Ds. L. Huisman - Jozua 3 : 3 - 4

Gods weg met Israël door de Jordaan

Jozua 3
Een verborgen weg
Een gepredikte weg
Een geopenbaarde weg
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).

Jozua 3 : 3 - 4

Jozua 3
3
En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;
4
Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 13, 11
Lezen : Jozua 3
Zingen : Psalm 77: 8, 9, 11
Zingen : Psalm 105: 23, 24
Zingen : Psalm 74: 15

Het Woord van God, geliefden, dat wij aan u willen prediken, staat in Jozua 3 vers 3 en 4:

 

En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des Heeren uws Gods ziet, en de Levitische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na. Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de tweeduizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg weet dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.

 

Deze tekst spreekt ons van: Gods weg met Israël door de Jordaan.

 

Dat was:

1. Een verborgen weg

2. Een gepredikte weg

3. Een geopenbaarde weg

 

1. Een verborgen weg

 

Het is een geschiedenis om in stilte te lezen en in de eenzaamheid te overdenken. Hier is iets gebeurd dat veel te wonderlijk is om zomaar te kunnen vertellen. Dit is veel meer dan een mooi verhaal uit vroegere tijden, zoals trouwens de historie die God ons te boek gesteld heeft, oneindig meer is dan alleen maar een verza­meling wetenswaardigheden uit vroeger dagen.

Laat ons dat nooit vergeten. Wanneer wij in de Heilige Schrift lezen, dan is dat een ander Boek dan elk ander geschiedenisboek, ook al staat er gelukkig veel geschiedenis in dit Boek. Het is toch principieel een ander Boek! Als wij de geschiedenis lezen die God te boek gesteld heeft, dan is dat maar niet om aan het einde daarvan te zeggen: ‘Tjonge, dat was toch geweldig, fantastisch, wonderlijk, prachtig’ en daarmee uit.

Nee, wij moeten in de eerste plaats de historische betekenis goed weten. Daarom moeten wij altijd weer in het Woord van God lezen. Want wij kunnen niet geloven wat wij niet weten. Wij moeten ons altijd weer opnieuw beijveren te weten wat God ons verkondigd heeft. Dus: hoe het daar eraan toegegaan is – in heel haar historische samenhang – hoe het gebeurd is, en wat er gebeurd is.

Maar wij moeten niet bij deze historische waarheden blijven staan. Want in de historie heeft God ons een blijvende waarheid te verstaan gegeven. Wij zouden het Oude Testament niet goed kunnen lezen als wij het Nieuwe Testament niet hadden. Vanuit het licht van het Nieuwe Testament – dus kort gezegd: vanuit Jezus Christus, geboren, geleefd, geleden, gestorven, begraven, opgestaan, verheerlijkt – vanuit dát licht zien wij de historie van het Oude Testament in een heel ander licht, met veel diepere dimensies.

 

Dan zien wij in al die geschiedenissen van het Oude Testament de genade opbloeien. Dan zien we nog veel rijker dan in het Nieuwe Testament die genade Gods opbloeien van het begin der wereld af, zodat wij telkens tot de verwonderde uitroep komen: ‘O God, zijt U zo groot? Was U dat reeds van oude tijden af?’

Dat was inzonderheid ook de taak die de vaders in Israël van God gekregen hadden, om hun kinderen te onderwijzen in de daden Gods. God verwijt menigmaal Zijn volk dat ze Zijn daden vergeten. Er is geen groter ondankbaarheid die wij aan onze kinderen kunnen betonen, dan te vergeten hun de grote daden Gods te vertellen.

Want het hart van de kinderen Israëls en ook het hart van onze kinderen, moet de Heere leren vrezen uit de kennis van de daden Gods, die God geopenbaard heeft van oude tijden af.

 

Zo gaan wij het verstaan dat God niet alleen spreekt in het Nieuwe Testament, dat God niet alleen ‘woorden’ spreekt, maar dat God ook door ‘daden’ spreekt. Om het eenvoudig te zeggen: als God Israël verlost uit Egypteland, dan is die verlossing op zichzelf prediking van het Evangelie.

Niet alleen voor het volk van toen, want daar zouden wij weinig winst mee kunnen doen. Maar dan zegt God aan ons: ‘Zo ben Ik. Ik denk in eeuwigheid aan Mijn verbond. Dat volk had Ik uitgekozen. Ze lagen wel in ijzeren boeien, maar Ik heb hen verlost. Zo ben Ik God.’

En als de Heere Zijn volk leidt door de woestijn, veertig jaar lang, en Zijn wolk- en vuurkolom van hen niet wegneemt, ondanks al hun ontrouw, dan is de hele leiding van God met Zijn volk een spreken tot ons. Zo ben Ik God! De God van Mijn volk, zo ben Ik nog, begrijpt u!

