Ds. J. Schipper - Mattheüs 26 : 10

De zalving te Bethanië

Grote liefde
Diepe ergernis
Een blijvende vrucht

MattheĆ¼s 26 : 10

Mattheüs 26
10
Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 21: 5, 13
Lezen : Mattheüs 26: 1-16
Zingen : Psalm 133: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 116: 1, 10
Zingen : Psalm 30: 3

Gemeente, de tekst voor deze dienst kunt u vinden in het u voorgelezen gedeelte, Matthéüs 26, het tiende vers, waar wij Gods Woord lezen:

 

Maar Jezus zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.  

 

Het gaat dus over: De zalving te Bethanië.

 

Die zalving te Bethanië spreekt van:

1. Grote liefde (als we zien wat Maria hier doet)

2. Diepe ergernis (wat dat teweegbrengt bij de omstanders)

3. Een blijvende vrucht (als we zien op het einde van de zaak, in vers 13: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft)

 

1. Grote liefde

 

De zalving te Bethanië staat tussen het besluit van de overpriesters en de schriftgeleerden om de Heere Jezus te doden, en aan de andere kant, daarna, het verraad van Judas. Daar staat deze geschiedenis tussenin. Er is dus wel een tegenstelling tussen de berekeningen, de plannen en de voornemens van de overpriesters en de schriftgeleerden, en de bereidwilligheid van de Heere Jezus om de dood in te gaan. Want de dood overvalt Hem niet. Hij weet waartoe Hij op deze aarde gekomen is. Er is dus een groot contrast tussen de raadslagen van de overpriesters en de schriftgeleerden, en de raad van God.

We zien uit dat voorval te Bethanië dat er ook duidelijk aanleiding voor Judas was om zich in verbinding te stellen met het Sanhedrin, die Joodse raad, om afspraken te maken. De geschiedenis van de zalving te Bethanië heeft dus alles te maken met de lijdensgeschiedenis van Jezus. Maar ook, zo staat hier in dit gedeelte, is het een voorbereiding tot Zijn begrafenis.

 

In het begin van het hoofdstuk gaat het al over het pascha; dat staat in het begin, vers 2: Gij weet dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

Pascha, dat woord is niet in Kanaän geboren, maar dat is al in Egypte geboren. Want u weet, de kinderen ook, van die geschiedenis dat het paaslam geslacht moest worden, bij de verlossing van Israël uit Egypte, toen het pascha werd ingesteld. Dat woord ‘pascha’ betekent: voorbijgang; want het heeft te maken met de voorbijgang van de engel des verderfs. Die gaat de woningen van de Israëlieten voorbij, waar het bloed gestreken is aan de zijposten en de bovendorpel. Dan wordt er dus iemand gepasseerd, die de verdoemenis verdiend heeft, die zich de dood heeft waardig gemaakt, de eeuwige toorn Gods. Maar die engel des verderfs gaat toch voorbij, vanwege de bloedstorting aan de zijposten en de bovendorpel van het hart. God wil bloed zien; zonder bloedstorting blijft de wet vloeken, en blijft het recht van God eisen. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.2:17). Die eis blijft, en daarom, zonder de bloedstorting blijft de hemel op slot en staat de hel wijd open.

 

Zijn er in de gemeente die dat bloed missen, die uitzien naar de toepassing van die bloedstorting aan het hart, in het leven? Zijn er die vanuit een levend gemis het maar niet kunnen laten om als een bedelaar aan de troon der genade bezig te zijn, of dat bloed ook mag worden gezien en toegepast, vanuit een levend gemis, met de droefheid in het hart over de zonde? Want het is eigen schuld dat we dat bloed missen en dat we er zo weinig zicht op hebben.

O, dat ze er mogen zijn, die de noodzakelijkheid van de toepassing van dat bloed gevoelen; het niet te kunnen missen en het te moeten missen. Dan moge de Heere maar doen hongeren en dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid, door Hem verworven. Die gerechtigheid werd geëist door de Vader, maar is door Hem aangebracht, en kan en mag worden toegepast door de Heilige Geest in de harten van zondaren, waar het ook pascha geworden is.

