Ds. J.S. van der Net - Lukas 1 : 8 - 11

Het begin van de nieuwe dag

Lukas 1
Waar deze nieuwe dag begint
Wanneer deze nieuwe dag begint
Hoe God dan het morgenrood van Zijn genade spreidt

Lukas 1 : 8 - 11

Lukas 1
8
En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.
9
Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.
10
En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.
11
En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1
Lezen : Lukas 1: 1-14
Zingen : Psalm 18: 8, 9
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 2
Zingen : Lofz. v. Maria: 1

Gemeente, de tekstwoorden voor prediking kunt u vinden in het evangelie naar de beschrijving van Lukas, het eerste hoofdstuk, het gedeelte dat we samen gelezen hebben, en daarvan de verzen 8 tot en met 11. Daar lezen we Gods Woord en onze tekstwoorden aldus:

 

En het geschiedde dat, als hij het priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde, naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen dat hij zou ingaan in de tempel des Heeren om te reukofferen. En al de menigte des volks was buiten biddende ter ure des reukoffers. En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechterzijde van het altaar des reukoffers.

 

Gemeente, deze Schriftwoorden en het verband waarin zij staan preken ons: Het begin van de nieuwe dag.

 

Drie hoofdpunten:

1. Waar deze nieuwe dag begint

2. Wanneer deze nieuwe dag begint

3. Hoe God dan het morgenrood van Zijn genade spreidt

 

1. Waar deze nieuwe dag begint

 

Gemeente, het gaat dus over de verschijning van de engel aan Zacharias en de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper. Toch, als we dit hoofdstuk lezen, dan gebeurt er in onze tekst meer, want in ons Schriftgedeelte begint de nieuwe dag. Sinds de profeet Maleachi had de stem van de profetie eeuwen gezwegen. Meer dan vier eeuwen. En al die honderden jaren was de hemel als gesloten. Na Maleachi heeft geen nieuwe straal van de openbaring van God geblonken. En er waren in die vierhonderd jaren geen engelen om met boodschappen te komen en de harten van de rechtvaardigen te verblijden. En daarom, het was erg donker. Eeuwenlang zweeg de profetie.

Ook op politiek gebied was het niet zo best. Want wie zat er op de troon van David? Dat weten jullie wel, meisjes en jongens: Herodes. Notabene een Edomiet! Hij stamde af van Ezau.

En daarom, het kleine overblijfsel in het volk Israël – en ik bedoel daarmee: de echte kinderen van God die er nog waren in Israël – ze hebben in die eeuwen gehuild. Ze hebben in de eeuwen gezucht: ‘Dat op onze klacht de hemel zou scheuren!’

En kijk, nu in onze tekstwoorden wórden de hemelen gescheurd. Nú baant het eerste licht zich een weg door de duisternis. Hier begint de nieuwe dag van het Nieuwe Testament. Hier spreidt de genade haar eerste morgenrood over de schaduw van de oude bedeling. En daarom hebben we boven de preek geschreven: het begin van de nieuwe dag.

 

En dan is onze eerste gedachte: waar begint deze nieuwe dag? Ja, meisjes en jongens, waar begint nu deze nieuwe dag, van het Nieuwe Testament? Waar? ‘Nou’, zegt er een meisje of een jongen, ‘ik denk in Nazareth. Toen de engel Gabriël bij Maria kwam en vertelde dat de Heere Jezus geboren zou worden.’ Ik kan begrijpen dat je dat zegt. En toch begint die nieuwe dag van het Nieuwe Testament niet in Nazareth. Want de tekstwoorden van deze preek gaan vooráf aan de aankondiging van de geboorte van de Heere Jezus van Gabriël aan Maria.

Waar begint die nieuwe dag dan wel? ‘Nou’, zegt er iemand, ‘in Bethlehem.’ Dat kan ik ook begrijpen, dat je dat zegt. En toch, al is de Heere Jezus geboren in Bethlehem, toch begint die nieuwe dag van de nieuwe bedeling niet in Bethlehem.

Weten jullie waar die nieuwe dag wel begint? In Jeruzalem. Daar begint het eerste morgenrood van de genade. En waar begint die nieuwe dag in Jeruzalem? In de tempel begint het.

