Ds. L. Huisman - Lukas 17 : 17 - 19

Melaatsen die gereinigd zijn

Lukas 17
Wat deze melaatsen met elkaar gemeen hebben
Wat die ene melaatse van de anderen onderscheidt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).

Lukas 17 : 17 - 19

Lukas 17
17
En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?
18
En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?
19
En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 3, 4
Lezen : Lukas 17: 11-37
Zingen : Psalm 72: 3, 10
Zingen : Psalm 116: 7, 8
Zingen : Psalm 138: 3

Geliefden, het Woord van God dat wij u heden willen bedienen, kunt u vinden in Lukas 17, de verzen 17 tot en met 19:

 

En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?

Zijn er geen gevonden die wederkeren om God eer te geven, dan deze vreemdeling?

En Hij zeide tot hem: Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

 

Het gaat in deze tekst over: Melaatsen die gereinigd zijn.

 

En dan letten wij op:

1. Wat deze melaatsen met elkaar gemeen hebben

2. Wat die ene melaatse van de anderen onderscheidt

 

De Heere Jezus is op weg naar Jeruzalem. Het is Zijn laatste reis. Nooit zal Hij daar meer heengaan, eer Hij het offer gebracht heeft wat de Vader van Hem eiste. Terwijl Hij daar met Zijn discipelen vanuit het noorden komt en Zijn schreden richt naar Jeruzalem, ontmoet Hem een groep melaatse mensen. Aangrijpende tegenstelling: de Zoon van God, het eeuwig Licht, het eeuwig Leven, zonder zonden, omringd van Zijn discipelen die straks de apostelen zijn, en daar tegenover Zich een groep mensen als toonbeelden van de grootste ellende: melaatsen.

Wij weten eigenlijk niet goed wat melaatsheid betekent, maar de oosterling weet en wist dit zoveel te beter. Nameloze ellende wordt er door een melaatse geleden, eer hij eindelijk, na verloop van vele maanden, soms vele jaren, sterft.

 

Er staat een groep melaatsen en zij staan van verre. Zij hebben elkaar in hun ellende gevonden. De nood heeft hen naar elkaar gedreven, rang en stand zijn versmolten. Wat baten titels en ereambten, wat baat afkomst, als je melaats bent?

Immers, een melaatse moest volgens de wet van God buiten zijn familie, buiten zijn woonplaats, buiten de gemeenschap staan. Buiten op het veld, daar mocht hij leven. Bepaalde dingen moest hij doen om zich kenbaar te maken voor mensen die op hun weg voorbij zouden komen. En wanneer hij ook maar vermoedde dat er mensen naderden bij de vaak schamele hut waarin hij woonde, dan moest hij met luide stem roepen, als hij tenminste nog een stem had: ‘Melaats, melaats!’ of: ‘Onrein, onrein!’

Nu, deze mensen hebben elkaar in hun ellende gevonden. Ja zo zelfs, dat de afstand tussen Jood en Samaritaan, die een oneindige scheen, overbrugd werd in hun leed. Gewoonlijk konden zij elkaar niet verdragen, op nog geen uur afstand, maar door de grote ellende waarin deze mensen gekomen zijn, hebben ze elkaar gevonden en leven ze met elkaar in zulk een erbarmelijke staat.

 

Want de ziekte van de melaatsheid is een ontzettende ziekte. Als door een mysterie wordt de mens ermee besmet en aangegrepen. Het begin van de melaatsheid is gering en vertoont zich slechts in een enkel plekje, een klein zweertje. Het kan soms weken, soms maanden duren, maar zo van lieverlee komt het uit en komt de melaatsheid over het gehele lichaam. De handen, de voeten, de oren, de neus, zelfs de lippen van het slachtoffer, alles gaat versterven. De reuk verdwijnt, op het laatst het gehoor, het gezicht, de smaak, alle zintuigen verdorren. De handen, de vingers worden zwarte en donkere stompen. De voeten evenzo.

Een weeë, akelige lijklucht omringt die groep melaatsen. Zij die in melaatsenkolonies gewerkt hebben, of nog werken, kunnen daar uit ervaring van vertellen, hoe nameloos erg deze melaatsheid is.

 

Welnu, deze mensen, die soms na een jarenlang lijden eindelijk door de vale dood naar het graf gesleept worden, zijn hier bijeen gegroepeerd. De een ernstiger dan de ander, maar toch allen met die dodelijke ziekte bezet. Het schrikbeeld voor elke oosterling, inzonderheid voor de Israëliet. Want God had een uitdrukkelijk oordeel over die melaatsheid uitgesproken. Geen andere zieke moest op een dergelijke wijze worden afgezonderd. Wie melaats was, was niet alleen zelf voorwerp van ontbinding, maar ook ten opzichte van zijn familie, van zijn gezin, van zijn stad of het dorp waarin hij woonde. De melaatse moest scheiden van vrouw of man, van ouders en kinderen, van broers en zusters. De melaatse moest scheiden van zijn vrienden en vriendinnen, van de mensen waarmee hij gewerkt had.

