Ds. H. Paul - Hebreeën 12 : 16 - 17

Ezau als een waarschuwend voorbeeld

Waarvan hij een waarschuwend voorbeeld is
Waarin hij een waarschuwend voorbeeld is
Waarom hij een waarschuwend voorbeeld is

Hebree├źn 12 : 16 - 17

Hebreeën 12
16
Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.
17
Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 5, 6
Lezen : Genesis 27: 30-41
Lezen : Hebreeën 12: 14-17
Zingen : Psalm 37: 9, 11
Zingen : Psalm 73: 13
Zingen : Psalm 73: 14

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van Gods Woord dat ons is voorgelezen, het gedeelte uit Hebreeën 12 en daarvan de verzen 16 en 17:

 

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Want gij weet dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

 

Onze tekst spreekt over: Ezau als een waarschuwend voorbeeld.

 

1. Waarvan hij een waarschuwend voorbeeld is. Dat lezen we in de voorgaande tekst: Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods.

2. Waarin hij een waarschuwend voorbeeld is. Dat lezen we in vers 16: dat hij om één spijs het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.

3. Waarom hij een waarschuwend voorbeeld is. Vers 17 zegt ons: Want gij weet dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd.

 

1. Waarvan hij een waarschuwend voorbeeld is

 

Onze tekst is uit de brief aan de Hebreeën, Joden die tot het christendom waren overgegaan. Dat bracht heel wat met zich mee. Dat kunnen we in deze brief lezen: vervolging, verdrukking, beroving van goederen, een schouwspel geworden, veracht…

Dat bracht die overgang tot het christendom allemaal met zich mee. Maar bovendien was het met hun geestelijk leven niet zo rooskleurig gesteld. Ze hingen nog zoveel aan de oudtestamentische eredienst en aan hetgeen in de schaduwen, als in de bolster van de wet, aan Israël gegeven is als prediking van zonde en genade.

In die boodschap van het Oude Testament werd de rijkdom der genade Gods nog niet zo klaar en helder bekend gemaakt als onder het Nieuwe Testament. De Heere hield hen meer onder de tucht en ban van de wet.

De heiligheid van God stempelde de verbondsomgang tussen Israël en Zijn volk. De grote afstand werd er meer in benadrukt. Zeker, er was evangelieprediking, maar toch een versluierde prediking die tot hen kwam in ceremoniën en afbeeldingen. Dat bracht ook een bepaalde stand van het geestelijk leven mee. De kinderstand van het geestelijk leven.

Waar heeft de Heere dat voor gedaan? Waarom hield Hij Israël oudtestamentisch meer onder die band?

Wel, opdat het zou hijgen naar de komst van de Zaligmaker. Dat ze zouden bidden: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt (Jes.64:1). Dat ze ook in de komende Zaligmaker hun zaligheid zouden zoeken. Dat ze verlangen zouden naar de toekomst. Ze hebben de belofte van verre gezien en omhelsd, beleden een gast en vreemdeling te zijn, maar ze kwamen niet tot die klaarheid en helderheid die de Kerk onder het Nieuwe Testament is gegeven.

 

In deze brief lezen we: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd (Hebr.4:16).

Om dat te bevestigen schrijft ook de schrijver van de Hebreeënbrief over de verbondssluiting aan de Sinaï. Hoe dat er aan toe ging en hoe dat kenmerkend was voor de bediening onder het Oude Testament.

Hij zegt in vers 18 en 19: Want gij zijt niet gekomen tot de tastelijke berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, en tot het geklank der bazuin. Dat ging gepaard met indrukwekkende tekenen van de grootheid en de heiligheid van God. Zelfs Mozes beefde bij het aanzien en aanhoren van wat hij te zien en te horen kreeg.

Dat alles was nodig, opdat ze zouden zien van zichzelf geen rechtvaardigheid te hebben, maar hun zaligheid buiten zichzelf te zoeken, in Hem Die komen zou.

En dan zegt daartegenover de schrijver in vers 22 en 23: Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen; tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen.

 

De Hebreeën worden erop gewezen dat het bloed van Christus betere dingen spreekt dan Abel. En dat is ook nu nog geen onbekende zaak in het leven van die de Heere kennen. Dat Hij hen eerst uittuchtigt uit zichzelf door de bediening van de wet, om de rijkdom der genade van Christus te zoeken. Opdat ze niet zouden blijven leven bij hun eigen doen, bij nu en dan een toeknikje, maar zouden mogen leven uit de volheid van Christus.

Daar wil hij de Hebreeën heen leiden, tot dat bloed van verzoening. Dat spreekt betere dingen. Dat spreekt van vergeving, omdat aan het recht Gods voldaan was.