Als ik dat zeg, zijn we er nog niet, want in de tempel wordt de plaats nauwkeurig aangewezen waar het begint, namelijk in het heilige van de tempel, daar waar de priester elke dag het reukoffer bracht. En ook in het heilige wordt de plaats precies aangewezen waar de nieuwe dag begint: het reukofferaltaar dat staat voor het voorhangsel. De precieze plaats bij het reukofferaltaar, waar de nieuwe dag begint, is de rechterzijde van het altaar.

Hoort u dat? Heel nauwkeurig, heel gedetailleerd wordt ons de plaats aangeduid waar de nieuwe dag begint. Je ziet als het ware de kring steeds nauwer worden. Het is in Jeruzalem, het is in de heilige stad, het is in de tempel in Jeruzalem, het is in het heilige, het is bij het reukofferaltaar, en dan is het bij de rechterkant van het reukofferaltaar. Daar komt Gabriël!

 

U voelt wel, dat is geen willekeur. Waarom juist hier? Wel, gemeente, God kiest voor Zijn nieuwe heilsopenbaring Jeruzalem, omdat het Zijn stad en de plaats van Zijn woning is. Het is het centrum van het verbondsvolk. En in Jeruzalem kiest God de tempel. Dat is Zijn huis waar Hij troont en waar Hij Zijn genade bewijst.

En in de tempel kiest God het heilige, omdat Zijn volk Hem daar mag ontmoeten. En Hij kiest in het heilige het reukofferaltaar. Vanaf dat altaar stijgen de gebeden op tot Hem, op grond van het volbrachte offer. En God kiest de rechterkant van het brandofferaltaar, omdat in de ontmoeting met Zijn volk Hem de ereplaats toekomt. De rechterkant is de plaats van Zijn eer. Voelt u, gemeente, daarom kiest God deze plaats en wordt het zo nauwkeurig beschreven.

En dan kijken we nog even naar de tempel. In de voorhof van de tempel is het zoenoffer gebracht op het brandofferaltaar, waardoor de zonden van het volk zinnebeeldig verzoend waren. Het wijst heen naar het zoenoffer van Christus. Daarna, meisjes en jongens, nam de priester vervolgens een paar brandende kolen van dat brandofferaltaar. Dan ging hij met die brandende kolen en met wierookkorrels in een gouden schaal het heilige binnen, als vertegenwoordiger van het verzoende volk. Hij mocht daar bij het reukofferaltaar God ontmoeten. Daar mocht hij met God gemeenschap oefenen in de gebeden, als vertegenwoordiger van Zijn volk.

En kijk, op die plaats bij het reukofferaltaar vallen de eerste lichtstrepen van de nieuwe dag. Hier ruist het adventsevangelie: Verheug u zeer, gij dochter Sions, juich, gij dochter Jeruzalems; zie, uw Koning zal u komen(Zach.9:9).

 

In die dagen was het geestelijke leven in Israël in diep verval. Het priesterschap was erg verwereldlijkt. Het was ook droevig gesteld met de dienst in het heiligdom en met de bedienaars van het heiligdom. Maar dat is voor de Heere geen reden om die plaats in het heiligdom voorbij te gaan. De Heere geeft in het heiligdom Zijn openbaring aan een priester die samen met zijn vrouw de Heere vreest. Want we lezen van deze priester: En zij waren beiden, dat is hij en zijn vrouw Elisabet, rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren onberispelijk (Luk.1:6).

Wat een getuigenis! Wat betekent dat? Het betekent niet dat ze geen zonden hadden, maar wel dat in hun leven genade verheerlijkt was, die een stempel drukte op hun hele levensopenbaring. En ook al zal deze priester Zacharias de grootste en bitterste zonde straks doen, die een kind van God kán doen, namelijk ongelovig zijn, het beginsel van het leven dat uit God is, drukte een stempel op heel zijn leven. Er was een ander leven in Zacharias en Elisabet, dat strijd voerde tegen de zonde van het vlees. Zo was het met Zacharias en Elisabet. Aan deze priester, die in de vreze Gods wandelt, geeft de Heere Zijn openbaring.

En we hebben gezien dat de Heere Zich openbaart in het heilige. Want hoe diep alles ook vervallen was in die tijd in de tempel, de Heere erkent Zijn heiligdom omdat het nog Zijn huis is. En zolang het offer van de Heere Jezus op Golgotha niet gebracht is, woont Hij in de tempel. Al is het onder een diep schuldig volk.