De melaatse moest bovenal scheiden van de dienst van God. Nooit mocht de melaatse toegelaten worden in het heiligdom des Heeren. Nooit kon de melaatse rondom Gods altaar gaan. Nooit mocht de melaatse een offerdier brengen aan de deur van de tent der samenkomst, noch van de tempel. Nooit mocht de melaatse samen knielen met het volk in de voorhof, wachtend op de priester die verzoening deed voor hun zonden. Nooit kon de melaatse de belletjes horen aan het kleed van de hogepriester, wanneer hij inging in het heilige om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Overal buiten gesloten.

 

De melaatsheid was dan ook inzonderheid een teken van de zonde. God tekende in dit vreselijke ziektebeeld de nog vreselijker zonde. Zoals de melaatsheid alles ontbond: lichaam, familieband, kerkelijk leven, zo ontbindt ook de zonde. De zonde maakt alles stuk. De verhouding tussen God en ons, de verhouding tussen ons en onze naaste. Eigenlijk ontbindt de zonde ook ons eigen leven, want niemand is groter vijand van zichzelf, dan de onbekeerde mens, de mens die God niet vreest. Zo is de melaatsheid een beeld van de zonde. Geen hoop op genezing.

 

Zo zijn daar die tien mensen bijeen gegroepeerd en zo staan ze daar van verre. Van verre staan ze, naar de wet. Ze mochten niet dichtbij staan, ze mochten niet naderen.

Maar terwijl ze daar van verre staan, gloort er toch in de duisternis van hun ziekte, van hun nameloze ellende, de hoop. Enige hoop. En welke hoop is dat? Wel, ze hebben in hun nood gehoord dat er een Rabbi uit Nazareth gekomen is, de Zoon van God, Jezus de Messias, Die zelfs voor deze ongeneeslijke ziekte, voor deze doodskwaal, middelen heeft, ja, een machtswoord heeft, en kracht heeft om te genezen. En dat gehoord hebbende, dat woord dat van verre tot hen is gekomen (misschien door hun vrienden of door een familielid), dat geeft hun hoop om uit te gaan uit hun donkere, nare schuilhoek en om van verre te staan, daar waar Jezus de Nazarener voorbij komt.

En als zij dan horen dat het gezelschap van Jezus en Zijn discipelen voorbij komt, dan heffen ze hun stem op. En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester, ontferm U onzer! Zo ontmoeten ze Hem en zo spreken ze hun nood uit. Ze erkennen Hem alle tien, ze zeggen: ‘Jezus.’ Of ze de diepe betekenis van deze naam geloofd hebben? Ik meen van niet, maar ze roepen Hem toch bij Zijn naam. En dit is waar, ze erkennen Hem als rabbi. Ze spreken Hem aan met het eerbiedige woord: Jezus, Meester, ontferm U onzer!

Er was, zoals ik straks al zei, in hun nood ook een band der gemeenschap gegroeid, waardoor ze deelgenoot waren aan elkaars leed en met elkaar worstelden in het moeitevolle leven. Nu bidden ze voor en met elkaar: Jezus, Meester, ontferm U onzer!

 

En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven de priesters. Jezus ziet hen aan. Zijn blik rust op hen. De blik van God is nooit een vluchtige blik. Als God naar een mens kijkt, dan gevoelt die mens dat God naar hem kijkt. Of hij onder die blik zijn ogen neerslaat of niet, of hij het bekent of niet. Wanneer God naar iemand ziet, door het Woord Zijner genade, dan voelt hij het.

Deze mensen ervaren het, Jezus zoekt ook contact met hen. Ach, dat doet Hij altijd voor mensen die naar Hem vragen, want Hij heeft gezegd, dat degenen die Hem zoeken, Hem zullen vinden. Hij laat Zich altijd vinden door mensen die naar Hem zoeken. Zie het maar bij deze melaatsen. Als deze melaatsen gaan roepen: Jezus, Meester, ontferm U onzer, dan hoort de Heere hen. Dan hoort Hij hen alle tien. Dan zendt Hij niemand van die tien ledig weg, Hij hoort hen alle tien: Meester, ontferm U onzer!

 

Geliefden, dat is nog zo. Hij vraagt zelfs niet naar het verleden van deze mensen. Hij stelt zelfs geen onderzoek in, waarom zij toch tot Hem roepen. Hij hoort de stem van hun geroep en Hij aanschouwt hun ellende en hoort hun geroep, Hij geeft antwoord op hun geroep. Meester, ontferm U onzer!

En als Hij hen zag… Dat is al een wonder. Zovelen zijn hen voorbij gegaan, zovelen. Wanneer deze melaatsen roepen: ‘Onrein, onrein,’ gingen ze met een wijde boog om hen heen. Jezus niet.

En als Hij hen zag, zei Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelf de priesters. Ze krijgen ook een opdracht. leder die tot Jezus komt, hoe dan ook gesteld, is welkom! Niemand wijst Hij af, maar Hij beproeft u wel in het komen. Dat wel.

