Ds. D. Rietdijk - Ezechiël 34 : 23a

De belofte van de goede Herder

Hij zal een enige Herder zijn
Hij zal een getrouwe Herder zijn
Hij zal een eeuwige Herder zijn

Ezechiƫl 34 : 23a

En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn Knecht David.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 100: 2, 4
Lezen : Ezechiël 34: 20-31
Zingen : Psalm 89: 2, 3, 4
Zingen : Lofz. v. Maria: 3
Zingen : Psalm 23: 1

Gemeente, wij willen overdenken het Woord des Heeren dat u vinden kunt in Ezechiël 34, daarvan het 23e vers, het eerste gedeelte, waar wij het Woord van God lezen:

 

En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn Knecht David.

 

Gemeente, wij vinden in onze tekst: De belofte van de goede Herder.

 

En dan gaan wij drie dingen zien:

1. Hij zal een enige Herder zijn

2. Hij zal een getrouwe Herder zijn

3. Hij zal een eeuwige Herder zijn

 

1. Hij zal een enige Herder zijn

 

Gemeente, wij lezen in onze tekst de belofte van de komende Messias. Daar is het Oude Testament van vervuld. Vanaf het paradijs, waar de Heere beloofde het vrouwenzaad te zullen zenden, tot en met de profeet Maleachi, waar Hij beloofd werd als de Zon der gerechtigheid.

De belofte van de Messias is steeds herhaald. Steeds duidelijker werden Zijn Persoon en Zijn werk in die beloften omschreven. Men zag Hem als Profeet. Men zag Hem als de Silo, de Rustaanbrenger. Maar het meest van al is Christus in het Oude Testament beloofd als de Koning Die komen zou. Want aan David, de grote koning van Israël, werd een Zoon beloofd, Die eeuwig op zijn troon zou zitten.

Een Koning. Daarover gaat het eigenlijk ook in onze tekst. Want een herder is gelijk aan een koning. In het herderschap zit het koningschap. Een herder moet leiden. Hij moet zijn kudde beschermen, zoals een koning zijn volk leidt en beschermt. Een herder is een koning.

 

De Messias zal dus Herder en Koning zijn. Hij moet Zijn volk verlossen met koninklijke macht. Hij moet overwinning over de satan en de dood verkrij­gen. Maar Hij moet ook Zijn kudde leiden, verzorgen, bewaren en beschermen. Die Messias moet een zondaarsvolk leiden naar de eeuwige heerlijkheid.

Dat er zo’n Messias moest komen – een Herder en Koning – komt omdat wij de regering van God hebben verworpen en wij de leiding van God in ons leven hebben verworpen. Wij wilden zelf god en koning zijn. Wij kunnen dat niet, want wij kunnen ons leven zelf niet besturen, beschermen of bewaren. Maar wij wilden dat wel. Wij wilden als God zijn. Dus god van ons leven, koning over ons leven, ons leven zelf besturen.

En omdat wij de regering van God in ons leven hebben verworpen en die macht van God over ons leven Hem hebben ontzegd, daardoor zijn wij verloren mensen gewor­den. Wij zijn mensen zonder God, zonder koning, zonder leiding en bescherming. Wij zijn mensen die verloren zijn in onszelf.

 

Gemeente, nu is het ergste van de mens, dat hij niet weet dat hij verloren is. Dat wij het ongeluk van ons leven niet zien. Dat wij niet zien hoe onge­lukkig wij zijn.

Wat is het nodig dat er Eén komt in ons leven Die de ogen daarvoor gaat openen. Dat wij gaan zien dat wij verloren mensen zijn en dat wij zonder God in deze wereld zijn. Dat er een Koning komt Die ons verlost uit de heerschappij en macht van de satan, waarin wij van nature gebonden zijn en aan wiens wil wij zo onderworpen zijn. Een Koning Die ons bevrijdt uit de macht van de duisternis en de zonde, waardoor wij profe­tisch onderwijs gaan ontvangen in de dwaasheid van onze zonden.

Een Messias, Die ons de weg kan leren als de grote Profeet, Die ons priesterlijk de schuld van ons leven kan vergeven en Die ons koninklijk kan beschermen en bewaren. Die eeuwig Koning over ons leven zal zijn.

Zulk een Messias is ons nodig. Daarover gaat die belofte van Ezechi­ël: En Ik zal een enige Herder, zo zegt Hij, over hen verwek­ken.

