Ds. M. Golverdingen - Exodus 2 : 3 - 10

Gods zorg voor Israëls toekomstige verlosser

Exodus 2
Gods zorg in de geloofsovergave van Jochebed
Gods zorg in de ontferming van Farao's dochter
Gods zorg in het optreden van Mirjam

Exodus 2 : 3 - 10

Exodus 2
3
Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij leide het knechtje daarin, en leide het in de biezen, aan den oever der rivier.
4
En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.
5
En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.
6
Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreen!
7
Toen zeide zijn zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreinnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?
8
En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.
9
Toen zeide Farao's dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.
10
En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 33: 5
Lezen : Exodus 2: 1-10
Lezen : Handelingen 7: 17-22
Zingen : Psalm 71: 3, 10, 17
Zingen : Psalm 37: 3, 9
Zingen : Psalm 68: 17

Gemeente, de toestand van Israël, zo’n vijftig jaar na het overlijden van Jozef als onderkoning, is u wel bekend. Een Farao die Jozef niet gekend had, probeerde de kracht van het zich snel vermenigvuldigende volk van God te breken door de ene verdrukking na de andere. De gruwelijkste maatregel was ongetwijfeld de opdracht aan de vroedvrouwen of  verloskundigen, om pasgeboren jongetjes van de Israëlieten in de Nijl te verdrinken. Toen de vroedvrouwen zich van die opdracht hadden weten los te maken,  gaf de Farao in zijn niets ontziende wreedheid zijn hele volk opdracht om voortaan alle jongetjes van de Israëlieten in het water van de Nijl te werpen.

In die bange tijd werd in een slavenhut in het land Gosen een jongetje geboren dat door de Heere was uitverkoren om de verlosser van het volk van Israël te zijn. De godvrezende ouders, Amram en Jochebed, zijn getroffen door de buitengewone schoonheid van het kind dat ze hadden ontvangen. Ze hebben geloofd dat de Heere met dit kind iets heel bijzonders voorhad, ja ze hebben geloofd dat Hij door dit kind Israël zou bevrijden van de tirannie van de Farao. Daarom lezen we in Hebreeën 11: Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeke schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet (Hebr.11:23). Maar na drie maanden is de praktische situatie van het moment zodanig dat deze ouders onmogelijk dit kind langer verborgen kunnen houden.

Wij staan daarbij, met de onmisbare hulp van de Heere, samen nader stil aan de hand van de geschiedenis die u vinden kunt in Exodus 2, de verzen 3 tot en met 10. Ik noemde u als het Bijbelgedeelte dat we samen willen overdenken Exodus 2 van vers 3 tot en met 10:

 

3. Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin en legde het in de biezen, aan de oever der rivier.

4. En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten wat hem gedaan zou worden.

5. En Farao’s dochter ging af om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan de kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen en liet het halen.

6. Toen zij het opendeed, zo zag zij dat knechtje; en zie, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreeën!

7. Toen zeide zijn zuster tot Farao’s dochter: Zal ik heengaan en u een voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?

8. En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging en riep des knechtjes moeder.

9. Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.

10. En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.

 

Gemeente, deze geschiedenis uit Exodus 2 van vers 3 tot vers 10 spreekt over: Gods zorg voor Israëls toekomstige verlosser.

 

1. Gods zorg in de geloofsovergave van Jochebed (vers 3)

2. Gods zorg in de ontferming van Farao’s dochter (vers 4 tot en met 6)

3. Gods zorg in het optreden van Mirjam (vers 7 tot en met 10)

 

1. Gods zorg in de geloofsovergave van Jochebed

 

Gemeente, als de baby van Amram en Jochebed steeds ouder wordt, wordt ook het stemgeluid van de kleine steeds krachtiger. Het huilen van het kind, hoe vindingrijk de moeder ook geweest is in het dempen daarvan, wordt op een gegeven moment hoorbaar buiten de lemen hut.

Aan spionnen ontbreekt het overigens niet in het land Gosen. De Joodse overlevering reikt menig gegeven daarover aan. Egyptische spionnen waren buitengewoon sluw. Zo is er een overlevering die zegt dat een spion zijn eigen baby’tje meenam en dat bij de hutten van de Israëlieten en Egyptenaren bracht. Als dat baby’tje dan begon te huilen, begon het kind dat binnen in de hut was ook te huilen. De ene baby reageerde op de andere. Dan wist men: hier moeten we een verder onderzoek instellen of het kind een jongetje of een meisje is.