 

Kijk, gemeente, zo hebben we dus antwoord gekregen op de vraag waar die nieuwe dag begon: in Jeruzalem, in de tempel, in het heilige, bij het reukofferaltaar, aan de rechterkant.

 

En wat is de betekenis hiervan? Dat betekent ten eerste dat God het nieuwe uit de schoot van het oude voortbrengt. Het Nieuwe Testament, de komst van de Heere Jezus, komt voor uit de oudtestamentische tempeldienst. Want, gemeente, God werkt nooit revolutionair. God breekt niet met datgene dat historisch geworden is. En wat doen de mensen vandaag? Breken! Breken met datgene wat historisch geworden is. Het moet veranderd worden, want wat doe je ermee tegenwoordig? Men wil liever al die draden van het verleden afbreken en overnieuw beginnen. Daarom is het nieuwe gebouw dat ze optrekken zo broos en bouwvallig.

Maar zo doet de Heere het niet. De Heere doet het nieuwe uit het oude opkomen. God breekt niet met datgene wat historisch geworden is en Hij werkt organisch. God sluit Zich bij het voorgaande aan. In Zijn werk is groei. Hij maakt nieuwe dingen die groeien uit het oude. Daarom begint de nieuwe bedeling hier, in de tempel, want daar ligt immers het werk van de oude dag.

 

Kijk, dat moeten we in de eerste plaats hieruit leren. God laat de nieuwe dag beginnen in de tempel. God breekt niet met het verleden. Daarin ligt een troost voor het persoonlijk leven van Gods kinderen. We kunnen wel eens denken in ons leven dat God de draad afgebroken heeft. Er kunnen momenten zijn in ons leven, dat we denken: Hij is geweken met Zijn liefde. En wat is het dan donker en lijkt het hopeloos.

Maar zie hier, Hij breekt niet af wat Hij  begon. Hij verschijnt opnieuw, waar Hij eenmaal in Zijn ontferming woning koos. Kijk, dat is zo’n rijke troost in het leven van Gods kinderen. Hij zal mijn kruis eindigen hier, want goedertieren zijt Gij gestadig. Hij zal het goede werk dat Hij begonnen is voleindigen.

 

En dan dit nog. De adventsboodschap klinkt in de tempel, de plaats van de belofte. Wat betekent dat? Wel, daar ligt deze prediking in: elke belofte wordt vervuld. Elke profetie wordt werkelijkheid. Iedere schaduw wordt volbracht. Het is de plaats waar de Heere komt en zegt dat de Heere getrouw is en dat Hij Zijn verbond houdt van geslacht tot geslacht.

Zo’n rijke troost ligt daar in. Ook nu. Want de Heere is nog dezelfde in het leven van Zijn kinderen. Nog is Hij de Vervuller van Zijn beloften. Al gaat het soms door de onmogelijkheid van onze kant heen, Hij is de Vervuller van Zijn beloften. Nog komt Hij in de Heere Jezus tot de plaats waar Hij woont, door de Heilige Geest. En daarom verlaat Hij Zijn Kerk niet en daarom wil Hij de Zijnen, die zo dikwijls ontrouw zijn, telkens weer ontmoeten, in Zijn liefde, in Zijn genade.

 

Dat is onze eerste gedachte: waar de nieuwe dag begint. En dan in de tweede plaats: wanneer. Maar we gaan eerst zingen, en we doen dat met de Lofzang van Zacharias, het eerste vers:

 

Lof zij de God van Israël,

De Heer’, Die aan Zijn erfvolk dacht,

En, door Zijn liefderijk bestel,

Verlossing heeft teweeggebracht;

Een hoorn des heils heeft opgerecht;

’t Geen Davids huis was toegezegd,

Dat wil Hij ons nu schenken.

Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond,

Door der profeten wijzen mond,

Zich hiertoe aan de vaderen verbond.