 

Een enige Herder. De Heere richt Zich in die belofte van de Messias Die komen zou, Die Koning zou zijn en Herder zou zijn, altijd tot het volk Israël.

Dat volk van Israël was het bondsvolk. Maar nu heeft dat bondsvolk ook die Godsregering verworpen. Zij hebben een koning begeerd, zoals de volken een koning begeren. U weet wat er toen gebeurd is. Toen heeft God hun Saul gegeven tot een koning. Na David zijn er koningen gekomen die Israël hebben verdrukt, die zich hebben bekleed met de wol van de schapen. Zij aten het vette van de schapen. Zij hebben van het gemeste vee gegeten en zij heersten met streng­heid en met hardheid.

Daarover gaat dat hele hoofdstuk 34 van Ezechiël. Over de herders van Israël, de koningen van Israël, die dat volk hebben verdrukt en verstoten, het verlorene niet hebben gezocht, het weggedrevene niet hebben bijeenvergaderd. Zij hebben eigenlijk geleefd van het volk, zonder dat te besturen.

En nu zegt de Heere: ‘Ik zal naar Mijn schapen vragen en Ik zal het weggedrevene bijeenvergaderen. Het gebro­kene zal Ik verbinden, het kranke zal Ik sterken, maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen.’

 

Daartoe gaat de Heere nu een enige Herder verwekken. Een enige Herder. Dat wil zeggen dat er geen tweede herder is zoals die Herder, die Koning, Die God verwekken zal. Dat is niet een of andere koning geweest uit het huis van David. Wij komen daar straks nog nader op terug. Maar dat is een Herder, een Koning, geweest zoals er geen tweede op deze wereld te vinden is. Het is de Heere Jezus Christus. Hij is die geheel enige Herder, buiten Wie er geen andere herder te vinden is. Wie deze Herder niet tot zijn Herder over het leven heeft, die heeft geen Herder.

Christus wordt in het Nieuwe Testament bij uitstek de Herder genoemd. Petrus noemt Hem ‘de Herder en de Opziener van uw ziel’. In een ander hoofdstuk noemt de Heere Christus ‘de overste Herder’. Dus dat wil zeggen: de Herder Die boven alle andere herders staat. De Heere noemt Christus in Zacharia, waarin Hij de komst en het lijden van Christus aankondigt, ‘Mijn Herder, de Man Die Mijn Metgezel is’. Zo kunt u doorgaan. De hele Bijbel is vol van de benoeming van de Heere Jezus als de Herder. Zelf noemt Hij Zich in Johannes 10 ‘de goede Herder’. Een enige Herder. De grote Herder der schapen.

 

Waarom is Hij nu de enige Herder? Wel, de kudde die Hij heeft, die is zo groot, zoals geen enkele herder een kudde heeft. Hij heeft meer kudde en groter kudde dan welke andere herder ook. De kudde van Hem, die Hem van de Vader gegeven is, die is ontelbaar. Dat is een schare die niemand tellen kan.

Hij vergadert de kudde, die Hij van de Vader heeft gekre­gen, over de ganse aarde. Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde en één Herder (Joh.10:16).

 

En gemeente, Hij is de enige Herder omdat Hij onvergelijkbaar is met alle herders die vóór Hem waren. Want Hij zegt zelf: Allen, zovelen als er vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars (Joh.10:8).

De enige Herder, dat is de Herder met Wie niemand te vergelijken is. Wij hebben dat zojuist gezongen uit Psalm 89:

 

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?

 

Want, gemeen­te, er is maar Eén Herder Die Zichzelf gegeven heeft voor Zijn schapen. Dit is de goede Herder, namelijk Die Zijn leven stelt voor Zijn schapen. Nu kunt u overal zoeken naar één die u verlost van de toekomende toorn. Maar u kunt ner­gens iemand vinden die aan Hem gelijk is, Die hier de enige Herder wordt genoemd.

De vraag is of wij naar zulk een Herder gezocht hebben, Die ons verlost van de toekomende toorn. Want wij kunnen zo gemakkelijk leven; wij kunnen zo rustig voortleven zonder ons te bekommeren om onze eeuwige bestemming. Dan leven wij voort, zonder dat wij ons ooit enig ogenblik ongerust maken over onze eeuwige bestemming, of dat wij weten dat wij zonder God in de wereld zijn en ook zonder God verder leven. We kunnen ons zo gerust op ons gemak bezighouden met dingen van dit leven; van deze wereld.

