Ds. L. Huisman - Psalmen 43 : 5

Een neergebogen ziel getroost

Psalmen 43
De oorzaak van deze onrust
Het middel der vertroosting
Hoe de dichter mag wederkeren tot de rust
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Psalmen 43 : 5

Psalmen 43
5
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 73: 1
Lezen : Psalm 42 en 43
Zingen : Psalm 42: 3, 4, 5
Zingen : Psalm 68: 7
Zingen : Psalm 43: 5, 4

Geliefden, het Woord van God dat wij u willen prediken staat in Psalm 43 vers 5:

 

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

In deze tekst vinden wij: Een neergebogen ziel getroost.

 

Wij letten op:

1. De oorzaak van deze onrust

2. Het middel der vertroosting

3. Hoe de dichter mag wederkeren tot de rust

 

Geliefden, een kind van God dat onder het oude verbond leefde, heeft eens gezegd: Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijn ogen

(Ps.73:16). Met andere woorden: ‘Ik ben er niet uit gekomen; het was te moeilijk.’ Het raadsel was door hem niet op te lossen. Welk raadsel?

Wat heeft die man – u kent hem, het is Asaf – willen verstaan? Hij heeft willen verstaan hoe het mogelijk was dat degenen die ver van God leefden vrede hadden, en dat degenen die naar Gods Naam genoemd waren, verdrukking en kruis moesten dragen.

De algemene gedachte van alle natuurlijke mensen is deze: goede mensen gaat het goed en kwade mensen gaat het kwaad. Dat is zo de algemene lijn die in ons aller gedachten leeft, tenzij wij naar God hebben geluisterd; tenzij wij door genade enigermate achter Gods geheimen zijn gebracht, dat dit een regel is die niet altijd en in alle omstandigheden opgaat.

 

O zeker, er zijn voorbeelden te over in de Bijbel waarin mensen lichtvaardig hebben geoordeeld. Denk maar aan Job en zijn vrienden. Als Job in de allergrootste ellende komt en God hem alles afneemt, zodat hij met zijn wankele gezondheid op de ashoop zit om zijn melaatse huid met een potscherf te krabben, dan zijn zijn vrienden er haastig bij om te zeggen: ‘Job, kijk je leven maar eens na, daar liggen verborgen zonden. Je wilt het wel niet bekennen en je houdt je wel alsof je nergens van af weet, maar daar zijn beslist wel vele grote en verborgen zonden.’

Ze weten ze zelfs op te noemen. Die vrienden van Job gaan zeggen wat Job allemaal misdaan heeft. Ze zuigen het allemaal uit hun duim. Maar zo was hun gedachtengang. Zo leefden zij. De goeden gaat het goed en de kwaden worden gestraft. Wij horen bij de goeden. ‘Onze stand’, zeiden ze, ‘is niet veranderd. Maar Job wordt in het stof gedrukt en zijn leven in boeien geslagen. Daar moeten dus bijzondere zonden aan ten grondslag liggen.’

 

Asaf heeft getracht dit te mogen verstaan. Hij heeft er ernstig naar gespeurd, maar hij is er niet uit gekomen. Zo zijn zijn gedachten geweest, staat er in Psalm 73, totdat hij in Gods heiligdommen inging. En daar werden de raadsels niet opgelost, maar daar mocht hij toch met zijn raadsels goedkeuren wat God deed. En dat is toch het begin van de hemel.

Ik weet het, in de hemel zal God inzage geven van al Zijn handelen. Daar zullen wij achter al Zijn wegen mogen zien en daar zullen wij Hem om al Zijn doen, onze liefde eeuwig mogen bewijzen.

Dat doet God op deze aarde nog niet. Maar wat God wél doet: Hij leert ons door het geloof goedkeuren wat Hij doet. Ook al begrijpen wij niet waaróm God het doet. Ook al hebben wij getracht het te mogen verstaan, het was te moeilijk in onze ogen.

Dat is een weg waarin wij Gods raadsplan niet meer kunnen volgen. Een weg waarin wij Gods wegen naar onze logica niet meer kunnen billijken, waarin wij zeggen: ‘Heere, hierin bent U toch echt wel abuis, dit is toch niet de goede weg, dit kunt U niet menen.’ Maar dan is het tóch mogelijk dat wij in zulk een weg, wanneer de Heere ons met deze raadselen in Zijn heiligdom brengt, Gode gaan zwijgen.

Dat wil zeggen dat wij, ondanks die problemen, ondanks die onbegrepen wegen van God, toch vrede kunnen hebben met God, omdat het geloof zich niet grondt op wat we zien of niet zien, op de omstandigheden van voor- en tegenspoed, maar omdat het geloof zich grondt op de genade van God.

 

Die genade van God, als de grond van ons geloof, geeft ons troost en blijdschap om het onbegrepen kruis te dragen. Dan behoeven wij verder niets te weten; dan vragen we verder niets, als de Heere zegt: ‘Ik weet waar gij woont.’ Dan leeft het in ons hart om te antwoorden: ‘Heere, dan behoef ik niets meer te weten, dan weet ik genoeg, als ik maar weet dat U weet waar ik woon.’