Misschien mag u het zien, langs de weg van zondekennis en zelfkennis en Godskennis, door de onmogelijkheid heen, dat Paaslam. Misschien hebt u er weleens wat van gezien, wat indrukken van gekregen, maar moet u zeggen: die toepassing ontbreekt me nog zo. Ach, we moeten ook maar niet te snel rusten op datgene wat gezien is, wat gehoord is, wat geschonken is, want het gaat om de Weldoener.

 

Die vinden we hier in Bethanië. Dat was maar een klein gehucht, bij Jeruzalem. Het stelde niet zoveel voor. Het huis der armen, het huis der verdrukten. Maar daar wordt nog een volk gevonden dat in zichzelf zo arm is, zo arm van geest, en dat geleerd heeft dat ze door vele verdrukkingen moeten ingaan. Bethanië betekent: armenhuis, het huis der armen.

Er is een volk dat door wederbarende genade zichzelf zo gaat leren kennen. Dan zijn ze aanvankelijk in het werkhuis te vinden, want dan zijn ze bezig een goede gestalte voor de Heere te mogen verkrijgen, en vervolgens gaan ze het verbeterhuis in. Maar, gemeente, als ze denken dat het aardig gaat, dan zijn ze ver van huis. Maar de Heere leert een verdere weg, en dan komen ze in het armenhuis terecht. Door meerdere ontdekking is het steeds weer: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef.3:12).

 

Nu, de Heere Jezus is uitgenodigd bij Simon de melaatse, voor een maaltijd. Simon de melaatse heeft dat gedaan uit dankbaarheid. U begrijpt het wel, zijn bijnaam, hij is melaats geweest, maar hij is door een wonder Gods, door Christus genezen geworden. Uit dankbaarheid heeft hij zijn huis opengesteld. Er is een tijd geweest dat hij in de gemeenschap van de mensen niet kon komen. Bij iedere stap die hij bezigde, was het: onrein, onrein! Maar nu hij genezen is, heeft hij zijn huis opengesteld. Hij zit daar als een toonbeeld van het wonder van genade, dat hij er nog is. Nu is er ook plaats voor de Zaligmaker gekomen in zijn leven.

Uit Gods Woord weten we dat daar zitten Simon de melaatse, en wat discipelen, maar ook Lázarus, Martha en Maria, die een huis hadden in Bethanië. Het gaat hier in het bijzonder over Maria en Christus. Maria wordt eigenlijk door Gods Geest gebruikt om Christus te zalven met het oog op Zijn begrafenis, staat er.

 

Maria heeft veel van Christus geleerd. Daar is natuurlijk ook wat aan voorafgegaan, want het is te allen tijde nodig, gemeente, jong en oud, dat de Geest ons overtuigt van wie we geworden zijn door de zonde voor Hem. Het is nodig dat die Geest overtuigt van zonde en ongerechtigheid, maar dat Hij ons ook leidt in de waarheid – in de waarheid allereerst van Genesis 3, dat ingrijpende hoofdstuk van de val van de mens –, maar dat die Geest nu ook gaat brengen in de vervulling en in de vertroosting van een mens die leeggemaakt is geworden. Dat is noodzakelijk. Van nature is er geen plaats voor Hem. Dat was al zo toen Hij op deze aarde kwam, nietwaar, er was voor henlieden geen plaats.

Wat is het dat we met de Heere Jezus moeten doen? Wel, daarom moet er in het leven van die zondaar plaatsgemaakt worden voor Christus. Dan zal er ook een uitzien geboren worden vanuit de leegte, een uitzien naar Zijn ingang in het huis, in de woning van mijn hart. Maar dat kan alleen, gemeente, als die woning ook echt een Bethanië is, een huis der armen. Want Christus wil woning houden bij degenen die nu verslagen zijn van geest en die verbroken zijn van hart. Het is steeds nodig dat de Geest ons die gestalte, die kostelijke gestalte doet innemen.