In Micha staat – de profetie van Micha was natuurlijk veel later – : Mijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heeren kent (Micha 6:5).

 

Als vroeger – op de gezelschappen, waar deze tekst ook nogal eens gebruikt werd – over deze tekst gesproken werd door Gods kinderen, dan bedoelden ze hier meestal mee de gehele weg; dus de weg van het uur van hun bekering tot aan de dag van vandaag, tot aan dit ogenblik.

Maar als u de geschiedenis naleest in uw Bijbel, dan leest u dat die weg van Sittim tot Gilgal niet de gehele weg is. Het is de weg van de ene oever van de Jordaan, naar de andere oever van de Jordaan. Daar is zo ontzaglijk veel gebeurd. Want in Sittim heeft het volk gehoereerd, na de raad van Bileam.

U weet wel, toen de goddeloze Bileam die raad gaf, toen hij het volk niet kon vervloeken, toen heeft hij gezegd tegen de koning van de Moabieten, tegen Balak: ‘U moet uw dochters en uw zonen aan de zonen en dochters van Israël geven en grote feesten maken en de afgoden laten dienen. Dan wordt God boos op dat volk en dan is het zo gebeurd. Dan hakt u dat volk zo in de pan, dan verdelg je het zo van de wereld. Want als je dat volk eenmaal van zijn God losgemaakt hebt, dan is dat volk krachteloos, want God is hun kracht. Nu, als je die scheiding teweeg kan brengen, dan is het zo voor elkaar.’ Dit was in Sittim gebeurd.

 

Kort daarna heeft de Heere het volk toch in Kanaän gebracht, en heeft de Heere ze door een wonder verlost. Toen werd Gilgal de plaats waar het verbond Gods weer vernieuwd werd. Waar de besnijdenis, die in de woestijn niet uitgevoerd werd, weer plaatsvond. Waar de ongerechtigheid werd afgewenteld; want Gilgal betekent ‘afwenteling’.

Hier werd de smaadheid en de zonde van het volk afgewenteld. Hier mochten zij met een nieuw leven het beloofde land binnengaan.

 

Dus als de Heere zegt: ‘Denk aan de weg, die Ik u leidde van Sittim af tot Gilgal toe’, dan spreekt Hij eeuwen later nog, door de profeet Micha, over dit grote wonder, waar we nu enkele woorden van willen zeggen. Het was een wonderlijke omstandigheid waaronder het volk daar op de weg verkeerde. Ze waren uitgeleid uit Egypteland. Dat was op dat moment ongeveer veertig jaren geleden. En nu gaat God Zijn volk binnenbrengen in Kanaän.

Zo is God. Het is een buitengewoon groot wonder, als we letten op hetgeen God voor Israël geweest was, en op hetgeen Israël voor God geweest was. Dan kunnen we niet anders zeggen dan deze paar woorden: ‘God is voor Israël altijd goed geweest.’

Maar we moeten ook zeggen: ‘Israël is voor God altijd slecht geweest.’ De Heere klaagt over Zijn volk: Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet (Ps.95:10). Er was geen jaar waarin zij niet murmureerden, waarin zij niet opstonden tegen God. En toch gaat de Heere wonderen doen in hun midden.

 

Het volk is genaderd tot aan de Jordaan. In de droge tijd, als de rivier maar heel klein is, dan stroomt de rivier binnen de oevers van de droge tijd. De Jordaan is in de droge tijd maar een klein slootje. Maar wanneer de tijd van de regen komt, dan zwelt die rivier op zulk een wijze aan, dat ze de zomeroevers te buiten gaat. Dan ontstaan er naast de zomeroevers weer andere oevers voor de natte tijd. Dan heeft de rivier een breder stroomvlak.

Nu Israël bij de Jordaan aangekomen is, is het de tijd dat de regen gevallen is. Het is in de tijd dat de sneeuw van de Hermon als water met stromen afdaalt, en de rivier vol is tot aan al haar oevers. Daar kan zelfs geen krijgsman doorheen waden. Zelfs de doorwaadbare plaatsen, de ‘veren’ van de Jordaan, zijn dan niet te gebruiken. Dat zegt God er bij. We moeten ons goed bewust zijn, dat als de Heere hier een wonder gaat doen, dan is dat ook een wónder.

Dan is het niet zo, dat de mensen met een beetje goede wil en met een beetje krachtsinspanning daar ook wel door de Jordaan zouden kunnen komen, zonder wonder. Nee, er staat in vers 15: De Jordaan nu was vol al de dagen des oogstes tot aan al haar oevers.

God wil als het ware zeggen: Het zou voor de sterkste krijgsman niet te doen zijn om de Jordaan over te steken. Paard en ruiter, ze zouden in de diepte verdwijnen. Zo vol was de rivier in die dagen!

