De verborgen kracht door Hem Die ons liefgehad heeft

 

1. Het opgelegde kruis

 

Gemeente, het uitgangspunt van de roem van de apostel Paulus in onze tekst is vers 34. In die tekst vinden wij Christus: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

Het grote wonder is dus het paasfeit. Christus is gestorven en het kruis is van een geweldige betekenis. Paulus wenst dan ook niets anders te weten dan Jezus Christus en Die gekruist.

Toch schrijft hij in vers 34: Ja, wat meer is, Die ook opgewekt is. Want de betaling vond plaats op Golgotha, maar de kwitantie vanuit de hemel werd op paasmorgen uitgereikt. Alles is voldaan en de overwinning over de dood en alle machten van de hel is uitge­roepen. Daarom zegt Paulus: Ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

Dan gaat Paulus verder met zijn betoog en zegt: ‘Als we dan zulk een Heere hebben, wat kan ons dan overkomen, allen die van Hem zijn, die Hem liefhebben en die naar Zijn voornemen geroepen zijn? Wie zal ons scheiden van de liefde van God? Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?’

Als Christus Zelf in de hemel gezeten is en daar Zijn voorbede doet, als Hij Zelf in de hemel alle dingen in Zijn hand houdt, dan moet die kerk van God op de aarde gelukkig zijn. In de tijd zijn zij geborgen; ze zijn voor de eeuwigheid geborgen.

De kinderen van God zijn de gelukkigste mensen op deze aarde. Het zijn de schapen van de kudde van de Heere Jezus Christus. Het zijn gelukkige schapen. Niemand, welke hoge positie hij ook inneemt, hoeveel roem en eer hij ook heeft, hoe rijk hij ook is aan goederen en aan materiële dingen, is zó gelukkig als een discipel van de Heere Jezus Christus.

Dat wil niet zeggen dat zij het altijd gemakkelijk hebben. Want het volgen van Jezus is geen triomftocht door deze wereld, maar een kruistocht. Zonder kruis, zei Willem van Oranje, kan de kerk niet bloeien. Dat kruis hoort er dus bij. Het is onlosmakelijk verbonden aan het volgen van Christus. Hij heeft immers Zelf gezegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh.16:33). Hij heeft Zelf gezegd: En ook allen die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden (2 Tim.3:12). Allen die godzalig willen leven, vanuit de Heere Jezus, zullen vervolgd worden.

Juist degenen die de Naam van de Heere Jezus noemen, en alles van Hem verwachten,  zullen vervolgd worden. Daar moeten wij het maar op houden. De kerk kan niet tegen weelde en voorspoed. Zonder kruis kan de kerk niet bloeien. Vandaar dat de apostel al die dingen opnoemt die in vers 35 en 36 geschreven staan.

In dit gedeelte worden al die dingen van honger of benauwdheid, van vervolging of naaktheid of zwaard, samengevat met de woorden uit Psalm 44 vers 23, die de apostel in het voorgaande vers weergeeft: Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting.

 

Paulus, die hier schrijft over honger, benauwdheid, naaktheid, zwaard, en schapen ter slachting, is niet iemand die daar zelf geen weet van heeft. Hij is niet iemand die dat zelf niet kent, maar hij heeft het aan den lijve onder­vonden. Paulus heeft dit alles meegemaakt, tot in gevangenis­sen toe.

 

Straks, in vers 38 en 39, gaat hij nog een stap verder. Dan zegt hij: Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere.

Ook overheden niet. Paulus kende die overheden. Ook wij zullen die overheden steeds meer gaan kennen.

Overheden, Romeinse keizers, daar wisten ze in de tijd van Paulus vanaf. Dat waren geen vrienden van de christenen. Ze hebben de apostel zelfs ter dood gebracht. Paulus is door het zwaard om het leven gekomen. Hij is onthoofd. En de eerste christengemeenten  hebben ook geleden onder het geweld van de keizers.

Ook in de tijd van de Reformatie hebben de christenen in de Lage Landen geleden onder de overheden. En in de vorige eeuw – laten we dat ook niet vergeten – hebben de afgescheidenen geleden onder een overheid die hen vervolgde.

Ook nu maakt de overheid zich gereed om de uitleg van de Bijbel aan banden te leggen. De zonde moet goed genoemd worden. Datgene wat de Bijbel verbiedt moet mogelijk worden geacht. Wat door het Woord wordt uitgeslo­ten, mag niet meer worden verkondigd en benoemd worden.