 

Het is duidelijk dat Maria dat mocht doen. Maria die dus ook aan de voeten van de Heere Jezus gezeten heeft in dat huis te Bethanië, waar ze enkel oog en oor was voor de Heere Jezus, voor die grote Leraar ter gerechtigheid, waar ze onderwijs mocht ontvangen. Wat een voorrecht dat ze aan Zijn gezegende voeten mocht zitten om dat onderwijs te verkrijgen! Want hoe meer ze mocht leren van Hem, hoe minder ze ging worden in zichzelf. Hoe meer ze mocht horen van de rijkdom in en door Hem, hoe armer ze werd in zichzelf. Zo mocht ze onderwijs verkrijgen, en ze was heilbegerig naar nog meer onderwijs. Hoe meer ze leerde Wie Hij nu was en wilde zijn voor een arme zondaar, hoe slechter ze werd in zichzelf.

Maar zo zat Maria aan Zijn voeten. Al wat aan Hem is, dat is nu gans begeerlijk. Waar Hij Zijn voetstap zet, daar druipt het al van het vet, dat heeft Maria mogen ervaren. Die plaats aan Zijn voeten, gemeente, is nu betamelijk vanwege Zijn majesteit, vanwege het recht dat Hij heeft op Zijn volk. Maar het is ook een gepaste plaats voor een wenende boeteling die smacht naar verzoening, aan Zijn voeten. Dat is ook een plaats van bukkende liefde, waar de gemeenschap met God in Christus mag worden beoefend. Wat heeft Maria het toen goed gehad. Hier ontmoeten we Maria weer. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19). Dat blijkt ook hier.

 

De Heere Jezus zegt dus in vers 10: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht. Er is dus door de Geest een goed werk in haar begonnen, in haar gewerkt, en toen is er in beginsel liefde in haar hart gekomen. De liefde tot de wereld is verbroken geworden in haar leven, maar de liefde van God doet ook uitdrijven tot Hem, die doet uitdrijven tot God.

Aanvankelijk is er dan zo’n onverklaarbare betrekking. Dat komt door de liefde die de Heere bij aanvang in het hart heeft uitgestort. Dan is er een betrekking op Zijn Woord, op Zijn dienst, op Zijn volk, op Hemzelf. Die dienst des Heeren is dan niet zwaar, maar dan is het een liefdedienst. Het gaat hier niet alleen over de liefde tot God en Zijn dienst, maar in het bijzonder ook over de liefde tot Christus en dat werk aan Christus. Dat het maar meer beoefend mocht worden.

 

Vooral zien we dan hier dat het over Christus, de Gezalfde, gaat. Hij is gezalfd, reeds gezalfd van eeuwigheid, met de Geest, zonder mate. Dat is bevestigd geworden bij de doop van Christus door Johannes de Doper te Bethábara. Daar daalde de Geest af gelijk een duif, en daar werd de stem des Vaders gehoord: Deze is Mijn Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. Gezalfd tot Profeet, tot Priester en tot Koning; dat is toen bevestigd geworden.

En nu zien we hier te Bethanië dat Hij letterlijk gezalfd wordt door Maria. Door Gods Geest heeft ze inzicht gekregen in de noodzakelijkheid van het lijden van Christus. Nee, dat is geen vanzelfsprekende zaak. De discipelen hebben er niet zo’n erg in, de discipelen die zo’n nauwe omgang hadden met de Heere, die profetisch bediend waren en die in de zoete en zalige gemeenschap van Hem konden leven. Maar nu moeten zij ook ingeleid worden, en daar moeten hun ogen voor opengaan, dat Hij de dood in moet en dat het niet buiten Gods recht om kan gaan.

Gemeente, toen Christus als Profeet over Zijn priesterwerk sprak, hebben ze dat wel gehoord, maar het toen niet doorzien. Ze hadden nog zo weinig, eigenlijk geen inzicht in de priesterlijke arbeid van hun Meester. Gods volk leert ook niet alles op één dag. Dat geldt ook voor die discipelen. Er moest ook plaats voor komen in hun leven.

 

Maar in dit gezelschap is het dus dat Maria opstaat. Wij worden bepaald bij de zalving. Maria is maar een stille in den lande, maar ze begrijpt wel heel goed wat Hem te wachten staat, beter dan de discipelen en veel beter dan die luidruchtige schare die Hem volgde. Ze weet het heel goed.