Hij wijst zelfs Judas niet af. Hij zegt zelfs niet tegen Judas: ‘Judas, Ik ga avondmaal houden met Mijn discipelen, maar u mag daar niet bij zijn, want Ik weet dat uw hart vals is. Ik weet dat u geen gelovige bent.’ Dat had de Mond der waarheid kunnen zeggen. Jezus kende Judas, wij niet, wij mogen nooit oordelen over het hart van die ander. We kunnen ten beste – en dan nog zeer voorzichtig – oordelen over de woorden en over de vruchten van iemands leven.

En dan moeten we er nog heel voorzichtig mee zijn! Want dan gebeurt het nog vaak in ons leven, dat we diegenen voor kinderen Gods houden, die misschien prachtige verhalen kunnen vertellen en die misschien de buitenkant van hun leven gevernist hebben met een schijntje van godsdienst, zodat je zegt: ‘Ja, dat moet toch wel een kind van God zijn.’

En omgekeerd, we kunnen soms anderen meedogenloos uitwerpen om dingen die wij niet verdragen kunnen en naar onze mening niet overeen kunnen komen met het kind Gods zijn, en die dan toch gekenden des Heeren zijn.

God ziet het hart aan. Hij oordeelt ook over het hart. Dat heeft Hij in Zijn hand gehouden. We hoeven echt niet bang te zijn dat er één God ontglippen zal, noch naar de ene, noch naar de andere kant.

 

En toch, als hier mensen komen die Hem om redding smeken, dan hoort Hij ze en dan redt Hij ze. Zelfs, zeg ik, heeft Hij diegenen niet buitengesloten, die niet met een oprecht hart tot Hem de toevlucht genomen hebben. Ook die heeft Hij gehoord. O, zie Zijn ontferming!

Maar ik zeg: degenen die dan tot Hem komen en die dan door Hem aangezien en die door Hem worden toegesproken, die worden ook door Hem beproefd. Hoor maar, Hij zegt: Gaat heen en vertoont uzelven de priesters. Dat is de weg van de wet. De Heere had ook onder bepaalde omstandigheden de melaatsen toegelaten wanneer ze vol melaatsheid geweest waren, zich te vertonen aan de priesters. Of wanneer ze anderszins meenden genezen te zijn van de melaatsheid, wat in zeer sporadische gevallen voorkwam (wanneer er sprake was van een ziekte die leek op de melaatsheid, maar de melaatsheid niet was), dan mochten zij terugkeren tot de priester om zich door de priester rein te laten verklaren.

En aan die priester had God dan ook weer een hoop voorschriften gegeven, dat kunt u ook lezen in de wetten der schaduwen. De Heere had ook voorschriften gegeven waaraan de priester de plaag van de melaatsheid moest toetsen.

 

‘Welnu,’ zegt de Heere tegen deze mensen, terwijl zij nog vol van melaatsheid zijn, ‘gaat heen en vertoont uzelven de priesters.’ Hij zegt niet dat ze beter waren, Hij zegt zelfs niet dat ze beter zullen worden, maar Hij zegt alleen maar: Gaat heen en vertoont uzelven de priesters. Hij wekt dus hoop in het leven van deze mensen. Want de Samaritaan, maar zeker de Israëlieten, zullen geweten hebben wat dat betekent. Zij wisten het maar al te goed wat dat betekent, wanneer iemand zich aan de priester vertonen mocht om zich gezond te laten verklaren.

Het was een beproeving voor deze mensen. Immers, nu moesten ze Jezus van Wie ze verwachting hadden, verlaten en moesten ze leunen tegen het Woord. Ze moesten als het ware Christus de rug toekeren en moesten Zijn woord gaan volbrengen. Ze moesten de gemeenschap met zijn Persoon loslaten, om het woord dat Hij tot hen gesproken had te doen. En ze hebben het gedaan! Er ging zoveel kracht van dat woord van Christus uit en ze hebben zo hartelijk geloofd dat Hij hen beter kon maken, dat ze zich omgekeerd hebben en zijn gegaan naar de stad of de plaats waar de priester was, aan wie ze zich moesten vertonen.

 

Terwijl ze op weg zijn naar de priester, gebeurt het grote wonder. Bij alle tien van die melaatsen. Opeens merken ze het: een wondere kracht doorstroomt hun lichaam, hun stompe handen worden soepel, hun gehoor, hun smaak, hun reuk komt terug. Hun moede ledematen worden verkwikt, een stroom van kracht doorvloeit hen, ze tintelen van nieuw leven. Ze kunnen springen en huppelen van blijdschap. En de een beziet de ander en zij allen bezien elkaar. Ze zijn beter, ze schreeuwen het uit: ‘We zijn gezond, we zijn gezond!’

De plaag der melaatsheid was van hen weggenomen. Op weg naar de priester reeds, schenkt God deze mensen genezing en ze worden allen gezond. Alle tien. Het Woord des Heeren bestaat tot in der eeuwigheid. God is genadig en barmhartig. Hij is groot van goedertierenheid. Hij zegent mens en beest en doet Zijn hulp nooit vruchteloos vergen. Hoort u het goed? Ook voor de onbekeerden, voor degenen die zeggen: ‘Ik behoor niet tot het volk van God.’ Hij hoort uw stem.