 

U begrijpt dat in deze situatie, waarbij het huilen na drie maanden voor ieder herkenbaar is geworden, er sprake is van een móeten gaan van een nieuwe weg: Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin en legde het in de biezen, aan de oever der rivier.

Alle nadruk valt in de tekst op Jochebed. De moeder zal het initiatief hebben genomen. Zij heeft de voornaamste rol. Maar Hebreeën 11 vers 23 maakt ook duidelijk dat het optreden niet losgemaakt kan worden van haar man, omdat daar over ouders wordt gesproken. En in Handelingen 7 vers 20 wordt ten diepste het geloof van de vader beklemtoond.

Na drie maanden houdt echter het geloof en het geloofsleven van deze mensen niet op. De belofte die Jozef had achtergelaten, blijft deze ouders voor ogen staan: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft (Gen.50:24).

Gemeente, de Heere maakt arme zondaren altijd werkzaam met de belofte van Zijn Woord. Als wij niet weten wat het is om de Heere als een arme smekeling Zijn eigen Woord voor te houden, dan bouwen we op het zand. Dan zijn we mondchristenen zonder een hart dat uitgangen kent naar God in Christus.

 

De Heere werkt en versterkt het geloof niet alleen door het Woord; Hij gebruikt ook tekenen voor de geloofsversterking. Had Jozef ook niet het bevel gegeven dat zijn lichaam bij het overlijden in een stenen sarcofaag, een stenen kist, moest worden gelegd? Zijn graf zou niet blijvend in Egypte zijn. Er zou een moment komen dat Israël Kanaän had bereikt en dan moest daar de herbegrafenis van de beenderen van Jozef plaatsvinden.

En zo was die stenen sarcofaag, die daar ergens in het land Gosen stond, voor iedere Israëliet die voorbijging een teken dat Gods belofte bevestigde: ‘Ik, de Heere, zal u zeker bezoeken. De Heere zal u Zijn heil doen zien in het zenden van een verlosser om u uit Egypte te bevrijden. Hij zal u Zijn heil doen zien in de komst van de Messias om de ongerechtigheid bij God te verzoenen. Dat Israël op de Heer’ vertrouw, zijn hoop op Zijn ontferming bouw.’

 

Jochebed ziet tussen de donkere wolken van de moeilijke omstandigheden opnieuw de sterren van Gods beloften schitteren. Ze twijfelt niet; de Heere vervult altijd Zijn eigen Woord.

Voor haar ligt haar kind, dat alle aandacht trekt door zijn bijzondere schoonheid. Farao kon andere jongetjes in het land Gosen vinden, maar dit kind niet. Van dit kind moet hij afblijven. Gods heil zal door deze jongen in Egypteland gestalte krijgen.

Door het gelóóf ziet een kind des Heeren altijd een weg. Amram en Jochebed konden zelf niet meer voor hun kind zorgen, nu zal Jochebed haar kind onvoorwaardelijk aan Gods beleid overgeven.

 

Samen met haar man maakt ze een biezen kistje van sterk, dik, kleverig papyrusriet, dat overal aan de oever van de Nijl groeide. Het was een soort half gras, zo’n drie tot vijf meter hoog. Je kon er van alles van maken. Je kon er touw van vlechten, je kon er sandalen van fabriceren, je kon er doosjes van maken om kleine dingen in op te bergen, je kon er zelfs kleine bootjes mee maken om op de Nijl te varen, zo lezen we in Jesaja 18 vers 2. Het kistje van biezen werd waterdicht gemaakt met pek of asfalt, geïmporteerd in Egypte uit het Dode Zeegebied. De binnenkant werd afgewerkt met lijm of leem, om het kind te beschermen tegen de schadelijke geuren van het asfalt. Het werd een doos, een doos met een opklapbaar deksel. Gebouwd om zomaar op het water van de Nijl te drijven.

