Ds. P. Mulder - Psalmen 37 : 7 en 39

Onderwerp

Psalmen 37
Onderwijs voor rechtvaardigen die leven te midden van goddelozen
Ontdekkend
Raadgevend
Vertroostend

Psalmen 37 : 7 en 39

7. Zwijg de HEERE en verbeid Hem; ontsteek u niet over degene wiens weg voorspoedig is; over een man die listige aanslagen uitvoert. 39. Doch het heil van de rechtvaardigen is van de HEERE; hun Sterkte ten tijde van benauwdheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 1, 3
Lezen : Psalm 37: 7-39
Zingen : Psalm 37: 2, 3
Zingen : Psalm 128: 1
Zingen : Psalm 91: 1

Gemeente, in biddend opzien tot de Heere hopen we stil te staan bij het Woord des Heeren uit de ons voorgelezen Psalm 37. We lezen daarvan als tekstwoorden het 7e en het 39e vers:

 

7. Zwijg de Heere en verbeid Hem; ontsteek u niet over degene wiens weg voorspoedig is;  over een man die listige aanslagen uitvoert.

 

39. Doch het heil van de rechtvaardigen is van de Heere; hun Sterkte ten tijde van benauwdheid.

 

In onze tekst gaat het over: Onderwijs voor rechtvaardigen die leven te midden van goddelozen.

 

Over twee soorten mensen gaat het in Psalm 37. Zij worden overwegend rechtvaardigen en goddelozen genoemd. In het bijzonder is dat onderwijs voor de rechtvaardigen die leven te midden van de goddelozen.

 

Dat onderwijs is ontdekkend, zoals het tweede deel van vers 7 zegt: Ontsteek u niet over degene wiens weg voorspoedig is, over een man die listige aanslagen uitvoert.

Het is ook raadgevend, zoals u kunt lezen in het eerste deel van vers 7: Zwijg de Heere en verbeid Hem – dat betekent: verwacht Hem.

En het is ook vertroostend, zoals in vers 39 staat: Doch het heil der rechtvaardigen is van de Heere; hun Sterkte ten tijde van benauwdheid.

 

Dus het onderwijs voor rechtvaardigen die leven te midden van goddelozen. Dit onderwijs is:

 

1. Ontdekkend

2. Raadgevend

3. Vertroostend

 

1. Ontdekkend onderwijs

 

Psalm 37 is een psalm van David. Van de helft van de psalmen weten we zeker dat ze door David gedicht zijn, want dat staat er boven. Van de andere helft worden andere dichters genoemd, zoals Asaf, Heman, Jeduthun, Salomo en Mozes. Er zijn ook heel wat psalmen waarvan de dichter onbekend is. Maar alle psalmen  – en dat is zeker – zijn door de Heilige Geest geïnspireerd, en dus het Woord van God tot onderwijs.

Deze psalm is in het Hebreeuws een leerdicht, bestemd om onderwijs te geven. Het is een heel bijzonder gedicht. Dat is in de Nederlandse vertaling niet zo duidelijk. Toch hebben onze Statenvertalers het willen laten zien. Vandaar – en dat is u misschien wel opgevallen toen Psalm 37 gelezen werd – dat er woorden staan die we niet lezen, zoals Aleph bij vers 1, Beth bij vers 3, Samech bij vers 27, enzovoorts. Dat zijn aanduidingen van de letters van het Hebreeuwse alfabet. Psalm 37 is dus een gedicht waarvan vers 1 begint met de Hebreeuwse ‘A’ en vers 3 met de Hebreeuwse ‘B’ en zo verder.

Een mooie vorm. Nee, het is niet het belangrijkste, maar voor de Heere niet onbelangrijk. Ook de schoonheid van de kunst is een gave van God. Een algemene gave, maar die mag daarom niet verwaarloosd worden. Zij moet zelfs opgemerkt worden. In onze tijd is er in de kunst veel goddeloosheid, maar dat neemt niet weg dat er ook goede kunst is. Dit is een gave van de Heere en daar mogen we zeker acht op slaan.

 

In Psalm 37 gaat het over twee soorten mensen: goddelozen en rechtvaardigen. Er zijn ook maar twee soorten mensen. Dat luistert nauw. Onderzoekt uzelf waar u bij hoort, waar jij bij hoort. Want dat is allesbeslissend. De goddelozen hebben geen vrede en als toekomst de eeuwige dood. En de rechtvaardigen hebben de Heere tot hun deel en het eeuwige leven.

