Ds. A.T. Vergunst - Deuteronomium 7 : 6 - 8

Gods volk

Wie zijn dat?
Wat zijn zij?
Wat verwacht de Heere van Zijn volk?

Deuteronomium 7 : 6 - 8

Deuteronomium 7
6
Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.
7
De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.
8
Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 11, 12, 13, 15
Lezen : Deuteronomium 7: 1-13
Zingen : Psalm 95: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 78: 1, 4
Zingen : Psalm 105: 24

Gemeente, ik vraag uw aandacht voor Gods Woord dat wij samen hebben gelezen, en dan in het bijzonder Deuteronomium 7 vers 6 tot en met 8. De Heere zegt hier tegen Israël:

 

Want gij zijt een heilig volk de Heere uw God; u heeft de Heere uw God verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op de aardbodem zijn.

De Heere heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.

Maar omdat de Heere ulieden liefhad en opdat Hij hield de eed die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de Heere met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.

 

Gemeente, wij gaan luisteren naar wat de Heere hier zegt over Zijn volk. Dat staat in vers 6: Gij zijt een heilig volk.

 

Mijn thema is: Gods volk.

 

1. Wie zijn dat?

2. Wat zijn zij?

3. Wat verwacht de Heere van Zijn volk?

 

Ouders met kleine, jonge kinderen, hoe zou u zich voelen als uw kind, dat u zo lief hebt, zou zeggen: ‘Papa en mama, ik ga een andere papa en mama zoeken. Ik heb het bij jullie niet goed genoeg. Volgens mij is het ergens anders veel fijner en veel mooier.’ Ik denk dat uw ouderhart wel heel zeer zou doen en eronder breekt.

Zo was het ook in het hart van God, in het vers dat wij zojuist hebben gezongen:

 

Maar Mijn volk wou niet

Naar Mijn stemme horen;

Israël verliet

Mij en Mijn geboôn;

’t Heeft zich and’re goôn,

Naar zijn lust, verkoren.

 

Begrijp jij het? Begrijpt u het? Kijk, God heeft ook gevoel. Daar moeten wij niet te menselijk over denken, maar Hij drukt Zijn gevoel zo uit, zodat wij het wel kunnen begrijpen. Als ik dat in het voorbeeld over uw kinderen uitbeeld, dan voelt u de pijn wel, als ons kind dat zou doen. Maar zo spreekt God wel over velen die hier in de kerk zijn.

 

Eigenlijk is deze preek geboren uit een verbijsterende ontdekking, die misschien ook wel van toepassing is op deze gemeente. Een aantal jaren geleden vroeg ik aan mijn catechisanten eens voor mij op te schrijven, wat het nu eigenlijk voor hen betekent om gedoopt te zijn. Ik herinner mij dat bijna negentig procent van mijn jonge catechisanten zoiets schreef als: ‘Het betekent niets voor mij.’

De meesten dachten alleen aan hun doop als er weer gedoopt werd in de kerk. De ouders wezen er nooit op. In de kerk is het ‘even dopen’ en dan de preek. Daar schrok ik van. Misschien is het hier ook wel zo. Kinderen, jongeren, gedoopt… maar wat betekent het eigenlijk? Heeft het wel betekenis voor mij? Of heeft het alleen maar betekenis voor de kinderen van God, voor het volk van God? Nu, dan zijn we gelijk bij ons eerste punt:

 

1. Wie zijn dat?

 

De tekst spreekt over een heilig volk, dat ‘Gods volk’ heet. Wie zijn dat? Nu, dat zijn al de mensen die tot de zichtbare kerk behoren. Met andere woorden, wij en onze kinderen die gedoopt zijn. Nu weet ik wat u denkt. U zegt: ‘Wacht even! Gods volk zijn toch alleen de bekeerde mensen? Dat zijn alleen de mensen die iets kennen van persoonlijke genade en geloof.’ Zeker waar, maar als ik naar deze Bijbeltekst luister, dan staat er veel meer dan dat. Dan spreekt de Heere in Zijn Woord heel wat breder over wat ‘Gods volk’ is.

 

Wij hebben Gods Woord erg vermagerd. Wij lezen bijna niet meer wat er gewoon staat. Denk nog eens aan dat bekende en toch vaak misverstane psalmversje dat wij onze jonge kinderen leren. Luister naar wat wij net gezongen hebben uit Psalm 81: ‘Ik, Ik ben de Heer’; Ik ben uw God.’ Dat zegt de Heere tegen het volk Israel.

Later in die psalm concludeert de Heere: ‘Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen.’ De meesten zijn verloren gegaan, terwijl God hen toch als Zijn volk zag. Het waren dus niet allemaal bekeerde mensen, maar zij waren wel Gods volk.

 

Als wij de definitie van ‘Gods volk’ gaan vermageren tot alleen maar ‘de mensen die wedergeboren en bekeerd zijn’, dan hoeft u aan het begin van de morgendienst ook niet meer te luisteren naar de wet des Heeren die begint met: Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2).