 

En nu komt het: ze zijn allen genezen. En wat zullen ze nu doen? Een mens heeft een geheugen boven het beest. Hij is naar het beeld van God gemaakt. Een geheugen, een hart, wat zal een mens doen? Wat zullen deze mensen doen? Wat zijn ze nu van plan? Waar ging het hen om? Waarom hadden ze Jezus nodig? Dat komt nu openbaar, nu ze door Hem geholpen zijn. En dat blijkt.

Negen gaan heen naar de priester en ze laten zich onderwerpen aan de gestrenge wetten van Mozes en daarna keren ze naar vrouw en kinderen, broers en zusters, vader, moeder, wie het ook mogen zijn, naar hun dorp, naar hun stad, naar hun familie terug. Het leven lachte hun toe. De toekomst wenkte hen. Ze waren weer beter. Ze konden weer verder. Waar dachten ze aan? Ze dachten aan eten en drinken en verder leven. Het kwaad was afgewend. De straf was weggenomen. Ze waren weer gezond. En nu konden ze weer vooruit, ze konden weer leven zoals in vroeger dagen.

 

Eén kan echter niet mee. Eén wordt stil, wanneer hij zijn gezonde handen ziet, wanneer hij het nieuwe vlees ziet aan zijn voeten en aan zijn handen. Wanneer hij bemerkt dat zijn gezicht, zijn gehoor, zijn reuk, dat alles weer goed functioneert, wordt hij stil en klein. Nu komt het onderscheid duidelijk openbaar. Hij keert terug.

Hij denkt, o zeker, hij denkt ook aan zijn vrouw, aan zijn kinderen misschien, aan zijn ouders die misschien nog leven, aan de plaats waar hij zolang niet meer geweest was. Genade maakt geen onnatuurlijke mensen, geen levensverachters, geen mensen met een boekje in een hoekje. Genade maakt mensen die midden in het leven staan. Maar hun oog is toch anders gericht dan het oog van de kinderen dezer eeuw. Eerst, vóór alle dingen, gaat het hem om Hem, Die hem gezond gemaakt heeft.

 

Aanstonds keert hij dan ook op zijn schreden terug. Naar Jezus! Daar had Jezus niets van gezegd. Jezus had niet gezegd: ‘Gaat heen, vertoont uzelf aan de priester, en als je dan beter bent, komt dan weer terug bij Mij in Jeruzalem.’ Nee, dat is nu juist de toetssteen, daar gaat het nu juist om, wanneer God Zijn gunst, Zijn goedertierenheid openbaart. Hoe werkt dat in ons leven? Welke vruchten openbaart dat? Deze man had iets boven de anderen. Deze man had iets wat hem terugdreef naar Christus. Deze man had iets waar de anderen niets van wisten, wat zijn leven op hoger plan bracht, wat zijn leven weer herstelde in gemeenschap met God. En dat was de liefde.

De liefde! O, die anderen zullen ook nog wel eens gedacht hebben aan Jezus van Nazareth en ze zullen ook nog wel eens gesproken hebben over het wonder van de genezing. Maar één ding hebben ze niet gedaan, en dat was geen kwestie van zomaar vergeten, maar geliefden, dat was een kwestie van het hart. Vergeten, dat is vaak een kwestie van het hart. Dat is niet zozeer een kwestie van ons verstand, van ons geheugen, maar vergeten, dat is veel meer een kwestie van ons hart. Waar uw schat is, zegt Jezus, daar zal ook uw hart zijn.

Welnu, dan komt het ook openbaar in het leven van deze negen mensen, waar hun schat is. Want daar vlieden ze heen. Daar gaan ze heen met hun gezond lichaam. Voor negen was de schat hun vorig leven. Ze wilden Jezus om hen beter te maken, om hun nood af te wentelen, om hun redding te geven. Opdat ze hun leven op hun eigen wijze zouden kunnen voortzetten.

 

O, ongelukkige, die zo alleen Jezus nodig heeft, die alleen voor deze dingen de toevlucht neemt tot God.

Ik zeg niet dat u niet met uw kwalen, ook met de kwalen van uw lichaam, met de zorgen van uw lichaam, met de nood van uw gezin tot de Heere vluchten mag. Als het God niet te gering is om de haren van ons hoofd te tellen, dan mogen we Hem dáárover zelfs smeken. Dan is het tot meerdere eer van God, dat we Hem kennen in ál onze wegen, opdat Hij onze paden zou recht maken.