Totdat God ons eraan ontdekt. Totdat deze Herder, Die het weggedreve­ne bijeenvergadert, Die het verlorene zoekt, onze ogen opent en laat zien hoezeer wij verloren zijn in onszelf. Dat wij mensen zijn zonder God en zonder toekomst, met alleen de enige benauwde en bange toekomst: de toorn van God tot in eeuwigheid.

Gemeente, dan gaan de ogen open. Zonder God in de wereld. Vervreemd van God; vervreemd van de verbonden van de beloften. Geen hoop hebben. Mensenkinderen die niet anders gedaan hebben dan tegen de Allerhoogste gezondigd.

Waar is nu een weg ter ontkoming? Die wordt overal gezocht. Bij uzelf. Maar daar is het niet! In de reformatie van uw leven. Maar het is daar niet te vinden. In het wegdoen uit uw leven van datgene wat niet goed is. Maar u kunt er geen rust mee vinden voor God. Wat blijft in uw leven is dit, dat er een scheiding is tussen God en uw ziel. Dat er geen vrede is in uw hart. Dat er een heimwee is naar God. Dat er een verlangen is naar God. Die schreeuw: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God (Ps.42:2).

 

En nu is er nergens één te vinden, behalve deze Ene; de enige Herder, voor Wie ons oog wordt geopend door de Heilige Geest in het Woord van God. Die geheel enige Herder, buiten Wie geen zaligheid te zoeken of te vinden is. Deze Herder wordt verwekt door God.

 

Ik zal u een enige Herder verwekken, zegt de Heere in deze tekst. Dat woord ‘verwekken’ komt in het Nieuwe Testament voor als ‘gegeven’. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh.3:16).

Soms wordt dat verwekken gezegd als ‘gezonden’. Dan denk ik even aan de Galatenbrief, waar staat: Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet (Gal.4:4). Een andere keer wordt er gezegd dat God Hem verzegeld heeft: Want Dezen heeft God de Vader verzegeld (Joh.6:27).

 

Gemeente, als u dat even overdenkt; dat verwekken is dus ‘geven’. Dan komt u terecht in de eeuwig­heid; dan komt u terecht bij de eeuwige liefde van de Vader. De eeuwige liefde van de Vader, waarmee Hij mensen heeft lief­gehad en daarvoor Zijn Zoon heeft overgegeven. Die enige Herder, dat is een geschenk uit het hart van de Vader. Dat is een geschenk van eeuwige liefde. Dan staat er van Hem ook geschreven: Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha 5:1). Uit de eeuwigheid komt de Messias, de Christus Gods, de enige Herder voort.

De Godsgedachten tot vrede liggen in de eeuwigheid. Daarom ligt de zaligheid in Christus zo eeuwig vast! Die komt vanuit de eeuwige gedachten van God, waarmee Hij de gedachten des vredes gehad heeft en niet des kwaads. De zaligheid zal dan ook nimmer wankelen voor hen die deze Herder als hun Herder kennen en die in Hem gevonden zijn.

 

Christus wordt gegeven door de Vader. Ook als u in het leven geen herder meer heeft, ook als u nergens meer uitkomst in ziet, ook als u niet meer weet welk pad u moet gaan. Als alle paden van uw leven in de dood zijn uitgelopen, dan wordt deze enige Herder geschonken door de Vader. Deze wordt gegeven door God in Zijn Woord. Dan gaat het oog open. Dan gaat u die enige Herder zien, Die u alleen maar redden kan. Gegeven vanuit de eeuwigheid door de Vader.

 

‘Hij is gezonden’, staat er in de Galatenbrief. Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Geboren uit de maagd Maria; onze menselijke natuur aange­nomen. Hij is de eeuwige Zoon van God en werd mensenkind met een heilige, menselijke natuur. Ontvangen van de Heilige Geest.

 

Gemeente, daar hebt u dat ‘gezonden’. De Vader zond Zijn Zoon met een opdracht. Dat was niet gering. Als die enige Herder komt, dan komt Hij als de goede Herder, Die Zijn leven stelt voor de schapen. Hij moet afdalen daar, waar de schapen verloren liggen in het ravijn. Hij moet afdalen in de diepten. De straf der zonden moest Hij dragen. De ongerechtigheid deed God op Hem aanlopen. De last van de toorn Gods heeft Hij moeten dragen.