Wordt dat alleen maar gelezen voor de bekeerde mensen? Nee toch? Gods Woord verbiedt ons om een dergelijke conclusie te trekken. Daarom zeg ik nogmaals: God beschouwt elk kind, elke man en elke vrouw die Hij in Zijn genadige voorzienigheid in de zichtbare kerk heeft geplaatst, tot Zijn volk.

Als Mozes in de wildernis opeens een struik ziet branden, het brandende braambos, dan zegt de Heere tegen hem: Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de Heere: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël (Ex.4:22). Wij kunnen dan wel zeggen: ‘Ja, maar dat is alleen maar Gods volk in Israël.’ Maar dat staat er niet.

Als wij in Deuteronomium lezen dat de Heere zegt: Gij zijt een heilig volk de Heere uw God (Deut.7:6), dan denken wij misschien dat dit alleen maar in het Oude Testament zo gezegd kan worden. Maar in het Nieuwe Testament wordt er ook zo over gesproken.

De Heere Jezus noemt de kinderen van Israël zelfs ‘de kinderen van het Koninkrijk’. Luister maar in Mattheüs 8, als Hij tegen de Joden spreekt over het geloof dat hij in de Romeinse hoofdman zag. Velen zullen komen van oosten en westen (…) en de kinderen van het Koninkrijk (hoort u dat? Zij horen bij dat Koninkrijk) zullen uitgeworpen worden (Matth.8:12-13).

Toen de discipelen de ouders die met hun kinderen naar Jezus kwamen, probeerden weg te jagen, zei de Heere Jezus dat ook zij bij Zijn Koninkrijk hoorden. In ons doopsformulier wordt die tekst ook aangehaald om ons te laten weten dat de kinderen erbij horen.

 

Natuurlijk, gemeente, zijn er twee grote gevaren of verkeerde toepassingen die wij kunnen maken van de Schriftuurlijke waarheid, als God in de Bijbel tegen Zijn zichtbare kerk zegt: Gij zijt een heilig volk.

Het eerste is een overwaardering. Dat gebeurt! Alsof dit voorrecht, van onder Gods volk te zijn in de zichtbare kerk, alles is wat we nodig hebben! Ik weet niet of dat het grootste gevaar is hier in de gemeente, maar er zijn inderdaad kerken waar men zo verbondsmatig denkt. Omdat je in het verbond en in de kerk bent, zit het allemaal wel goed, vooral als je netjes volgens de regels meeloopt.

Heel duidelijk is dat niet de weg waarin de Heere Jezus ons onderwees. Hoor Hem Nicodemus voorhouden: ‘U moet wedergeboren worden en anders kunt u niet in het Koninkrijk van God ingaan.’ Heel duidelijk horen we ook vanuit het doopsformulier dat ons kind wedergeboren moet worden, wil het ooit in de zalige gemeenschap met God leven.

Toch, Gods volk! Mozes benadrukt dat heel duidelijk even later in Deuteronomium 10 vers 15 en 16, waar hij het volgende zegt: Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uw vaderen om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is. Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Kijk, Mozes erkent ook dat het niet genoeg is om in dat volk ingesloten te zijn. Er moet meer gebeuren!

 

Misschien is het gevaar van overwaardering hier niet zo groot, maar misschien wel de andere kant, het andere gevaar: het onderwaarderen. Daar lopen wij vaak tegenaan. Dan horen wij zulke dingen als: ‘Ja, het is alleen maar een uiterlijk teken of verbond. Dat betekent toch eigenlijk niets!’

Niets te betekenen? Als dat waar is, hoe kan dan de Heere Jezus zeggen tot Bethsaïda en Chorazin: ‘Het zal in de dag van het oordeel verdraaglijker zijn voor die goddeloze steden Tyrus en Sidon dan voor jullie, want God heeft jullie tot de hemel verhoogd’? Als dat niets zou betekenen, waarom klaagt de Verbondsgod dan in Psalm 81: Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord, en Israël heeft Mijner niet gewild. Och (hoor daarin Gods gevoelens), dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had! (Ps.81:12-14). God spreekt daar als een vader die zijn kind de verkeerde keuzes ziet maken en hem later ziet wegglijden.

Nogmaals, als dat ‘teken’ niets betekent, waarom huilde de Heere Jezus dan toen Hij Jeruzalem zag liggen in de verte? Het betekende heel veel voor Hem. Dat volk droeg immers het teken dat zij Zijn volk waren.

Is het zomaar een uiterlijk teken, dat eigenlijk niet zoveel voorstelt? Voelt u het aan, gemeente, jongelui, kinderen? Is het inderdaad ‘zomaar iets’, dat jij en wij geplant zijn in de wijngaard waar God Zijn kerk vergadert en bouwt? Is het echt ‘zomaar iets’, dat Hij persoonlijk Zijn Naam op mijn voorhoofd geschreven heeft?

 

Gemeente, voor de meeste gehuwden geldt dat om hun vinger een ring zit. Stelt dat niets voor? Ja, het is waar, iedereen kan een ring omdoen. Maar in het geval van een gehuwde betekent die ring dat er iemand is die je liefheeft en die beloofd heeft je altijd trouw te zijn. Is dat ‘zomaar iets’? Is die ring dan zomaar een uiterlijk ding? Ik voel me enorm gezegend dat ik deze ring mag dragen. Hij heeft mij niet persoonlijk veranderd, maar hij heeft mij wel persoonlijk verankerd.