Maar dan komt hierin het grote verschil openbaar. Willen we dan dat God Zich bemoeit ten opzichte van ons examen, ten opzichte van onze gezondheid, ten opzichte van onze benauwdheid waarin we gekomen zijn door onze zonden, alleen maar om ons leven verder te kunnen leven? Omdat we toch zondermeer zo ongelukkig en zulke arme verloren mensen zijn? En hopen we nu door het komen tot God, door het komen aan het Avondmaal, alleen door het vluchten tot Hem, alléén van die benauwdheid af te zijn en van die straf af te komen? ‘Andere mensen doen het ook, laten wij het dan ook maar doen.’ Gelovende dat de Heere wonderen werken kan, dat de Heere de benauwdheid kan wegnemen, de angst kan wegnemen en de zonde kan wegnemen. Dat alles geloven. En dan tóch, wanneer we bemerken dat de Heere ons niet afwijst, dat de Heere zelfs voor ons een woord heeft, en wij dan toch met de weldaden ons eigen leven voortzetten?

 

O, hoor, geliefden, wat Jezus daar van zegt. En één van hen, ziende dat hij genezen was, keerde weder, met grote stem God verheerlijkende. En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan. En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?

Bij deze ene man heeft het zijn hart zo ontroerd dat de Heere hem aanzag, voor hem een woord had en hem genezen deed worden, dat zijn hart daardoor met duizend banden aan Jezus gebonden werd. En voor hij zijn vrouw opzoekt en voor hij terugkeert naar zijn dorp of zijn stad, keert hij terug naar Jezus, en hij valt aan Zijn voeten en hij looft God, staat er, met luide stem.

Hij prees in Jezus van Nazareth de eeuwige God, Die Zijn Zoon gezonden had om de oren wonderen op wonderen te doen horen. Om ook aan hem, die een dode was, het leven van Gods genade heerlijk te maken. Keerde weder, met grote stem God verheerlijkende. En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende. En dan staat er: En dezelve was een Samaritaan.

 

En dan zie ik een droeve trek om Jezus’ mond. Hoewel Jezus hartelijk blij was met deze Samaritaan, zo zie ik toch een droeve trek om Zijn mond. Dan zegt Hij: Zijn niet de tien gereinigd geworden?

Behoort Jezus tot die ‘ondankbaren’, welker koninkrijk nooit groot genoeg is? Nee, geliefden, hier moet u de nadruk op leggen: Hij is hartelijk blij met die ene, maar Hij zegt: Zijn niet de tien gereinigd geworden? Heb Ik Mijn genade alleen maar uitgestrekt naar die ene? Zijn niet de tien gereinigd geworden? Hier behoorden tien mensen aan Zijn voeten te liggen. Hier behoorden tien mensen God groot te maken. Hier behoorden tien mensen Jezus, de Zoon van God, te prijzen. Want, zegt de Heere, zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?

O nee, dit neemt de blijdschap over dat ene verloren schaap dat Hij op Zijn schouders terugdraagt, niet weg. Dat niet. Maar toch: Waar zijn de negen? Zijn niet de tien gereinigd geworden? Hebben de anderen Zijn goedheid niet ervaren? Heeft Hij de anderen niet aangezien in ontferming, en zijn er geen gevonden die wederkeren om God de eer te geven, dan deze vreemdeling? Dat is smartelijk.

 

O, de Heere is blij met deze vreemdeling, hoort u maar. Hij zeide tot hem: Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

Welk geloof? Waarin heeft die man dat geopenbaard? Wel, dat geloof waarmee die man geloofde dat Jezus het kon en dat Jezus het uit ontferming gedaan had en dat Jezus het waard was om vanwege Zijn onverdiende goedheid aan hem geschonken, eeuwig de lof, de dank en de aanbidding te ontvangen. Dat was in het leven van die mens nu ‘geloof’.

 

Misschien hebt u vanmorgen ook naar uw geloof gezocht. Misschien zoekt u er nu ook wel naar. Misschien zijn er nu mensen die aan het Avondmaal hebben aangezeten, die op deze dag al tien keer gezegd hebben: ‘Heb ik het toch wel goed gedaan? Heb ik het toch wel écht gedaan? Heb ik het toch wel uit het geloof gedaan? Heb ik het toch niet zomaar gedaan? Ben ik maar niet met de hoop meegelopen? Is het bij mij wel echt?’ Zij die misschien wel tien keer gevraagd hebben vandaag: ‘Heere, is het wel echt, heb ik me niet bedrogen?’

 

Waarin komt nu het geloof openbaar? Welnu, het geloof van deze man kwam hierin openbaar, dat hij, nadat hij genezen was, wederkeerde tot de Heere en dat hij God verheerlijkte, dat hij aan Zijn voeten viel en zei: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen!’ Dat hij in kinderlijke verwondering de Heere de eer gaf.

En deze was een vreemdeling. En deze was een Samaritaan. Deze hoorde er niet bij; hij behoorde tot het volk van de Samaritanen. En bij deze Samaritaan is het Woord des Heeren zo diep in het hart naar binnen gegaan, dat deze man is wedergekeerd.

 

We gaan zingen, Psalm 116 vers 7 en 8:

 

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,

Die trouwe Heer’ voor Zijn genâ vergelden?

’k Zal, bij de kelk des heils, Zijn Naam vermelden,

En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

Nu zal ik voor de weldaân, die ’k genoot,

Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen;

Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen.