Dat woord ‘gezonden’ wijst heen naar dat diepe geheim dat eenmaal plaatsvindt in Bethlehem. Dat de eeuwige Zoon van God in onze menselijke natuur komt, opdat Hij zou lijden en zou sterven. Een enige Herder.

 

Dat ‘verwek­ken’ is niet alleen een ‘geven’ van de Vader, een ‘zenden’ van de Vader, opdat Hij zou komen om te verlossen, maar het is ook het ‘verzegeld’ zijn door de Vader. Wat bedoelen we dan als we zeggen: ‘Deze heeft de Vader verzegeld’?

Wel, dat verzegelen betreft eigenlijk een aantal dingen. De Vader heeft Hem aange­steld. Dat is dat verzegelen. Hij heeft Hem verordineerd om te zijn de enige Herder van de Kerk. Om die Kerk de zaligheid te bereiden. Om Zichzelf te geven, maar ook om die kudde bijeen te vergaderen. Aangesteld tot Profeet, Priester en Koning.

Maar de Vader heeft ook telkens opnieuw geopenbaard dat Hij de Messias is, Die van ouds de vaderen was beloofd. De Vader heeft telkens bevestigd: dit is de Messias. Dat heeft Hij gedaan toen Hij gedoopt werd in de Jordaan. Toen heeft Hij van de hemel geroepen: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb! (Matth.3:17). Daar hebt u dat verzegelen van de Vader: ‘Dit is Mijn Zoon!’ Dat heeft de Vader gedaan op de berg der verheerlijking, waar Hij gezegd heeft: Deze is Mijn gelief­de Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! (Matth.17:5). Hij heeft het gedaan op de dag van de opstanding, toen Hij Hem opwekte uit de doden en Hem het leven hergaf.

De Vader heeft Hem geopenbaard en Hem als het ware van geloofsbrieven voorzien, dat Hij de enige Herder is en dat buiten Hem geen zaligheid te zoeken of te vinden is. In de kerstnacht, toen Hij uitgezonden werd, in de wereld kwam als Mensenkind, toen hebben de engelen in Efratha’s velden gezongen. Zij waren getuigen, waardoor de Vader verzegelde dat Deze, Die daar in de stal van Bethlehem lag, de Beloofde van de vaderen is, de beloofde Messias. ‘Een enige Herder zal Ik hen verwekken.’

 

Kent u Hem? Want wij leven in de adventsweken, waarin wij overdenken de belofte van de komst van deze Herder in de wereld. Waarin wij overdenken hoe Hij van ouds getekend is in Zijn gestalte en hoe die werke­lijkheid is geworden in Zijn komst. Maar nu is de grote vraag in de adventsweken of wij Hem hebben leren kennen in ons leven. Of wij ook naar Hem uitzien. Of wij ook met Psalm 130 vers 3 zeggen:

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht onge­stoord;

Ik hoop, in al mijn klach­ten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

 

Gemeente, als u Hem kent, dan komt Hij altijd met de klare bewijzen, de duidelijke bewijzen dat Hij de Gezondene van de Vader is. Dan zegt Petrus, als de Heere vraagt: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? (Matth.16:15): Gij zijt de Chris­tus, de Zoon des levenden Gods (Matth.16:16). En dan zegt Jezus: Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth.16:17).

Dan heeft Petrus het klare bewijs dat de Vader de Herder verwekt heeft en dat Hij door de Vader gezonden is in de wereld. Dat die Vader Hem geeft, openbaart en bevestigt: ‘Dit is Mijn Zoon.’

 

Gemeente, aan de voeten komen van deze enige Herder, als een verloren schaap, dat is een ontmoeting; die vergeet u niet!

Want dan is Hij de énige Herder. Dan hebt u niet nog tien andere achter de hand. Maar er is er maar Eén Die omzag naar een verlorene. Als Levi die ogen ziet in dat tolhuis waar Jezus hem aankeek, dan is dat het wonder geworden voor Levi. Hij heeft mij aangezien! Levi is nooit vergeten dat die ogen hem wilden aanzien. Nooit vergeten dat Hij naar Levi wilde omzien in het tolhuis. Zo heeft de hoofdman over honderd op Golgotha’s heuvel, toen Jezus de geest gegeven had, beleden: Waarlijk, Deze was Gods Zoon! (Matth.27:54). Het kon niet missen. Hij was de enige Herder.