Dan hebben we vrede met God, zelfs in alle strijd. Niet zo, dat nu voorgoed de strijd gestreden is. Niet zo, dat we nu door een luchthartig optimisme gedreven, met een soort stoïcijnse gelatenheid, alles maar over ons heen laten gaan, zo van: het zal allemaal wel goed wezen. Dát is geen geloof, dat is veel meer een vorm van fatalisme. Dat is veel meer de gestalte van de heiden, die weet dat hij onder het ijzeren noodlot, of onder de machtige vuist van Allah, niets te vertellen heeft. Dat is niet het kinderlijk gelovig verenigd zijn met de wil van God.

Nee, in het leven van de gelovige die ooit in zijn leven het heiligdom van God mocht binnengaan, blijft, zolang hij hier in dit leven is, strijd en moeite om tot de volwassenheid van dit geloof te mogen komen. Om, als ik mij daar enigermate op heb mogen verlaten, mij daar steeds meer aan te mogen toebetrouwen, om zo te mogen opwassen tot de volle maat van het geloof.

 

Ons eerste punt is:

 

1. De oorzaak van deze onrust

 

We zien in onze tekst een man Gods in grote verlegenheid en in grote onrust. Hoe is hij hierin gekomen? Wel, we weten de omstandigheden waaronder Psalm 42 en Psalm 43 gedicht zijn. Het is David, die daar op de heuvels van de Anti-Libanon in het Overjordaanse als een hinde rondzwerft en als een gejaagd hert verdreven is uit zijn paleis en uit de stad des Heeren, Jeruzalem. Die alles heeft moeten verlaten; vrouwen, kinderen en bezittingen. Met een handjevol getrouwen is hij weggevlucht. Zelfs de ark des verbonds achterlatend in Jeruzalem. Weggevlucht van het aangezicht van zijn ontaarde zoon Absalom, die hem verdreef uit zijn paleis, van zijn koninklijke waardigheid vandaan, als een veldhoen over de bergen, en hem naar het leven stond.

O, wat moet het voor David smartelijk geweest zijn, dat het juist deze beminde zoon was, die zo schoon was, van wie hij zoveel hield, die hem naar het leven stond en hem achtervolgde om hem te vermoorden; die in zijn plaats koning wilde zijn, ten koste van het leven van zijn vader. Bittere tranen heeft hij gewis hierover geschreid.

 

Maar toch was dat niet zijn diepste nood. Zijn allerdiepste nood was dat tussen God en zijn ziel een muur gekomen was. De stenen van tegenslagen hadden zich aaneengehecht tot een ondoordringbare muur. Dát was het ergste.

Het ergste was niet dat hij zijn vrouwen en kinderen verlaten moest en zijn troon en bezittingen moest prijsgeven. Daar klaagt hij geen moment over.

Niet omdat hij daar ongevoelig en koud voor was. Wij weten hoe David heeft geschreid toen hij zag dat zijn kind ging sterven, het kleine kind van Bathseba. Wij weten dat hij niet wilde eten of drinken en de Heere aanliep in het gebed om het leven van dit kindje te behouden. Het was heus niet zo dat David ongevoelig was voor hetgeen hem ook daarin getroffen had. Maar dat was toch niet het ergste.

Het allerergste was dat hij niet kon begrijpen waarom God al deze dingen over hem deed komen. De Heere antwoordde hem niet. De Heere liet het toe. Daar was scheiding, daar was verwijdering tussen God en hem. En kijk, dat was het allerergste in zijn leven.

 

En daarom, als hij in deze twee psalmen zijn nood aan God klaagt, dan is het in de éérste plaats over die scheiding. Dan zegt hij: ‘O God, zoals een gejaagde hinde – ver van de plaats waar hij thuishoort, achtervolgd door de honden, bijna gevangen door de jagers – hijgt naar de waterstromen, naar frisse wateren, Heere, zo ben ik ook ver van de plaats waar ik thuishoor, ontworteld en eenzaam, ver buiten Uw heiligdom, als een dorstende hinde, gejaagd over de toppen der bergen.’

Daar schreit hij naar de levende God; daar schreeuwt zijn ziel om in Gods heiligdommen te mogen ingaan. Want het gemis van Gods gunst in zijn kruis was hem het zwaarste kruis.

 

Geliefden, mogen we dat David nazeggen? Want dat op zichzelf is al genade van God. Het is bijzonder smartelijk wanneer God in dit leven ons met zware kruiswegen bezoekt. Het is bijzonder smartelijk wanneer slag op slag ons treft.

Maar niet het gemis van vader en moeder, niet het gemis van man en kind, niet het gemis van geld en goed is het zwaarste gemis. Er is een nóg erger gemis, en hebt u dat in uw ziel wel eens gevoeld? Want om op de plaats te komen waar David gekomen is, hebben we nodig dat gemis in ons leven te ervaren; dat door al deze kruiswegen onze ziel tot de ontdekking komt: ‘God antwoordt mij niet meer! Er is een scheiding tussen God en mijn ziel; er is een afstand gekomen tussen de Heere en mijn ziel.’