 

2. Wanneer deze nieuwe dag begint

 

Lukas geeft tot twee keer toe de precieze tijdsbepaling wanneer de nieuwe dag komt. Eerst gaat hij vertellen van Zacharias. En het geschiedde, lezen we in het achtste vers, dat als hij het priesterambt bediende voor God in de beurt van zijn dagorde… Wat betekent dat? Al door David waren de priesters verdeeld in 24 klassen of orden. 16 klassen uit Eleazar, de oudste zoon van Aäron, en 8 klassen uit Ithamar, de jongste zoon van Aäron. Om de beurt deed zo’n orde dienst in de tempel. Wanneer u een beetje meegerekend hebt, dan betekent dat na 24 weken zo’n klasse of orde weer aan de beurt was om één week lang alle diensten te vervullen.

 

Nu was er een probleem. Zo’n dagorde bevatte soms wel meer dan duizend priesters. Er moest geloot worden om in zo’n klasse het heiligdom binnen te gaan en het reukoffer te brengen. Omdat er zoveel priesters waren, mocht een priester dat maar één keer in z’n leven doen. Als hij een keer ingeloot was, moest hij zich de rest van zijn leven terugtrekken.

Kinderen, Zacharias was al een oude priester, dus die had in zijn leven al heel wat lotingen meegemaakt. En tot nu toe was hij nog nooit door het lot aangewezen. Zacharias zal best wel eens een keertje gedacht hebben: Dat grote voorrecht om het heiligdom binnen te gaan, zal mij wel nooit te beurt vallen…

Maar nu, vandaag, valt hem na lange jaren wachten dit grote geluk ten deel. Schijnbaar toevallig. Maar toeval bestaat niet. Want het is hier duidelijk dat dit het beleid van de Heere is. Zo mag Zacharias op deze dag, door God bepaald, ingaan tot zijn schoonste ambtswerk. Hij mag gaan reukofferen.

 

Meisjes en jongens, we zien het gebeuren. Daar gaat Zacharias, met de gouden schaal. En in die schaal de brandende kooltjes van het brandofferaltaar, waarop het offer der verzoening is gebracht. En daarbij ook de wierookkorrels om te offeren. Daarmee gaat hij het heiligdom binnen. En als hij bij het reukofferaltaar komt, legt hij die brandende kooltjes op het reukofferaltaar, de wierookkorrels er bovenop. De korrels gaan in brand en de wierookwolken stijgen omhoog.

Zacharias staat in dat halfdonkere heiligdom bij het reukofferaltaar in een geheiligde stemming. Hij mag hier staan als middelaar. Als middelaar van het oude verbond tussen God en het volk. Nu mag hij namens het volk in de gebeden tot God naderen en God ontmoeten op grond van dat volbrachte offer, waarvan het brandoffer getuigde. O, zie hem staan bij het reukofferaltaar om te bidden.

 

Mijn beê met opgeheven handen,

Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,

Als reukoffers voor U toegericht;

Als offers die des avonds branden.

 

Buiten ligt het volk geknield om de troost van die voorbede in het hart te ontvangen.

 

En dan… opeens gebeurt het. Een engel staat aan de rechterkant van het altaar. Zacharias schrikt, want welke zondaar zal niet vrezen als de hemel opengaat? We lezen het: En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechterzijde van het altaar des reukoffers. En Zacharias hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen. (Luk.1:11-12).

 

Gemeente, waar de mens als stof voor God de Heilige wegzinkt, en neergebogen ligt voor God, daar wordt hij ook door de Heere weer opgericht. Want de Heere richt altijd de gebogene op. En daarom zegt de engel tegen die bevende Zacharias: Vrees niet, Zacharias (Luk.1:13).

Zit hier nu een man of een vrouw in de kerk die moet zeggen: ‘Het is nood in mijn ziel’? Zitten hier nu mannen of vrouwen die denken: Zou God ooit nog tegen mij spreken van vrede? Ach, als ik naar mezelf kijk, dan moet de Heere mij van Zich afstoten omdat ik zoveel zonden heb en zoveel dingen die ik misdoe…

Maar, gemeente, luister. Dit is de stem van God. Dit is de stem van het evangelie, die ook nu tot de ellendige komt. De stem van God komt tot de verbrokene van geest en die beeft voor de alleen heilige God. Dan is dit het evangelie dat klinkt: Vrees niet!

O ja, de huichelaars moeten beven. Die menen te staan, die mogen beven. Maar die ter aarde neerligt, die wil God genadig zijn.