 

Trek nu deze gedachte eens door naar de doop. Dat is als het ware Gods ring die Hij aan mijn vinger heeft gedaan. Hij heeft daarin een teken gegeven van de geloofwaardigheid van Zijn Woord en Zijn belofte.

Wat zegt de Heere nu in Zijn doop, in uw doop? Is dat ‘zomaar iets’? Nee, dat is iets heel belangrijks en iets heel reëels. Daarom waarschuwt de Heere ook zo vaak in Zijn Woord dat het voor Tyrus en Sidon verdraaglijker zal zijn dan voor velen in de kerk. Wij zijn misschien niet druk met de zonden waar men in Sodom en Gomorra druk mee was. Wellicht denkt u hierover wel met afgrijzen. Toch zal hun oordeel minder zijn dan dat van velen van u. Hoewel jij altijd in de kerk zat en netjes leefde, al de regeltjes hield en altijd alles precies deed zoals het moest…

 

Dat is toch wel iets om eens over na te denken? God spreekt in Zijn Woord, ook in dit hoofdstuk, maar ook op andere plaatsen in Deuteronomium, heel duidelijk en concreet over Zijn toorn. Juist voor hen die Hij had afgescheiden van al de anderen in de wereld en voor wie het privilege gegeven is Gods volk te zijn.

Daarom nog de volgende vragen, voordat ik nu naar de tweede gedachte ga: Hoe ziet u uw kinderen, vaders en moeders? Hoe denken wij over onze kinderen? Is het míjn kind? Nee, God zegt: ‘Het is Míjn kind. Ik heb Mijn Naam op dat kind geschreven. Het is Mijn eigendom en niet het uwe.’

Want er kan een moment komen dat de Heere zegt: ‘Keer weer.’ Dan neemt Hij uw kind weg. Het is niet ons kind, het is een kind van wie Hij zegt: een heilig volk de Heere uw God.

Wij hebben de taak – en daar hebben wij ons ook met een woord van belofte aan verbonden – om voor Zijn kinderen te zorgen, hen te leren, te onderwijzen en voor te leven. Uiteindelijk om aan onze kinderen God bekend te maken. Wie Hij is en waarom Hij zo waardig en groot is.

Daar krijgen wij duizenden gelegenheden voor. Als wij met hen gaan wandelen of samen zitten te eten tijdens de vakantie of achter in de tuin. Daar moeten we de huisgodsdienst doen. Daar zijn de sprekende beelden van God. Vergeet nooit dat wij als ouders het voorbeeld geven in ons leven. Voorbeelden is zoiets als de handen die het natte beton bewerken. Nu hebben onze kinderen geen ‘nat-beton-hart’, maar een keihard, zondig hart. Maar toch heeft de Heere beloofd dat Hij onze handen als het ware wil gebruiken om dat kinderhart te bewerken. Ga daar met uiterste ernst mee om!

 

En kinderen, nu hoop ik dat jullie hierover vandaag maar veel vragen gaan stellen aan je vader en moeder, en er eens met hen over gaan doorpraten. Daar is de zondag nu echt een mooie dag voor. Want misschien begrijp jij het nog niet helemaal. Vraag maar: Wie is nu een kind van God? Wat bedoelde de dominee nu? Ben ik nu ook een kind van God? Maar ik moet toch eerst bekeerd zijn? Dan word ik toch pas een kind van God?

Dat zijn hele goede vragen, kinderen. Vraag ze maar en zoek samen een antwoord in Gods Woord.

 

Dat was het eerste punt: Wie zijn de kinderen van God? Nu het tweede punt. Want wij moeten goed opletten wat de Heere verder zegt over Zijn volk.

 

2. Wat zijn zij?

 

Hoe beschouwt nu de Heere Zijn verbondsvolk? Ik begrijp dat er een hele lading aan dit woord ‘verbondsvolk’ zit, maar toch ga ik dat woord gebruiken. Want God denkt immers zo over Zijn volk Israël. Er staat in onze tekst heel veel. Ik loop even met u door de woorden van deze tekst.

                                                                                                   

Ten eerste zegt Hij: Gij zijt een heilig volk. ‘Heilig’ betekent hier niet dat zij zondeloos zijn of niet verloren zijn, dat zij geen zondig hart hebben, of dat zij niet bekeerd moeten worden. Het heeft niets te maken met de innerlijke toestand van het kind of van het volk. Maar ‘heilig’ betekent: ‘Ik heb jullie afgezonderd, Ik heb jullie apart gezet. Ik heb jullie uit de wereld genomen en op een hele speciale plaats gezet, die Ik ‘heilig’ noem.’

 

Je kunt hier ook het woord ‘toegewijd’ gebruiken voor ‘heilig’. Toen Belsazar, de koning in Babylon, die een groot feest had en half dronken of helemaal dronken het idee in zijn hoofd kreeg van: ‘Hé, laten we die schalen en die bekers en die kommen van de tempel in Jeruzalem er ook eens bijhalen’, toen schreef de Heere: Mené, mené, tekel upharsin op de muur (Dan.5:25).