In deze psalm worden de goddelozen dertien keer als ‘goddelozen’ benoemd. Ook worden ze nog met andere woorden aangeduid: boosdoeners in vers 1 en vers 9, vijanden des Heeren in vers 20, vervloekten in vers 22, overtreders in vers 38. Die namen zijn heel veelzeggend:

Boosdoeners zijn zij die het boze doen. Bedoelt de mens dat? Pas op, het is naar Gods norm dat hij die naam krijgt. En wat is het boze? Dat is wat niet beantwoordt aan de normen van de Heere. Kijk het eens na in uw leven. Overtreders zijn degenen die Gods wet niet houden, en zondigen. Vijanden des Heeren. Wat een diepe naam. Zij zijn vijanden van de Heere, afkerig van God, nee, tegenstanders van God. Eigenlijk is dat duivels. Een mens staat van nature in een open verbinding met de vorst der duisternis.

Vervloekten. De vloek van God rust op de goddelozen. De vloek van God, dat wil zeggen dat de Heere een afkeer van de zonde heeft en van hen die in de zonde leven. Goddelozen. Die naam komt dertien keer voor. Dat zijn mensen die God niet dienen, die leeg van God zijn.

En dan lezen we in vers 9: Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden. Daar gaat het naar toe. Ze hebben geen bestaan; hun wacht een verschrikkelijke toekomst.

 

Daartegenover staan ‘de rechtvaardigen’. Acht keer worden ze zo genoemd. Met ‘rechtvaardigen’ worden mensen bedoeld die de Heere vrezen. Zo moet dat in deze psalm, en eigenlijk steeds in het Oude Testament, gelezen worden. Het zijn mensen die de Heere vrezen en zoeken om naar Zijn inzettingen te leven. We moeten dus niet in de eerste plaats denken aan mensen die door een persoonlijk geloof mogen weten van de rechtvaardigmaking. Dat heeft er uiteraard wel mee te maken, maar dat is de bijzondere strekking van dit woord niet. Rechtvaardigen zijn godvrezende mensen die een rechte verhouding met de Heere zoeken. Doet u dat? Die verhouding is van nature krom door onze zonde en afval. Die kromme verhouding moet hersteld worden. En dat wonder is nu gebeurd in het leven van deze rechtvaardigen. Uit enkel genade, door de wedergeboorte die door Woord en Geest gewerkt wordt.

 

De rechtvaardigen krijgen ook wel een andere naam, zoals bijvoorbeeld in vers 11: zachtmoedigen. Daarmee wordt niet zozeer een karaktertrek bedoeld, maar mensen die zachtmoedig gemaakt zijn. En weet u waardoor? Volgens Calvijn gebeurt dat door de slagen van de wet, onderwijzend en verootmoedigend.

Ellendigen noemt vers 14 hen, en nooddruftigen. Met ellendigen worden hier mensen buiten het paradijs bedoeld, mensen die het inleven uitlandig te zijn. Deze mensen zijn God kwijt en gaan vanuit het godsgemis naar de Heere vragen en zoeken. Die ellendigen hebben heimwee naar het betere vaderland. Ja, naar de Heere Zelf.

Ze heten ook nooddruftigen; dat zijn mensen die door de nood gedreven worden. Welke nood? De nood van hun zondaarsbestaan, van hun verloren leven, de nood dat ze van nature buiten God en Christus zijn en geen toekomst hebben. Die nood drijft hen naar de Heere toe. En al hebben ze dan vele bestrijders, de Heere denkt aan de nooddruftigen en ellendigen.

De rechtvaardigen in deze psalm krijgen ook nog andere namen. In vers 18 en 37 worden ze de oprechten genoemd. Van nature is de mens dat niet, maar degene die oprecht gemaakt is zegt tegen de Heere: ‘Kijkt U maar in mijn hart en naar mijn leven, Heere.’ Ze zeggen er dan vaak bij: ‘En als er bij mij een schadelijke weg is – en wat zijn die er veel – brengt U me toch op de goede weg.’

 

Ze worden ‘gezegenden’ genoemd, tegenover de ‘vervloekten’. De gezegenden; o, wat een genade als je gezegend wordt door de Heere. Niet alleen met tijdelijke zegeningen, maar met de eeuwige zegen. De zegen van God maakt rijk, want wie door God gezegend wordt heeft een eeuwige toekomst.

 

In vers 28 worden ze gunstgenoten genoemd. Wat een lieflijke naam! U die de Heere zoekt, jij die de Heere vreest, is het niet de gunst van God waarnaar je juist verlangt? Van nature verkeren we onder Zijn ongunst vanwege onze zonden. Dat vervult Gods kinderen met diepe smart. En het wordt hun uitzien te mogen weten, te mogen geloven, ja er nu eens van verzekerd te mogen worden dat ze een gunstgenoot zijn. Dat zal een groot wonder zijn. Vanuit het welbehagen Gods in Christus.

Zo noemt de Heere nu degenen die Hem vrezen, degenen die wijken van het kwaad en door de wederbarende genade van de Heilige Geest in Zijn wegen gaan. Ze worden zoals Job ook ‘vromen’ genoemd, ze wijken van het kwaad, ze hebben de Heere in alles nodig.