 

Nu stond het volk Israël voor die rivier. Daar zijn ze wel verschillende dagen geweest, want er staat in het tweede vers: En het geschiedde dat de ambtlieden op het einde van drie dagen door het midden des legers gingen.

De ambtlieden waren dus degenen die van Jozua opdracht gekregen hadden om in de Naam des Heeren aan het volk te vertellen wat zij doen moesten.

Het was dus niet zo dat toen het volk aankwam in Sittim, ze vervolgens naar de Jordaan gingen en dat ze zagen: ‘Er is niets aan de hand. Daar is een machtig pad door de Jordaan.’

Nee, zo verlost God nooit! Zo heeft Hij het ook niet gedaan toen het volk voor de Schelfzee stond. Dat had God wel kunnen doen. Dat kan God zo met ons ook wel doen, maar zo doet God het nooit. Als God verlost, brengt Hij hen die Hij verlost, altijd eerst voor een Jordaan die vol is tot al zijn oevers. Dat is Gods gewone weg. Zo werkt God.

Als Israël daar komt, moet Israël er diep en grondig van overtuigd zijn dat het beloofde land gescheiden is door een stroom die niemand temmen kan.

 

En nu hoef ik eigenlijk al niet meer over de toepassing van deze waarheid te spreken. U hebt allemaal wel begrepen wat hierin bedoeld wordt. Als wij voor de Jordaan komen die ons scheidt van het beloofde land – of het nu straks de doodsjordaan is aan het einde van ons leven; of die rivieren die er voortdurend zijn tussen God en ons – in ons leven zijn er menigmaal van die diepe kloven, van die niet-doorwaadbare rivieren tussen God en ons.

Het mag dan misschien hoofdzakelijk zien op het gaan door de doodsjordaan aan het einde van het leven, het heeft ook betrekking op ons hele leven. Als we door de hand des Heeren geleid zijn tot aan Sittim en daar aan de andere kant ligt het beloofde land – maar tussen ons en het nieuwe Jeruzalem waar God woont, is een diepe scheiding, een onneembare hindernis – dan laat God ons wel eens drie dagen voor zulk een kloof staan. Dan staan we voor zulk een niet doorwaadbare en onoverkomelijke hindernis.

 

Dat hebben wij allemaal wel eens ervaren in ons leven, als wij tot Gods kinderen behoren. Als we geen vreemdeling zijn van Gods genade, heeft God het ons doen zien hoe groot de scheiding is. Het begint al aan het begin van onze levensweg, als God ons Zijn Geest geeft. Dan gaat die Geest ons laten zien dat het onze zonden zijn, die scheiding maken tussen God en ons. En als we ons er dan met al onze krachten op werpen om de zonden uit te roeien, dan laat God het ons zien, drie dagen, misschien drie maanden, misschien drie jaren – ik weet niet hoe lang God dat in uw leven nodig acht om het u te laten zien – dat is wel erg verschillend, maar in ieder geval: Israël moest het leren en wij moeten het ook leren. We staan net zolang aan deze kant van de Jordaan tot we bekennen: ‘O God, daar kom ik nooit door, dat kunt U alleen.’

 

Dat is Gods bedoeling, daar gaat het Hem om.

Nu hebt u gelijk het antwoord op uw vraag: ‘Hoe lang zou dat in mijn leven duren?’ Want er zijn mensen die zeggen: ‘Ja, ik sta nog aan deze kant. En het is waar, ik heb Hem gezien in het heiligdom en ik heb Hem toen aanschouwd met vrolijk’ ogen, maar Hij staat aan de andere kant. Mijn handen zijn te kort, mijn voeten zijn lam, mijn hart kan er niet komen. Ik kan mijn hart niet kwijt, ik voel het contact niet met de levende God. Hoe lang moet dat nu duren? Wat moet ik nu doen?’

 

Erskine heeft al gezegd: ‘Deze ontdekking moet zo diep gaan, dat u zonder Jezus niet meer leven kunt.’ Dat wil zeggen dat u het zelf niet meer kunt. Dat u zich hulpeloos verloren aan Zijn voeten neerwerpt en dat u zegt: ‘Heere, ik geef het op. Het kan niet meer. Het is aan een einde met mij.’

Dan wordt bevindelijk geleerd: Deze wateren zijn te diep, ik kom er niet doorheen. De stroom is te groot, zijn kracht is te sterk. Dat red ik niet. Daar wordt het woord ‘genade’ geboren in ons hart.

Maar ik loop op de geschiedenis vooruit.

 

Het is noodzakelijk voor Israël – en voor ons – dat we daar zo lang gelegerd zijn, dat we tot de bevindelijke kennis komen dat we uit onszelf en van onszelf er nooit door kunnen komen. Daar schiet mensenhulp tekort. De Heere zegt het ook: ‘De ark volgen’, want door die weg bent u gisteren en eergisteren niet gegaan.