Toen werd de Heilige Geest gezonden met de volheid van schatten van zaligheid die in Christus Jezus zijn. Die zal in alle waarheid leiden. ‘Hebreeën, verlang daar bij te leven!’ Dan wordt de uitnemendheid van Christus boven Aäron voorgehouden, boven Mozes voorgesteld, opdat ze in Hem hun zaligheid zouden zoeken.

 

Maar dat brengt wat met zich mee. Dat ze ook overeenkomstig die stand van het geestelijk leven oprecht, in waarheid voor God zouden leven. En dan begint het gedeelte dat u is voorgelezen, met de tekst: Jaag de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal (vers 14).

Dat is geen vrijheid naar het vlees. Dat is niet iets waarvan ze zeggen: ‘In Christus ligt alles, dus het komt er niet zo op aan hoe het ons in het leven gaat.’

Nee, dat betekent ook te nauwer aan de Heere verbonden zijn. Jaag de vrede na, want de vrede gaat gepaard met een bloeiend geestelijk leven, met een geoefend geestelijk leven. Waar een bloeiend geestelijk leven is, daar is ook vrede. We zien dat bij de eerste pinkstergemeente, dat ze alles gemeenschappelijk hadden. Ze hadden vrede, onderlinge harmonie, vrede met God en vrede met elkaar.

Die hebben ze dus na te jagen. Jaag de vrede na. Zoals ook Paulus zegt in de Romeinenbrief: Zo dan, laat ons najagen hetgeen tot de vrede en hetgeen tot de stichting onder elkander dient (Rom.14:19).

Dus het leven van de nieuwtestamentische gemeente behoort daardoor ook gekenmerkt te zijn, dat er vrede heerst. Als er een bloeiend geestelijk leven is, dan zijn er ook die rijke gaven van de Geest aanwezig. Maar taant het geestelijk leven, dan is er een neergang in het leven, maar ook een teloorgang van de gaven. Dan komt de oude mens naar boven en zoekt de één zichzelf, de ander vervalt in hoogmoed en zo zien we de verdeeldheid bij gebrek aan geoefend en bloeiend geestelijk leven. Dat hangt allemaal nauw met elkaar samen. Jaag de vrede na.

 

Gemeente, hoe ligt dat in ons persoonlijk leven? Hoe ligt dat nu in het gemeenteleven? Kennen we het verlangen dat er ware vrede mag zijn? Vrede met allen, bijzonder door de vrede met God en onze Heere Jezus Christus.

We lezen van de gemeenten in geheel Judea, Galilea en Samaria dat zij vrede hadden en werden gesticht en wandelden in de vreze des Heeren en werden vermenigvuldigd. Dus, Hebreeën: Jaag de vrede na.

In hoofdstuk 13 lezen we: Dat de broederlijke liefde blijve (vers 1). Dus met vermeerdering van de genade worden ook de genadegaven vermeerderd. Vervolgens lezen we ook: En de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal.

 

De Heere vraagt van ons om in de nauwe vreze Gods nabij de Heere te leven. Te leven met een leven dat aan God toegewijd is. Waarin de vraag leeft: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Waarin we het nauw nemen met Gods Woord en nauw nemen met Zijn geboden. Allemaal tekenen van bloeiend en geoefend geestelijk leven.

Want zonder die heiligmaking zal niemand de Heere zien, zal niemand in nauwe geloofsgemeenschap met God leven, met Christus leven en straks in de eeuwige zaligheid kunnen ingaan. Niemand zal de Heere kunnen zien zonder waarachtige heiligmaking. Er moet dus een verlangen zijn dat ons leven aan Hem is toegewijd.

 

Zo worden de Hebreeën vermaand niet alleen om acht te hebben op zichzelf, maar ook op elkaar.

Het gemeenteleven behoort daardoor gekenmerkt te worden. Zoals we in vers15 lezen: Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods. De apostel waarschuwt dus dat niemand zal verachteren van de genade Gods. Wij kennen de uitdrukking ‘verachteren in de genade’. Er is een vertaling van een boekje verschenen, dat heet ‘Verachteren in de genade’. Daar wordt mee bedoeld een achteruitgang in het geestelijk leven, een kouder worden, minder dicht bij de Heere leven.

Toch, gemeente, staat dát niet in Gods Woord. Er staat niet ‘verachteren in de genade’, maar er staat ‘verachteren van de genade’. Dat is iets wezenlijk anders. En als we in de grondtaal lezen, in de Griekse taal, dan lezen we het woord dat hier vertaald wordt in ‘verachteren’ ook in hoofdstuk 4 vers 1: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.

Het woordje ‘verachteren’ heeft dezelfde betekenis van ‘achterblijven’, ‘ervan verstoken blijven’, ‘te laat komen’, ‘het te moeten missen’.

 

We moeten altijd maar naar Gods Woord spreken. Het is trouwens nog maar de vraag of je kunt verachteren in de genade, want genade is Gods gave. Dat is een Godsgeschenk tegenover schuld. En kun je verachteren in de genade? Kan de genade minder worden? Het blijft altijd hetzelfde.