 

Twee soorten mensen. Bij welke horen wij? Gods Woord leert ons dat er een strijd is tussen die twee soorten mensen. Tussen het slangenzaad: de goddelozen, en het Vrouwenzaad: de rechtvaardigen. Die strijd is al begonnen in het paradijs, terstond na de zondeval. Dat is een strijd vanwege dé Rechtvaardige.

Die strijd kan hoog oplopen. Tegenspoed, verdrukkingen, benauwdheden, verachting; dat is het deel van de rechtvaardigen. In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh.16:33).

Job heeft dat ervaren. Het ging zo goed in zijn leven; er was zoveel om de Heere voor te danken. En we kunnen niet zeggen dat Job oppervlakkig leefde. Integendeel; hij was alsmaar bezorgd dat zijn kinderen zouden zondigen bij een verjaardagsfeest. Hij was vroom, rechtvaardig en wijkende van het kwaad. Maar wat een tegenslagen, wat een kruis en verdriet moest hij dragen.

Dat is in dit leven vaak het deel van degenen die de Heere vrezen. De duivel heeft daar zeker de hand in, want hij wil niets liever dan verwarren en verwoesten. Dan slaag geven aan allen die op de Heere hopen.

Anderzijds is er vaak zoveel macht, zoveel werelds genoegen en vermaak te zien bij degenen die hun eigen zondige wegen kiezen en zich naar de wereld richten.

We kennen de gelijkenis van die rijke man. Alle dagen leefde hij vrolijk en prachtig. Is dat niet aantrekkelijk? Ja, maar pas op: ineens was daar – zijn broers hadden dat niet verwacht en hijzelf mogelijk ook niet – ineens was daar de hel, de rampzaligheid. En dan de arme Lazarus; een man van zoveel kommer en ellende. Toen hij stierf waren er de engelen, was er de hemel; was er de Heere Die hem opnam.

 

David, de dichter van deze psalm, was godvrezend en oprecht. Wat moest hij veel vluchten, meemaken dat de goddelozen hem op de hielen zaten. Hem werd veel onrecht aangedaan. En toch mocht hij een schuilplaats hebben bij de Heere.

Zo is het ook vandaag, jongens en meisjes. Misschien ervaren jullie daar soms ook wel wat van. Als je naar het Woord van God wil leven, sta je vaak alleen. Dat kan soms moeilijk zijn als je solliciteert, als je in je werk of studie de weg wilt vinden die de Heere in de Bijbel van je vraagt. Zelfs onder refo’s kun je alleen komen te staan als je werkelijk naar Gods Woord wilt luisteren en verre wilt blijven van de zonde en de wereld. Onbegrepen moet jij je weg gaan. Soms word je zelfs opzij gezet.

 

Het onderwijs voor rechtvaardigen die leven te midden van de goddelozen is ontdekkend. Het gaat vaak zo anders dan je zou verwachten.

Degenen die de Heere vrezen hebben toch het goede tot hun deel? Ja, geestelijk zeker. Ze hebben, nog veel meer, de Heere tot hun deel. Maar dat wil niet zeggen dat het altijd makkelijk is. Dat alles voorspoedig gaat. Er is veel strijd aan verbonden. ‘Strijdt de goede strijd’, zegt de apostel; ‘strijdt om in te gaan’, zegt de Heere Jezus; ‘neem uw kruis op’, zegt de Zaligmaker, ‘verloochen jezelf.’

Ontdekkend is dat. De weg van de Heere is niet een weg van aanzien, vaak niet een weg die voor het natuurlijke oog aantrekkelijk is, maar het is wel de weg van het Woord. Het is de weg achter de Heere Jezus aan. En kijk eens naar Hem. Was Zijn weg altijd gemakkelijk, menselijk gezien? Was Zijn weg een weg van eer en roem? Integendeel: verachting en bespotting waren immers Zijn deel.

 

Het is ontdekkend, zoals ook Psalm 37 aangeeft, dat de goddelozen tegenover de rechtvaardigen staan. Het is kenmerkend voor hun opstelling dat ze de rechtvaardigen verdrukken en benauwen als ze er de kans voor krijgen. Ze willen niet met God rekenen. De paradijszonde dat de mens op de troon wil zitten, wordt uitgeleefd. We zien het vandaag volop gebeuren dat de goddelozen baan breken. De mens der zonde claimt ruimte, openbaart zich, stelt zich brutaal op. Hij wil niet voor God buigen en niets weten van een hogere Macht en hogere normen en waarden.

Nee, we mogen daarmee niet het goede ontkennen dat de Heere nog geeft in de samenleving, in ons rechtsbestel. Vele goede dingen krijgen we; in de kerk, op school en in de gezinnen. Dat schenkt de Heere. Daar moeten we zuinig op zijn en dankbaar, en laten we trachten er getrouw gebruik van te maken. Maar tegelijk is het waar dat de tegenstelling tussen de rechtvaardige die de Heere vreest en de goddeloze die de zonde ruimte wil geven, steeds groter en duidelijker wordt.