Waarom? Omdat die schalen en bekers niet zomaar serviesstukken waren. Nee, dat waren ‘heilige’ dingen, die de Heere apart had gezet voor Zijn dienst.

 

Zo zijn wij binnen de kerk allemaal apart gezet. In het doopsformulier staat, dat wij geheiligd zijn door de enige Naam, apart gezet, toegewijd aan Hem, aan de Heere. Wij horen bij Hem, zijn van Hem en Zijn eigendom.

Ik krijg wel eens kinderen op bezoek, die dan bij onze kinderen komen spelen. Als ik dan eens het idee heb om ergens met hen heen te gaan, dan bel ik de ouders even op. Dan vraag ik: ‘Meneer, mevrouw, is het goed dat ik ook uw kind meeneem? Wij gaan even daar of daar heen.’

Dan vraag ik toestemming. Waarom? Nu, dat is wel duidelijk, het is mijn kind niet! Dat zou u toch ook op prijs stellen? Ze kunnen uw kinderen toch ook niet zomaar overal mee naar toe nemen? U wilt weten wat zij doen en waar zij naar toe gaan.

Maar, ouders, zult u het niet vergeten: wat u met uw kind gaat doen, dat moet u wel eerst vragen aan Hem Die de Eigenaar is: ‘Vindt u het goed, Heere, dat ik dit met Uw kind doe?’

Gaan we als ouders zo met onze kinderen om? ‘Het is een heilig volk dat Ik apart gezet heb voor Mijzelf, aan Mij toegewijd.’ Gaan wij altijd zo met onze kinderen om? Dat wij diep beseffen: het zijn eigenlijk niet mijn kinderen, maar God is de Eigenaar van mijn kind.

 

Er staan in het Woord hele waarschuwende gedeelten. Ik lees voor uit Psalm 106 vers 37 tot 40. Daar staat dit: Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren de duivelen geofferd. En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd. En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden. Dies is de toorn des Heeren ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

 

In Ezechiël 16 staat het nog duidelijker. Ik lees het voor, zodat wij ook goed begrijpen wat God zegt in Zijn Woord. In hoofdstuk 16 vers 20 staat: Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt hen denzelven geofferd.

‘Ik offer mijn kinderen toch niet aan Baäl en Moloch op, dat weet u toch wel?’ Nou, dat weet ik echt niet, want Baäl en Moloch leven nog steeds. Maar wel in een ander jasje.

Het zijn de idolen, de goden, de dingen van deze wereld. Dat hoeven nog niet eens altijd slechte dingen te zijn, maar ze worden verkeerd omdat ze in de plaats komen van God. Of omdat ze ons van God vandaan houden. Daar kunnen wij zo druk mee zijn, ouders.

Wij kunnen onze kinderen alles geven. Wij kunnen hen door ons voorbeeld op een bepaald spoor brengen. En als dat dan een verkeerd voorbeeld is, dan zijn wij onze kinderen aan het opofferen aan de goden van deze wereld.

Wij hoeven echt onze kinderen niet letterlijk op het brandend vuur van Moloch te gooien om schuldig te staan aan wat hier geschreven staat. Het is maar waar wij ze aan ‘toewijden’. Dat doen we in ons dagelijks voorleven. Dat doen wij door onze dagen zo in te vullen, dat er voor alles tijd is, behalve voor God en Zijn dienst. Dat doen wij door nooit over de preek te praten na de dienst.

Maar ook als wij alle aandacht hebben voor hun mooie prestaties en nooit eens echt aandacht schenken aan hun ziel en innerlijk leven. Dat doen wij ook als we bezig zijn met onze ‘idolen’ van werk, plezier, hobby en huis, terwijl Gods huis een bijkomstigheid is.

Laten wij nu nooit meer vergeten dat ‘onze kinderen’ niet de ‘onze’ zijn waarmee je maar kunt doen wat je wilt. Uw en mijn kinderen, ze zijn Gods eigendom.

 

De tweede zaak die de Heere aanhaalt is ook een heel rijk feit. Er staat niet alleen: Gij zijt een heilig volk de Heere, uw God. Maar ook: De Heere uw God heeft u verkoren.

Het is een verkoren volk. Verkoren; in het Engels staat er ‘chosen’ en je kunt het vertalen als: gekozen, uitgekozen. Het is een bewust door de Heere gekozen volk, maar het is ook een genadige keuze van Hem geweest.

 

In China wonen 26 miljoen mensen in één stad. Hoeveel van deze mensen heeft de Heere nu gekozen om in Zijn zichtbare kerk, op het erf van Zijn koninkrijk, geboren te worden? Toen ik daar was, dacht ik met ontroering: ‘Heere, waarom hebt U nu mij gekozen? Dat ik een vader en een moeder gehad heb die mij hebben opgevoed, die mij in de kerk brachten? Waarom hebt U mij gekozen? Dat U Uw hand op mijn voorhoofd legde, toen ik nog niet eens wist dat ik bestond, en gezegd hebt: ‘Ik ben de Heere, uw God.’