Als dat werk klaar is, komt de grote moeilijkheid: het neerleggen van het kistje met het kind in de biezen aan de oever van de Nijl. Dat was nu precies de plek waar de Joodse jongetjes door de Egyptenaren werden verdronken. Die plek hadden u en ik zeker voor het allerlaatste gehouden. Wij zouden hebben geprobeerd om het kind onderdak te geven zover mogelijk bij de Nijl vandaan. Van dit plan zegt ons natuurlijke hart: ‘Dat is toch een wanhoopsdaad, om je kind in een kistje in de biezen van de oever van de Nijl te leggen? Laat je toch alsjeblieft niets wijsmaken; daar komt de Egyptenaar al aan om jouw kind te grijpen en in het water te gooien. Gooi dan het kind zelf maar direct in de Nijl!’ Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden (1 Kor.2:14).

 

Sommige mensen denken dat de bekering helemaal niets met je verstand te maken heeft. Dat is een grote vergissing. Wie tot God bekeerd wordt, ontvangt altijd een verlicht verstand, u ontvangt een nieuwe gezindheid, een nieuwe levensrichting. U leert nieuwe begeerten en verlangens kennen die er vóór die tijd niet waren. U gaat het Woord des Heeren kostbaar achten. U gaat erop letten wat de Heere doet en doen zal. U gaat het Woord anders lezen en anders verstaan. Anders gezegd: u krijgt innerlijk zoveel krediet op God in Christus.

 

Zo was het bij Jochebed ook. En daarom staat er in de tekst: En zij legde het knechtje (het jongetje) daarin en legde het in de biezen, aan de oever der rivier. Gemeente, realiseer u wat daar staat: Aan de oever van de rivier. Dat is de plaats van het onheil, dat is de plaats van de dood. Jochebed weet zich geroepen om een levend kindje te gaan begraven.

Ouders die in hun leven een kindje moesten verliezen kunnen wel enigszins aanvoelen wat hier staat. U bracht zo’n lief kindje in een kistje, om uitgedragen te worden en te worden begraven. Wat is dat onherroepelijk, wat is dat een diep verdriet, wat is dat hartverscheurend.

Maar hoe moet deze Jochebed zich hebben gevoeld toen zij zelf een kind, háár kind, in een biezen kistje wegdroeg naar de rivieroever, naar de plaats van de dood? Misschien lachte het nog even, misschien strekte het zijn armpjes nog even naar haar uit voordat zij het kistje sloot. Ze heeft het deksel alleen maar kunnen dichtdoen door het geloof dat op God in Christus ziet.

In de gang van Jochebed naar de rivier met haar kind breekt de krácht van het zaligmakende geloof door. Ze heeft alle vrees voor de tiran op de troon van Egypte mogen verliezen. Ze vertrouwt volkomen dat God dit kind, dat zij ontvangen heeft om Israël te bevrijden, zal beschermen en bewaren, hoe het ook gaan zal. Ze kan en mag zichzelf en haar man en haar gezin en haar volk en haar kind, geheel en al aan de Heere overgeven, door het geloof dat in oefening is. Ze heeft met de dichter mogen beoefenen: Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken (Ps.37:5).

 

Gemeente, dat brengen van dat kistje naar de Nijl, dat neerzetten daarvan op de oever,  is enkel genade. Die genade wil de Heere ook vandaag nog schenken als wij in ons leven voor moeilijke, onbegrijpelijke, smartelijke  wegen staan. In Christus Jezus is een volheid die niet te ledigen valt. De Hebreeënbrief spreekt erover als de schrijver zegt dat de Borg in alle dingen verzocht is geweest, doch zonder zonde. En Jesaja getuigt er ook van dat Christus in al hun benauwdheid benauwd is geweest.

Legde God u een kruis op? Ging Hij met u een totaal onbegrepen weg? Hoor! Hij roept u vandaag in deze geschiedenis toe: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij (Luk.9:23). Dagelijks opnemen van een levenskruis… Dat kan alleen door het dierbare geloof dat buiten onszelf op Christus ziet.

Als de Heere een kruimel geloof in uw ziel geeft, wordt u het met de Heere eens. Dan zeggen we: ‘Heere, U doet het niet verkeerd. U deed het gisteren niet verkeerd en U doet het vandaag niet verkeerd en U zult het morgen niet verkeerd doen.’ Dan is er zo’n innerlijke vereniging met Zijn wil en weg in ons leven. U komt bij de derde bede uit. U leert de derde bede bidden met uw hart: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde (Matth.6:10). Dan komt u uit bij de verklaring van de derde bede in de Heidelberger: ‘Dat is: dat wij onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’

Die vereniging met Gods wil geeft een diepe innerlijke rust en vrede. Die vereniging geeft voor de toekomst een vast vertrouwen in het hart op de Heere:

 

Mijn ziel is immers stil tot God;

Van Hem wacht ik een heilrijk lot;

Hij immers zal mijn Rotssteen wezen.