Paulus schrijft het hier en kon het daar zo schrijven. Hij is dus heel actueel, omdat hij het zelf heeft meegemaakt.

Jezus heeft schapen. Dat zijn echter geen weideschapen, geen schapen die in weelde leven, maar het zijn slachtschapen. Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood. En Jezus heeft gezegd: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft (Joh.13:16).

Wat is er met Jezus Zelf gebeurd? Hoe waren de kerke­lijke overheden en de wereldlijke overheid van Pontius Pilatus voor Jezus? Degenen die van Hem zijn moeten dan ook niets anders verwach­ten. Ook niet van de kerk, ook van haar hoeft u nooit iets te verwach­ten. Zodra u uit Hem leeft en zodra u Zijn Naam als de enige Naam ter zaligheid noemt, moet u van de kerk niets ver­wachten; die zal niet vriendelijk zijn.

Ook de overheid zal niet vriendelijk zijn. Want wij die leven, zegt Paulus, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden (2 Kor.4:11).

 

Dit is de werkelijkheid van de levende gemeente van Christus, de schapen Zijner weide. ‘Maar zonder kruis kan die kerk niet bloeien’, zei Willem van Oranje. En het is tot groot nut; tot nut van de kerk van God in het algemeen.

Tertullianus, de kerkvader van Noord-Afrika heeft gezegd: ‘Het bloed van de martelaren is het zaad van de kerk.’ In de tijd van de vervolging is die kerk uitgebreid. Dan ziet u die kerk opbloei­en.

Als de eerste ge­meente van Pinksteren in Jeruzalem uit elkaar geslagen wordt, vluchten ze alle kanten uit. Maar ze nemen het Woord mee. En dat Woord wordt overal gepredikt; het wordt uitgezaaid. Die gemeente heeft gezorgd dat het Woord in Samaria kwam, in Antiochië, en tot in Klein-Azië toe.

 

Niet alleen voor de kerk als geheel, maar ook voor elk gelovige in het bijzonder bracht die vervolging baat. Paulus zegt dit in vers 28 van dit hoofdstuk: En wij weten dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Daar staat dus niet: ‘zouden moeten mede­werken ten goede.’ Nee, ze wérken mee ten goede! Het is per definitie; het is erin begrepen. Zij werken mee ten goede, namelijk dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn, die God liefhebben. Alle dingen. In dit alles…

U leest in hoofdstuk 5 vers 3 en 4 van de Romeinenbrief, dat ook de ver­drukkingen moeten medewerken: En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop.

Dus die verdrukking is tot nut van de kerk. Het is dus niet tot afbreuk, maar de gelovigen zelf ondervinden daar alle nut van. U vindt het door de gehele Bijbel heen. U vindt dat door heel de kerkge­schiedenis heen.

De kerk gaat bloeien, zodat het leven van Jezus gezien wordt. Want wij die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat het leven van Jezus in ons sterfelijk lichaam zal gezien worden. Hoe ernstig deze dingen dus zijn in dit alles, niets is zó mach­tig, dat het de overwinning van de kerk beletten kan. Laten we dat in onze tekst lezen.

 

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. Dat is de triomf van de slachtschapen van de Heere Jezus Christus. Die gemeente zal overwinnen. Als u nu vandaag naar de kerk kijkt, ziet zij er desolaat uit. Er is niet veel om over te roemen. Wij moeten be­schaamd ons hoofd buigen vanwege christelijk Nederland.

Maar laten wij wél weten dat de schapen van Christus’ weide zullen overwinnen. ‘Hoezeer de hele wereld daar tegen woeden zou’, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, ‘en hoezeer de magistraten en plakkaten van prin­sen die kerk verbieden zouden.’ Boven alle machten en overheden en krachten staat die grote Overwinnaar. Ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

En nu onze tweede gedachte:

 

2. De zekere overwinning

 

In dit gedeelte van Romeinen 8 worden twee dingen genoemd. In vers 33 wordt de vergeving van de zonde, de rechtvaardiging, genoemd. En in vers 35 gaat het over de overwinning.

Dus er worden twee dingen gegeven aan de kerk: de vergeving van zonde, maar ook de overwinning op alle vijanden. Die liggen vast in de opstanding van Christus uit de doden. Ze liggen vast in Zijn voorbidding. Vergeving en overwinning. Niemand kan dit grote goed dat de kerk heeft, van haar  afnemen. Zij zal de overwinning behalen.