De goddelozen worden ‘al zondiger’, staat er aan het slot van het boek Openbaring. En de rechtvaardigen? Worden ze al rechtvaardiger? Ach, ze komen steeds meer apart te staan als ze werkelijk naar het Woord van God leven. Wat is het ontdekkend dat de werkelijkheid van het leven de strijd is tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad.

 

Maar er is nog meer ontdekkends in onze psalm. Want er wordt in vers 1 gezegd: Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet. Ook in het hart van een godvrezende komt zomaar nijd, boosheid en afgunst op. Vers 8 zegt ook: Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. Zo gemakkelijk zouden degenen die de Heere vrezen het voor zichzelf willen opnemen, eigen rechter zijn, de boze de mond willen stoppen, het onrecht bestraft willen zien. En zo zou de rechtvaardige op weg kunnen gaan om kwaad te doen.

Als Abisaï, de trouwe officier van David, Simeï hoort schelden op David, zegt hij: ‘Zal ik hem slaan?’ Maar David wil het anders. Hij begrijpt het Woord van God dat hij hier onder woorden brengt: Ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. David zegt: Het is misschien van de Heere dat hij me bestraffen moet. David kiest liever voor druk met de Heere dan eigen rechter te spelen zonder de Heere. 

 

De goddeloze is soms bruut en grof. Dan is hij één met de wereld en met de duivel. Dan manifesteert hij zich herkenbaar. Maar de goddeloze kan zich ook vroom gedragen. Hij kan zich voordoen als een rechtvaardige. De farizeeën en velen van de schriftgeleerden deden veel goed. Ze wisten veel van de Bijbel en waren veel met de dingen van de Heere bezig.

Er kunnen ook vandaag mensen zijn, jongens en meisjes, die zeggen dat ze kiezen voor de Heere en voor Jezus, voor het geloof en voor de Bijbel, en die toch geen nieuw hart hebben. Die toch niet vanuit de natuurstaat van goddeloosheid overgebracht zijn tot het wonder van de vreze Gods in de waarachtige bekering.

Dat kan dichtbij komen, want de goddeloosheid zit overal. In de wereld. En ook in de kerk. Overigens zonder het goede in de kerk te mogen ontkennen. Uiteraard niet. Maar de rechtvaardige, de ellendige en nooddruftige leert zichzelf juist kennen als goddeloze. Dat geeft hem zo’n droefheid over de zonde. Dat is niet slechts een verstandsconstatering of een redenering, maar door de werking van de Heilige Geest is het de inleving van het hart. Van nature zijn we boos. Altijd weer is er de zonde. Er is uit ons geen vrucht. Juist die ontdekking, door de verlichting van Gods Geest bij de spiegel van de wet, verootmoedigt, brengt aan Gods kant en leert buigen onder God. De liefde, die in het hart wordt uitgestort, vernedert en vertedert. En de werking van de Geest vernieuwt, bekeert en leert. Dat doet een ander leven zoeken en begeren.

Immers, als Gods Geest een mens opnieuw geboren doet worden, komen we ons zondaarsbestaan tegen. Droefheid naar God vervult het hart. Als de Geest gaat trekken met koorden van goedertierenheid, dan wordt alles anders. Het oude wordt vaarwel gezegd, er wordt afscheid genomen van de wereld. Het Woord wordt onderzocht, de weg van de Heere betracht, en de zonde gemeden.

 

Dan kan er een tijd zijn dat we met de levensvernieuwing, met ijver en liefde de Heere zoeken te dienen. Zulken denken wel zo van kracht tot kracht voort te zullen gaan. Wat is het dan nodig dat de Heere met de ploegschaar van de wet dieper door ons leven gaat, opdat we meer gruwelen vinden. Dat we meer en dieper gewaar worden wat de zonde is en wat de zonde doet. En waar de zonde zit, namelijk op de bodem van ons hart. Heel ons leven is verzondigd. Onze wortel uit het paradijs, uit Adam, is zonde. We zijn onbekwaam tot het goede en geneigd tot het kwade. O, als we dat inleven, kinderen van God, dan worden we wel afgebracht van de verwachting van onszelf. Deze doorgaande les is steeds weer nodig.

 

Wat is het heilzaam om zo aan de grond gebracht en gehouden te worden, opdat we door de werkingen van Gods Geest waarlijk Christus nodig krijgen en steeds nodig hebben. Tot rechtvaardigmaking en tot heiligmaking. Want: Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth.21:19). De vrucht Gods wordt alleen in Christus gevonden.

Die bediening uit Christus is zo nodig om te weten uit Adam uitgesneden te zijn en in Christus ingeplant te zijn. Zo leren Gods kinderen door de kracht van het geloof Hem nodig te hebben in het verfoeien van zichzelf. Zo leren ze te vragen naar Hem en Zijn sterkte en te wachten op de Heere. Christus zegt het: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart (Matth.11:29).