Gemeente, als God ons genadig wil zijn, is er geen oorzaak om te vrezen. En daarom, allen die hier in de kerk zijn die van harte begeren van hun zonden verlost te worden, die neme de toevlucht tot de genadige God. Want de Heere wil bij die vrezenden alle vrees verdrijven door Zijn geweldige liefde en door Zijn verrassende genade.

Ons angstvallig hart en de duivel jagen ons altijd vrees aan, maar het Woord van de Heere is tot die versaagden: Vrees niet! Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord (Luk.1:13).

 

Meisjes en jongens, welk gebed is verhoord? ‘Nou’, zeggen de kinderen en misschien de volwassenen ook wel, ‘natuurlijk dat gebed van Zacharias en Elisabet om een kind.’ Ze hadden geen kinderen. En mensen die geen kinderen hadden in Israël, dat was heel erg. En natuurlijk hebben Zacharias en Elisabet jarenlang gesmeekt om een kind, er om geworsteld. En nu, dat gebed was gestaakt. Natuurlijk, Zacharias en Elisabet waren oude mensen geworden, wat heeft het dan nog voor zin om in het gebed te vragen om een kind? Het leek een onverhoord gebed.

 

Misschien kent u daar ook wel iets van, van gebeden in uw leven die niet verhoord zijn. Dat kunnen donkere bladzijden in ons leven zijn. Dat kunnen wel eens van die dingen zijn waar je om gebeden hebt. Dag in, dag uit, jaar in, jaar uit. Soms kreeg je wel eens een bemoediging door een preek of door een psalmversje of een tekst die in je hart kwam. Maar ook dat ebde langzamerhand weg, en je bidt, je bidt en… het wordt niet verhoord.

En het gebeurt dat we ophouden met dat gebed. We bidden er maar niet meer voor. Misschien is dat gebed wel afgesneden, zeggen we dan wel eens. De kans op verhoring is nu toch helemaal verkeken. Nu kan het toch niet meer? Dan staken we het gebed.

 

Dan moeten we toch maar eens naar Zacharias en Elisabet kijken. Daar was de kans op verhoring ook helemaal verkeken. Maar dat gebed, al was het allang gestaakt, was in de hemel bewaard.

Gemeente, die gedachte moet u maar eens mee naar huis nemen. Want al denken wij dat het niet meer kan, dat wil niet zeggen dat het voor de Heere niet meer kan. We zijn zo vaak geneigd om de Heere de weg voor te schrijven. Als wij denken dat het niet meer kan, dan houden we maar op. Maar dan moet je maar eens kijken bij Zacharias en Elisabet. Het kon niet meer! Het gebed werd tóch verhoord, want het was in de hemel bewaard.

 

Toch moeten we niet in de eerste plaats denken aan het gebed om het krijgen van een kind. Er staat ‘uw gebed’ en niet ‘uw gebeden’. Uw gebed is verhoord. Er is namelijk meer van te zeggen. Want Zacharias staat hier in het heilige bij het reukofferaltaar. Hij staat hier als vertegenwoordiger van zijn volk. Hij staat hier als priester van het oude verbond. En zojuist heeft hij als priester ook een gebed gebeden.

Welk gebed had Zacharias gebeden? Wel, het gebed dat iedere middag bij het reukofferaltaar gebeden werd. Wat was dat gebed? Ik zal het u zeggen: ‘De God der barmhartigheid kome in het heiligdom en neme in welgevallen het offer van Zijn volk aan.’ Dat was het gebed dat Zacharias zojuist gebeden had.

Als dat gebed door de priester namens het volk is uitgesproken, dan zendt de Heere de engel met de boodschap: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord. Dat was het gebed dat Zacharias zojuist had uitgesproken. Dat gebed dat al eeuwenlang vanaf deze plaats werd opgezonden bij het reukofferaltaar, namelijk het gebed om de komst van de Messias. Dat is een adventsgebed.

De engel kondigt de komst van Christus Jezus aan. Gods tijd is nú vol. God gaat Zijn belofte vervullen. God gaat die beloofde Messias vanuit het paradijs nu in de wereld brengen. Hij gaat ons Zijn Zoon zenden in vlees en bloed en Hij zoekt de mens op in zijn ellende.

Gemeente, het grote wonder staat op het punt te gebeuren. Het adventsgebed van het volk is verhoord. Dát is de boodschap van de engel.