 

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. Er staat dus dat de kinderen van God méér dan overwinnaars zullen zijn. Dat wil zeggen: verreweg overwinnaar zijn, of: boven alles uit overwinnaar zijn, of ook: zonder moeite overwinnaar zijn. Dát wil het zeggen, ‘meer dan overwinnaars’ te zijn. Want als er in deze wereld een overwinning wordt behaald, wordt die overwinning veelal bevochten ten koste van veel bloed. Dan wordt die overwinning behaald met grote offers. Zulke grote offers zelfs, dat het de vraag is of deze offers de wankele overwinning wel waard zijn. Maar hier zijn overwin­naars die de overwinning in de schoot valt zonder dat zij dat offer hebben gebracht. Zonder slag of stoot. Ze krijgen de overwinning. ‘Gij, Heer’, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zegen.’

 

Gemeente, u moet er eens op letten dat er niet staat: ‘Wij zullen meer dan overwinnaars zijn.’

Nee, er staat: ‘In dit alles’, dus: terwíjl dat alles plaatsvindt, zijn wij meer dan overwinnaars. Ze krijgen niet pas straks, uiteindelijk, de overwinning, maar het is de zaak van het héden.

U zou kunnen lezen: ‘Bovendien, in dit alles, zijn wij altijd maar door, meer dan overwinnaar.’ Altijd maar door, aanhoudend, niet aflatend, meer dan overwinnaar zijn.

 

Dan zou je zeggen: ‘Is dat niet wat overdreven?’ Is de kerk niet naar de rand van de samenleving opgeschoven? Zit de kerk niet altijd in de hoek waar de slagen vallen? Is het niet zo dat wanneer wij leven naar het Woord en bij het Woord, we dan opzijgeschoven worden? Je telt niet mee, noch in de wereld, noch in de kerk. Alles is in de weer om je buiten te sluiten.

Is satan dan niet altijd bezig met zijn verleidingen en zijn verzoekingen? Is hij niet altijd bezig? Zijn we niet bevreesd om, als het erop aankomt, recht voor de waarheid van het Evangelie uit te komen? Leeft het in ons hart niet? Zullen wij niet de eerste zijn die straks de Naam van de Heere loochenen, die de volkswil gehoorzamen in plaats van de wil van God?

Zo kunt u doorgaan. Maar daar tegenover de tekst: Zo dan, die meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor.10:12). Neemt u dat nu eens allen mee naar huis. Hoe zal het zijn? Als je zelf zo zeker bent dat het niet mis met je kan gaan, dan moet u vrezen.

 

U moet er op letten dat die overwinnaars waarover het gaat, méér dan overwinnaars zijn. Het gaat om iets heel be­paalds. Het gaat erom dat wij door al deze dingen niet gescheiden worden van de liefde van Christus. Daar gaat het om.

Worden ze door die verdrukking gescheiden van de liefde van Christus? Of door benauwdheid of door vervolging of door het zwaard? Nee toch? Ze worden de ganse dag gedood en worden geacht als slachtschapen. Maar in dit alles zijn zij meer dan overwinnaars. Zij zullen nooit gescheiden worden van de liefde van Christus.

De slag van het zwaard die het hoofd van  Johannes de Doper van zijn lichaam scheidde, scheidde hem niet van de liefde van Christus. Johannes werd op Patmos geïsoleerd van al zijn medechristenen en van zijn gemeente, maar niet van de Heere Jezus Christus, want Hij leidde Johannes juist naar Patmos en Hij heeft hem daar het boek van de Openbaring laten schrijven. De discipelen werden in de gevangenis geworpen. Paulus en Silas werden in Filippi in de kerker gesloten. De Heere gebruikte dat tot zegen, in het toebrengen van de  stokbewaarder.

 

Meer dan overwinnaars in dit alles… U kunt in de hele kerkgeschiedenis en in de Bijbel lezen hoe zij allen staande zijn gebleven. Hoe ze ‘nee’ gezegd hebben tegen de wereld, tegen de overheden, tegen de keizers.

Ik denk ook aan de drie vrienden van Daniël die bij dat beeld van Nebukadnezar stonden, met die vurige oven op de achtergrond. Die gewoon ‘nee’ gezegd hebben: ‘Koning, wij zullen voor uw beeld niet buigen, want wij weten dat de God Die wij eren machtig is om ons van die oven te verlossen. En zo niet, als Hij dat niet doet, weet dan, o koning, dat wij voor dat beeld niet zullen buigen. Dus al doet God dat niet – want Hij is het niet verplicht – dan buigen we niet voor dat beeld.’