Maar er is hier sprake van een ‘verachteren van de genade’. Dat betekent: de genade te moeten missen. Waar God de genade aanbiedt en verkondigt, daar buiten te blijven, er van verstoken blijven. Dat betekent het.

 

We lezen van het volk Israël – daar gaat het in hoofdstuk 4 over – dat de meesten niet ingegaan zijn in het land Kanaän. Ze zijn achtergebleven. Ze zijn gevallen in de woestijn. Ze zijn er buiten gebleven en hebben het moeten missen. In de woestijn gestorven en niet ingegaan vanwege het ongeloof.

En dan komt tot ons de boodschap dat niet iemand in de gemeente, van de genade, hem verkondigd en aangeboden, verstoken blijft. Als iemand dat mist, valt hij daar ten enenmale buiten. Dan deelt hij daar niet in.

We zullen straks zien hoe dat bij Ezau gestalte krijgt. Want wat hier staat, wordt aangehaald met Ezau als voorbeeld. Hier is een waarschuwing dat er moet worden toegezien dat niemand ‘verachtert van de genade’. Dat hij daar niet van verstoken blijft, dat hij niet de verkeerde keuze maakt.

Dat is de zonde die ‘de wereld’ niet kan bedrijven. Want aan ‘de wereld’ is de genade niet aangeboden. Die kan niet vervallen van de genade aan haar verkondigd. Het is een zonde die in het gemeenteleven voorkomt.

Geroepen en genodigd, maar er aan voorbijgegaan in ongeloof en onbekeerlijkheid. Dat is het grote gevaar van te laat te komen.

 

Bent u daar weleens bang voor? Dat u straks moet zeggen: ‘Het is te laat. Ik heb op het Woord geen acht gegeven, ik heb niet geluisterd, ik heb de wereld zo’n grote plaats in mijn hart gegeven, en nu blijf ik ervan verstoken. Had ik maar…’

Daarom, hier wordt de gemeente gewaarschuwd dat men er op toeziet dat niemand verachtere van de genade, dus achterblijft, dat niemand de wereld kiest en God en Zijn dienst de rug toekeert. En dat kan aanstekelijk werken, dat kan worden nagevolgd door anderen. Want we lezen daarbij immers: Dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen verontreinigd worden (Hebr.12:13).

Kwaad voorbeeld doet kwaad volgen. Dat er ook niet zij enige wortel der bitterheid. Als we willen weten wat dat betekent, dan moeten we de oorspronkelijke tekst in Deuteronomium nalezen. Want wat hier staat is een aanhaling uit Deuteronomium 29. Daar lezen we: Dat onder ulieden niet zij een man of vrouw of huisgezin of stam, die zijn hart heden wende van de Heere onze God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel die gal en alsem drage (Deut.29:18).

Het gaat hier over het verlaten van de gemeente, over andere goden dienen, over het dienen van de wereld en alles wat de wereld biedt. En dat er dan niet een wortel zij die gal en alsem voortbrengt. Dat bekent niet dat iemand boos is, boosaardig van aard, maar het betekent, zoals de kanttekeningen er op wijzen, dat je werken voortbrengt die voor God gruwelijk zijn en wat je later bitter opbreekt.

 

Nu haalt de schrijver van de Hebreeënbrief Ezau aan als een sprekend voorbeeld van dat erge wat hij gedaan heeft. Hier wordt gewaarschuwd, zoals vers 15 zegt: Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden.

Dat zien we in het leven van Ezau. We lezen immers in onze tekst: Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau.

Hij wordt in de eerste plaats een ‘hoereerder’ genoemd en een ‘onheilige’. We lezen niet van Ezau dat hij een ontuchtig leven leidde, dat hij een overtreder is van het zevende gebod. In Gods Woord wordt het dienen van afgoden ook ‘hoererij’ genoemd.

Dat is geestelijke hoererij. We lezen dat in de profeet Hosea en in de profetieën van Ezechiël. Dan wordt Israël in het dienen van de afgoden bij een publieke vrouw vergeleken, bij een overspelige vrouw die haar man verlaat, God verlaat en zich overgeeft aan ontuchtigheid.

 

Het gaat over geestelijke hoererij. En dat is wel degelijk zo bij Ezau. Want Ezau heeft zich verzwagerd met de Kanaänieten. Hij nam twee vrouwen, Basmath en Judith. Hij is met hen getrouwd en daarmee begaf hij zich buiten de kring van het verbond der genade. Hij zocht de wereld en de dienst van de wereld. Hij zocht zijn vrouwen buiten de verbondsopenbaring.