De Heere wil hier zeggen: ‘Denk erom, denk nu niet dat u zelf die Jordaan wel door komt. Ook al hebt u misschien vroeger wel eens door zo’n doorwaadbare plaats, door zo’n veer, de overkant bereikt. Maar langs deze weg bent u gisteren en eergisteren niet gegaan.’

Dat betekent: het is altijd weer opnieuw een verborgenheid waar we tegenaan staan te kijken, waar je mee geconfronteerd wordt. Er is ook geen rationele oplossing die ons er uit helpt, in de zin van: ja, dat is toch machtig, ‘in de Heere Jezus geloven’, dat zal ik dan ook maar even doen.

U weet dat er ook een ander gevaar is dat ons altijd weer bedreigt. Aan de ene kant: je komt er toch nooit, het is veel te diep, er komt geen mens door. Maar aan de andere kant die rationele oplossing, dat geloven alleen met je verstand, dat we het Evangelie aannemelijk vinden en zeggen: ‘Ja, het is toch wel goed wat die man zegt, ja, dat ga ik ook doen.’

‘Nee’, zegt de Heere, ‘denk er om, door die weg bent u gisteren en eergisteren niet gegaan. Die weg weet gij niet! Die weg openbaar Ik. Dat zijn Mijn geheimen, die zal Ik ontsluiten aan een volk dat zich in gehoorzaamheid aan Mijn voeten neerwerpt, dat zich gewonnen geeft, dat Mij tot zijn Leidsman verkiest.’ Daar gaat het om.

 

Onze tekst spreekt van de weg die God met Israël ging door de Jordaan.

Dat was een verborgen weg, dat is ook:

 

2. Een gepredikte weg

 

Nu komt de redding. Die redding is nooit vanzelfsprekend. Die redding is altijd een redding uit de dood. Een redding door de verkondiging van het Evangelie, dat we nooit zelf kunnen uitvinden.

God zendt Zijn ambtsdragers en die moeten zeggen wat er gaat gebeuren. Die moeten zeggen dat de ark des verbonds des Heeren voorop zal gaan. De ark is van de Heere, dat wil zeggen: de Heere van Israël, Jehova, de Verbondsgod, maar óók een Heere van de Jordaan en ook een Heere van de Kanaänieten die daar wonen.

Daarom staat er telkens in dit hoofdstuk: Van de Heere, Jehova, de Heere der ganse aarde! Israël moest het weten dat God niet alleen de God van het verbond is, maar dat Hij ook de God van de Jordaan is. De God van de vijand, hoe sterk die ook mag zijn, de God van de ganse aarde.

 

Nu, die ark des verbonds des Heeren moest door de Levitische priesters, naar de instelling des Heeren, worden gedragen. Die ark moest verreizen, die ark moest voorgaan. De Heere geeft er hier in deze geschiedenis een bijzondere bepaling bij, namelijk: Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat.

Dus het volk moest een afstand bewaren tot de ark, een afstand van ongeveer duizend meter. (Een oudtestamentische el is ongeveer een halve meter.) En dan lezen we: En nadert tot dezelve – tot de ark – niet, opdat u die weg weet die u gaan zult. Daar ging het om. Dus de ark moet eerst optrekken, worden gedragen, waarbij de ark altijd bedekt was met kleden, want de ark mocht niet zomaar gedragen worden. God heeft verordend dat de ark altijd afgedekt moest worden als hij gedragen werd. Dus de ark moest ongeveer een kilometer voor het volk uitgaan.

 

U kunt begrijpen: het gehele volk was niet helemaal aan de oever gelegerd, het was er nog een eindje vandaan en dan moest de ark voor het aangezicht van het volk heengaan. Waarom? Er staat: Opdat gij die weg weet. Dus om de weg te weten moest de ark voorgaan. Maar daarom moest de ark ook zo’n eind voorgaan; wel een kilometer voor het volk uit. Dat volk was een groot volk; honderdduizenden mensen.

Stel dat de ark slechts tien meter voor het volk uitgegaan was, dan zouden maar enkele mensen van het volk de ark hebben kunnen zien. Dat kunt u zich misschien wel voorstellen. Als daar een volk staat van honderdduizenden mannen, vrouwen, kinderen, koeien, schapen met al hun wagens en bezittingen en alles wat ze daar hebben, en daar gaan wat Levitische priesters met de ark op hun schouders nét voor het volk uit, ja, dan kan 98 procent van het volk de ark niet zien.

Maar de Heere beveelt hier dat de ark een kilometer zal vooruitgaan. U weet, hoe verder het voorwerp bij de schare vandaan is, hoe duidelijker de ark met de priesters gezien kan worden. Nu kan het volk, dat door het land trekt, allemaal op zijn tijd, duizend meter verder, de Levitische priesters zien met de ark. Daarom heeft God dat zo gedaan.