En gemeente, een geluk­kig mens die, aan de voeten van Hem terechtkomend, mag weten dat Hij de Herder is van zijn of haar leven. De Heere is mijn Herder. En waaraan zie ik dat nu, of Hij mijn Herder is? Dat zie ik aan de wonden waarmee Hij geslagen is om mijn ongerechtigheden.

Psalm 23 vormt een eenheid met Psalm 22. Hij is om mijnentwil de dood ingegaan, opdat Hij mijn Herder zou zijn en mij zou leiden naar de eeuwige zaligheid. Gemeente, dan is het een Herder, een enige Herder, die wij ontvangen uit de hand van de Vader. Die enige Herder is ook de getrouwe Herder.

 

2. Hij zal een getrouwe Herder zijn

 

Dan is het zoals Zondag 1 in het antwoord zegt: ‘Dat ik niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.’ Dat is de enige troost in leven en sterven. Mijn getrouwe Zaligmaker. Hij zal een getrouwe Herder zijn.

 

Er staat in onze tekst: En Hij zal hen weiden. Nu is dat weiden een begrip dat alles samenvat wat een herder te doen heeft. En dat is veel. Dat staat bijvoor­beeld in vers 4 van Ezechiël 34. Daar staat geschreven dat die Herder het zwakke sterkt, het kranke heelt, het gebrokene verbindt, het weggedrevene terugbrengt, het verlorene zoekt.

Bovendien zoekt die Herder vette en groene weiden. Hij beschermt de schapen tegen de wolven en het wild gedierte. Die Herder heeft dus een heleboel werkzaamheden te verrichten om de kudde te verzorgen als geheel, maar ook om elk schaap van die kudde te bezien. Kranken, weggedrevenen, verlo­renen, gebrokenen; dat heeft hij allemaal te behandelen. En gemeente, dat gaat nu Christus doen! Hij zal hen weiden.

 

Dat grote werk van Hem is dat Hij die kudde opzoekt, dat Hij elk schaap bij die kudde brengt en dan bij die kudde bewaart en leidt. Hij zal hen straks in de schaapskooi boven voor eeuwig opnemen. Hij zal ze weiden. Die gekochte schapen, die Hij van de Vader gekregen heeft en die Hij opzoekt door Zijn Geest, die gaat Hij weiden. Hij voert ze. Hij leidt ze. Hij bewaart ze.

Dat is het grote werk dat deze enige Herder, Die een getrouwe Herder is, met grote zorg doet. Want dat deden die vorige koningen van Israël niet. Die hebben de schapen verstoten. Die gingen de verdre­venen niet achterna. Zij hebben die verbrokenen niet verbonden en de kranken niet geheeld.

 

Dat gaat Hij doen met grote zorg. Hij zal hen weiden. In de allereerste plaats is dat dus voedsel en drinken geven. De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wate­ren, staat er in Psalm 23 vers 1 en 2. Nu, dat weiden, dat eten geven, is het allereerste.

Nu heeft de Heere wel beloofd dat Hij herders zou geven naar Zijn hart, die hen zouden weiden in wetenschap en met verstand. Maar Christus voedt de Zijnen met een nog hoger goed. Want waar Hij ze mee voedt, dat is met het Woord van God; met het eeuwige evangelie van Zijn genade. Want dat is de weide van Christus, waar Hij Zijn scha­pen in gaat weiden en gaat onderwijzen en voeden.

Hij voedt ze met het Woord van God. Dan krijgen zij eten vanuit dat Woord van God. Vanuit de beloftenissen die de Heere hun geeft. Vanuit de vertroostingen die Hij ze schenkt. Vanuit de onderwijzingen die Hij ze biedt. Dan brengt Hij hun zo in het Woord van God tot eten en drinken van het allervoornaamste, wat in dat evangelie genoemd wordt. Dat is namelijk Zijn vlees dat tot spijze is en Zijn bloed dat tot drinken is. Hij gaat ze brengen bij dat vlees en bloed van Hem. Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven (Joh.6:54).

In de laatste nacht van Zijn vernedering heeft Hij met Zijn discipelen het avondmaal gehouden. Toen heeft Hij aan Zijn discipelen dat brood gegeven en gezegd: Dit is Mijn lichaam.’ Hij gaf de beker aan Zijn discipelen en zei: ‘Dit is Mijn bloed.’ Want waardoor zal een mens die verloren is voor God vanwege al zijn ongerechtigheden, anders gevoed kunnen worden, blijvend gevoed kunnen worden, ten eeuwigen leven gevoed kunnen worden, anders dan door dat vlees en dat bloed van de Heere Jezus Christus? Mijn vlees en Mijn bloed.