 

Gemeente, wat een treffend beeld van het zalig worden uit vrije genade biedt het slot van vers 3: En legde het in de biezen, aan de oever van de rivier. Jochebed plaatst haar kind op de rivieroever, op de plaats van de dood. Die plaats zouden wij nooit hebben gekozen.

Maar zo is het ook met de redding van een verloren zondaar. De bezoldiging (het loon, de soldij) der zonde is de dood (Rom.6:23). Wij hebben Gods heilige, volmaakte wet overtreden. En we doen dat nog, polsslag na polsslag. Onze schuld stapelt zich op, elke dag opnieuw. En God is heilig en rechtvaardig, vol heerlijkheid en majesteit. Hij kan onze zonden niet door de vingers zien, Hij moet de zonden straffen met de eeuwige straf aan lichaam en ziel. Wij bevinden ons op de plaats van de dood. Betekent dat niet dat de deur van de hoop voor ons totaal gesloten is? Houdt dat niet in de verzegeling van de eeuwige ondergang?

 

Gemeente, het Evangelie, juist het Evangelie, predikt ons dat het leven tot ons komt dwars door de geestelijke dood heen. Niemand kan het werk van de Heilige Geest blokkeren. Er is genade voor rechtelozen, goddelozen en onwaardigen. Mozes werd neergelegd op de plaats van de dood, maar straks neemt de prinses hem op. Hij ontvangt het leven als uit de dood.

De Bijbel gebruikt voor de ark van Noach en voor het kistje waar Mozes in werd gelegd precies hetzelfde woord. Het is heel opvallend dat dit woord nergens anders in de Bijbel voorkomt. Dit kistje, dit arkje, is de ark van Noach in miniatuur. Zoals Noach zich onvoorwaardelijk aan de Heere overgaf toen Hij de ark in ging, zo handelt Jochebed als zij het arkje met het kind erin neerlegt op de oever van de Nijl. Die ark schaduwt de Christus af. Nergens was ontkoming te vinden tegen Gods toorn dan alleen in de ark. Wie  het oordeel van de dood verdiende en door het geloof die ark binnenging, ontving het leven.

 

Gemeente, sloeg u wel eens een blik buiten uzelf? Kreeg u de Ark der behoudenis al in het oog? Of moet u zeggen dat u het geloof van Jochebed helemaal mist? En voelt u zich eigenlijk perfect thuis in het Egypte van de zonden? Hebt u het met vele tijdgenoten met de Farao op een akkoordje gegooid? U belijdt Gods Naam wel met de lippen, maar in de praktijk leeft u van maandag tot en met zaterdag zonder Hem. U sluit alle dagen de Heere buiten uw levenspraktijk. Dat is uw zonde!

‘Ja maar’, zegt u, ‘ik leef oppassend. Er is niets van mij te zeggen; er is niemand die een vinger op mij kan leggen; ik leid een keurig kerkelijk bestaan; wat wil je nog meer?’ Hebt u niet meer? En hebt u niet anders? Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr.11:6). Er is hier geen jongen of meisje, geen man of vrouw, die zonder geloof God kan behagen. Zonder het oprechte geloof bent u zonder hoop, zonder God, zonder Christus in de wereld. Neem dat eens met u mee naar huis: het zaligmakend geloof ontbreekt mij; nu ben ik een man of vrouw zonder hoop in deze wereld.

 

Vraag veel om de Heilige Geest, want alleen die Geest geeft door het Woord zicht op onze verlorenheid. Alleen die Geest maakt ons tot wat u en ik niet willen zijn: zondaar voor God. De Geest is de Werkmeester van het geloof. Die Geest brengt ons tot de belijdenis dat elke zelfverlossing onmogelijk is. Vroeger zeiden ze: ‘Er komt een tijd in uw leven, dat u overal een nul op gaat schrijven.’ Ik hoop dat u die uitdrukking begrijpt. De tijd breekt aan, dat u nergens meer enige waarde aan kunt hechten. U kunt met uw verzondigde leven niet voor God bestaan. Dan worden we een smekeling:

 

Ai, hoor naar hen die in gevang’nis kwijnen;

Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen;

Bevrijd hen die, gedreigd met doodsgevaren,

Op Uwe hulp met smekend’ ogen staren.