Dat is een wonderlijke prediking van Gods genade. De ark die voorop ging – en u weet: de ark is het beeld van Gods genade, de stoel van God, waar God op gezeten is. De ark is het type van de Heere Jezus Christus, want in die ark was de vloekende wet verborgen en óp die ark was het gouden verzoendeksel, die de bediening van Christus aanduidde. Christus, Die met Zijn bloed verzoening deed, opdat de vloek der wet zou ophouden – die ark was het type van Jezus Christus.

 

Nu heeft God in Zijn genade het zo gemaakt dat al dat volk – de groten met de kleinen, de zieken en de gezonden, die vooraan stonden en die achteraan gingen, van rechts en van links – de ark konden zien!

Want dat wist Israël, zo was het de hele woestijnreis al geweest van de Sinaï af: als de ark voortging, dan mocht het volk achter de ark optrekken. Ze hadden ook geleerd dat ze zonder de ark, in eigen kracht niets vermochten. Dat hadden ze geprobeerd, toen ze de vijand wilden verslaan, zonder dat de ark meeging. Ze werden toen echter verslagen – versmeten staat er – tot Horma toe.

Maar zij hebben het ook ervaren, als de ark des Heeren voor hun aangezicht opging, dan baande God een weg door de woeste baren.

 

Welnu, ik zeg het nogmaals: de ark is het beeld, het voorbeeld van Jezus Christus. Nu heeft God het in Zijn genade zo gemaakt, dat het ganse volk de ark mocht zien. Die werd voor hun aangezicht heengedragen. Dus het was eigenlijk niet Jozua die het pad baande en het waren niet de krijgslieden, de genie of de machtige mensen die voor het andere volk de weg door de woestijn gingen maken, maar het was God Zelf, door de ark. En dat moet Israël verstaan: voor die ark moest alles wijken.

‘Het water zag, o God, U komen, het water zag U en de stromen, steigerden vol schrik omhoog, de afgrond werd beroerd en droog’ voor God. Als de ark daar aankwam, kwam God er Zelf aan. O Israël, aanschouw de ark!

 

De ark gaat het water in en dan staat er: Als de voeten van de Levitische priesters, de zonen van Aaron, in het water van de Jordaan stilstonden, dan werden de wateren van de Jordaan afgesneden, als met een draad afgesneden, zoals een bloedader dichtgeknepen wordt.

Zo knijpt God met Zijn machtige hand de Jordaan af. Aan de ene kant staat het water als een muur, ver weg tot de stad Adam, en aan de andere kant vloeit het water weg naar de Dode Zee. Zo baant God, door de woeste baren en brede stromen, Israël een pad.

 

Zo gaat de ark door de Jordaan. Als de ark middenin de Jordaan gekomen is, geeft Jozua in de naam des Heeren bevel dat de ark moet blijven staan, totdat gans Israël zal zijn doorgetrokken. Daar staan de priesters al de tijd dat het volk Israël door de Jordaan trekt. Nu mag Israël naderbij komen. Nu behoeft die afstand niet meer bewaard te blijven. Nu heeft de ark zijn werk verricht en nu mag Israël in verwondering doorgaan door de droog gemaakte Jordaan, langs de ark. Nu mogen ze allen de Levitische priesters met de ark op hun schouders aanschouwen. Nu mogen ze langs God heengaan naar het beloofde land. Dat heeft Israël gezien. Daar zijn ze verwonderd over geweest, daar hebben zij God voor gedankt.

Welnu, dat is de prediking van het Evangelie van Gods genade! Ook voor ons. Zo is God! Ook voor ons. Elke keer weer opnieuw als we voor zo’n Jordaan komen in ons leven – en er zijn er nogal wat eer dat wij in Kanaän binnenkomen – elke keer weer opnieuw mag u de boodschap van Gods genade horen. Elke keer als wij belijden: ‘O God, nu kan het niet en het is mijn schuld, mijn ongehoorzaamheid, mijn ontrouw, mijn halfheid, mijn wereldzin, mijn zondelust, Heere, het kan niet. Help! O God, help!’ dan zendt God Zijn dienstknechten, dan mag u de boodschap van Zijn genade horen, zoals u die ook nu mag horen.

Hoe diep de Jordaan ook moge zijn en hoe machtig hij ook moge bruisen. Al is het ook in uw leven zo, dat u zegt: ‘Ja, maar het is zo uitzichtloos, de rivier is zo vol tot aan al zijn oevers!’ Dat wil zeggen: mijn nood is zo groot, ik kom er niet meer uit. De put zal zich nog over mij toesluiten, de stroom is te sterk, ik zal er in omkomen! Maar dan laat God u prediken: ‘Hoor, Israël, de Heere uw God is een enig Heere.’ En dan laat God u prediken de Ark der behoudenis en der gerechtigheid, Jezus Christus en Die gekruisigd.