 

Hoedanig is ons leven, ouderen? Ons bestaan, ons hart? Horen we nog bij de goddelozen die geen toekomst hebben? Bekeert u toch, bedenk wat tot uw vrede dient. Of mag u door genade horen bij de ellendigen, zachtmoedigen, nooddruftigen? Houd dan moed; de Heere is getrouw.

En jij? De wereld gaat voorbij met de goddelozen, met alle schijn, maar die de wil van God doet, die blijft in der eeuwigheid.

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Raadgevend onderwijs

 

Onderwijs voor de rechtvaardigen die leven te midden van de goddelozen. Dat onderwijs is ten eerste ontdekkend. En ten tweede ook raadgevend. Er wordt raad gegeven aan onbekeerden, aan iedereen. In vers 27 bijvoorbeeld: Wijk af van het kwade en doe het goede en woon in eeuwigheid. En in vers 34: Wacht op de Heere en houdt Zijn weg. We worden opgeroepen ons af te keren van het kwade, van de zonde. Het is een opdracht; ga er niet lichtvaardig aan voorbij.

‘Bekeert u’, zegt de Heere. Maar hoe zal ik dat doen?

Is dat uw uitzien, uw vraag? Is dat uw strijd, uw levensworsteling?

Jongeren, maak je daar ernst mee? Of laat het je koud? Nee toch? Weet de Heere ervan dat het de worsteling van je hart is: ‘Hoe word ik tot God bekeerd?’ Het stenen hart wegnemen en een vlezen hart geven; het goddeloze beginsel uitroeien en het nieuwe, godvrezende beginsel inbrengen; hoe zal dat ooit kunnen? Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Dat wonder is onmisbaar nodig.

 

Maar als je nu bevindelijk niet weet dat je arm bent, jammerlijk, blind en naakt? Luister dan naar wat Christus zegt: ‘Ik raad u dat u van Mij koopt, goud, beproefd en komend uit het vuur.’ Zo alleen kan uw schuld betaald worden.

Christus was in het vuur. Hij zegt ook: ‘Ik raad u dat u van Mij koopt: ogenzalf.’ Opdat u door het licht van de Heilige Geest mag zien hoe de dingen werkelijk zijn tussen God en uw ziel. En dat u mag gaan zien het heil des Heeren in Christus. ‘Ik raad u dat u van Mij koopt: klederen des heils, opdat de naaktheid van uw schande bedekt wordt.’

Wat een raad, gemeente. Leg die niet naast u neer. Maar hoe moet ik dan, hoe zal ik dan, hoe kan ik dan? Zou de Heere geen raad weten? Bij Hem is raad. We moeten bij Hem terecht komen om behouden te worden, om onderwezen te worden.

 

De dichter geeft nog veel meer raad. Hij heeft tegen de rechtvaardigen gezegd: Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet die onrecht doen. Hij gaat verder en zegt: Vertrouw op de Heere en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid. En verlustig u in de Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

Wat zijn die raadgevingen van grote waarde en van levensbelang. Niet op uzelf vertrouwen, het niet van uzelf verwachten, maar naar de Heere toe en op Hem vertrouwen. Hem niet verdacht houden, Zijn beloften en bedreigingen niet van een vraagteken voorzien, maar Hem vertrouwen.

 

En voed u met getrouwheid. Om getrouw in de weg van de Heere te gaan, om getrouw bij de Heere te leven, om getrouw op Hem te hopen, op Hem te bouwen, uzelf te verloochenen en te verfoeien, het bij de Heere te zoeken en van Hem te begeren.

 

Voedt u met getrouwheid. Weet u hoe u dat is, voeden met getrouwheid? De kanttekeningen wijzen hierbij op twee dingen. Het eerste is: voed uzelf met de overdenking van Gods Woord.

Wat is dat, een goede raad? Zijn we daarin vaak niet wat traag, misschien wel nalatig, te weinig mee bezet? Voed u met de overdenking van Gods Woord, biddend of de Heilige Geest u daaruit wil onderwijzen, u wil bekeren en Gods Woord wil toepassen en bekrachtigen. Voed u met de overdenkingen van het Woord, met de bede of de Geest dat Woord heilzaam make in uw hart, in uw leven.

 

Voedt u met getrouwheid. Weet u hoe u dat ook vertalen mag? De kanttekeningen wijzen daar ook op: ‘word gevoed’. Dat brengt ons bij onze onmogelijkheid en bij het werk van de Heere. Word gevoed. Wat is dat nodig, wat is het onmisbaar dat de Heere ons gaat voeden. Zijn we niet hongerig en dorstig, dan maakt de Heere hongerig en dorstig naar Hem, naar Zijn gemeenschap en gerechtigheid. Zo leidt de Heere Zijn volk. Hij maakt verlegen om onderwijs, om heiligheid, om getrouwheid, om vertrouwen en geloof.