Hoe kost’lijk is in ’s Heeren oog hun dood!

 

Natuurlijk kunnen we dit dogmatisch haarfijn ontleden. We kunnen zeggen: ‘Kijk, in het leven van deze negen mensen was het niet meer dan een wondergeloof. En een wondergeloof, dat is ook wel groot, sommigen van Gods kinderen hebben ook dat wondergeloof gehad, maar dat wondergeloof brengt ons niet in de hemel, dat maakt ons niet zalig. Kijk, alleen dat zaligmakend geloof, bij die ene man, is openbaar gekomen in de vrucht. Daar kwam het zaligmakend geloof in de vrucht tot uitdrukking, dat die man voor eeuwig behouden heeft.’

Natuurlijk. En zo is het ook, zo kunnen we het haarfijn onderscheiden. Als u er dan maar rekening mee houdt dat u met die onderscheiding niet zo ver gaat, dat u zegt: ‘Nou ja, ik heb nu eenmaal niet meer dan ten hoogste zo’n wondergeloof. En wat de Heere in Zijn kinderen doet, dat doet Hij niet in mij. Punt, klaar!’ Nee, luister naar wat Hij hier zegt; Hij zegt: ‘Waar zijn de negen? Zijn er niet tien gereinigd geworden?’ Gereinigd geworden en dat mag u zien.

 

Misschien, God weet het, hebben er aangezeten aan de dis van het verbond, om welke duistere redenen ook, maar die toch bij Hem gekomen zijn om tot Hem te vluchten, om welke redenen dan ook. Om van de straf af te zijn, van de hel af te zijn, van al de boosheid af te zijn waar zij misschien veel last van hebben, zonder dat ze er smart van hebben, hoe dan ook. Het zou kunnen zijn; God heeft u toch gezien. God heeft ook het teken en zegel aan u bevestigd. U bent niet tevergeefs tot de tafel genaderd.

Maar nu zegt de Heere: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Heb Ik Mijn arm ook niet over die negen uitgestrekt? En waar zijn ze nu? Is er dan niemand wedergekomen om God de eer te geven, dan deze vreemdeling?’ De Heere noemt hem geen Samaritaan, maar zegt: ‘Deze vreemdeling.’

Geliefden, dat is de toetssteen waaraan het openbaar moet komen. En nu is het ook openbaar dat u met die haarfijne onderscheiding niet klaar bent voor God. Want God zegt: ‘Waar zijn de negen?’ Waar zijn de negen, die ook onder het verbond mogen leven, die ook in de kerk waren vorige week. Waar zijn de negen? Waar waren ze vanmorgen? Ik heb er vanmorgen gemist die altijd trouw ‘s zondags in het huis van God te vinden zijn. ‘Waar was u?’

‘Waar zijn de negen?’, zegt God. ‘Zijn er geen tien gereinigd, hebben er geen tien het teken van Mijn verbond ontvangen? Heb Ik hen alle tien niet met Mijn volk gebracht in de woestijn? Waar zijn de negen?’

 

Dacht u dat het een geldige verontschuldiging was voor God, als u zegt: ‘Ja, maar ik ben nog geen oprecht gelovige.’ Dacht u dat het een geldig excuus was, als u zegt: ‘Nou, ik ben vanmorgen maar thuis gebleven, want zo’n dienst duurt zo lang, en daar heb ik toch geen deel aan.’

Geliefden, dacht u werkelijk dat het een geldig excuus was? U hebt zelfs God de mogelijkheid ontnomen om u te bekeren. U hebt God de mogelijkheid ontnomen om een pijl in uw ziel af te schieten. Arme dwaas die u bent! Meent u op deze wijze behouden te kunnen worden? Denkt u zich zo voor God te kunnen rechtvaardigen? Hebt u zo weinig voor de dienst van God over? Is de openbaring van dat bloed van Christus u zo weinig waard, dat u nog geen kwartier langer met de gemeente des Heeren hier wilt samenkomen?

Ik vraag me af: hoe zou u het in de hemel uit moeten houden, waar we altijd het Lam zullen zien, staande als geslacht, en waar we eeuwig rondom Zijn tafel zullen zitten en eeuwige vreugde op onze hoofden zal zijn?

 

Arm, dwaas geslacht! Christus verwachtte u. Daar was plaats aan Zijn tafel. Hij zegt het met diepe smart: ‘Waar zijn die negen? Heb Ik ze niet gereinigd, heb Ik ze niet gebracht onder de band van Mijn verbond?’

O, als u verloren gaat kunt u het God niet verwijten. Als u straks buiten staat, zult u niet kunnen zeggen met uw haarfijne theologische onderscheiding: ‘Ja, ik was maar een mens met een historisch geloof, ik was maar een mens met een tijdgeloof. Ik was maar een mens die voor het uiterlijk op de Heere vertrouwde, maar ik miste het zaligmakend geloof.’ O, dan zal de Heere zeggen: ‘Waar zijn de negen? Heb Ik er niet tien gereinigd? Heb Ik ze niet alle tien aangezien, heb Ik ze niet alle tien Mijn Woord gegeven? En heb Ik ze niet alle tien gezond gemaakt? Heb Ik dan geen recht dat ze ook alle tien voor Mij in het stof zullen neerbukken?’