Kijk, daar hebt u het nu; meer dan overwinnaars zijn in dit alles. Zelfs al sta je voor dat beeld, en als je niet buigt ga je die oven in. Welnu, dan kun je die oven in.

En zo gingen ze die oven in. Maar ze waren er niet al­leen. Want toen de koning ging kijken hoe het afgelo­pen was met die drie vrienden, zag hij niet drie mannen maar vier. De vierde had een gedaante als de Zoon eens mensen gelijk. Het was Christus Zelf in dat vuur. Hij was bij de Zijnen. Zij hebben door het geloof de kracht des vuurs uitgeblust. Dit is wat de wereld overwint, namelijk ons geloof. Dat geloof in de Heere Jezus Christus zal er dan wel moeten zijn.

 

In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. Dat geldt alleen, maar dan ook alléén, voor diegenen die het geloof in Christus deelachtig zijn. Het geloof dat gewerkt is door de Heilige Geest. Dat geloof weet van mijn getrouwe Zaligmaker, Die nooit aflaat om Zijn hand op mijn leven te leggen en mijn hand vast te houden.

In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. Stefanus heeft dat ervaren. Hij zag de hemelen geopend en hij zag Jezus staande aan de rechterhand Gods. Dat was zijn verwachting en hoop. Dat gaf hem moed en kracht. Dat deed hem stervende zijn geest aan Jezus aanbevelen.

Meer dan overwinnaars… Luther wist wat het was, in dit alles meer dan overwinnaar te zijn. Hij heeft gezegd: ‘Een christen is ook een koning, zodat hij een heer is over alles en alle schepselen hem gehoorzaam zijn.’ En dan voegt Luther er aan toe: ‘Maar dan geestelijk.’ Verder zegt hij: ‘Uit­wendig kan hem zijn leven of zijn goed ontnomen worden, maar hij werkt en doet wat hem bevolen is. En al wordt hem alles ontnomen, zo wordt hij toch weer altijd hersteld en zijn geloof neemt steeds toe en breidt zich uit en vervult zo zijn hart, dat noch rijkdom noch armoede hem bekommeren noch treuriger of vrolijker maken.’  

 

Gemeente, daar hebt u dat ‘meer dan overwin­naars’. In dit alles… Als u dan in aanmerking neemt wie dat schrijft, namelijk Paulus; die wist ervan! Hij had een leven vol van gevaren en ontberingen meegemaakt. Zelfs gestenigd, voor de wilde beesten geworpen. Hij wist het van binnenuit en hij wist het van de buitenkant. Om de Naam van de Heere Jezus heeft hij veel kwaads ondervon­den. Om de Naam van zijn Hei­land was hij een voetveeg en een vloek van de wereld geworden. Maar hij is staande gebleven, niet gescheiden van de liefde van Christus. Onverbrekelijk is de band die Jezus legt.

 

Ten slotte onze derde gedachte, maar laten we eerst zingen, Psalm 46 vers 4:

 

De Heer’, de God der legerscharen,

Is met ons, hoedt ons in gevaren;

De Heer’, de God van Jakobs zaad,

Is ons een burg, een Toeverlaat.

Komt, wilt op ‘s Heeren daden merken;

Aanschouwt des Hoogsten grote werken.

Zijn macht, die nooit te stuiten is,

Maakt d’ aarde tot een wildernis.

 

3. De verborgen kracht door Hem Die ons liefgehad heeft

 

Als u vraagt: ‘Hoe kan dat nu, in dit alles, met al die verschrikkelijke dingen?’, denk dan aan die drie vrienden, die zomaar in zo’n hete oven geworpen worden. Denkt u dan maar aan Daniël die in een kuil geworpen wordt met leeuwen die alles opvreten wat in die kuil geworpen wordt. Maar Daniël werd erin geworpen en door het geloof werd de leeuwenmuil toegesloten, zegt Hebreeën 11.

Wat is dat nu, hoe kan dat nu, hoe kun je staande blijven in dit alles? Moet je niet beven, niet verschrikken, als er zoveel gevaar op je af komt? Wie zal het kunnen opnemen tegen de verdrukkingen?

Nee, dat kan niet in eigen kracht. Als u dat gaat proberen, dan hebt u het al verloren. Dat gaat ook niet door een rechtzinnige godsdienst. Want hoe rechtzinnig we ook zijn, exclusief misschien, het heeft geen enkele waarde voor de vijand. U weet toch wat de boze zegt tegen die schijndiscipelen in de Handelin­gen? ‘Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij?’