 

Hij weidt ze door Zijn eeuwige Geest. Want Ik zal u een andere Trooster zenden.

Door die Geest – en daar krijgt dat volk erg in – gaan wij leren hoe afhanke­lijk wij zijn van de bediening van de Geest, om te eten en om te drinken. Om te eten uit die weiden van het evangelie, om te drinken uit de wateren van dat evangelie. Hoezeer zij behoef­te hebben aan de leiding, verlichting en onderwijzing van de Geest.

De ene keer als u het Woord leest, is niet gelijk aan de andere keer. Wat hebben ze het nodig om ook in de binnenkamer, waar zij de knieën buigen, geleid te worden door de Geest der gebeden. Dan is het ene gebed het andere niet. Dan is het ene roepen tot de Heere, het andere roepen niet. Daar is verschil tussen. Hij zal ze weiden door Zijn Geest. De Troos­ter Die Hij schenkt. Dan geeft die Geest soms een kinderlijk gebed. Die Geest leert het ‘Abba’ zeggen. ‘Abba, Vader’; een kinderlijk gebed om met de noden kinderlijk tot de Heere te naderen.

Soms een woordeloos gebed, een zuchtend gebed. Een gebed zo, dat Paulus zegt: Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom.8:26). Altijd een gebed dat door God niet alleen gehoord, maar ook verhoord wordt. Wat zijn we afhankelijk van de bediening van de Heilige Geest.

 

Christus weidt door middel van Zijn Geest. Gemeente, wat doet Hij dat getrouw! ‘Ik zal ze weiden’, in tegenstelling tot de koningen die geweest waren en tot allerlei andere herders. Wat is Hij getrouw. In Psalm 32 leest u dat David zegt, dat de Heere tot hem gespro­ken had: Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps.32:8). Wat doet Hij dat getrouw in al de omstandigheden van het leven. Hij is de enige Herder met een grote trouw. De trouw van Zijn Woord en van Zijn Geest.

 

Te leiden, te verlichten en te onderwijzen, raad te geven, het gebed te schenken… Wat is de Heere dan nabij. Christus is de onveranderlijke, eeuwige en blijvende Herder. Andere herders trekken heen en weer en ten slotte sterven zij en laten de kudde achter. Zo Christus niet. Hij stierf wel voor de kudde. Dat deed Hij wel. Daar heeft Hij Zijn leven voor afgelegd. Maar Hij is als de opper­ste Herder van de schapen door het bloed van het Nieuwe Testament wedergebracht uit de doden. Hij leeft! En wat Hij leeft, dat leeft Hij eeuwig.

En nu is Hij de eeuwige Herder van Zijn kudde; onveranderlijk in Zijn trouw. Die Hij heeft opgeraapt, laat Hij nooit meer los. Waar Hij Zichzelf voor heeft ingezet, daar bidt Hij nu altijd voor bij Zijn Vader. Zo leeft Hij altijd om voor hen te bidden. Hij staat als het Lam op de berg van Sion. Voor de 144.000 die de naam van de Vader dragen op hun voorhoofd. Een schare die niemand tellen kan.

Gemeente, straks zal dat Kind uit Bethle­hem daar staan, als het Lam op de berg Sion met Zijn ganse kudde. Dan zal er niet één ontbreken. Dat is Zijn onver­breekbare trouw. Hij laat nooit los, maar houdt altijd vast. Hij kent al hun noden; Hij weet al hun bezwaren; Hij ziet naar de geringste gebreken om. Een onveranderlijke, een getrouwe Herder.

 

Hij wandelt in het midden van de zeven gouden kandelaren. Gemeente, daar is Hij altijd te vinden. Hij heeft elke kandelaar op het oog en Hij zal elke pit verzorgen. Iedere lamp die vervuilt, die reinigt Hij en doet Hij weer helder branden.

Hij is de enige en getrouwe Herder. Hij vergist Zich niet, want Hij kent het onderscheid tussen bokken en schapen, zoals niemand dat kent. Hij kent Zijn scha­pen. Hij heeft gezegd als die Herder: En ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen ge­kend (Joh.10:14). Dan is het antwoord van de scha­pen, en u hoort dat in de psalmen: ‘Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân.’