 

Geliefden, uw onbekeerd zijn voor God kan nimmer een excuus zijn. Het moet u veeleer in de nood uitdrijven naar de voeten des Heeren, uitroepende: ‘Heere, help me!’, bedenkende Gods goedertierenheden die Hij u tot op de dag van heden betoond heeft. Of is het een kleine zaak dat u leven mag met het volk van God? Of is het een kleine zaak dat u leven mag onder de bediening van Zijn Evangelie? Is het een kleine zaak dat u horen mag van verlossing en genade in het bloed van Jezus Christus? Is het een kleine zaak dat u zo menigmaal ook in uw leven heeft bemerkt dat de Heere Zich met u wilde bemoeien?

Wie van u durft te zeggen dat hij dat niet bemerkt heeft? Wie van ons durft te zeggen dat hij dat nooit gemerkt heeft, dat God het gebed hoort, dat God Zijn hand heeft in uw leven? U moet toch wel een driedubbel verstokte zondaar zijn, om dat niet opgemerkt te hebben.

Dan zegt de Heere: ‘Zijn niet de tien gereinigd, en waar zijn nu de negen?’ Is er dan niemand gekomen om God de eer te geven, dan deze vreemdeling, tot wie Christus gezegd heeft in het overhandigen van de tekenen van Zijn sacrament: ‘Ga heen, uw geloof heeft u behouden’?

 

O, wat is het troostvol voor degenen die ook zo aan Zijn voeten lagen, die ook zo mogen wederkeren tot Hem, en zeggen: ‘Heere, ik kom, ik ben het niet waardig en ik heb het niet verdiend, maar mijn hart zal U prijzen en mijn leven zal U loven. Ik zal de weg gaan die Gij mij wijst, want ik heb lust in Uw geboden. Ik heb ze lief, Heere, daarin is al mijn lust. Ik moge alles missen, maar Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’

 

Misschien zegt u: ‘Ach, wat is nou het echte geloof?’ Nu, het echte geloof is dat u wederkeert en dat u aan de voeten des Heeren neervalt en dat u zegt: ‘Dank U, Heere, dank U, lieve Heere, dat U op mij neerzien wilde, ik die melaats was, vol van melaatsheid. Ik, een mens ten dode opgeschreven. Ik, een mens die niemands ontferming ooit ervaren heb die mij het leven geven kon, maar door Uw ontferming en Uw barmhartigheid heb ik licht gekregen in mijn leven en blijdschap in mijn ziel gesmaakt, wanneer ik voor U neerknielde.’ Dat is nu geloof!

Geloof, wanneer u de zoom van Zijn kleed aanraakte. Geloof, wanneer u terugkomt, God verheerlijkend met grote stem. Deze Samaritaan heeft niets van zichzelf verteld, maar zijn gezonde handen en zijn gezonde voeten getuigden van de almacht van God, en zijn stem heeft hij gepaard met de stem der verlosten: ‘Gereinigd, gezaligd door U, door U alleen!’

 

‘Uw geloof’, zegt Jezus, ‘heeft u behouden. Sta op en ga heen.’

Nu mag hij genieten van de gemeenschap met zijn gezin, met zijn kinderen, met zijn vrouw, met zijn ouders. Want wie Christus heeft, die heeft de ganse wereld. ‘Mijne’, zegt Hij, ‘is het goud en het zilver en het vee op duizend bergen.’ Nu mag hij heengaan, om te genieten van al het goede dat God gegeven heeft.

 

Welnu, geliefden, beschamend! Dankbaarheid en zaligheid liggen in elkaars verlengde. Een ondankbaar leven is een ongelukkig leven, want die negen melaatsen hebben ook aan hun genezing niet genoeg gehad. Dat is in het natuurlijke ook zo. Dankbare mensen zijn aangename mensen, zijn gelukkige mensen. Ondankbare mensen zijn ten diepste ongelukkige mensen. Zij zijn nooit met iets echt blij te maken. Altijd had het méér kunnen zijn en altijd had het ánders kunnen zijn. Maar dankbare mensen zijn gelukkige mensen. Zij kunnen soms met iets heel eenvoudigs zo intens gelukkig zijn, zo kinderlijk blij zijn.

Welnu, dat is in het geestelijke ook, op nog veel voortreffelijker wijze, waar. Dankbare mensen zijn gelukkige mensen. Die zeggen niet: ‘Heere, nu moet ik dat nog en nu moet ik dat nog en nu heb ik dat nog niet geleerd’, maar zij zeggen: ‘O God, wat is het groot dat Gij naar mij hebt omgezien. Ik had het niet verdiend en ik ben het niet waardig en ik heb het er niet naar gemaakt, maar dat kruimeltje, Heere, dat kruimeltje van Uw genade, o dat kruimeltje dat ik aan de tafel heb mogen ontvangen, als het kruimeltje der kinderen, mijn God, daar zal ik U eeuwig voor loven!’