Word gevoed met getrouwheid. Zo door de Heere geleid worden. O, hoe onmogelijk is dat van onze kant. Of niet? Uw weg op de Heere wentelen; de Heere vertrouwen. Sommigen doen dat zo gemakkelijk. Tenminste, dat zeggen ze. Maar als het er eens op aankomt? Als de Heere eens komt zien naar waarheid in het binnenste?

Wie zijn wij? Het is van onze kant onmogelijk. Wat een tekort. En toch: word gevoed.

En wat kunnen de golven hoog gaan, als de duivel erbij komt. Als hij zegt: ‘Zouden die beloften van God waar zijn? Zou de Heere wel bestaan, zou de Bijbel waar zijn?’

Asaf en Job hebben diepe wegen moeten gaan. Maar de Heere gedacht hen.

Abram en David zijn in de strijd geweest. Zelfs wel eigen wegen gegaan. David ging naar het land van de Filistijnen en ging in Ziklag wonen. Denk aan Abram met Hagar, en aan zijn trekken naar Egypte.

En toch, de Heere heeft hen gevoed met getrouwheid. Juist in die wegen moesten ze zeggen: ‘Wat een dwaasheid bij mij, wat een ontrouw en tekort bij mij. Door eigen schuld loopt de weg dood, door eigen schuld loopt het helemaal vast.’ Dan gaat de Heere voeden met getrouwheid. Dan gaat de Heere aanbrengen wat onmisbaar is.

Het is waar: als dat geloofsvertrouwen op de Heere weer levendig mag worden, dan gaat dat samen met een wandel in de vreze Gods. Want het schuilen bij de Heere gaat samen met het betrachten van Zijn wil en het onderhouden van Zijn geboden. Wat is dan steeds verootmoediging en ontdekking, vernieuwing van het hart en bediening uit Christus nodig.

 

In het leven van de vromen is er ook verlustiging en blijdschap in de Heere. Wat is het een wonder, kinderen Gods, als u eens werkelijk verblijd mag zijn in de Heere; verwonderd mag zijn over de Heere. U mag verlustigen in het Woord, in de genade, in de zorg en het heil van de Heere. Vers 16 zegt het: Het weinige dat de rechtvaardige heeft is beter dan de overvloed veler goddelozen. Want de Heere weet van de rechtvaardige. Vers 23 en 24 zegt: De gangen van die man worden van de Heere bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg. Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de Heere ondersteunt zijn hand.

We zien het bij Abram en David. Abram ging naar Egypte, dat was niet goed. Hagar, dat was niet goed. David kende zijn zonde, maar de Heere liet hem niet vallen. De trouw van de Heere is sterker dan de ontrouw van de mensen. De genade van de Heere is vaster dan het ongeloof van Zijn kinderen. Want Zijn verbond is krachtiger dan de dwaasheid van Zijn kinderen.

 

Wat een genade als de Heere gaat tonen dat Hij de Getrouwe is. David heeft dat in allerlei wegen zo vaak ervaren. Ook toen hij zestien maanden lang bij de Filistijnen geleefd had, zoveel veldtochten ondernomen had en daarbij zoveel mensen had gedood. En dan komt hij op de puinhopen van Ziklag terecht. Alles lijkt in de dood te eindigen. Zelfs zijn vrienden praten erover om hem te stenigen. Maar dan mag hij zich toch sterken in de Heere zijn God en Hem verwachten. Het gaat in Gods weg wel eens heel anders dan wij denken. Soms is die weg langs lijnen van geleidelijkheid. Maar soms ook gaat die door de diepste dalen en grootste onmogelijkheden en over allerlei paden daar tussenin. Maar de Heere laat niet varen het werk dat Zijn hand begon. De Heere ondersteunt de Zijnen, Hij kent hun weg en Hij laat hen niet los.

 

We gaan naar onze laatste gedachte, maar we zingen eerst het eerste vers van Psalm 128:

 

U mag men zalig heten,

Dien ’s Heeren vrees bekoort;

Die, met een goed geweten,

Steeds wandelt naar Zijn Woord.

Gij zult uw nooddruft vinden

Door d’ arbeid van uw hand;

Wat g’ u moogt onderwinden,

Komt, naar uw wens, tot stand.

 

Onderwijs voor rechtvaardigen die leven te midden van goddelozen. Dat onderwijs is ontdekkend. Wat een strijd is er gaande en wat een verschillende toekomst is te verwachten. Die ontdekking gaat ook naar het eigen hart. Gods kinderen komen er achter dat alle zaden van boosheid leven in het eigen hart. En juist zo worden ze verlegen gemaakt om genade, verzoenend en vernieuwend. Dat onderwijs is raadgevend, het is ook ontdekkend. Zwijg de Heere en verbeid Hem, staat in vers 7. Dat is: verwacht Hem.