Staat u ook wel eens verbaasd? Dat u zegt: ‘Heere, waarom hebt U toch die scheiding gemaakt? Ik ben toch niet beter dan andere mensen? Die mensen zijn toch ook echt niet slechter dan ik? Maar zij groeien op zonder het licht van het Evangelie, zonder de hoop van Uw Naam, zonder dat ze iets weten van U. Waarom dan ik?’ Verkoren, bewust gekozen. Wat is het toch een wonder! Voelt u het ook zo? Zegt u dat wel eens tegen uw kind: ‘Kind, wat heeft de Heere toch al veel voor je gedaan. De Heere heeft je uitgekozen of verkoren. Waarom? Ik weet het niet, dat kan ik nooit begrijpen, ik bewonder het maar.’

Ik bewonder het ook, maar uitleggen kan ik het niet. Het is het onbegrijpelijke van Gods soeverein en heilig doen. Zovelen laat Hij in hun verlorenheid, in het donker, maar mij en ons heeft Hij in onze verlorenheid de boodschap van Zijn genade en liefde gebracht.

 

Dat heeft uiterlijk al zoveel voordelen. Vergelijk maar eens met de gezinssituaties van hen die in de wereld van drugs en drank opgroeien. Of met hen die vanaf de vroegste jaren zich zitten te vergapen aan allerlei films, en zo wordt hun innerlijk verziekt en vergiftigd.  Verwaarloos toch nooit de uiterlijke voordelen van de christelijke kerk waarin wij opgroeien, waardoor de Heere ons al uiterlijk bewaard heeft voor zoveel grof vuil waar anderen in opgroeien.

Vergelijk het met het geboren worden en opgroeien op een vuilnisbelt of in een prachtig aangelegd en goed verzorgd park. Dat park moet je nu eens vergelijken met de zichtbare kerk. Daar heeft God door Zijn lieve genade ons leven laten beginnen en ons in op laten groeien. De buitenkerkelijken zitten op die vuilnisbelt! Komt de vraag niet op: ‘Waarom, Heere, waarom dit verschil? Waarom kreeg ik dit voorrecht en anderen niet? Hoe zondig van mij, als ik met jaloezie naar die wereld op de vuilnisbelt kijk!’  

 

Wij lezen verder: Een heilig volk de Heere uw God; u heeft de Heere uw God verkoren. En dan staat er: dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op de aardbodem zijn.

Het volk van Israël is speciaal door God geëigend als Zijn volk. Dat heeft niets te maken met wie ze waren. De Heere zegt: ‘Ik heb u niet verkoren omdat u zo bijzonder was. Ik heb u niet gekozen omdat u nu zo goed was. Ik heb u niet gekozen omdat Ik van tevoren zag: dat is een heel goed volk. Nee, integendeel, u bent eigenwijs, afkerig, en tegendraads en hardnekkig.’ En al die dingen meer die Hij over hen schrijft. Maar toch zegt Hij: ‘Ik heb u tot Mijn eigendom gemaakt.’ En dat is rijke genade!

 

Nu moet u even doordenken wat dat betekent: ‘Ik heb u tot een volk des eigendoms gemaakt.’ Hij heeft ons Zijn eigendom gemaakt. Hij heeft het over u en mij. ’Ja,’ zegt u, ‘maar dat is toch alleen maar uiterlijk. Dat is niet genoeg, hoor!’ Dat weet ik wel, maar ik vind het al zo heel bijzonder. U niet dan? Dat hij dat al gedaan heeft naar het uiterlijk. Om zo inderdaad het eigendom te zijn van deze genadige God. Als het alleen maar aan de buitenkant blijft, dan missen we inderdaad het diepste en het mooiste van dit voorrecht. Maar toch, is het geen groot voorrecht om als het ware in deze geestelijke tuin geplant te zijn?

Aan deze tuin – om een ander beeld te gebruiken; laten wij zo de kerk even noemen – aan deze tuin geeft de hemelse Tuinman Zijn intensieve aandacht. Daar blaast Zijn Geest als in geen andere plaats. Daar laat Hij de zegeningen van het hemels water als onderwijs op ons en onze kinderen komen. Wat buiten de kerk ligt heeft ook Zijn voorzienige aandacht, maar toch, juist in die tuin, de kerk, daar ligt het zwaartepunt van al Zijn doen. En daar zitten wij nu juist. Staan wij daar genoeg bij stil?

 

God zegt in vers 8: ‘Jullie waren ook nog een geliefd volk.’ Lees het maar: Maar omdat de Heere ulieden liefhad. Zijn motief achter die keuze is liefde geweest. Dat is toch al helemaal nooit te begrijpen. Het is onmetelijke, grote liefde van deze God, die Hem heeft bewogen. Dat heeft niets te maken met wie wij zijn of waren. Dat heeft alleen maar te maken met die onbegrepen liefde van God, die totaal vrij is. ‘Maar waarom dan op mij, Heere? Waarom hebt U dan mij zo liefgehad, dat ik in dat volk mag worden opgenomen en Uw Woord mag horen en Uw roeping mag horen?’ Ik weet het ook niet, ik begrijp het niet.