 

En al durft u het dan nog niet in het openbaar te zeggen, zeg het dan maar in het verborgene, maar zeg het in ieder geval. Daarin komt de oprechtheid van uw hart openbaar en de oprechtheid van het gaan naar het Avondmaal, dat u die dankbaarheid aan Zijn voeten bewijst.

Dan zijn dankbare mensen ook gelukkige mensen, want dankbaarheid vindt op haar weg gelukzaligheid. En de gelukzaligheid en de dankbaarheid liggen in elkaars verlengde. In de hemel zal een dankbare schare zijn. Ze zullen eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. Ze zullen de kroon die Christus hen toereikt, leggen aan de voeten van het Lam en zeggen: ‘Gij, Heere Jezus, Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.’ Nu, ik dacht dat de kleinste in de genade daar wel wat van af weet, van die hartelijke dankbaarheid.

 

En als dat er nu niet in uw leven is, dan had u geen recht om aan te gaan tot het Heilig Avondmaal. Als u nu nooit in uw leven ervaren hebt dat wederkeren tot God, dat vallen aan Zijn voeten, dat hartelijk verbroken zijn vanwege Zijn goedertierenheden, dan hebt u geen deel aan het rijk van God. O, dan moet u zich haasten om uw zonden aan God te belijden. Ook deze zonde van ondankbaarheid.

En als u alleen maar gekomen bent om van uw schuld af te zijn, om er beter van te worden, om wat gemakkelijker te kunnen leven, zie dan toe dat u Jezus niet méér bedroeft dan dat u Hem ooit met uw zonde bedroefd hebt.

Dan zegt Hij: Zijn niet de tien gereinigd geworden? ‘Die onrechtmatig aan de bediening van het Heilig Avondmaal geweest is’, zegt Calvijn, ‘bedenke wat hij gedaan heeft, namelijk: hij heeft het bloed en het lichaam van Jezus Christus gegeten en gedronken.’ En wat verwacht God daarop? Dat u komen zult om Hem de hulde, de eer, de dank toe te brengen; daar heeft God recht op.

 

En zij die niet geweest zijn, die thuis gebleven zijn of aan hun plaats zijn blijven zitten; zijn niet alle tien gereinigd? Durft u Gods bemoeienissen in uw leven te ontkennen? Waarom volhardt u dan met tegen Hem te zondigen? Hij zegt: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen? Is er dan niemand tot Hem gekomen, dan alleen deze ene vreemdeling? O, bij alle zonde die u doet, hebt u ook deze zonde gedaan, dat u het Heilig Avondmaal veracht hebt, ja versmaad hebt, en Gods genade ook in deze hebt afgewezen. Misschien met allerlei schijnvrome redenen, maar weet: voor God zullen ze geen stand houden, want u mag niet onbekeerd zijn. U hebt geen ogenblik recht om het gebod des Heeren tegen te staan, om niet te doen wat de Heere u opdraagt.

Bedenk het toch, terwijl het nog het heden is. Hoe moet het toch, als u vannacht moet sterven? Als u moet staan voor de geduchte rechterstoel van God, als het Lam u oordelen zal, Wiens wonden u aanschouwd hebt, Die opgericht is in het midden van de woestijn van uw leven en Die gepredikt is als het Lam Dat de zonde der wereld wegneemt?

 

O, hoe moet het toch, mijn geliefde broeders en zusters, mijn medereizigers naar de eeuwigheid, kinderen, hoe moet het toch als je niet met God verzoend bent en je Zijn dood niet verkondigd hebt? O, wat zul je dan beschaamd staan als ‘gereinigden’, als kinderen des Koninkrijks, als broeders en zusters der gemeente, het bloed van Christus onrein te hebben geacht, en de Zoon van God te hebben vertreden. Dat zal wat zijn! Het zal Tyrus en Sidon, Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel.

O, laat het toch eens wegen op uw ziel. U weet niet en ik weet niet of we ooit nog in de gelegenheid zullen zijn om aan de voeten des Heeren, hier aan de dis des verbonds, neer te zitten.

Belijd God uw zonden, vlucht tot Hem, voor Hij het duister maakt en u uw voeten stoten zult aan de schemerende bergen.

 

Jongens en meisjes, is je hart reeds oprecht met de Heere, om de Heere te vrezen? Is er een innerlijke begeerte om met het volk van God de dood des Heeren te verkondigen? Welnu, je behoeft niet te wachten om tot Hem terug te keren en aan Zijn voeten God te verheerlijken. Je mag het als kind reeds doen. Tot Hem wederkeren, zeggende: ‘Heere, ik heb Uw goedertierenheden gesmaakt, ze zijn me beter dan dit tijdelijk leven. Ik wil U dienen, U alleen!’

Zweer het dan voor het aangezicht des Heeren, dat u van achter Hem niet zult afwijken, maar dat U Zijn woorden zult doen, opdat Zijn naam eeuwig de eer zal ontvangen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138: 3

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ’s Heeren wegen;

Want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn majesteit

Ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).