 

Nu komen we bij ons derde punt:

 

3. Vertroostend onderwijs

 

Dat onderwijs is ook vertroostend. De zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten. De Heere vertroost Zijn Kerk met die toekomst. Misschien denk jij nu: is de hemel voor Gods kinderen en is de aarde voor de goddelozen? Maar dat is niet waar, jongens en meisjes, want de zachtmoedigen zullen de aarde eeuwig beërven. De aarde zal gereinigd worden door vuur en dan is de nieuwe aarde voor de rechtvaardigen. Daar zal Abram leven en David, Paulus en Maarten Luther.

Zul jij er ook bij zijn? Of zul je geen toekomst op aarde hebben? Als je je toekomst zet op goud en goed, op het vermaak van dit leven, op het hier en nu, dan heb je geen echte toekomst. Het einde der goddeloze zal uitgeroeid worden, staat er in vers 38 van onze psalm. Maar die de Heere vrezen, de zachtmoedigen, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

Dat is voor straks, maar het is niet onbelangrijk! Want wat is onze horizon vaak beperkt. We kijken niet verder dan dit leven. Maar dat is kort! Misschien vijfentachtig jaar oud, dat kan. Maar nu moet je het eens aan iemand van vijfentachtig vragen. Die zal zeggen: ‘Het is voorbij gevlogen, waar is de tijd gebleven?’ En daar ligt een eeuwigheid achter. Zoek dan wat blijvend is, verlaat wat slecht is en handel verstandig.

 

De Naam van de Heere komt in deze psalm vaak voor met allemaal hoofdletters. Dat betekent: Jehova, de God van het verbond. Dat is Hij Die niet liegen kan, Die getrouw is, de ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’.

Kinderen van God, hebt u zich wel eens in Zijn Naam verblijd? We begonnen deze preek met het kijken naar de namen van de goddelozen en van de rechtvaardigen. De Naam van de Heere is een olie die uitgestort wordt. Die Naam is een sterke Toren waar de rechtvaardige een toevlucht vindt. Heere is Zijn Naam. Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad.

 

Kerk des Heeren, als de Heere dat persoonlijk belooft, dan hebt u alles. Hij is geen man dat Hij liegen zou, noch een mensenkind dat het Hem berouwen zou. Wanneer Hij in uw hart het geloof ontsteekt – hoe bestreden, hoe aangevochten vaak ook – maar toch: als de Heere dat te geloven geeft, dan heeft u alles voor tijd en eeuwigheid. Dan mag u de zorgen van dit leven in de hand van de Heere leggen en de uitslag van alle zorgen en zaken aan Hem overlaten. Wat Hij toeschikt moet u maar met geduld van Hem ontvangen.

Dat is niet zo makkelijk. Nee, want wij zijn niet zulke vertrouwende mensen. We kunnen er wel makkelijk over praten, maar werkelijk de Heere vertrouwen, en zich verlustigen in de Heere, dan moet de mens er tussenuit. Zwijg de Heere. Jazeker, dan wordt de Heere God en dan kom ik op een plek te staan als een schepsel, een zondaar, zonder recht.

 

Wat een wonder dat de Heere Zich met mij wil inlaten, mij leiden wil, mij redden en gedenken wil. Dan staan er van die troostende woorden in onze psalm. Vers 17: De armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de Heere ondersteunt de rechtvaardigen. En al wordt een kind van God dan van buiten en van binnen bestreden en aangevochten en al zijn vijanden rondom, en al is zijn hart vaak wankelmoedig, toch ondersteunt de Heere de rechtvaardigen. Of, zoals in vers 39 staat: Doch het heil der rechtvaardigen is van de Heere; hun Sterkte ten tijde van benauwdheid. Dan staat er niet dat er nooit benauwdheid komt, maar in de benauwdheid zal Ik bij u zijn (Ps.91:15). Denk maar aan de vrienden van Daniël. Eerst werd hun geloof in de praktijk beproefd. Ze knielden niet voor die afgod, maar bleven standvastig. Bid daar maar veel om. Want laten we niet denken dat wij dat zomaar even kunnen doen als het erop aankomt.

En dan wordt het geloof van de vrienden op de zeef gebracht. Maar dan mogen ze belijden: ’De Heere is vrij in wat Hij doet, maar wij zullen voor uw goden, o koning, niet buigen.’ Dat zeggen ze alle drie. De koning wordt boos. Ze worden in de oven, in de benauwdheid geworpen, maar ín de benauwdheid zal Ik bij u zijn. De Heere bewijst: als Hij het belooft, doet Hij het.

 

Kerk des Heeren, dan denkt u wel eens: die ziekte kan de Heere toch wel verhoeden, die tegenslag had de Heere toch wel kunnen voorkomen? Zo’n weg van moeite; de Heere kan er toch wel voor zorgen dat het zo niet gaat? Ja, dat kan de Heere wel. Maar de weg van Gods Kerk gaat vaak niet over rozen, maar langs ravijnen en door diepe dalen. Want zo was de weg van Christus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.