De verbergingen van Gods aangezicht, zeggen de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten, zijn bitterder dan de dood.

 

Dat gemis, dat ontstaat dáár waar de band gerekt is en schijnbaar verbroken is tussen David en God. Er is vereniging geweest, natuurlijk, anders kan er ook geen gemis zijn.

Als we nooit in ons leven gevoeld hebben Wie God voor ons was, wat Hij voor ons heeft betekend, dan hebben we ook geen smart over het gemis van God. Als je God niet kent, dan heb je er ook geen verdriet van God te missen.

Wanneer we de bekendmakingen van God in ons leven, en de vereniging die God teweegbrengt door Zijn Heilige Geest, hebben ervaren, wanneer Hij met ons van Zichzelf gaat spreken, wanneer Hij ons Zijn heerlijkheid openbaart, wanneer wij een glimp mogen opvangen van Zijn vaderlijke liefde en Zijn grote barmhartigheid, wanneer wij bij God ontdekt hebben milde handen en vriendelijke ogen, dán wordt het zo ondraaglijk om die God, Die wij hebben aanschouwd in Zijn heiligdom, te moeten missen.

Dat is het kruis van het kruis, dat is de diepte waarin David terechtgekomen is. Dat is de oorzaak van zijn onrust.

 

Want zéker, er is ook daarbuiten in het hart van vele mensen veel onrust. De moderne zielkunde beweert dat men van deze onrust kan worden verlost door zelfsuggestie. We moeten dan tot onszelf gaan spreken. Tot jezelf moet je zeggen dat je het jezelf maar verbeeldt. Het is niet zo erg, je komt er wel bovenop. De mensen zullen je wel helpen, je hebt nog kracht genoeg. Geloof het toch. Zit toch niet zo in de put. Je hebt er toch geen reden voor. Het is waar, zware en moeilijke dingen zijn over je gekomen, maar houd je hoofd toch omhoog, laat je toch niet verdrinken. Zo spreekt zulk een ziel, of moet ik zeggen: zo spreken we tot ons hoofd, tot ons verstand, zo suggereren we, dat het allemaal nog niet zo vreselijk erg is.

En het helpt bij velen nog ook. Als u dat dikwijls tegen uzelf zegt, dan komt er verandering; zo zegt men naar bepaalde regels van de psychologie. Dan kunt u uzelf weer opbeuren, want dan gelooft u op het laatst dat er toch nog een uitweg voor u is, en dat is het begin van het herstel.

Zo zijn er mensen ‘die tot zichzelf spreken’. Ik ben bang dat ze niet gedaan hebben wat David hier doet. Hij spreekt tot zijn ziel. Dat is het meest innerlijke van zijn bestaan. Hij zegt tot zijn ziel: ‘O, mijn ziel, wat buigt gij u neder? Waarom zijt gij zo neergebogen, waarom zijt gij zo ongetroost?’ Dat zegt hij tot zijn ziel. Dat is geen zelfsuggestie. Dat is in de eerste plaats ‘zelfonderzoek’.

 

Want, ach, u weet het wel, hoe vaak de bezwaren worden weggewuifd. De één zegt, zoals ik u straks al zei: ‘Je moet tot jezelf zeggen dat je er bovenop komt.’ En de ander zegt: ‘Ach, zoek wat verstrooiing. Je moet niet zo diep denken.’

Er wordt ons altijd aangewreven dat als mensen in benauwdheid komen, in moeite zitten, tobben over hun eeuwig heil, wij het te zwaar nemen. Je moet er niet zo diep over denken. Je moet geloven dat het allemaal wel goed komt. Anderen zeggen: ‘Je moet niet altijd aan die dingen denken, van sterven en God ontmoeten en gerechtigheid; daar word je gek van; dan word je werkelijk van je verstand beroofd. Mens, als je daar altijd mee bezig bent, dan heb je geen leven meer.’

Anderen hebben een nóg goedkoper middeltje. Die zeggen: ‘Mens, God is toch liefde? We zijn toch allemaal kinderen van onze Lieve Heer? Dacht je dat de Heere je nu niet helpen zal? We hebben toch altijd goed gedaan?’

Ach ja, ik hoorde laatst nog zo’n arme ziel uit de Roomse kerk zeggen – en ze bedoelde het echt wel goed – ‘We zijn toch allemaal kinderen van onze Heer, en we zijn toch mensen die nooit kwaad gedaan hebben. We helpen onze buren en we zijn trouw tegenover elkaar. Dacht je dat onze Lieve Heer ons in de kou laat staan?’

Velen zijn daarmee geholpen. Velen beginnen het werkelijk te geloven. Er komt werkelijk al enige rust. Ze drogen hun tranen, ze steken hun hoofd omhoog en ze zeggen: ‘Vooruit dan maar, dan zal ik het ook maar geloven, dat het allemaal nog eens goed zal komen.’