Rechtzinnige godsdienst houdt ons niet overeind. Niets of niemand. Een wettisch leven nog minder. Al wat niet uit God is, zal wankelen.

Als er geen vuiltje aan de lucht is, gaat het allemaal goed, dan gaat het allemaal aardig, dan spreken mensen grote woorden, en benauwen daarmee zelfs de schapen van onze Heere Jezus Christus. Zij worden in een hoek gedrukt. Maar het vuur zal openbaren wat hout, hooi of stoppelen is.

 

Kennen wij dat oprechte geloof in de Heere Jezus, als een verloren zondaar aan wie niets deugt, iemand die het waard is dat God hem voor eeuwig zal wegdoen van voor Zijn aangezicht? Zó aan de voeten van Jezus komen en in Hem niet véél vinden, maar álles wat ter zaligheid nodig is? Hebben wij in Hem het leven gevonden, en de zaligheid tot in al zijn volko­menheid? Kennen wij de verborgen kracht van Paulus, door Hem Die ons heeft liefgehad?

 

Door Hem Die ons liefgehad heeft kunt u lezen – en sommigen doen dat ook daadwerkelijk – als de liefde, de eeuwige liefde van God de Vader, de Vader van de Heere Jezus. Want – staat er – alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh.3:16). En daarom zou je dat zeker hierin kunnen lezen.

Het is ook zeker waar dat zonder de wil van de hemelse Vader geen haar van ons hoofd gekrenkt wordt en dat alle ding tot onze zaligheid moet meewerken. Dat is zeker waar. De Vader is de oorzaak van de zaligheid van de kerk. Maar dat is Hij altijd in Christus. Daarom maakt het niet zoveel verschil; alleen door Christus en in Christus is de zaligheid gewaarborgd. Daarom lezen wij hier: de liefde van Christus. Door Hem Die ons liefgehad heeft.

 

De liefde van de Vader wordt geopenbaard in de Heere Jezus Christus. Hij heeft Zichzelf gegeven tot in de dood en het graf. Die uitne­mende liefde is de garantie voor de bewaring en voor de over­winning van de kerk. En bovendien heeft de Vader, door Hem Die ons heeft liefgehad, aan Christus alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.

De Heere Jezus heeft dat Zijn discipelen gezegd in zijn afscheidswoorden in Mattheüs 28. Daar heeft Hij gezegd: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth.28:18). Dat wil zeggen dat Jezus de volmacht van de Vader heeft. Daarom is de volmacht gegeven aan Hem Die ons heeft liefgehad. Dat is de roemtaal van Paulus hier in deze tekst. Daarom hoeft de levende kerk niet met de wereld te concurreren. Zij behoeft niet werelds tegen de wereld te strij­den. Wij hebben geen aardse macht nodig.

Het Koninkrijk van God komt met goddelijke macht door Christus en in Chris­tus. Hij heeft op aarde, ook in onze tijd, alle macht, al zien we er soms niets van. Maar Hij is het Die Zijn volk ondersteunt, Die Zijn volk overeind houdt, Zijn volk schraagt en stut. Hij is het Die Zijn volk moed en kracht geeft om verder te gaan. Zijn liefde staat daar garant voor. Zijn liefde gedoogt niet dat de Zijnen zullen omkomen of gescheiden worden van Zijn liefde.

Hoewel het waar is dat de kerk door aller­lei gevaren omringd wordt, dat er grote nood en dood is waaruit de kerk verlost moet worden, is de kracht van Christus groter dan de grootste nood. De kracht van Christus is sterker dan de sterkste vijand. Zijn waakzaamheid is onophoudelijk. Zijn oog bewaakt het wereldrond. Hij slaapt noch sluimert.

Boven­dien ligt er Zijn belofte: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20). Elke dag is Hij er. Hij is bij de Zijnen. Hij beloofde: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr.13:5). Aan dat woord houdt Hij Zich. Daarop mogen de kinderen van God zich verlaten, daarop mogen ze steunen en leunen, zelfs in het grootste verdriet.

 

De Heere heeft laten horen in Hebreeën 11 hoe de ouden in dit alles door het geloof steeds  staande zijn gebleven en meer dan overwinnaars zijn geweest. Koninkrijken hebben ze overwonnen, gerechtigheid hebben zij geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegesnoerd. Zij hebben het vuur uitge­blust, zij zijn het zwaard ontvloden. Uit zwakheid krachten verkregen hebben­de, in de krijg sterk geworden zijnde.