Dan moet u even letten op dat ‘Gij kent mij’. Niet van vandaag of giste­ren, maar dat ‘Gij kent mij’ is een kennen van eeuwigheid. Toen waren wij in de gedachten van God. Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân, Gij weet mijn zitten en mijn staan. Gij kent mij. En zo kent deze Herder de schapen die Hij gaat weiden. Hij zal ze weiden. Want Hij roept ze bij name. Zij horen Zijn stem en zij volgen Hem. Gij kent mij. Dat is het onbeschrijfelijk geluk van al degenen die de Heere vrezen. Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven. En niemand zal hen uit Zijn hand rukken. ‘Ik zal hen weiden…’

 

We zingen nu eerst de Lofzang van Maria vers 3:

 

Hoe heilig is Zijn Naam!

Laat volk bij volk tezaam

Barmhartigheid verwachten;

Nu Hij de zaligheid,

Voor die Hem vreest, bereidt,

Door al de nageslachten.

 

3. Hij zal een eeuwige Herder zijn

 

Niet alleen dat Hij een enige Herder is, niet alleen dat Hij een getrouwe Herder is, maar Hij is ook een eeuwige Herder. Dat is het laatste wat wij met elkaar overden­ken. Daar staat in onze tekst namelijk: Mijn Knecht David.

 

Evenals in zoveel teksten waar over de Messias gesproken wordt, wordt ook hier de naam van David genoemd. In Ezech­iëls dagen was koning David al lang overleden. Petrus zou zeggen: En zijn graf is onder ons tot op deze dag (Hand.2:29). Toch wordt telkens bij die Messias David genoemd.

Dat wordt gedaan omdat God met David een verbond gesloten had. En wel dit verbond, dat van het zaad van David een Zoon eeuwig op de troon zou zitten.  Als de engel straks bij Maria komt met de boodschap dat zij een Zoon zou baren, dan wordt daarbij gezegd: ‘En Hij zal op de troon van vader David zitten en Hij zal Koning zijn over het huis van Jakob en Zijn konink­rijk zal tot in der eeuwigheid zijn.’ Dus dat wordt vervuld, het is de Zoon van David.

 

Nu wordt er in onze tekst gesproken over: Mijn Knecht David. Want David was Gods knecht. Aangesteld bij de gratie van Israëls God in Zijn hoge ambt. Zo is hij Gods knecht geweest en koning over Israël en Juda. Maar als nu deze enige Herder komt, de Messias, dan zal Hij ook Knecht zijn naar Zijn menselij­ke natuur. Hij was de eeuwige Zoon van de Vader. Maar als Hij daar geboren wordt in Bethlehems stal, dan is Hij de Knecht van de Vader. Want dan komt Hij om Vaders wil te doen. Ik heb lust,  o mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands (Ps.40:9). De wil van de Vader tot zaliging van verloren zonda­ren komt Hij doen.

Wat heeft Hij de geboden van de Vader bewaard. Wat heeft Hij de wil van de Vader gedaan tot het laatste toe; totdat de laatste penning was betaald. Hij heeft Zichzelf vernietigd, zegt Paulus in Filippenzen 2. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende (Filip.2:7). In deze gestalte gevonden zijnde, heeft Hij Zich vernederd tot de dood des kruises. Dat is de dienstknechtge­stalte van deze enige Herder, Die niet komt om gediend te worden, maar om te dienen. Om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Dienstknecht van de Vader, opdat Hij degenen die de Vader Hem gegeven heeft, eeuwig zal thuisbren­gen.

 

Hij is de geheel enige en eeuwige Herder van Zijn Kerk. Want nu zal Hij de enige Koning zijn op de troon van David, Die nooit meer sterft, maar Die eeuwig op Zijn troon gezeten zal zijn, Die Zijn Kerk voor eeuwig tot Koning zal zijn. Wat is dat volk dan gelukkig, en wat een grote zalig­heid is het om deze Messias tot Herder te hebben. De Heere belooft, als Hij met hen spreekt, wat Hij hun zal geven: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid (Joh.10:28).