 

Dát is niet de weg tot de rust in God. Zulk een rust, zulk een hoop, blijkt altijd weer een zeepbel te zijn, een luchtspiegeling. Al zou het zijn dat u zich heel uw leven op deze wijze bedriegen kon – want zo bedriegt u uzelf – dan zult u straks in uw einde brullen, wanneer u voor Gods gerechtigheid zult staan. Dan zult u zien dat de toevlucht die u gezocht hebt, een toevlucht der leugen wordt bevonden. Een rust niet door God geschonken, een vrede niet verkregen door de Heilige Geest. Dan zult u zien dat u uzelf wel hebt bemoedigd, maar niet met het Woord van God, niet met de genade van onze Heere Jezus Christus. O, wat zal dat een ellendig zelfbedrog zijn!

Bunyan heeft het gezien en beschrijft het in de Christenreis, dat er een weg is van de hemelpoort naar het eeuwig verderf. Een man die zich over de doodsjordaan liet heenbrengen met schipper IJdele Hoop en die daar van de andere kant van de doodsjordaan gebonden werd, weggevoerd en geworpen in de poel die brandt van vuur en sulfer.

Ach, mensen, laten we toch op deze wijze onze ziel niet bedriegen. U behoeft uzelf niet te bedriegen! Doe als David en zeg: ‘Heere, zendt Gij Uw licht en zendt Gij Uw waarheid.’

Nee, dat wil niet zeggen dat u op deze wijze aanstonds uit al uw noden komt. Dat u op deze wijze morgen voorgoed van alle kruisen verlost bent. Dat was bij David niet zo en dat was bij Asaf en bij Job niet zo en dat is bij geen van Gods kinderen zo. Maar dan zal het wél zo zijn, dat u te midden van al uw strijd en zorgen, rust vindt.

 

2. Het middel der vertroosting

 

Hoe heeft hij deze rust gevonden? Wat is het middel van zijn vertroosting geweest?

Nu, geliefden, hij heeft tot zijn ziel gezegd: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? De onrust ontstaat door tegenstrijdigheid van de zaken die wij waarnemen. Daar vloeit de onzekerheid uit voort. Niet te kunnen zien dat God met mij handelt als een Vader.

Daarom vraagt David ook: ‘Heere, schenk mij toch licht. Geef me toch Uw waarheid te mogen verstaan.’ Dat heeft hij vóór alle dingen nodig. Maar wie dan ook zo met zijn neergebogen ziel voor Gods aangezicht komt, wie in deze onrust, die doet denken aan golven en baren, tot de Heere vlucht, die wordt uit zijn benauwdheid gered. Wie het net als David in deze onrust ten diepste gaat om God, om Zijn gunst weer te mogen smaken, om teruggebracht te mogen worden naar Jeruzalem, die wordt verlost.

 

Zie maar: als hij zich dan in deze neergebogen staat neerlegt aan de voeten van God, dan breekt de duisternis. Dan doet God de schaduwen weg. Dán spreekt David tot zijn ziel: Hoop op God. De hoop breekt in het hart van deze lijder door.

Deze hoop is geen ijdele waan. Het is waar, u kunt zeggen: ‘Ja, hopen… wie hoopt er nu niet?’ Het is het eerste dat we tegen elkaar zeggen, wanneer we in droeve omstandigheden zijn: ‘Ach, laten we maar hopen dat het nog meevalt. Laten we maar hopen dat het nog goed komt.’

Soms zien we de dood voor ogen, dan liggen de mensen reeds met de vale doodskleur op het gelaat, en dan zegt de familie nog: ‘Ja, maar de dokter heeft dit of dat gezegd, we zullen toch nog maar hopen.’ Soms heeft de stervende zelf geen weet dat er nog maar één schrede is tussen hem en de dood, en zegt: ‘Nu, we zullen dan nog maar hopen.’ Ach, duizendmaal vervliegt deze hoop in rook.

Zoveel duizenden hebben zich reeds met zulk een hoop vastgeklemd aan dingen die geen wezen hebben. Dan blijkt de hoop ijdel, evenals het oppervlakkige geloof. Wie zijn eigen weg gaat, wie zich met zijn nood niet aan God vastklemt en niet neerzinkt aan de voeten van de Heere, diens hoop is ijdel, omdat de liefde van God niet in zijn hart is uitgestort. Alle hoop die niet is gefundeerd op en die niet voortkomt uit die ingestorte liefde van God, is een ijdele hoop.

 

Tegenover die ijdele hoop is er een levende hoop, waarvan Petrus in 1 Petrus 1 vers 3 zegt: Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

U begrijpt wel wat Petrus bedoelt; Petrus, die daar in de nacht van zijn verloochening naar buiten ging en bitter weende; die een smart gevoelde zoals hij nooit eerder had gekend; die een droefheid in zijn ziel omdroeg die hem ten grave zou slepen, want God te missen is erger dan de dood.