Die vrouwen hebben beoefend en gepraktiseerd waarbij zij opgevoed waren. Die vrouwen hebben hem daarin meegenomen. Ze zijn hem daarin ook tot een afval geworden. Zijn hart ging uit naar de dingen van de wereld. Dat is alleen maar versterkt en bevestigd door zijn huwelijk met deze twee Hethitische vrouwen. Deze vrouwen hebben niet, zoals later bij Ruth, hartelijk mogen kiezen voor de Heere en Zijn dienst. Zij zijn standvastig gebleven bij hun afgodendienst. Die hebben ze gepraktiseerd met alle zonden die daarbij hoorden.

Dat was tot grote ergernis en tot groot verdriet van Izak en Rebekka. Want we lezen: En dezen waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes (Gen.26:35).

Ze hebben er veel verdriet van gehad, dat Ezau die twee vrouwen in de tent, dus in de familiekring, binnenbracht. Die vrouwen hebben hun heidense afgodendienst voortgezet en hun afkomst niet verloochend.

 

We lezen van Rebekka dat zij tot Izak zegt: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths; indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk dezen zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn? (Gen.27:46). ‘Het is niet uit te houden met die vrouwen. En als Jakob ook nog zo’n vrouw binnenbrengt is er voor mij geen leven meer.’ Daarom moet Jakob naar Laban en daar een vrouw zoeken.

We zien dat Ezau, in zijn keuze voor deze vrouwen, de grenzen te buiten gaat. Hij is een hoereerder, een geestelijk overspeler. Hij hangt aan deze vrouwen en daarmee aan de afgodendienst en verlaat de Heere en Zijn dienst.

Hij is daarmee ook een onheilige, één die zich buiten de kring van het verbond begeeft. Hij is, in Abraham, afgezonderd door het teken van het verbond aan zijn lichaam, maar hij heeft dat niet geacht. Hij heeft daar niet aan gewild. Hij heeft zich verzwagerd met de afgodendienaars, die een vreselijke afgodendienst hadden. En daarin ging Ezau mee. Daar was zijn hart.

 

Gemeente, we zien wat vermenging met de wereld met zich kan meebrengen.

Jongens en meisjes, ik weet dat de Heere wonderen kan doen. Hij kan iemand van buiten de kerk op deze wijze binnen de kerk brengen. Hij kan ze zelfs ook bekeren. Maar het gaat er niet om wat God kán, het gaat erom wat God wíl. Dan is het naar Gods Woord niet goed dat een gelovige, ook een uitwendig gelovige, een juk aantrekt met een ongelovige.

Vermenging van kerk en wereld. In de pastorale praktijk zien we dat het veelal verwereldlijking geeft en geen verbetering. Hier is Ezau dus een waarschuwend voorbeeld. Zijn hart lag buiten de dienst van God. Zijn hart lag in de wereld en daar zocht hij zijn contacten. Daar heeft hij zijn huwelijk in doen opgaan en dat heeft vreselijke gevolgen gehad. Hij werd helemaal losgeweekt en ging steeds verder af van de dienst van God. Dat blijkt ook in de gebeurtenis die plaatsheeft. Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. Waarin hij een waarschuwend voorbeeld is

 

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Dat is kenmerkend voor de levenshouding van Ezau. Om één spijze gaf hij zijn eerstgeboorterecht weg.

Jongens en meisjes, jullie kennen de geschiedenis. Jakob kookte graag zijn eten. Hij was wellicht enkele dagen met zijn kudde bij de tenten thuis vandaan en moest zelf voor eten zorgen. Dat konden mannen ook. Ezau kon ook een heerlijk wildbraad klaarmaken.

Jakob maakt een maaltijd van linzenmoes dat met brood werd gegeten. Linzen, een soort erwten, rood van kleur. Daar maakte hij moes van. Wij zouden zeggen: erwtensoep. Dat lijkt erop.

Zo is hij daar bezig, terwijl zijn broer Ezau plotseling binnenkomt. Die ruikt dat eten en hij ziet dat ‘rode’ daar. Ezau heeft misschien niet veel gevangen, is moe en heeft bovenal honger, misschien een poos niet gegeten, en dan ziet hij dat eten staan. Zijn verlangen gaat uit naar dat voedsel wat Jakob bereid heeft. Hij zegt het op zijn wijze: Laat mij slorpen van dat rode daar.

Jakob hoort de ruwe taal die Ezau gebruikt om uit te drukken dat hij honger heeft: Laat mij slorpen. Hij verlangt dus dat eten te mogen krijgen. Jakob wil hem dat wel geven.

 

Jakob is bezig met andere dingen. Terwijl Ezau zo van God en Zijn dienst afzwerft, is juist Jakob bezig met geestelijke zaken. Jakob heeft de breuk ingeleefd tussen God en zijn ziel. Jakob weet: ‘Ik moet met God verzoend worden, ik moet zalig worden.’