Deze Herder te hebben, dan zul je er zeker van zijn gevoed te worden. Gemeente, als u deze Herder tot uw deel hebt, dan zal het nooit ontbreken aan de voeding uit het eeuwige Woord van God. Daar zal Hij Zelf voor zorgen. Hij zal er met grote liefde en aandacht voor zorgen. Dan kent Hij de behoeften van uw hart. Hij weet of u ziek bent, of u gebroken bent, of u weggedreven bent. Hij weet of u een verloren schaap bent aan de zijden van de weg; in de doornstruiken die er te vinden zijn.

Hij weet alle dingen die u nodig hebt. Hij zal u voeden en weiden, zoals Hij weet hoe dat nodig is. Hij zal u weer brengen aan zeer lieflijke, stille wateren, om te drinken uit de beek van Zijn wellust.

 

Als de Heere uw Herder is, als deze Messias uw Herder geworden is, dan zal Hij regeren met zachtheid en met verstand. Zoals David voor Zijn volk een vriendelijk en een zachtmoedig koning was, zo zal deze Herder ook een zachtmoedige en vriendelijke Koning zijn.

David heeft het volk zeer verstandig geleid, en zo zal de Heere Jezus Christus dat ook doen. Hij zal de kudde niet afdrijven, Hij zal ze niet opjagen, Hij zal ze behoeden voor de wolf, Hij zal ze bewaren voor alle gevaren. Hij zal ze leiden. Hij gaat als Herder voort. Hij loopt niet achter de kudde, maar Hij gaat vóór de kudde. Hij is de grote Voorloper en de Voleinder van het geloof. Hij gaat voor Zijn kudde uit en Zijn schapen volgen Hem.

 

Nu komt Christus nooit op zijpaden. Hij komt nooit op paden waarin ze verdwalen kunnen. Wie Hem volgt, die zal in de duisternis niet wandelen. Die zal niet op paden der ongerechtigheid terechtko­men. Wie Hem volgt, die zal nimmermeer verdwalen. Hij zal ze vasthouden tot in eeuwigheid.

 

Gemeente, een vraag. We hebben adventstijd, maar hebben we die aangekondigde Messias als de enige Herder en Leidsman van onze zaligheid leren kennen? Want dat is nodig. Dat is nodig voor kinderen, om de Herder te kennen, die goede Herder Die het verlorene zoekt. Dat is nodig voor ouderen, ook voor de oudsten in ons midden.

Want straks zal Hij de schapen van de bokken scheiden. Dat doet Hij Zelf, dat hoeft u niet te doen. Dat doet Christus Zelf. Alle volken, zegt Hij, zullen voor Mij verga­derd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt. Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechterhand en de bokken zal Hij zetten aan Zijn linkerhand. De schapen zullen gaan in het eeuwige leven, maar de bokken in het eeuwi­ge verderf. Dat zal vreselijk zijn!

Wat een onderscheid tussen het één en het ander. De één geleid door de Herder, door Zijn Woord en Geest geleid en aankomend in de eeuwige zaligheid. De ander moet voor eeuwig omkomen.

Gemeente, er is geen tweeërlei hoor! Het is ook niet zo, dat wij door ons wettisch doen en laten de zaligheid beërven. Nee, die Herder moet onze Herder zijn. Wij moeten tot die kudde behoren. Wij moeten door dat bloed en door dat vlees van deze Herder worden gevoed en gelaafd. Wij moeten Hem kennen als ónze Herder, en dan alleen zullen wij in dat huis des Vaders komen waarvan geschreven staat: En daar zal het Lam hen weiden. Eeuwig zal dat Lam hen weiden. Hij zal ze voeren tot de levende fonteinen der wate­ren. Dat wil zeggen: zij zullen eeuwig geleid worden tot in de diepten van de volheid van God.

 

Daar komt nooit een eind aan. Zo groot is God, daar is een eeuwigheid voor nodig om geweid te worden en geleid te worden tot de eeuwige fonteinen. Daar zal Christus als de eeuwige Koning tot in eeuwigheid mee bezig zijn. Het Lam zal hen weiden en zal ze leiden tot levende fonteinen der wateren. Dan zal Hij alle tranen van de ogen afwissen, staat erbij. Daar zal geen verdriet en geen rouw meer zijn, maar eeuwige vreugde zal op de hoofden van Zijn gunstgenoten zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 23:1

 

De God des heils wil mij ten Herder wezen;

’k Heb geen gebrek, ’k heb geen gevaar te vrezen.

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,

Aan d’ oevers van zeer stille waat’ren, leiden.

Hij sterkt mijn ziel, richt, om Zijn Naam, mijn treden

In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.