 

Dan laat God u zien, ook in deze geschiedenis, dat er Eén u is voorgegaan. Dat de weg tot God ook niet door u gebaand kan worden. Maar dit mocht dan uw troost zijn, dat die weg tot God niet meer gebaand behóeft te worden, althans niet door u. Die weg wordt door de Ark gebaand, door Jezus Christus.

Die weg is door Hem gebaand! Wat heeft u nu nodig, net als het volk van Israël, op te staan en de Ark te volgen. Dat u gelooft in Hem, Die als de Ark der gerechtigheid in de wateren van de Jordaan gestaan heeft.

 

En nu weet u wat met de wateren van de Jordaan overdrachtelijk bedoeld wordt. De wateren van de Jordaan, dat is Gods toorn en Gods gerechtigheid, want deze is het die scheiding maakt tussen God en de ziel. Daarom kan ik tot God niet komen, omdat ik een zondaar ben, omdat ik Zijn wetten overtreden heb, omdat ik Zijn geboden gekrenkt heb. Als dit mijn leed is, als dit de pijn van mijn leven is, als dit de onmogelijkheid van mijn leven wordt, dan wijst God ons de Ark.

Hij zegt: ‘Kom nu, dit is Mijn Ark. Dit is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik al Mijn welbehagen heb, zie op Hem!’ O, dan mogen groten en kleinen, zieken en gezonden, de Ark zien. Of je nu een krijgsman bent in de dienst des Heeren, of dat je nog maar een klein kind bent, je mag de Ark zien. Want die Ark heeft God duizend meter voor ons uitgedragen, die verheerlijkte Christus gesteld aan Zijn rechterhand, opdat wij onder de prediking van Zijn Woord, de kracht van Zijn arm zouden gevoelen en de heerlijkheid en de verlossing, die door Hem zijn, zouden geloven.

 

Als de priesters die de ark dragen, in de Jordaan komen, dan doet God een wonder. Als Israël dan oog houdt op de ark, dan komen ze door dat wonder dat God gedaan heeft, veilig op het droge. Dan staat er even verder in het volgende hoofdstuk: En het volk haastte en het trok over (Joz.4:10).

Dat is niet een haast omdat de Israëlieten bang zouden zijn dat de muur van water toch nog vallen zou. Want het is: hoe dichter bij Jezus, hoe minder verdriet, maar ook, hoe minder angst. Hoe dichter bij Jezus, hoe zekerder dat Hij het doen zal. Nee, Israël was niet gehaast omdat ze bang waren. De haast die zij hadden om door de Jordaan te trekken was een haast om in het beloofde land bij God te komen. Daar waar geen woestijn meer was, waar zij het verleden achter zich mochten laten en waar zij een nieuw leven mochten beginnen. Dat is de haast der liefde om bij Hem te mogen zijn, van Wie de dichter gezongen heeft en wat wij nu samen zingen,uit Psalm 105, voordat we als een woord van toepassing over het slot van de tekst spreken. Psalm 105 vers 23 en 24:

 

Dus toog ’t verkoren volk des Heeren

Al juichend uit, op Gods begeren;

Het land der heid’nen van rondom

Schonk Hij hun tot een eigendom;

Der volken arbeid werd geheel

Aan Israël ten erf’lijk deel.

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen;

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit,

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

 

3. Een geopenbaarde weg

 

Geliefden, de weg van God met Zijn volk naar Kanaän was een verborgen weg. Maar het was ook een gebaande weg, dat hebt u gezien. God heeft de ark vooruit gezonden en de wateren zijn voor de ark aan de kant gegaan. Maar dat is ten slotte ook een weg die door ons gegaan moet worden. Het is natuurlijk niet genoeg dat u zegt: ‘Het was een wonder’, of dat u zegt: ‘O, wat is God groot!’

Ook wij moeten de weg gaan, die wij gisteren en eergisteren niet gegaan zijn. Israël is uit de Jordaan opgeklommen en dit was het grootste wonder: de ark is Israël gevolgd. De ark is daar niet gebleven. Israël mag zich straks vergaderen rondom de ark. Die ark zal het centrum worden van Israëls leven in Palestina.

Straks zal de ark in Jeruzalem geplaatst worden, de plaats die God aangewezen heeft, op Sions top waar de Heere van zegt: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd Ps.132:14).

Dat was de grootste blijdschap, dat de ark meegegaan is, die verlossende ark, die reddende ark, die het pad gebaand heeft, waarin God meegegaan is.

 

Dat is ook de blijdschap van de gelovigen, dat Jezus Christus, Die eenmaal aan het kruis gestorven is om onze ongerechtigheid van ons weg te nemen, om het oordeel op te heffen, om de deugden van God te verheerlijken, ook door ons eeuwig aanschouwd zal worden. Hij is in de dood niet gebleven, maar Hij is opgestaan en gezeten in de plaats der rust aan de rechterhand des Vaders, opdat straks het ganse volk rondom Zijn troon vergaderd zou zijn en zou zingen de lof en de eer met de aanbidding van het Lam, dat ons verloste van de toorn Gods, niet met vergankelijke dingen, goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed.