Hoe rijk is de genade die God aan Abraham en Izak heeft toegezegd. Wat verlangde hij die zegen van de eerstgeborene, waarin niet alleen tijdelijke gaven maar ook geestelijke gaven zijn begrepen.

Calvijn zegt van die zegen van de eerstgeborene: ‘Die ook het blijvend goed van het hemelse leven op de nakomelingen overdroeg.’ Dat bevatte meer dan de zegen van het land Kanaän, dat was ook: Ik, God, ben uw God (Ps.50:7).

Jakob verlangt die te mogen bezitten. Jakob verlangt de kracht ervan te kennen dat de Heere zijn God is en dat het bevestigd wordt in die zegen. Daar raakt hij om verlegen.

 

Gemeente, hoe is dat in ons leven? Heeft het ook de voorrang? Verlangen we ook vóór alle dingen het Koninkrijk Gods te zoeken? Jonge mensen, leeft het wel eens in je hart, God te moeten missen en Hem niet te kunnen missen?

 

Dat gold hier Jakob, waarbij we moeten bedenken dat hij hier nog voor Bethel staat, hij staat hier ook nog voor Pniël. Hij verlangt bevestiging te mogen ontvangen van het feit dat de Heere ook hem zegent en hem Zijn genade wil schenken. Daar is Jakob mee bezig, dat heeft de hoogste plaats in zijn leven.

Als hij dan hoort dat Ezau het eten van hem wil hebben, dan maakt hij van de gelegenheid gebruik, misschien moeten we zeggen misbruik, van de honger die Ezau heeft. Hij zegt tot hem: ‘Je krijgt dat eten als je aan mij je eerstgeboortezegen geeft.’ Dat doet Ezau. Hij zegt: ‘Ik ga toch sterven.’

Hierin zien we hoe weinig waarde Ezau hechtte aan de zegen voor de eerstgeborene. Hij was zo vervuld met de dingen van deze tijd. Hij leefde voor het hier en nu. Hij leefde niet voor de dingen van de eeuwigheid. Dat lag zo ver buiten zijn gezichtskring. Het ging hem er maar om dat hij wat kon jagen, wat geld kon verdienen, wat kon eten en thuis kon zijn bij zijn vrouwen, dan had hij genoeg. Daarom zegt hij: ‘Die zegen kun je van mij wel krijgen.’

 

Jakob zegt: Zweer mij op deze dag. Ezau verachtte de eerstgeboortezegen: en hij zwoer hem (Gen.25:33).

Met ede heeft hij bevestigd dat Jakob de eerstgeboortezegen zou krijgen. Calvijn zegt ervan: ‘Je zou werkelijk liever duizend doden sterven dan die eerstgeboortezegen afstaan.’ Ezau beseft niet, of wil het niet weten, wat hij daarmee zegt. We lezen in Genesis 25: En hij at en dronk, en hij stond op en ging heen (Gen.25:34). Hij heeft weer goed gegeten en daarmee is het afgedaan. Maar hij verachtte zijn eerstgeboorte.

 

Mozes heeft het zo ook opgeschreven in Genesis 25 vers 34: Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte. Mozes heeft vaak zonden beschreven; ook van Abraham, van Izak en van anderen. Maar hier geeft hij een oordeel. Hier geeft hij een beoordeling van wat Ezau deed. Als met verbijstering, met ontzetting: Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.

Dat was bij Mozes zo heel anders. Mozes werd liever met Gods volk kwalijk behandeld dan dat hij voor een tijd de genieting van wereld en van de zonden had. Mozes heeft de rijkdom van Egypte versmaad en veracht. Hij heeft de versmaadheid van Christus gekozen.

We lezen van Mozes dat hij de dienst van de Heere verkoos ver boven die van Egypte. Maar Ezau zegt: ‘Wat maal ik er om, dat kun je allemaal krijgen als ik maar eten krijg.’

 

Om één spijze. In de grondtaal staat nadrukkelijk ‘één. Niet een, maar één.

Eén bord erwtensoep, linzenmoes. Een verklaarder zegt: ‘In Ezau zien we het beeld getekend van een aardsgezind mens die het eeuwige voor het tijdelijke en het heilige voor het onheilige prijsgeeft.’

U zult zeggen: ‘Onbegrijpelijk dat hij het geestelijke voor het tijdelijke prijsgeeft, het tijdelijke voor het eeuwige.’

Kent u uzelf? Weet u dat ook u en ik van onszelf een Ezau’s hart hebben? Dat wij zo vaak het tijdelijke voorrang geven boven het geestelijke? Dat we de dingen van deze tijd zoeken en het geestelijke zo verwaarlozen? Dat kan door druk te zijn met dingen van de wereld. Dat kan ook door de gehele dag met je mobieltje online te willen zijn of zo met je computer bezig te zijn en geen tijd te hebben voor het geestelijke.