Ik zeg wel eens tegen mijn vrouw: ‘Ik weet niet waarom jij van mij houdt.’ Dat heeft u misschien ook wel eens gezegd. Dan zegt ze: ‘Ja, zo is dat gewoon, ik houd van jou.’ Maar zo gewoon is dat natuurlijk niet, gemeente. En al helemaal niet dat er in God zoveel liefde tot u is.

Waarom heeft het de Heere nu met die liefde zo bewogen, dat Hij ons koos om in de zichtbare kerk te mogen komen en te horen en te leven en op te groeien, en wij door Zijn zorg worden omringd? Onbegrijpelijk!

 

Er staat nog meer in deze tekst. Laten wij het eenvoudig van woord tot woord doornemen. Zó lezen wij de Bijbel veel te weinig. En omdat wij slecht lezen en nog slechter geloven, daarom is het zo donker in ons leven.

Hij zegt in vers 8: Dat de Heere ulieden liefhad, maar ook nog: De Heere heeft u met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, van de hand van Farao, de koning van Egypte.

Nu dat woordje ‘verlost’. In het Hebreeuws wordt het altijd in verband gebracht met een offer. Verlost door een offer… Denkt u maar even terug aan die avond van het Pascha in Egypte. Toen werd er ook een offer gebracht, dan vloeide er bloed van het geslachte lam. Er heeft bloed gevloeid om hen uit dat Egypteland uit te leiden. Zo verloste de Heere.

En als wij, als Gods verbondsvolk, ongelovig leven en doorleven, dan verachten wij dat bloed. Dan geven we niets om dat offer en die verlossing. Denkt u eens in, als een joodse jongen tegen zijn vader zou zeggen, op de jaarlijkse dag waarin deze verlossing uit Egypte wordt herdacht, het paasfeest: ‘Pa, houd nu toch eens op met dat verhaal. Dat heeft toch helemaal geen betrekking op mij. Ik was toen nog niet eens geboren. Ik ben toch hier in Israël geboren. Het is best een mooi verhaal, vader, maar dat was goed voor de mensen vroeger.’

Een zodanige houding is verschrikkelijk. Een dergelijke jongen miskent helemaal het voorrecht om Israëliet te zijn. Maar hoe velen van ons, jongens en meisjes, denken zo als de jongen in dit voorbeeld? Ten diepste niet in geïnteresseerd. Niet geïnteresseerd in onze doop; ook niet in wat die doop afbeeldt: het bloed en de Geest van Christus.

De schrijver van de Hebreeën zegt dit: Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zone Gods vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was? (Hebr.10:29).

 

Kijk, dat kun je niet uitsluitend toepassen op Gods kinderen, op hen die echt tot het geloof zijn gekomen. Hier gaat het over een volk dat geheiligd is, zelfs door het bloed van het Nieuwe Testament. Dat slaat op de Joden, maar nu ook op ons.

En de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan (Hebr.10:29). Als wij die grote liefde Gods zomaar verwerpen, zomaar veronachtzamen, en zeggen: ‘Ja, dat is alleen maar aan de buitenkant, dat heeft verder niets te maken met wat ik moet worden en zijn.’ Gemeente, dan verwerpen wij de Zone Gods en smaden wij – luister goed – de Geest der genade. Dat is heel ernstig. Dat is zó ernstig en zó ingrijpend!

Iedere zondagmorgen horen wij uit de mond van de Heere: Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet ijdel gebruiken. Weet u wat zo interessant is? In het Hebreeuws wordt dat woordje ‘gebruiken’ eigenlijk nooit samengevoegd met de mond, met de woorden die wij zeggen. Wij denken dat wel. Wij verbinden dit meestal met vloeken, en op zich is dat geen verkeerde uitleg. De catechismus gaat ons daarin ook voor. Maar wat in die uitleg staat is eigenlijk nog niet alles wat dit derde gebod betekent. In het Hebreeuws staat er: ‘Gij zult de Naam des Heeren niet ijdel dragen, want Ik zal niet onschuldig houden die Mijn Naam ijdel dragen.’

Daar moet u eens over doordenken. Het kan zijn dat u gedoopt bent, dat u de Naam van God draagt op uw voorhoofd, dat de Heere u een plaats heeft gegeven in Zijn gemeente, maar dat u die Naam van God ijdel draagt. ‘IJdel’ is: zonder besef en zonder eerbied en zonder de inhoud van die Naam uit te beelden in ons gedrag. Als u ongelovig en ongehoorzaam verder leeft, dan draagt u de Naam van God nog steeds ijdel. Of leven we zo dat de Naam van God geheiligd wordt in en door ons doen en laten, zoals gebeden wordt in het Gebed des Heeren: Uw Naam worde geheiligd?

 

In onze belijdenis staat deze zin over de doop: ‘Door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd worden, om geheel (dus helemaal) Hem toegeëigend te zijn, Zijn merk- en veldteken dragende; en het dient ons tot een getuigenis dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadige Vader.’ (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 34).