Dat is zo’n smartelijk gemis, dat is zo zielsdoorgrievend, gemeente, dat de dichter ervan heeft getuigd dat Gods goedertierenheden beter zijn dan dit leven. Het ontbreken van die goedertierenheden is erger dan de dood.

Maar we weten ook hoe Petrus in die nacht van vertwijfeling, van bittere en hartelijke droefheid, zijn Meester heeft teruggevonden. Nee, ik moet het andersom zeggen: hoe de Meester, de opgestane Levensvorst, Zijn verloren discipel heeft teruggevonden.

Wij weten hoe Hij, aleer Hij Zich aan Zijn andere schapen heeft geopenbaard op Paasmorgen, Zich reeds over Petrus heeft neergebogen. Want, zo zeggen Zijn discipelen straks, als de Emmaüsgangers binnenkomen: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien (Luk.24:34). Simon Petrus, hij heeft het hun verteld, dat de Heere hem heeft opgezocht.

Wat daar is gebeurd, beschrijft het Woord van God niet, maar al Gods kinderen zijn er bij geweest. Al Gods kinderen weten wat er toen heeft plaatsgevonden, want soortgelijke onderhandelingen heeft God met al Zijn kinderen. Dan zegt Petrus: ‘In die nacht van vertwijfeling, toen ik Hem had verloochend, toen ik Hem had losgelaten, toen ik Hem was kwijtgeraakt, toen ik de band met Hem had doorgesneden, toen heeft Hij Zich over mij ontfermd. Ik was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Toen heeft Hij de band weer vastgeknoopt en heeft Hij gezegd: ‘Petrus, Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude!’

‘Nu’, zegt Petrus, ‘nu heb ik een levende hoop. Door die ontfermende liefde van God, Die mij opzocht in die nacht van vertwijfeling en verbrijzeling, heb ik een levende hoop. Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven, niets maakt mijn ziel vervaard.’

 

Dáár hebt u die levende hoop. Die hoop beschaamt niet, zei ik straks, omdat de liefde Gods in het hart is uitgestort. Geliefden, heeft die levende hoop al een plaats in uw hart? Is dat ook reeds het anker van uw ziel, dat u uitwerpt in het binnenste heiligdom? Die levende hoop, die het gevolg is van de ontmoeting met God.

O, spreek niet van: ‘We zullen het beste er maar van hopen.’ Zeg niet tegen elkaar: ‘Hopen dat het beter worden zal.’ Waar grondt u dat op? Wie heeft u dit beloofd? Hoe kunt u zoiets hopen, zolang u onverzoend bent met God? Dan zal het nooit beter gaan. Dan zal het van de ene ellende naar de andere gaan, van het ene leed naar het andere. Want wie ver van God de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt. God roeit hen uit die afhoereren en Hem de trotse nek toekeren. Dat heeft God gezegd, en daar kunt u staat op maken, want Hij maakt Zijn Woord waar. Dan hebt u geen hoop; dan is de hoop, die u hebt, een ijdele hoop.

 

Maar David had hoop op God, op het Woord van God. Hoop op God, zegt hij. Op God hopen is hetzelfde als op Gods beloften hopen, op Gods Woord hopen, op Gods genade hopen, op Gods werken hopen, waarmee Hij ellendigen uit hun ellende zal redden. Dát is de hoop op God. Die hoop op God wordt geboren, als de liefde Gods in onze harten is uitgestort.

Is dat ook in uw leven gebeurd? Hebt u ooit God lief gekregen boven alles? Boven uzelf, boven uw gezin, boven uw eer en alles wat u in de wereld hebt, zelfs boven uw eigen leven? Dat u zegt: ‘Heere, Gij zijt het hoogste van mijn blijdschap!’ Die liefde brengt een levende hoop, die houdt ons staande in de poorten des doods.

 

Hoop op God. Dat is een hoop die zich uitstrekt naar een betere toekomst, en die hoop wordt niet beschaamd.

David zegt: Want ik zal Hem nog loven Dus wanneer die levende hoop in onze harten is, dan is het nooit meer helemaal donker. Het wordt in ons leven nooit meer helemaal nacht. Er blijven altijd sterren, die vertroostend licht uitstralen over ons vaak donkere levenspad. We kunnen het wel eens denken; we kunnen het ook wel eens zeggen:  ‘De Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten.’ We kunnen zelfs God, in onze ongelovige moedeloosheid en in onze ongelovige neergebogenheid, wel eens van harde dingen betichten, dat is waar. Maar wat we in de donkerheid zeggen en wat we door het ongeloof spreken, dat is leugen! Zo is de werkelijkheid niet.

De werkelijkheid is zoals God het zegt. Ik heb er vaak geen oog voor. Mijn oog is vaak omfloerst. Ik zie vaak meer op de omstandigheden dan op het Woord. Ik vertrouw vaak meer op mijn waarneming dan op de beloftenissen Gods. Maar dit weet ik: het Woord zal triumferen; met God zal niemand beschaamd uitkomen. Wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd door Gods weldadigheên.