U kunt in Hebreeën 11 lezen wat dat geloof in Christus vermag. Daar hebt u de gemeente van Christus van alle eeuwen. ‘Zonder kruis kan de kerk niet bloeien’, zei Willem van Oranje. Maar ze heeft gebloeid en vrucht gedragen.

Welke toekomst wij tegemoet gaan weet God alleen. Maar het is in een wereld en onder een overheid die de Bijbel en het christendom achter zich gelaten heeft. Dat is een postchristelijk heiden­dom. Dat heidendom is veel erger dan het heidendom dat nog wacht op de komst van Koning Jezus.

 

Wat is het nodig – dat is het slot van alles – dat wij in Hem gevonden en geborgen zijn. Wat gaat er tot ons een roepstem uit van al deze dingen. Een nodiging en een klop op de deur van ons hart om ons te haasten en te spoeden, opdat wij in Christus gevonden zouden worden. Want buiten Jezus is er geen behoudenis. Als wij Hem – behalve dan de vijf let­ters waarmee Zijn Naam wordt gespeld – niet kennen, is er geen behoude­nis, noch in de tijd, noch in de eeuwigheid.

Maar het is Pasen geweest. En Pasen betekent: opstanding uit de doden. Het betekent: overwinning van Christus. Daarom kunnen er mensen zalig worden. Hij heeft de geestelijke dood overwonnen. Omdat het Pasen geweest is, kunnen er mensen be­keerd worden. Daarom kunnen er mensen gezaligd worden. Want de liefde van Christus blijft niet staan bij het kruis en bij de opstanding. Die liefde voert naar de pinksterdag, waarop de Geest is uitge­stort. Die Geest Die Zich bij het Woord voegt en Die in de harten van mensen gaat wonen en werken, daar het geloof gaat planten in die enige Naam die onder de hemel gegeven is.

 

Dat die Geest er is blijkt uit het feit dat er mensen zijn die het geloof beoefenen, dat onverwoestbare geloof. Het geloof dat ook tel­kens weer boven komt, hoe vaak het ook ten onder wordt gehou­den. Dat geloof wordt wel vergeleken bij een kurk die je onder water probeert te drukken, maar als je hem even loslaat dan komt hij weer boven, weer aan de opper­vlakte. Zo is het geloof. Hoe komt dat? Omdat die gelovige zo sterk is? Nee, maar omdat Christus een onverganke­lijke liefde heeft tot Zijn kerk. Daarom zullen zij in dit alles meer dan overwinnaars zijn.

Dan gaat die christen niet met een hoge borst door de wereld, maar hij weet alleen dat Christus de Paasvorst is, dat Hij de Machtige is, dat Hij de Zijnen eenmaal in Zijn eeuwige heerlijkheid zal doen delen.

Wat is het dan nodig om Hem te kennen. Laat dan het gebed vermenigvuldigd worden. Want, gemeente, ik zou niet verder durven leven zonder de geloofswetenschap dat Christus niet een, niet de, maar míjn getrouwe Zaligmaker is. Want dan alleen kun je de toekomst aan en dan kun je de toekomst in. Dan alleen mag je je geborgen weten.

 

Straks is de kerk boven. Dan is zij thuis. Dan zal van deze kerk gezegd wor­den: ‘Zij heeft de boze overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis.’

Dus het woord van hun getuigenis, juist waardoor zij als slachtschapen van Christus zijn, door dat woord van hun getuigenis zullen zij overwinnen. Dan zal ten volle de uitwerking van Pasen worden gezien. Dan zal worden gezien dat wie in Hem leven, in en door Christus, meer dan overwinnaars zijn. Want niets heeft hen kunnen scheiden van de liefde Gods die daar is in Christus Jezus.

Als Paulus zijn laatste woorden schrijft in de allerlaatste brief die Hij geschreven heeft aan Timotheüs, de tweede brief, zegt hij: Ik heb nog één ding te vertellen Timotheüs: Ik heb de goede strijd gestreden – en, zegt hij met verwondering – ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal (2 Tim.4:7-8).

Het einde is nabij, Paulus weet het. Maar hij weet ook: ik heb het geloof behouden en ik zal de kroon ont­vangen.

In dit alles meer dan overwinnaars.

Door Hem Die ons heeft liefgehad.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 52:7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij ’t hebt gedaan!

’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;

Uw waarheid zal bestaan.

Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed

Van al Uw gunstvolk goed.