Dan verwaarloos je het geestelijke voor het tijdelijke. Dat kan op allerlei wijze, door op te gaan in de dingen van deze wereld en het Woord van Christus niet te achten. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33).

 

Het leeft ook in ons hart. Hoeveel tijd wordt er besteed aan zinloze zaken? Wat zijn we weinig bezig met geestelijke zaken, om de Heere te zoeken. Hoe vaak zoeken we de Heere in het verborgene om het geestelijk goed te mogen ontvangen? Zijn we als Jakob, die voor alle dingen het geestelijke zocht, de vrede met God en verzoening van zijn zonden?

Wat wordt er een tijd besteed aan zaken die op zichzelf vaak nutteloos zijn en waar we onze tijd mee verslijten terwijl het kostbare genadetijd is. Ook Gods kinderen moeten zeggen dat ze zo vaak bezig zijn met de dingen van deze wereld en de nauwe omgang met de Heere zo kunnen verwaarlozen. Dat het nauwe gebedsleven geen gestalte krijgt.

De Heere moet zo vaak zeggen: Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen dat niets is? (Spr.23:5).

 

Gemeente, er is er maar Eén geweest Die, op volmaakte wijze, het tijdelijke niet boven het geestelijke heeft geacht. Die gezocht werd omdat Hij het geestelijke gehoorzaam wilde zijn. De Heere Jezus Christus.

Als Hij in de woestijn door de satan verzocht wordt en satan zegt: Zeg dat deze stenen broden worden (Matth.4:3), dan wijst de Heere Jezus erop dat we afhankelijk zijn van de zegen van God, dat het nodig is dat de Heere het zegent, want Hij wil Zijn Vader niet ongehoorzaam zijn door zichzelf uit deze ‘honger’, dus ‘nood’ te redden. Men zal leven bij het Woord Gods.

Als Hij op de berg staat en Hem de koninkrijken deze wereld getoond worden, waarvan de satan zegt: ‘Die zal ik U geven. U kunt heel de wereld krijgen, alle koninkrijken zal ik U geven als Gij nedervallende mij zult aanbidden.’ Hij blijft staan en zegt: Ga weg, satan; want er staat geschreven: De Heere uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen (Matth.4:10).

 

Daarom, bij Hem kunnen we terecht. En Hij nodigt nog tot Zich en Hij verzoent de zonden van de Zijnen. Wat een voorrecht dat we, als het goed is, niet op onszelf zijn aangewezen, maar als ootmoedige, schuldwaardige zondaren bij Hem terecht mogen komen, om Zijn genade in te roepen. En wie Hem nederig te voet valt, zal onderwijs van Hem ontvangen.

Hij bleef staande. Dat is het enige lichtpunt, het enige uitzicht. En dat is in de Heere Jezus Christus. Hij maakt zelfs van een Ezau’s hart een Jakobshart. En dan bedoel ik een nieuw hart. Jakob had van zichzelf ook geen goed hart, maar wel een nieuw hart.

 

De Heere wil er om gevraagd zijn. Hij wil dat Zijn daden daarin benodigd zijn, dat we Hem in alles nodig krijgen en zonder Hem niet zouden kunnen leven. Hij maakt van een stenen hart een vlezen hart. Wat een voorrecht die waarheid te kennen. Dat die zegen, die ons werd geschonken, gestalte zou krijgen in ons leven. Dat we daar niet buiten zouden kunnen en ook mogen weten dat in Hem ons leven, onze zaligheid en onze hoop ligt, wat we eerst samen gaan zingen uit Psalm 73 vers 13:

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er, waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart

Of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

3. Waarom hij een waarschuwend voorbeeld is

 

In de derde plaats, gemeente, staan we stil bij het punt waarom Ezau een waarschuwend voorbeeld is. We lezen immers in vers 17: Want gij weet dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

We zien wat het met zich meebrengt. Het is u voorgelezen uit Genesis 27. Izak is naar zijn gedachten aan het einde van zijn leven gekomen, hoewel hij nog veertig jaar geleefd heeft. Hij bereidt zich voor op zijn sterven. ‘Ik weet de dag van mijn dood niet, maar ik houd er wel rekening mee.’ Dat is ook verstandig, wat Izak daarin uitspreekt.

Maar hij weet dat hij de aartsvaderlijke zegen nog door moet geven aan zijn nageslacht. En die wil hij Ezau schenken.

Izak geeft Ezau opdracht een wildbraad klaar te maken, zodat hij daar heerlijk van kan eten. Daar hield Izak dus bijzonder veel van. Daarom had hij zijn voorkeur voor Ezau en dan zal hij daarna de zegen aan Ezau geven. Dat was zijn voornemen.

 

Maar de Heere zegt: Mijn raad zal bestaan (Jes.46:10). Dwars door het verkeerde handelen van Rebekka en van Jakob heen, heeft de Heere het zo geleid dat de zegen bij Jakob terecht kwam.