David zegt: Want ik zal Hem nog loven En mogelijk vraagt u: ‘Maar David, wat hebt u voor grond? Wanneer zal dat zijn? Hoe zult u God loven? Wie zal Absalom verslaan? Wie zal u terugbrengen naar Jeruzalem? Wie zal de deuren van Gods huis weer voor u openen? Wie?’ David zegt: ‘Dat weet ik niet. Hoe het verder gaan zal, weet ik niet.’ Maar de levende hoop zegt: ‘God weet het.’ Ik heb zojuist gezegd: als ik geloof dat God het weet, dan behoef ik niets meer te weten; dan leg ik me vertrouwend aan Zijn voeten neer. Dan leg ik mijn zwakke, zwarte, bezoedelde en melaatse hand in Gods sterke vaderhand.

Dat is de kracht Gods, die mijn leven aan God verbindt. Dan zeg ik: Ik zal Hem nog loven. Hoe ik eruit moet komen, ik weet het niet. Ik zie de weg niet. De omstandigheden zijn nog even zwart, de muren nog even dik. Maar daar is een deur naar boven. Daar is een venster in de hemel.

‘Ik zie’, zegt Johannes, ‘een geopende hemel en ik zie de Zoon van God op Zijn witte troon en ik zie rondom Zijn hoofd de regenboog van Zijn trouw.’ Dat is genoeg! Dan weet Johannes dat Jezus Christus het heft in handen heeft; dat Hij het scheepje van Zijn Kerk stuurt; dat Hij alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Dan zegt David: ‘Ik zal God nog loven, ondanks deze omstandigheden. Trots al het kwaad dat me treft, zal ik Hem nog loven.’

 

Loven, dat is meer dan: ‘Nou, vooruit, dan zal ik er maar in berusten. Je kunt er toch niets aan doen. Het wordt je niet door een mens aangedaan.’ Ja, zo kan ook de wereld spreken; zo kan de ongelovige spreken. Maar God loven is niet: ‘Nu ja, Heere, doe het dan maar, laat het dan maar over mij komen, want U bent tenslotte nooit onrechtvaardig geweest.’ Nee, dát zegt hij niet, hij zegt: ‘Ik zal U loven.’ Loven, dat is met dankzegging Gods goedheid erkennen, en de waarheid waarmee God handelt en de gerechtigheid waardoor Hij ook tot David gekomen is in zijn leven.

Ik zal Hem nog loven. Dat is die hooggestemde zielespanning, niet alleen wanneer wij zeggen: ‘Ach, het zal wel goed zijn’, maar wanneer wij zeggen: ‘O God, het is goed, het is volmaakt goed. U zou met mij geen andere weg kunnen houden.’

 

Geliefden, God geve dat onze neergebogen ziel alzo op het woord Zijner genade vertrouwen zal. We zijn vaak van de bergtop van het geloof weer zo gauw in het dal van de ellende terechtgekomen. Er hoeft soms maar zo weinig tussen te komen, op het werk of in het gezin, of de satan, die allerlei zonden in ons hart werpt, gebruikt het. En zie, wat we vorige week met blijdschap aanvaardden, daar staan we nu tegenaan te kijken, alsof het geen wezenlijke betekenis meer voor ons heeft. Maar hier zegt David, en hij gaat ons daar in voor: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?

 

Rouwdragenden, wat buigt gij u neder en wat zijt gij onrustig? O zeker, dat houdt niet in: niet bedroefd zijn. Dat houdt niet in: net doen of er niets aan de hand is. Dat houdt niet in: ‘Nu ja, vooruit, vandaag treft het óns, morgen anderen.’ O nee, daarin krijgt u geen rust. Maar het diepste, het innerlijke van uw wezen binnengaan en het neerleggen aan de voeten van God en smeken om de Geest, opdat u verenigd mocht leven met de wil van God.

Door die levende hoop u naar God uitstrekken, en steunen op de beloftenissen Gods, dat Hij de armen en de kleinen genadig zal zijn en goed. Dat is met alles wat je in je leven verkeerd hebt gedaan, schuilen bij de vergevende liefde van God en door het ‘nochtans des geloofs’ zeggen: ‘Heere, Gij hebt me wel hard gekastijd, maar Gij hebt mij ter dood niet overgegeven. Ik blijf op de Heere hopen, ik blijf de Heere verwachten, mijn ziel wacht ongestoord.’

O, dat kunt u alleen wanneer u de liefde Gods in uw leven in al Zijn slagen bemerkt. Wanneer u ziet dat het Gods wijze bedoeling is in uw leven, om u zo te tuchtigen, dat Hij u aan Zijn zijde zal krijgen. Dan zal er ook voor u een levende hoop overblijven, waardoor u in alle bedroevende omstandigheden zegt: ‘En ik zal Hem nog loven. Want Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God.’