 

Dan gaat u Christus zoeken door het geloof als de weg der ontkoming die in het Evangelie wordt aangewezen. U gaat met Jochebed op God vertrouwen. U komt niet beschaamd uit. Want we lezen in vers 4 tot en met vers 6: Zijn zuster stelde zich van verre, om te weten wat hem gedaan zou worden. En Farao’s dochter ging af om zich te wassen in de rivier, en haar jonkvrouwen wandelden aan de kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen en liet het halen. Toen zij het opendeed, zo zag zij dat knechtje; en zie, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreeën.

Deze verzen spreken over de ontferming van God over Farao’s dochter. Dat is onze tweede gedachte:

 

2. Gods zorg in de ontferming van Farao’s dochter

 

Gemeente, het vervolg van de geschiedenis zegt vooral dat het zaligmakende geloof niet roekeloos handelt. Het zaligmakende geloof veracht het gebruik van de middelen niet, maar het bouwt er niet op. Het geloof steunt en leunt op de Heere alleen en is er tegelijkertijd diep van doordrongen dat Hij middellijk werkt. Door het geloof heeft Jochebed alle vrees overwonnen en tegelijkertijd heeft ze in vertrouwen op de Heere alles geregeld wat geregeld kon worden.

Dat geldt voor de plaats van het biezen kistje. Het staat wel op de oever van de Nijl, maar het staat in de biezen, zodat het enerzijds niet kan worden meegenomen door de stroom van de rivier en anderzijds gemakkelijk te bereiken blijft.

Tot het gebruik van de middelen behoort ook de zorg van Jochebed om het kind geen moment alleen te laten. Daarom heeft Mirjam, de dochter des huizes, een positie ingenomen vlakbij het biezen kistje. Ze wordt in vers 8 een jonge maagd genoemd. Ze heeft dus de huwbare leeftijd bereikt. Ze zal ongeveer zeventien jaar zijn geweest. Zij kan ingrijpen bij kleine gevaren die het kind bedreigen. Zij zal ook letten op het beleid van de God van het verbond ten aanzien van dit kind, en het de ouders vertellen.

En terwijl zij biddend de middelen gebruiken, zullen deze ouders de psalm hebben aangeheven die wij ook aanheffen en die we samen zingen uit Psalm 37, het derde en het negende vers:

 

Geen ijd’le zorg doe u van ‘t heilspoor dwalen;

Houd in uw weg het oog op God gericht,

Vertrouw op Hem, en d’ uitkomst zal niet falen.

Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht,

Doen dagen als de morgenzonnestralen,

En blinken als het helder middaglicht.

 

Gods macht verbreekt de arm der goddelozen,

Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt.

Al treden z’ op geen weg, bezaaid met rozen,

Zij wachten ‘t heil, door God hun toegezeid.

Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der bozen,

Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.

 

Gemeente, het biezen kistje blijft niet lang onopgemerkt. De dochter van Farao daalt de oever af om in een van de Nijlarmen te baden. Een grote zwerm hofdames gaat voor haar en achter haar, langs de oevers, om ongewenste figuren op een afstand te houden. Alleen één persoonlijke dienares vergezelt de prinses.

Op een gegeven moment ziet de dochter van Farao het kistje tussen de biezen drijven en ze geeft haar lijfslavin opdracht om het te gaan halen. Ze doet het deksel open. Haar verbazing wordt tastbaar in vers 6: Toen zij het opendeed, zo zag zij dat knechtje; en zie, het jongsken weende.

 

Gemeente, waarom is ze zo verbaasd? Omdat in de cultuur van het oude Egypte zo’n kistje eigenlijk maar één functie had: het bevatte een afgodsbeeldje. Bij godsdienstige feesten werden godenbeeldjes in biezen kistjes van de ene zijde van de Nijl naar de andere zijde getrokken. De rivier zelf werd als een god vereerd. Waarschijnlijk hebben Amram en Jochebed heel bewust gekozen voor het biezen kistje omdat het op zo’n godenvaartuigje leek. De vinder van het arkje zal in zijn heidens bijgeloof de heiligheid van dit kistje zeker respecteren. Het zal hem ervan weerhouden om de hand te slaan aan het kind dat zich erin bevindt. Geloof en heilige vindingrijkheid gaan hier samen.