Ik vraag nu alleen even de aandacht voor de woorden: ‘Zijn merk- en veldteken dragende.’ Kijk, daar gaat het over in het derde gebod! Draag dat teken niet ijdel. Als ik als getrouwde man met een andere vrouw innig omga, dan doe ik groot onrecht aan de ring die ik aan mijn vinger heb. Maar zo doen wij ook als we met de Naam van de Heere onze God op ons voorhoofd leven in en met de wereld. Vreselijk is die zonde!

 

Nog één laatste gedachte. De Heere zegt ook dat deze mensen niet alleen heilig en verkoren zijn, maar ze zijn ook nog eens de weinigste van alle volken. Hij zegt in vers 7: Gij waart het weinigste van alle volken. De weinigste en minste. Er was niets in het volk van de Joden dat hen nu eigenlijk vooruitschoof als een vooraanstaand volk. Niettegenstaande heeft Hij hen toch verkoren.

Gemeente, als wij vandaag dan gaan denken: ‘Ja, dat heeft de Heere gedaan omdat ik iets of iemand ben, iets bijzonders’, dan zit u helemaal verkeerd. Het is niet om iets in ons. Nee: weinigste, minste… Dat God Zijn genadeteken wil geven en Zijn verbond ook met ons en onze kinderen wil maken, heeft niets te maken met wie wij zijn, maar alles te maken met Wie Hij is.

 

Wie is Hij dan, de Heere? Genadig en barmhartig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid (Ps.103:8). Wat een machtig God! Wat een heilige en grote God! Die God heeft mij gekozen om Zijn Naam te dragen, om bij Zijn volk te horen. Hoe kan dat en wat moet ik dan? Nu, dat is onze derde gedachte, maar dan zingen we eerst Psalm 78 vers 1 en 4:

 

Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter ore;

Neig oor en hart, om naar mijn stem te horen;

’k Zal met mijn mond u wijze spreuken leren,

Verborgenheên, vanouds af waardig t’ eren;

Mij vloeit een schat van wijsheid uit de mond,

Gelijk een bron, die voortspringt uit de grond.

 

Opdat z’ op God hun hope stellen zouden;

In ’t oog Zijn daân, in ’t hart Zijn wetten houden,

En nimmermeer weerspannig God verachten,

Verdraaid en krom, als vorige geslachten,

Wier hart niet was gericht naar Zijn gebod,

Wier geest niet was getrouw met hunnen God.

 

Gemeente, nu de derde gedachte:

 

3. Wat verwacht de Heere van Zijn volk?

 

Hij verwacht dat wij toch wel meer verbaasd zouden staan over de genade die Hij ons gegeven heeft.

Als we vandaag toch eens zouden beginnen met ons af te vragen: ‘Heere, waarom ben ik zo gezegend?’

Misschien kunt u niets zeggen, komt u niet verder dan de zegeningen van het uiterlijke van het verbond. Misschien kunt u inderdaad nog niets belijden van méér, maar laten wij daar toch eens mee beginnen: ‘Wie ben ik dat U Uw Naam op mij hebt geschreven en op mijn kinderen? Dat U mij uitgekozen hebt en apart gezet, aan de kant van Uw volk, van Uw kinderen? Dat U aan ons en onze kinderen de schat van het evangeliewoord, maar ook de heilige wet hebt gegeven?’

Ga vandaag nu eens terug naar de Heere, en belijd nu eens: ‘Heere, ik heb het nooit begrepen. Ik heb het altijd zo aangenomen alsof het niets bijzonders is. Maar nu zie ik het, Heere. Het is helemaal niet gewoon. Wat is dat erg, dat ik het zo heb veracht. Dat doet zoveel pijn. Leer me toch juist deze waarheid verstaan. Ik heb altijd neergekeken op hen die hun doop en het behoren tot de kerk overschatten en er een soort zaligmaker van maken. Maar nu zie ik dat ik net zo verkeerd bezig ben in het ónderschatten van de rijkdom van al Uw genadig doen in mijn leven.’

 

Ten tweede verwacht de Heere dat wij toegewijd zijn. Hij zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, Ik ben niet tevreden met de buitenkant. Ik moet je hart en leven hebben. Ik moet jouw toewijding hebben. Geef Mij uw hart!’

‘Ja, hoe kan ik dat nu doen? Hoe kan ik nu mijn hart geven aan de Heere? Dat is toch niet mogelijk?’

Vlucht toch naar de Heere Jezus en zeg tot Hem: ‘Heere Jezus, ik hoor wat U zegt. Het is zo erg, maar ik kan mijn hart niet meer aan U geven. Want ik heb het al weggeven. Ik kan U niet liefhebben. Maar U kunt het toch veranderen? U hebt zelfs op mijn voorhoofd geschreven dat U de God van genade bent; een Verbondsgod Die om Uw eigen eer mensen zalig maakt. En dan mag ik toch aan U vragen, o God, dat U dit ook in mij wilt doen? Dat U mijn hart wilt veranderen? Doet U dat vandaag, Heere, want mijn tijd is kort en U bent waardig op het hoogst gediend te worden.’