Daarover ten slotte, nadat we gezongen hebben uit Psalm 68 het zevende vers:

 

Gelijk een duif door ’t zilverwit,

En ’t goud, dat op haar veed’ren zit,

Bij ’t licht der zonnestralen,

Ver boven and’re voog’len pronkt,

Zult gij, door ’t Godd’lijk oog belonkt,

Weer met uw schoonheid pralen.

Wanneer Gods onweerstaanb’re hand

De vorsten uit het ganse land

Verstrooid had en verdreven,

Ontving Zijn erfdeel eed’ler schoon,

Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon’,

Aan Zalmon ooit kon geven.

 

3. Hoe de dichter mag wederkeren tot de rust

 

Wat is het, tot die rust in te gaan? Wel, David zegt ten slotte in deze psalm: Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts. In Psalm 42 vers 12 heeft hij dit ook reeds gezegd. Wat betekent dit? Wel, David wil zeggen: die verlossingen waarmee God ongelukkige zondaren verlost, die zijn van aangezicht tot aangezicht. Die verlossingen zijn nabij. Die heb ik gezien, betekent het.

David wil als het ware zeggen: ‘Heere, Gij hebt mij zo menigmaal verlost. Ik heb niet slechts van verre gevoeld dat U mijn God bent, bij Wie verlossing is, maar ik heb het in mijn leven ervaren.’

‘Vroeger, toen ik nog een jongen was, heb ik een leeuw en een beer verslagen. En later, toen Goliath de slagorde van de God van Israël hoonde en ik alleen hem tegemoet ging met een slinger en vijf stenen, toen, o God, was U de verlossing van mijn aangezicht. Toen stond U toch voor me en ging ik in Uw kracht.’

Welnu, de hoop zegt: ‘Die God, Die zal het ook nu doen. Die God van de verlossing, van de menigvuldige verlossing, Die zal weer voor mijn aangezicht komen met Zijn verlossing, en dan zal ik die God weer loven.’ Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts.

 

Ja, zo is God. Ach, vaak kunnen we door de tussengekomen zonden, door onze afwijking van God, niet meer geloven dat God nog verlossen zal zoals Hij ons vroeger verloste.

 

Er zijn kinderen van God die met blijdschap en een glans op hun verlaat vertellen hoe God hen vroeger verlost heeft in de moeilijke omstandigheden van hun leven. Maar als het over de problemen van vandaag gaat, dan klagen ze vaak hun ongelovige klacht, alsof God geweken is, alsof Hij Zijn Heilige Geest van hen heeft weggenomen. Ja, alsof Zijn arm verkort is, alsof Zijn hand is afgewend, alsof God de wateren van de Kidron niet meer kan aanwenden om onze vijanden te verzwelgen, alsof de God van de Schelfzee onmachtig is, alsof Hij geen raven meer heeft om Zijn Elia’s te voeden.

Dan staan we vreemd tegenover de omstandigheden, alsof onze God Baäl gelijk geworden is, tot wie je wel schreeuwt, maar die toch niet antwoordt. Voor wie u zich wel neerwerpt, maar die u toch niet opricht. Maar de hoop zegt: ‘Hij is toch Dezelfde!’ Hoe? ‘Ik weet het niet.’ Wanneer? ‘Op Gods tijd, want Hij is toch Dezelfde.’ Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Geliefden, de natuurlijke mens leeft van buiten naar binnen, die kijkt de omstandigheden af en zegt: ‘Hoe heb ik het hier? Hoe gaat het me daar? Wat doen die mensen? Hoe denken die over me?’ En als dat allemaal gunstig is, dan wordt het hart gerust. Dan zegt hij: Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, zijt vrolijk (Luk.12:19). Want de natuurlijke mens leeft van buiten naar binnen.

Maar de geestelijke mens, het kind van God, leeft van binnen naar buiten. Als hij hier van binnen opklimt tot de levende God, die God van de menigvuldige verlossing, Die de oren wonderen doet op wonderen horen, en het geloof zegt: ‘Hij is mijn God’, dan zijn óók de omstandigheden voor hem anders, al zijn ze voor het oog nog hetzelfde.

Als het binnen vrede is, dan wordt het buiten ook vrede. Als het binnen goed is, dan wordt het buiten ook goed. Al veranderde de aarde haar plaats; al werden de bergen verzet in het hart van de zee, dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven, niets maakt mijn ziel vervaard.

 

Dat is nu de weelde van het zaligmakend geloof. Dat is de vrucht van die levende hoop.

Dat is het leven; het ingaan in de rust. Dat is het, wat Paulus schrijft aan de Hebreeën: Er blijft dan een rust over voor het volk Gods (Hebr.4:9). Dat is déze rust, en dat is voldoende, daar hebben we genoeg aan. Aan God hebben we genoeg; en aan Jezus Christus is geen gebrek.

Door dat geloof hebben we vrede met God door onze Heere Jezus Christus. Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods (Rom.5:2). Dan belijden we het: ‘Gij zijt mijn God.’