 

Welnu, dat hebben wij gezien. Nu is het ook voor ons nodig dat wij die weg door de Jordaan gaan. Dat wil zeggen: dat we weten dat wij de weg der gerechtigheid betreden, waardoor wij gemeenschap verkrijgen met God.

Dan is het nodig dat wij in onze harten voelen en het bekennen voor God dat de gemeenschap met God verbroken is. Dat we vanwege onze zonden in de woestijn terechtgekomen zijn. Dat we van God gescheiden zijn. Dat we tot God niet kunnen komen, tenzij dat wij van nieuws geboren worden.

Dat is noodzakelijk, laat ons daar niet overheen leven! Want pas als dit vlijmend vonnis van het Woord van God onze ziel doorwondt en het smartelijk gemis aan Gods gemeenschap in ons leven ontdekt wordt, gaan we vragen: ‘Heere, is er nog een weg? Kan ik de straf die ik verdiend heb, nog ontkomen? Kan ik nog tot genade komen?’

 

Ik kan me moeilijk voorstellen dat er mensen zijn die nooit denken aan de scheiding tussen God en hun ziel. Dat er jongens en meisjes zijn die er nooit mee bezig zijn. Je weet toch: als je leeft zoals je geboren bent, dan kun je niet in vrede sterven. Met alle zegeningen die God je gegeven heeft, namelijk dat je leven mag in de gemeente des Heeren, dat je het teken van Zijn verbond mag dragen, dat je de naam van Sions kinderen mag dragen, dat je een plaats gekregen hebt in de gelederen van Jezus Christus.

Maar je weet ook dat dit allemaal niet genoeg is. Hoe groot dit voorrecht ook is. Hoe rijk God ook Zijn barmhartigheid daarin ten toon gespreid heeft.

We hebben het geloof nodig om de weldaden, die God ons betekend en verzegeld heeft, te aanvaarden, om daarvan profijt te hebben voor onze ziel. Zonder dat geloof zal het goud van de genade niet van ons kunnen zijn. Zonder dat geloof zal die gemeenschap, die relatie met God van Vader tot kind, van kind tot Vader, niet hersteld worden.

Alleen door het geloof worden wij met Christus verenigd. Alleen door het geloof ontvangen wij de weldaden die God in Jezus Christus ten toon gespreid heeft en betekend en bezegeld heeft, ook in jouw leven.

 

Denk daar goed aan, jongens en meisjes. Het persoonlijk geloof functioneert hier al, want het geloof omvat het ganse Woord van God. Dat wil zeggen: het geloof gelooft maar niet alleen dat Jezus mijn zonden weggenomen heeft, maar het geloof gelooft ook dat ik nooit tot God komen kan.

Dat is ook al zaligmakend geloof, wanneer ik dat oprecht zie en beween voor God. Wanneer dat mijn leed en de zorg van mijn leven is. Wanneer dat de tranen uit mijn ziel perst en ik zeg: ‘O God, ik sta alleen, onbekeerd, zonder U, aan deze kant van de Jordaan, en U bent aan de andere kant en de Jordaan is diep en ik kom er nooit door.’

Dat is reeds genade voor God, wanneer u zo uw dagen, misschien ook uw nachten, doorbrengt met geween en de vreze des doods en de bekentenis van uw schuld uw ziel verbrijzelt voor het aangezicht van die God, in Wiens gemeenschap u behoorde te leven, maar Wiens gunst u mist, vanwege uw overtredingen.

 

Als dit nu uw smart is voor God, en als u uit deze diepte bent gaan zoeken naar de levende God, dan is er genade! Als het licht van Gods vriendelijk aangezicht u bewogen heeft in de nacht van uw leven, om wat bij de mensen onmogelijk is te zoeken bij Hem, dan is dit Zijn genade! Dan openbaart God nu aan zulke mensen die de weg niet meer weten, die er niet door kunnen, dat er door Hem een weg gebaand is.

 

Als u bevindelijk weet dat u door uw werken niet meer zalig kunt worden – welke werken dan ook – dan heeft God hierin geopenbaard dat er toch een plaats is bij Hem! Dat er toch een weg is waarin u uw voet niet zult stoten. Een gebaande weg, een veilige weg, de weg van het geloof, van het geloof in de Ark, de Ark der behoudenis, de Heere Jezus Christus. Dat er een weg is des doods en een weg des levens.