 

Toegewijd, dat betekent ook dat wij die God dienen in ons leven met onze talenten, in onze liefde tot onze naasten. Hoor de Heere door Maleachi aan het eind van het Oude Testament klagend zeggen: Een zoon zal de vader eren en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? (Mal.1:6).

Het is toch wat, dat de Heere dat tegen ons moet zeggen! Hij zegt als het ware: ‘Mens, nu heb Ik u gekozen terwijl Ik anderen heb gelaten waar ze zijn. Van het prille begin van uw leven ben Ik het geweest, Die u speciaal opnam in Mijn zorg en u heb laten geboren worden onder het Woord van Mijn genade. Al die jaren zijn het Mijn handen geweest die u bewaarden en vasthielden. Die u leidden van jong naar ouder. Zelfs toen u jong was en alles in uw hart vocht tegen Mij, Mijn Woord en wet, toen heb Ik u niet laten gaan. Mijn Geest streed met u en nog steeds strijd Ik met u, omdat Ik geen vreugde heb in uw ellende en verlorenheid. Maar waar is nu de erkenning en toewijding die Ik terug mag zien? Ik ben jouw ‘Verbondsvader’, en waar is Mijn eer? Ik ben de Heere, Jehova, en waar zie Ik nu dat jij mij hoogacht in liefde en eer?’

Zullen wij dat de Heere dan ook eens eerlijk gaan vertellen? ‘U bent altijd als een Vader geweest. U hebt mij zo rijk gezegend, maar ik heb U niet geëerd en gevreesd. Bij U was er altijd liefde en bij mij was er boosheid, onverschilligheid en zelfs vijandigheid.’

 

Wat verwacht de Heere van Zijn volk? In zeker opzicht heeft de Heere geen verwachting. Hij weet wat maaksel wij zijn. Hij weet dat bij ons alles verkeerd is en gaat. Maar toch verwacht de Heere, wat Hij ons vraagt: ‘Opent uwen mond, eist van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond; al wat u ontbreekt, schenk Ik…’

 

In mijn vorige gemeente kreeg ik geregeld bedelaars aan de deur. Meestal waren het mensen die geld wilden hebben om hun drugsverslaving voort te zetten. Het waren dus geen echte bedelaars. Soms heb ik weleens gedacht: ‘Die mannen zijn allemaal kopietjes van ons, want wij zijn ook verslaafd, aan onszelf en onze idolen.’ Toch heb ik nooit een bordje voor mijn deur gezet: ‘Bedelaars, kom en wees toch zo vrijmoedig als mogelijk om te vragen wat jij nodig hebt.’

Maar God doet dat wel! Hij heeft het in Zijn Woord gezegd en Hij heeft mij zelfs een persoonlijk teken en zegel gegeven van de waarachtigheid van dat Woord. Dat teken en zegel is de doop. Het doopteken zegt niets over de dopeling, maar het is het teken en zegel van Gods openbaring als een genadige God en Vader in Zijn Zoon Jezus Christus.

En wat verwacht de Heere nu? Dat er meer van deze open uitnodiging gebruik gemaakt wordt, vooral van hen die Hij Zijn volk noemt.

Nemen wij Zijn Woord serieus: ‘Opent uwen mond’? Geloven wij nog wat Hij belooft: ‘Schenk Ik al wat u ontbreekt’? Luisteren wij echt naar wat Hij zegt: ‘Mijn heilig volk dat Ik verkoren heb luistert niet en komt ook niet. Ze lopen hun eigen weg en blijven juist van Mij weg. Ik had hun het fijnste van de honing en de tarwe gegeven, maar zij wilden het niet’?

 

Dat is dus eigenlijk Gods klaagzang over allen hier die nog steeds Zijn Woord niet geloven en Zijn roepstem naast zich neerleggen. Weet, vrienden, dat Hij niet alleen serieus is in Zijn aanbod, maar ook serieus zal zijn in Zijn heilige wraak.

Aan het eind van Deuteronomium staat in hoofdstuk 28 vers 63 de heilige balans: En het zal geschieden, gelijk als de Heere Zich over ulieden verblijdde, u goeddoende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich de Heere over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en u zult uitgerukt worden uit het land waar gij naar toegaat om dat te erven.

Zal dat voor ons de waarheid zijn?

 

Gemeente, ik hoop en bid toch zo dat de Heere dit Woord vandaag zou willen toepassen. De hoop is niet van de mens en van ons doen of laten. De hoop voor vandaag en voor de toekomst van onze kerken, onze jeugd en onze gezinnen, ligt in het verbond van Gods genade.

 

Aan het eind van Psalm 22 staat: Het zaad zal Hem dienen; het zal de Heere aangeschreven worden tot in geslachten. Zij zullen aankomen en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke dat geboren wordt; (en daar komt dan de hoop van het verbond, niet omdat zij het gedaan hebben) omdat Hij het gedaan heeft. Daar ligt de hoop dat het niet uiterlijk blijft, maar dat het innerlijk zal worden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 105: 24

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen;

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit,

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.