 

Hier gaat David met Asaf het heiligdom binnen. Waarom begeerde die man toch zo het heiligdom binnen te gaan? Waarom zingt hij toch: ‘Heere, de mussen en de zwaluwen hebben daar een nest, waar ze hun jongen leggen. Daarom is mijn begeerte, o God, om bij Uw altaren te mogen verkeren’? Waarom snakte hij zo naar Jeruzalem?

Wel, geliefden, laat ik het nieuwtestamentisch zeggen: daar was Jezus, daar was Golgotha. Daar is de verzoening, daar is – door het gescheurde voorhangsel – een toegang tot het binnenste heiligdom. En als David in een levend verlangen daar naar uitziet en de hoop zijn ziel opwekt om daar naar toe te leven, dan zegt hij: ‘Hij is mijn God; nu, onder deze omstandigheden. De openbaarmaking daarvan moet nog komen, maar Hij is het nú al.’

Dat is wat Gods kinderen, hier in dit leven reeds, van de eeuwige zaligheid mogen smaken.

 

Welnu, neergebogen zielen, hebt u in dit schriftgedeelte iets van uw eigen leven herkend? Hebt u hierin iets gelezen en gehoord van de trouw van uw God, Die Zich ook zo in uw leven openbaarde? Welnu, begin dan – met uw neergebogen hart – zo tot uw ziel te spreken. Vlucht niet van uw ziel weg. Ga te rade met het binnenste van uw ziel, dat wat God in uw leven gedaan heeft. Ik zal gedenken hoe vóór dezen, mij de Heere heeft gunst bewezen. Overleg dat eens en zeg: ‘Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij, als de baren van de zee, onrustig? Hoop op God!’ En die hoop beschaamt niet. Hoop op God, op Zijn barmhartigheid, op Zijn gerechtigheid, op de vrucht van de offerande van Jezus Christus, die allen oogsten zullen, die in het stof liggen neergebogen.

 

U die hier vreemd aan bent, stel u niet tevreden met een ijdele hoop. Maak uzelf niet wijs dat het wel meevalt. Rust niet voor u in uw hart ook de kracht van die liefde gevoelt; voor u de gemeenschap met God ervaren hebt. Spreekt ook u tot uw ziel en zeg: ‘O mijn ziel, hoop op Gods licht en hoop op Gods waarheid.’

Zoek dat, terwijl het nog te vinden is. Smeek God daarom, terwijl Hij het nog schenken wil. Want ach, het Licht is in het Woord en het Woord is het Licht.

Vele mensen leven in de duisternis, omdat ze in het schijnsel van het Licht niet komen. Maar wilt u ontdekt worden, wilt u oprecht een zondaar worden voor God, wilt u wenen over uw schuld; kom dan in de stralen van het Licht. Onderzoek uw hart dan bij de lichtkrans die God heeft ontstoken in het midden der gemeente, opdat zo het Licht de duisternis, die in u is, zou ontdekken.

 

Wanneer u dan iets van die duisternis ziet, vlucht dan niet naar het verbroken werkverbond, want er staat in Hebreeën 2 dat de vreze des doods de mensen al hun dagen gevangen houdt onder de wet. De vreze des doods, die al de dagen van hun leven hen heen drijft naar de wet.

O, dat is een list van de satan. Zodra een mens de vreze des doods in zich krijgt, vlucht hij naar het verbroken werkverbond. Maar op dat verbroken werkverbond loopt hij zich te pletter. Die vloekende wet geeft u geen ademtocht.

Nee, als u ziet dat uw ziel als verbroken in u is en uw hart zich neergebogen aan Gods voeten neerwerpt, hoop dan op God! Laat die liefde Gods, waardoor die hartelijke verbreking plaatsvindt, u uitdrijven tot de genadetroon van God, om te zeggen: ‘O God, Gij hebt eertijds de oren wonderen doen op wonderen horen.’

 

Het zou kunnen zijn dat u zegt: ‘God heeft mij nog nooit verlost. Ik heb nog nooit iets merkbaars in mijn leven ervaren, dat God mij verloste.’ Bedenk dan: Hij is gisteren en heden Dezelfde, tot in eeuwigheid. Hij heeft het wel gedaan aan al degenen die vóór u zich voor Hem hebben neergeworpen, en Hij is altijd Dezelfde.

U mag daar moed uit scheppen, dat Hij ook u niet voorbij zal gaan, opdat ook voor u de tijd komen mocht, dat u zegt: ‘Ik zal Hem nog loven; Hij is ook voor mij de menigvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God.’

 

Geliefden, aan deze strijd komt een einde. Dit tranendal is haast doorwandeld, en dan ga ik met David en dan ga ik met Asaf op tot Gods altaren. Tot God, mijn God, de Bron van vreugd. Dan zal ik juichend stem en snaren, ten roem van Zijne goedheid paren, Die, na kortstondig ongeneugt, mij eindeloos verheugt.

 

Amen.

 

 

Slotpsalm: Psalm 43: 5 en 4

 

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g’ onrustig in uw lot?

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

Mijn Redder is mijn God.

 

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd;

Dan zal ik, juichend, stem en snaren

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die, na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).