En om die weg te banen, was er meer nodig dan alleen maar voeten indopen in de doodsjordaan. Die Ark, Jezus, moest Zichzelf, Zijn leven, alles wat Hij had, offeren, Gode opofferen, want die wateren van de Jordaan – vergeet dat nooit – zijn voor Hem niet teruggeweken. Hij moest verdrinken in de toorn van God. Daar moest Hij in ondergaan. Voor Hem was er geen pad. Voor Hem waren er geen priesters. Er was bij God geen stem en geen opmerken, maar er staat: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

En er staat van Christus: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1).

 

Geliefden, het is groot als we zo het geruis van Zijn voetstappen mogen vernemen. Hij is de dood ingegaan, opdat wij zouden leven. Dat is het begin van het eeuwige leven. Er staat van het volk van Israel: En het volk haastte en het trok over. Dat is de haast der liefde, heb ik gezegd. Laten wij ons ook zo haasten om door dat geloof de gemeenschap met God te mogen verkrijgen. De poort is nu nog open. Het is nu nog de welaangename tijd, het is nu nog de dag der zaligheid.

 

En als u dat wonder ziet, dat Hij de Jordaan is ingegaan terwijl het Zijn leven kostte, dan leggen wij ons leven van harte af, dan verlaten wij de zonde en de wereld, dan gaan we wandelen in een nieuw godzalig leven. Zijn er onder ons die zeggen: ‘Ja, ik weet het, God heeft die zee voor mij drooggemaakt, die Schelfzee, de Jordaan. Ik weet, Hij heeft mij uitgeleid uit het diensthuis’?

Het kan ook dat er nu mensen zijn, die zeggen: ‘Ja, God heeft mij uit het diensthuis uitgeleid. Hij heeft mij veertig jaar in de woestijn gedragen, maar nu sta ik weer voor de Jordaan.’

Ach, nu kunnen we het niet doen met de wetenschap dat God het vroeger gedaan heeft. Daar mag u wel aan terugdenken, want diezelfde God leeft nog. Maar daar behoefde Israël het ook niet mee te doen. Hoort u het goed? Nu behoeft u niet te zeggen dat de dagen van vroeger beter waren dan de dagen van nu. Want: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr.13:8).

Toen was de doorgang door de Rode Zee zonder ark. De ark was er nog niet. Nu door de Jordaan is er de ark, en voor ónze Jordaan is dat Jezus Christus.

De genade Gods wordt steeds rijker geopenbaard, wordt steeds heerlijker tentoongesteld. Bij Mozes moest men door de Rode Zee achter Mozes aan. De Jordaan mocht men door achter de ark aan. En wij mogen de zee van Gods verbolgenheid door achter Jezus aan. Het is dezelfde genade, maar steeds rijker geopenbaard.

 

Kom, nu moest er toch wel niemand meer achterblijven. Nu moest er toch wel niemand meer zeggen: ‘Voor mij zal er geen pad zijn. Ik zal nog verdrinken in de wateren.’ Als God zo Zijn liefde geopenbaard heeft, dat Hij de ark duizend meter voor het volk deed uitgaan opdat al de leden van Israël die ark zouden zien, dan moest niemand achterblijven. En als God ons meer dan honderdmaal per jaar laat prediken dat Hij Jezus Christus gezonden heeft om ons zalig te maken, dan mag niemand meer zeggen: ‘Het zal voor mij wel niet zijn.’ Dan wacht God vandaag om genadig te zijn, opdat we in de bekentenis van onze ongerechtigheden, belijdenis doen zouden van onze zonden.

 

En dan staat er: ‘Toen hoorde God.’ Dan droogt God ook vandaag de wateren nog uit. Dan hoeft u niet op het verleden te teren, kinderen van God. Dan mag u blijmoedig uw ogen voorwaarts richten. Dan zal die God van de Schelfzee, die God van Mozes en die God van Jozua, de God zijn van onze Heere Jezus Christus.

Als wij dan maar van Christus zijn! Als we dan maar door het geloof ons oog op Hem slaan, Hem het hoogste van onze liefde en ons leven waardig schatten en zo achter Hem aankomen.

Dan vraagt God van ons niets meer dan te zien op Jezus. En dan zullen we, ziende op Hem, onze weg blijmoedig voorwaarts gaan.

 

En als dan straks nog eenmaal het klamme doodszweet ons aangezicht bedekt, als dan nog eenmaal de wateren van de Jordaan zich angstwekkend kunnen verheffen, of die vale ruiter onze levensdraad afsnoert, dan zal één blik op de Ark genoeg zijn en Hij zal Hem ons niet onthouden. Dan zal één blik op deze Ark genoeg zijn om die wateren te doen wegvlieden en om een pad te banen naar Kanaän, waar wij met de Ark in het midden, eeuwig mogen zingen van Gods goedertierenheên.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 74: 15

 

Hoe menigmaal hebt G’ ons Uw gunst betoogd,

’t Zij G’ een fontein deedt uit een rots ontspringen;

Of op een hoop de waat’ren samendringen,

Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).