 

Toen zij het opendeed, zo zag zij dat knechtje, dat jongetje. En zie, het jongetje weende. Wat de prinses ook verwacht had, dit niet. Dit in geen geval! De prinses kent het moordbevel van haar vader. In één ogenblik herkent ze de jongen als een jodenjochie. Ze ziet het aan zijn uiterlijk, ze ziet het aan het feit dat hij al besneden is. De Egyptenaren gingen pas tot de besnijdenis van hun jongens over als ze veertien jaar geworden waren. Bij Israël gebeurde dat op de achtste dag.

Bij het opendoen van het kistje geschiedt er een wonder, een wonder van Gods almacht en ontferming. De Bijbel maakt ons daarop attent door te zeggen: En zie! Let daarop, geef daar al uw aandacht aan, sta daarbij stil. En zie, het jongetje weende. Het kind begon erbarmelijk te huilen. Dat erbarmelijk huilen is geen toeval. Het dient Gods eeuwige raad. Hij gebruikt dat klaaglijke geschrei van dat kereltje dat opgesloten is in een doos en dat nu ineens in het felle zonlicht kijkt. Hij gebruikt dat huilen van dat mannetje om alle weerstand in het hart van de prinses te breken. En daardoor geeft de dochter van de tiran onmiddellijk haar hart aan dit kind. Een diep meelijden, verwondering, bewondering en aanvaarding vloeien samen in de uitroep tot de hofdames: Dit is één van de knechtjes van de Hebreeën! Ze is op dit moment vastbesloten om zich niets, helemaal niets aan te trekken van het bevel van haar vader.

 

Hier bereikt de strijd tussen Egypte en Israël, tussen God en satan, een hoogtepunt. De Egyptische prinses redt de jonge Israëliet en ondertekent daarmee voor Egypte het doodvonnis. De Heere bewaart de toekomstige verlosser van Israël voor alle gevaar.

Gemeente, de wereld en ook ons eigen vlees hebben hun commentaar heel gauw klaar. Wij zeggen: dat was een pure samenloop van omstandigheden. Maar Gods volk kijkt er anders tegenaan. Ze mogen zich met Amram en Jochebed verblijden in de vastheid van Gods raad. Want alles wat ons in ons leven overkomt, wordt door Hem bestuurd naar Zijn eeuwig besluit. Hij bestuurt niet alleen de opkomst en de val van koninkrijken en republieken, maar Zijn regering gaat ook over een mus die op een warme zomerdag dood van het dak af valt. Zijn regering gaat ook over de haren van ons hoofd die ’s morgens in de wastafel terechtkomen.

 

En zie! Let erop, geef hier al uw aandacht aan.

De Heere neigde het hart van deze prinses om te gaan baden.

Hij vestigde haar ogen op het biezen kistje dat daar tussen de biezen dreef.

Hij vertederde haar hart door het huilen van het kind in het kistje.

Hij vervulde haar met ontferming.

Laat Gods volk nu maar getuigen van de troost van het oprechte geloof in Gods voorzienigheid. Dat geloof geeft zo’n kinderlijk vertrouwen in het hart dat niets ons van Zijn liefde scheiden kan. Alle dingen zullen medewerken ten goede voor hen die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

We zien het verloop van de dingen aan met een geloofsoog. We kijken het verloop van de dingen na in de vaste wetenschap dat Hij regeert, zelfs in de tegenspoed. We krijgen oog voor de vaderlijke hand van God in de zaken van het leven. Wat een haven van rust gaat onze ziel dan binnen in die heilige wetenschap: Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid (Rom.11:36). Dat geldt ook voor het optreden van Mirjam, dat in onze derde en laatste gedachte aandacht vraagt:

 

3. Gods zorg in het optreden van Mirjam

 

Wat moet de komst van de dochter van de tiran om daar te baden Mirjam met diepe schrik hebben vervuld! Wat zal deze vrouw, de dochter van de Farao, met haar broertje doen als ze dat biezen kistje ziet? Maar de Heere Zelf neemt alle vrees van Mirjam weg. Ze hoort op haar uitkijkpost in de onmiddellijke omgeving van het biezen kistje de prinses spreken tegen haar hofdames: Dit is één van de knechtjes der Hebreeën! En ze hoort wat er in die uitroep meeklinkt: liefde, verwondering, welwillendheid, acceptatie. Deze jonge vrouw zal geen vreemdeling van genade zijn geweest. Het geloof verheft zich in haar hart. Ze ziet in de hand van de dochter van de tiran de hand van de levende God. Ze grijpt de Heere aan door het geloof.