Rebekka heeft gehoord wat Izak tot Ezau zei en ze geeft aan Jakob opdracht twee geitenbokjes te slachten. Ze maakt die heerlijk klaar, zoals Izak ze graag heeft. Rebekka trekt Jakob de kleren van Ezau aan en de velletjes van de dieren worden over zijn gladde handen en polsen en hals gedaan. Daardoor lijkt hij een harig man zoals Ezau was.

Zo moet Jakob in de weg van bedrog de eerstgeboortezegen zien te krijgen. Rebekka was bepaald bij: De meerdere zal de mindere dienen (Gen.25:23) en ze kon niet op God wachten.

Ze is zelf aan het werk gegaan en heeft Jakob daarin meegekregen. Dat is natuurlijk nooit goed te keuren. We weten niet hoe het gegaan zou zijn als het anders was gelopen, dat hoeft ook niet. Ons moet duidelijk voor ogen staan dat God, ook door de zonde heen, Zijn weg gaat.

Dat zie je bij Jozef, die uit haat en nijd verkocht wordt naar Egypte. Maar hij moet wel in Egypte komen en daar onderkoning worden om het nageslacht van Jakob in leven te houden. Dat is Gods wil. En dwars door de zonden heen, door haat en nijd van de broers heen, komt Jozef waar God hem hebben wil. Zo is het ook bij dit bedrog. God werkt de zonde niet, maar Hij kan ze wel besturen en Zijn raad daardoor uitvoeren.

En we weten uit wat ons is voorgelezen dat Jakob de zegen heeft ontvangen die Izak voor Ezau bedoeld heeft.

 

Zo ontvangt Jakob de eerstgeboortezegen. En niet alleen de eerstgeboortezegen, maar ook de zegen van Abraham, Izak en Jakob. De zegen waar ook de geestelijke belofte aan verbonden is, de komst van de Messias.

Hemelse zaken worden in die weg overgedragen, waar Jakob om verlegen was. Het ging hem daar in de eerste plaats om.

 

Dan komt Ezau te laat. Want als die zegen is uitgesproken en Jakob nog maar net weggegaan is, dan komt Ezau thuis. Hij maakt het wildbraad klaar en wil het aan zijn vader Izak presenteren en op deze wijze straks de zegen ontvangen. We weten dat Izak verschrikt als hij merkt dat nu Ezau komt. Dat is een grote verschrikking geweest voor Izak en toch kan hij er niet van terug. Hij zegt: Ook zal hij gezegend wezen (Gen.27:33). De zegen is voor Jakob.

Dan gaat Ezau inzien wat hij daarmee verspeeld heeft. Wat hij verspeeld heeft met het geven van zijn eerstgeboorterecht en wat hij daardoor moet missen. Plotseling is er een andere gezindheid, een andere gedachte.

Als hij ziet dat hij dat moet missen, dan schreeuwt hij het uit. Maar we lezen: Want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

 

Gemeente, deze woorden kunnen een verkeerde indruk wekken. Het lijkt erop dat hij echt berouw had. Dat hij de weg van berouw en boetvaardigheid gezocht heeft om de zegen te mogen ontvangen, maar dat hij ervan verstoken blijft.

Dat dit voor hem een ondragelijke gedachte was, dat hij er echt bitter berouw over had. Maar dat staat in de grondtaal niet. Het is wel een andere gezindheid, hij heeft er spijt van. Hij heeft er ontzaglijke spijt van dat hij dat eertijds gedaan heeft en het spijt hem dat die zegen hem nu voorbijgaat. Hij komt te laat. Hij mist die zegen. Hij vond geen plaats des berouws.

Er zijn verklaarders die zeggen: ‘Hij vond geen berouw bij Izak.’ Izak kon niet zeggen: ‘Ja, ik doe het nu maar weer over, het berouwt mij dat ik de zegen aan Jakob gegeven heb, nu krijg jij de zegen.’ Nee, het gaat er om wat Ezau zelf heeft getoond. Dat hij die zegen met tranen gezocht heeft. Want dat is de betekenis. Hij had geen berouw, geen echte boetvaardigheid, geen droefheid over de zonde zelf, maar een smart over de gevolgen. Dat is wat hier staat. Smart over de gevolgen, groot verdriet wegens een groot verlies.

Want als hij echt berouw had gehad, zou hij net als de verloren zoon hebben beleden: En ik ben niet meer waardig… (Luk.15:19). Want bij berouw hoort ook de belijdenis van de verloren zoon. Die toont oprecht berouw, hij sprak het ook uit: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden (Luk.15:21).

Maar Ezau zegt: ‘Als straks mijn vader gestorven is, sla ik Jakob dood.’ Dat is geen berouw. Daar laat Ezau wel merken dat het hem spijt. Het gaat hem echt aan het hart dat hij die zegen niet krijgt. Maar hij heeft geen berouw vanwege zijn zondige handelwijze.