 

Maar niet alleen het adventsgebed van de priester is verhoord, maar ook het gebed van de man Zacharias is verhoord. Er zal spoedig een zoontje geboren worden. Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes. Dat zoontje zal de wegbereider zijn van de Messias. De tweede Elia. Maar Hij zal geen Elia heten. Nee, zegt de engel, gij zult zijn naam heten Johannes (Luk.1:13).

Johannes betekent: de Heere is genadig. Het betekent dat God een goedertieren en vriendelijk God is in de Zaligmaker. God is en wil genadig zijn. Het betekent ook dat Hij bekeert, en het eeuwige leven in Christus wil geven aan degenen die het bij Hem zoeken.

Johannes is een naam die op zichzelf al een prediking is tot een boetvaardige zondaar. Uw zonden zijn gelegd op het Lam Dat de zonden der wereld wegneemt. Gij zult zijn naam heten Johannes. En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden (Luk.1:13-14).

De geboorte van Johannes betekent dat nu de genadetijd aanbreekt. Jezus nadert. En deze Johannes zal onmiddellijk aan Jezus voorafgaan. Ja, Johannes zal een kind zijn voor de Heere en Zijn dienst.

Gemeente, wat een rijk evangelie! En nu zien we gelijk ook het antwoord op die tweede vraag: wanneer? Dat is op de ure van het reukofferaltaar, op de ure van het gebed.

We gaan eerst nog zingen uit de Lofzang van Zacharias, het tweede vers:

 

God had hun, tot hun troost, gemeld,

Hoe Zijn genâ ons redden zou

Van onzer haat’ren wreed geweld;

Nu blijkt Zijn onverwrikb’re trouw;

Nu toont Hij Zijn barmhartigheid,

Van ouds de vaad’ren toegezeid,

En dat Hij wil gedenken

Aan ’t heilverbond, aan dien gestaafden eed,

Dien Hij weleer aan Abram deed,

Aan Zijn verbond, dat van geen wank’len weet.

 

3. Hoe God dan het morgenrood van Zijn genade spreidt

 

Wanneer breekt de nieuwe dag aan? Op de ure van het gebed. Op de ure van het reukoffer. Toen de priester het gebed had opgezonden. Dus, gemeente, de komst van de Heere Jezus is gebedsverhoring van gebeden die eeuwenlang zijn opgezonden. Het gebed om Gods heilsopenbaring in de Messias was door de werking van de Heilige Geest in de harten van Zijn volk gelegd. En dat werk voert Hij in de komst van Christus Jezus tot voltooiing. Hij voleindigt wat Hij begon.

En dan geeft de Heere niet alleen het gebed, Hij geeft ook de verhoring. En daarom, zit er hier in de kerk een meisje of een jongen, een man of een vrouw, die vraagt: ‘Hoe zal ik de Heere Jezus ontvangen? Hoe zult Gij zijn ontmoet?’ Is dat de vraag die u of jou bezighoudt? Dan mag ik dit tot u zeggen: Hij wil tot u komen in de weg van het gebed. En Zijn komst tot onze ziel is altijd gebedsverhoring.

En ik weet wel, dat het lang kan duren eer het licht doorbreekt. Israël heeft ook eeuwen moeten wachten. Zacharias heeft ook moeten wachten tot zijn hoge ouderdom. Maar wie waarlijk bidt, die smeekt niet tevergeefs. En in het heiligdom, daar klinkt het woord: Uw gebed is verhoord.

 

Gemeente, nu zagen wij dat het in Israël zo was dat de priester bad in het heilige, en het volk was biddend in het voorhof. En zo is het vandaag ook nog. Vandaag bidt Gods kind in de voorhof van de wereld en de grote Hogepriester bidt in het heiligdom des hemels. En die grote biddende Hogepriester ondersteunt de zwakke gebeden van al de Zijnen door Zijn machtige voorbidding.

En dan kunnen er onzuiverheden in onze gebeden zijn. Wat kan er veel van jezelf tussen zitten. Wat kunnen er een onreine gedachten tussen zitten. Wat kan je gebed gedachteloos zijn. Maar Hij maakt onze onzuivere gebeden welbehaaglijk bij God. Hij heeft Zijn Geest gegeven, Die in ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.

Gemeente, mag ik het u vragen: kent u dat gebed om en door deze Christus?