In één moment staat ze naast de gevreesde dochter van de Farao en ze raadt wat er gebeuren moet: Zal ik heengaan en u een voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat knechtje voor u zoge? De prinses kan het kindje zelf uiteraard niet voeden, maar dat was ook helemaal niet nodig. De hooggeplaatste vrouw in het oosten die een kind kreeg, voedde dat kind zelf nooit. Dat was beneden je stand. Dat deed je niet! Je liet het voeden door een voedster, door een mindere, die zelf een kindje gekregen had en dat aan de borst had. En onder de Joodse vrouwen in Gosen waren genoeg moeders die hun kind hadden moeten afstaan aan de Nijl en die nog in staat waren om een kind te voeden. Dat weet de prinses maar al te goed heen en ze geeft onmiddellijk toestemming: Ga heen. En de jonge maagd ging en riep des knechtjes moeder.

 

Zonder een moment te aarzelen roept Mirjam haar eigen moeder. Vervolgens wordt er een overeenkomst gesloten tussen de prinses en tussen Jochebed. Als u meeleest, dan wordt dat direct duidelijk. Er staat immers: Neem dit knechtje heen (neem dit jongetje met u mee) en zoog het mij (en voedt het voor mij); ik zal u uw loon geven.

Vooral die laatste zinsnede is heel belangrijk. Door het vaststellen van het bedrag voor het voeden van het kind legde de prinses naar de Egyptische wetgeving haar principiële eigendomsrecht op dit kind vast. De overeenkomst werd hiermee gesloten en van kracht. Toen zeide Farao’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.

 

Dat overgeven van het kind door de prinses aan Jochebed zal gebeurd zijn zonder woorden. De vrouw, Jochebed, zwijgt van diepe verwondering. Ze hoeft nooit meer angst te hebben voor het leven van haar kind, want dit kind geldt vanaf dit moment als de zoon van de dochter van Farao. God heeft de toekomstige verlosser van Israël bewaard. Wat zal het hart van die vrouw overgelopen hebben van de lof van God:

 

Loof, loof de Heer’, mijn ziel, met alle krachten;

Verhef Zijn Naam, zo groot, zo heilig t’ achten;

Och, of nu al wat in mij is, Hem prees!

Loof, loof, mijn ziel, de Hoorder der gebeden;

Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;

Vergeet ze niet; ’t is God Die z’ u bewees.

 

En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao’s dochter, en het werd haar ten zoon. In het oude oosten werd het kind pas van de borst genomen als het drie jaar oud was. Maar toen heeft Jochebed het kind nog niet naar het hof van Egypte gebracht. Dat gebeurde, zegt de tekst, toen het knechtje groot geworden was. Groot worden, dat is een staande uitdrukking die wijst op de leeftijd van ongeveer vijf jaar. U kunt hier Mozes vergelijken met de kleine Samuël die door Hanna naar het heiligdom in Silo werd gebracht toen hij groot geworden was, toen hij ongeveer vijf jaar was. De tekst zegt ons dat Mozes vijf jaar oud is als hij officieel geadopteerd wordt als zoon van Farao’s dochter. Eerst was er een principeafspraak. Nu wordt alles volgens de geldende wetgeving geregeld en afgewerkt.

Bij een officiële adoptie hoort ook een officiële Egyptische naam. Uiteraard hadden Amram en Jochebed, op de achtste  dag, de dag van de besnijdenis, naar Gods bevel hun kind een Joodse naam gegeven. Maar die is niet eens overgeleverd. Als het jochie aan het hof komt, noemt de prinses hem: Mozes, kind van het water, kind van de Nijl. En ze voegt er verklarenderwijs aan toe: Want ik heb hem uit het water getogen, ik heb hem uit het water getrokken, ik heb hem uit het water gehaald.