 

Hij is later ook in hetzelfde spoor verder gegaan. Al heeft hij er dan een andere vrouw bij genomen, die wat acceptabeler was voor Izak en Rebekka, hij is geen ander spoor gevolgd. Hij is het spoor gevolgd waarop hij was gegaan, en straks mag hij zeggen: Ik heb veel (Gen.33:9), want hij was ook gezegend in uitwendige zaken.

Maar Jakob mocht zeggen: Dewijl ik alles heb (Gen.33:11). Jakob had de Heere tot zijn deel. Jakob had het goed dat blijvende waarde heeft. Als Jakob op zijn sterfbed ligt, mag hij zeggen: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere (Gen.49:18).

 

Ezau heeft veel geschreid. Hij heeft gebruld. Hij verhief zijn stem, hij weende zeer. Wat een spijt had hij er van! Maar het was te laat. God hield hem aan zijn eed, God hield hem aan zijn verkoop.

Is God dan onrechtvaardig? Is God onrechtvaardig als Hij ons houdt aan hetgeen de keus van ons leven is? Dat is de Heere toch niet verplicht?

En denk niet dat Ezau geen berouw had omdat we in Romeinen 9 lezen: Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat (Rom.9:13).

Gemeente, het is niet zo dat Ezau gezondigd heeft omdat hij niet verkoren was. Jakob heeft genade benodigd als vrucht van vrije genade. Maar Ezau heeft willens en wetens, naar eigen keus, gezondigd. Eigen schuld. En God houdt hem aan zijn keus.

Hierin zien we welke ernstige gevolgen onze keuze kan hebben in het aardse leven.

 

Jongens en meisjes, leer de Heere vrezen, Hem liefhebben met je hele hart. Verzaak het geestelijke niet voor het tijdelijke.

Ook ouderen, wat kunnen we bezig zijn met de dingen van deze wereld. Er moet naar het hoogste goed gezocht worden en de vreze Gods moet worden beoefend.

Ezau kreeg wel spijt, maar geen berouw. Hij heeft tranen geschreid, maar met tranen brengen we de zaligheid niet aan. Ezau’s tranen en Achabs berouw brengen de zaligheid niet aan.

Die wordt verkregen in de weg van boetvaardigheid. Het gaat in de weg van droefheid naar God. Om Hem was Ezau niet verlegen.

Hij was wel verlegen om die zegen, om die voorspoed. Ja, die wilde hij wel hebben. Maar hij was niet om God verlegen. Hij heeft tranen geschreid, gemeente, maar dat is niet genoeg.

Ook al kunnen we net als Ezau veel tranen schreien, straks zal er zijn wening en knersing der tanden. Spijt: ‘Ik heb mijn tijd vermorst, verknoeid en voorbij laten gaan.’

 

En toch, aan de andere kant, zolang we leven is er hoop, dat wil zeggen: is er uitzicht mogelijk bij God.

We lezen bij Calvijn: ‘Zo dikwijls als de zondaar zucht, is de Heere bereid te geven.’ Men zoekt de genade Gods nimmer tevergeefs. Want de deur zal voor de kloppende open staan. De deur der genade is nog geopend.

We worden vandaag nog genodigd: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

Mijn zoon, geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren(Spr.23:26).

Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Matth.7:8). Daarom, het is nog genadetijd, tijd om de Heere te zoeken.

 

Laat hen die de Heere kennen en vrezen toch verlangen dicht bij de Heere te leven. We kunnen zo meegenomen worden met de dingen van deze wereld. We kunnen zo opgaan in de dingen van deze tijd, dat je zegt: ‘Waar ben ik toch mee bezig? ‘

En de nauwe omgang met de Heere wordt verwaarloosd. Het zoeken van Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid blijft altijd een gebiedende eis.

Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol.3:2).

We laten onze ogen vaak zo slaan op hetgeen niets is en dat voorbijgaat. Maar gelukkig die de Heere kent en vreest, die in Christus geborgen is en in Hem zijn zaligheid zoekt. Want die bouwt op een vast fundament. Niet op een fundament van tranen, maar op het fundament van de verdiensten van Christus, Wiens bloed van alle zonden reinigt.

Het is het bloed waarvan de schrijver aan de Hebreeën zegt: En tot de Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel (Hebr.12:24).

Het bloed van Abel roept om wraak, maar het bloed van Christus is gestort tot vergeving van de zonden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:14

 

Wie ver van U de weelde zoekt,

Vergaat eerlang en wordt vervloekt.

Gij roeit hen uit, die afhoereren

En U de trotse nek toekeren.

Maar ‘t is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God;

‘k Vertrouw op Hem geheel en al,

De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.