De weg van de Kerk is achter Hem aan. Zijn weg was een weg van strijd, van aanvechting, van vijanden, van spot, verachting en miskenning. In de benauwdheid zal Ik bij u zijn. Als de Heere dat gelovig doet ervaren, dan mogen we Zijn voetstappen drukken. Dan mogen we geloven dat Hij van ons afweet, Dat Hij met ons gaat, voor ons uit gaat. De Heere zegt: De Heere zal hen helpen en zal hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en zal hen behouden. Kind des Heeren in uw strijd, vraag maar om wat vertrouwen op Hem te mogen ontvangen.

Vertrouwen? U zegt: ‘Daar breng ik zo weinig van terecht, dat vind ik zo’n groot woord.’ Dat is het ook. En toch; mag u de Heere dan wantrouwen? Nee, zeker niet. Dat zou u toch ook niet willen?

Wat is er veel zwakte in ons. En onmogelijkheid. Je staat zelf in de weg; is het zo niet? Maar dat woord betrouwen heeft naar het grondwoord ook in zich: schuilplaats zoeken bij. Een schuilplaats zoeken bij de Heere tegen de wind en tegen de vloed. Die schuilplaats is er. Wentel uw weg dan maar op de Heere.

 

Dat wentelen is ook zo’n treffend beeld. Als we een kopje willen oppakken, dan zetten we het heel gewoon op een andere plek neer. Een stoel ook. Maar als we een heel zware steen in de tuin hebben die we niet op kunnen tillen, hoe moeten we die dan van zijn plek krijgen? Dan duw je er tegen met alle kracht; dan wentel je hem een eindje de goede kant op. Dat is eigenlijk wat hier staat: wentel uw weg op de Heere. Dat pak van uw of jouw last; misschien wel de last van eigen zonde en schuld; dat pak van de levensstrijd; misschien wel de strijd van al die zorgen en moeiten, van onbegrepen wegen. Hier staat: Wentel uw weg op de Heere.

O, het is al heel wat als het een eindje in die richting mag bewegen. En als de Heere dan toont dat Hij hun Sterkte is ten tijde van de benauwdheid, dan versterkt Hij met Zichzelf. Dan kunnen de omstandigheden onveranderd blijven, maar dan is de Heere toch ter sterkte in de dag van de benauwdheid. Dan mag er wel iets van ervaren worden dat Hij hen kent die op Hem vertrouwen. Dan mag zelfs in druk en zorg wel gezegd worden: ‘De Heere is goed.’ Misschien zegt u het stamelend en biddend. En toch: Hij is goed, Hij kent hen die op Hem betrouwen, want Hij is een Waarmaker van Zijn Woord.

 

Waar moet we het zoeken, gemeente? Bij de Heere, in Zijn Woord.

Hoe moet we het daar zoeken? In de erkenning van eigen dwaasheid en tekort, zonde en ongerechtigheden. Bedelend om Zijn genade, ontferming en heil.

Hebt u rechten, hebt u waardigheden? Wat denken we dat vaak, wat steunen we daar vaak heimelijk op. We vinden onszelf toch wel een beetje beter dan die of die, een beetje minder slecht tenminste. Verlies het maar, verlies alle eigen bronnen en leer het maar: geheel onwaardig dat de Heere nog naar mij omziet. Maar dan het wonder: alleen vanwege Zijn spreken, alleen vanwege Zijn Christus, alleen vanwege de Heere, de Heere alleen.

 

Wat komt er veel af op hen die Hem over mogen houden. Dat is vast en zeker. Wat is er al niet op Christus aangekomen en wat heeft Hij gestreden en geleden, wat is Hij in duisternissen, donkerheden en benauwdheden geweest. Maar zonder zonde. Hij is staande gebleven. Hij is Overwinnaar. En om Jezus’ wil maakt God de Heere Zijn Woord waar. Want in Christus Jezus zijn al de beloften Gods ja en amen. Nooit buiten Hem, nooit in onszelf of door onszelf. Maar alleen in Hem en door Hem en tot Hem. Daarom: De Heere is ten sterkte ten tijde van benauwdheid.

 

Bent u, ben jij nog onbekeerd? Waar moet u en jij dan naar toe als de benauwdheid van de dood komt? O, wend u naar Hem toe om behouden te worden. Bedenk heden wat tot uw vrede dient, eer het te laat is.

En u die God zoekt, u die de Heere niet missen kunt, u die door de Heere opgezocht bent; wat is dat een genade! De Heere is getrouw, Waarmaker van Zijn Woord. Heere is Zijn Naam. De Kerk des Heeren zal in Hem eeuwig blijven, want Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 91: 1

 

Hij die op Gods bescherming wacht,

Wordt door de hoogste Koning

Beveiligd in de duist’re nacht,

Beschaduwd in Gods woning.

Dies noem ik God, zo goed als groot

Voor hen die op Hem bouwen,

Mijn burg, mijn Toevlucht in de nood,

De God van mijn betrouwen.