Adventsleven is een biddend leven. Wie op Jezus wacht, ligt in het voorhof van Gods heiligdom gebogen, smekend om Gods genade en om de openbaring van Zijn heil aan onze ziel. Hij komt op het gebed.

 

Hoe spreidt God dan het morgenrood van Zijn genade? Hoe komt Christus? Wel, door eerst Zijn wegbereider te schenken, namelijk Johannes de Doper. En wat heeft deze wegbereider te doen? Luister wat deze engel zegt: Hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot de Heere hun God (Luk.1:16).

Dus, gemeente, hoe komt de Heere Jezus Christus? In de weg van waarachtige bekering. Want Johannes wordt vóór de Heere Jezus uitgezonden, om velen van de kinderen Israëls te bekeren.

Kon Johannes de Doper dan mensen bekeren? Nee, dat wordt er niet mee bedoeld. U weet het wel, de bekering van de mens is enkel en alleen een daad van de almachtige Geest. Maar Johannes zou wel het middel zijn. En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot de Heere uw God.

En gemeente, die bekering is voor u, voor jou en voor mij nodig om kerstfeest te kunnen vieren. Om Christus als volkomen Zaligmaker in je hart te mogen ontvangen. Bekering is onmisbaar.

 

Hebt u opgemerkt wat er staat? Daar staat: velen tot bekering. Nee, niet allen, want de genade is niet algemeen. Maar wel ‘velen’. Want als u nog nooit geleerd hebt met uw zonden voor God te komen, nog nooit geleerd hebt om uzelf te veroordelen en God te rechtvaardigen, dan mist u nog de bekering. De Heere roept ook nu nog tot bekering. Hij zegt: ‘Bekeert u, bekeert u! Waarom zoudt gij sterven? Bekeert u tot Mij. Ik zal uw afkeringen genezen (Jer.3:22).’

 

Als u aan het eind van deze preek zegt: ‘Ja, maar ik ben nog onbekeerd’, hoe zit dat dan bij u? ‘Ja’, zegt u, ‘ik verlang echt wel naar bekering, ik verlang wel naar bekering, maar, maar ja....’

Wel, dan moet u thuis dat zestiende vers nog maar eens nalezen: Hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot de Heere – en dan komt het – hún God. Hoort u dat? Gabriël noemt de Heere al ‘hun God’. Ze moeten nog bekeerd worden, en toch… hun God!

Gemeente, die boodschap mag u nu nog horen. Zo is het nog, God wil ook nog uw of jouw God zijn. En daarom, als u nog onbekeerd bent en als u er toch ook zo naar verlangt om bekeerd te worden, dan kunt u tot Hem alleen de toevlucht nemen. Wend u dan naar Hem heen, Die in Christus zó diep is afgedaald en die vandaag nog zegt dat Hij ook uw, jouw God wil zijn.

Zeg dan maar heel eenvoudig: ‘Heere, bekeer me, zo zal ik bekeerd zijn, opdat ik Jezus mag ontvangen in mijn hart.’

Ook onze meisjes en jongens. God wil nog – luister je? – God wil nog jouw God zijn. Bekeer je dan tot Hem, want ook voor jou is de bekering onmisbaar. En zeg dan maar heel simpel: ‘Heere, bekeer ook mij, dat ook in mijn hart de weg mag worden gebaand voor deze volkomen Zaligmaker.’

Gemeente, het tekstwoord predikt de vervulling van Gods belofte. Het predikt de verhoring van onze gebeden en de heerschappij van Gods genade, die altijd door het onmogelijke van onze kant heengaat. En laat dat dan tot troost zijn. Voor wie het hopeloos lijkt, en die denkt: voor mij kan het niet meer, kijk maar naar Zacharias en Elisabet! Kijk naar heel die vervulling van Gods belofte in de komst van Christus in de kerstnacht.

En daarom, de God van alle genade zij de eer toegebracht, omdat Hij Zijn woord vervult en trouw houdt, ondanks onze ontrouw, en het gebed verhoort!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lofzang van Maria: 1

 

Mijn ziel verheft Gods eer;

Mijn geest mag bij de Heer’

Mijn Zaligmaker noemen,

Die, in haar lagen staat,

Zijn dienstmaagd niet versmaadt,

Maar van Zijn gunst doet roemen.