 

Toen het knechtje groot geworden was… Wat zijn dat vijf kostbare jaren geweest! Mozes is door zijn eigen ouders onderwezen in de eerste beginselen van de Bijbelse leer. En later, vele jaren later, zou God die opvoeding gebruiken om Mozes aan het hof van Egypte te brengen tot de onberouwelijke keuze voor de Heere en voor Zijn volk. Dan zal hij de kant van Israël kiezen. Dan zal hij ervoor kiezen om liever met Israël kwalijk behandeld te worden, dan langer de genietingen van deze wereld te hebben.

 

Vijf jaar lang hebben deze ouders dit kind mogen vormen in de Bijbelse leer. Gemeente, de Belgen hebben een treffend spreekwoord, dat luidt: ‘De reuk van het eerste nat blijft het langst in het vat.’ Wat is dat waar van de christelijke opvoeding! De eerste indrukken van zonde en genade zinken zo diep in het gemoed van onze kleine kinderen.

Ouders, u neemt die kleintjes die God u toevertrouwt heeft, toch wel apart? U spreekt toch wel met ze over de ernst van zonde en genade? U spreekt toch wel met hen over de kracht van het bloed van Christus? Moeders, kijk eens terug op de week die voorbijging. Was er nog een moment dat u iets goeds van de Heere tegen uw kind gezegd heeft? Hebt u uw kind ook geleerd om te vragen om bekering en geloof? Neemt u die kleinen wel eens op u knie om samen met dat kind een gebed te doen? Vaders, u knielt toch wel naast uw kind neer als het slapen gaat? De reuk van het eerste nat blijft het langst in het vat! Mag ik het zo zeggen: wordt in uw huis, in uw gezin, door uw opvoeding, de dienst van de Heere ook aangeprezen?

 

De Heere Jezus is als Verlosser oneindig meer dan Mozes die Israël bevrijdde. Christus kwam in deze vervloekte wereld om wereldwijd verloren zondaren zoals u en ik te bevrijden van de boeien en banden van de zonde en de ongerechtigheid.

Jochebed heeft vanuit het Oude Testament in de belofte Christus gezien. Ze heeft door het geloof zich alleen op Hem verlaten. En er zullen er onder Gods volk in deze dienst zijn die jaloers zijn op deze vrouw. Wat een geloofszekerheid, wat een heldere geloofsoefeningen! De Naam van de Heere Jezus komt in deze geschiedenis niet voor, en toch is deze geschiedenis vol van de bediening uit Christus:

Jochebed wordt uit Christus bediend als ze met haar man besluit om na drie maanden het kind te verbergen.

Ze wordt uit Christus bediend als ze het besluit neemt om het kind in een biezen kistje neer te leggen op de plaats van de dood.

Ze wordt uit Christus bediend als ze besluit om haar kind Mirjam in de omgeving te laten posten.

 

‘Och’, zegt u, ‘ik ben zo arm. Het ongeloof en het wantrouwen hebben mij zo dikwijls in de greep, dan kan ik nergens meer bij komen.’ Dat is waar. Maar wat zou de diepste oorzaak zijn dat u en ik nergens meer bij kunnen komen? Is de diepste oorzaak niet dat wij door onze afwijkingen en onze zonden scheiding maken tussen de Heere en ons hart? Daardoor verliezen we die dierbare Heere Jezus geheel en al uit het oog, zodat we onder een gesloten hemel gaan.

Dan is het juist voor u de hoogste tijd om u neer te werpen aan de troon van Gods genade en alleen op God te vertrouwen. Deze geschiedenis roept u op: Vertrouw op de Heere met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken (Spr.3:5-6).

 

De Heere verbreke de banden waar u zich in bevindt, door u een diepe indruk te geven van Wie Hij in Christus wil zijn voor verloren zondaren: een God van onuitsprekelijke genade, een God van grondeloze barmhartigheid, een God van volkomen zaligheid.

O, leg u dan in uw krachteloosheid neer aan de voet van Zijn troon, leg uw hart voor Hem open. Dan legt u met Jochebed heel uw leven, al uw vragen, al uw vrezen in Zijn handen. Zodra u maar één oog buiten uzelf mag slaan op die dierbare Borg, gaat het u zoals het Josafat eens ging toen de vijand eraan kwam: Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt; en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op U (2 Kron.20:12).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68: 17

 

Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd’lijk Opperwezen!

’t Is Isrels God, Die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.