Wat doet Maria dan? Welnu, het allerbeste wat ze heeft, gaat ze aan de Heere Jezus geven. Want het is een van beide: óf Christus is ons alles waard, óf Hij is ons niets waard. Als je nu maar een kruimel van Zijn borgtocht gezien hebt, gemeente, dan zal het toch zijn: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden die Hij aan mij bewezen heeft? Wat doet Maria dan? Ze pakt die fles met nardus, en giet die uit over het hoofd van Christus en over Zijn voeten, zodat het huis vol is van die heerlijke geur van die dure zalf. Eigenlijk, zouden we kunnen zeggen, giet ze haar hart uit. Haar hart vol van liefde giet ze uit voor de Heere. Ze zegt niets, geen woorden, maar ze uit het in daden. Maria doet het niet met een paar druppels, zoals men wel de gewoonte had, maar ze giet heel die fles uit. Alles is voor Hem! U begrijpt, dat is nu een daad van liefde. Dat doet ze uit erkentenis dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, de Zaligmaker.

 

Wat een liefde wordt hier betoond in deze geschiedenis, maar let wel, ook vijandschap komt openbaar. Want die overpriesters en schriftgeleerden willen Hem doden, die zijn blind voor dat ware Paaslam. Die hebben geen behoefte aan dat bloed der verzoening. Dus niet alleen liefde, maar ook vijandschap komt openbaar. Maar Maria betoonde haar grote liefde. Ze bespreekt dat niet alleen, maar die liefde uit zich in daden, die wordt merkbaar. Het wordt gezien, het wordt gehoord. Maar nu de tweede gedachte, want we zeiden ook:

 

2. Diepe ergernis

 

Ook ergernis in die geschiedenis van de zalving te Bethanië. Want de omstanders begrijpen niet wat Maria doet, ze begrijpen haar handelwijze niet. Nog sterker, die uiting van het geloof van Maria en van haar liefde wordt hier veroordeeld. Ze hebben dus geen besef van wat haar nu innerlijk dringt om dat te doen, haar motivatie, haar bedoeling. Ze zeggen: Wat een vermorsing, wat wordt hier veel vermorst; dat zijn we dan zomaar in één keer kwijt! Daarmee stellen ze zich harteloos op, maar ook wel beledigend ten opzichte van de Heere Jezus.

Wie is de voornaamste van hen? Judas. O, zijn naam wordt hier niet genoemd… Nee, maar elders wel. In het evangelie van Johannes wordt Judas genoemd als de voornaamste. Je had, zegt hij tegen Maria, beter dat geld dat je nu aan die nardus besteed hebt, aan de armen kunnen besteden. En de discipelen hebben op dat moment met Judas meegepraat. Dus Judas rekent. Als hij die fles ziet uitgieten, die fles met nardus, dan ziet hij allemaal cijfers en getallen voor zich. Hij rekent, en dan komt Judas openbaar. Nee, de liefde rekent niet. Als er nu liefde in het hart mag zijn, dan wordt er niet gerekend. Maar Judas zegt: Nou, dat is geen kleinigheid, zo’n dure fles met nardus. Want dat is wel meer dan driehonderd penningen waard. En in die dagen kreeg een arbeider één penning per dag. Dus het is bijna een jaarloon dat hier vermorst wordt, zo zegt hij. Bijna een jaarloon, is dat geen vermorsen?

Wel, als Judas dat zegt, heeft hij natuurlijk wel de schijn mee. Dan zeg je: Ja, dat is toch wel heel wat. De andere discipelen krijgt hij daar ook in mee.

 

Gemeente, wat is hier aan de hand? Met een schijn van godzaligheid kun je ook nog heel wat mensen meekrijgen. Judas krijgt ze mee. Zelfs de discipelen die zo’n omgang hebben met hun Meester worden aan het wankelen gebracht door Judas die dat geld liever in zijn eigen zak had gehad. De schijn – dat moeten we onthouden – bedoelt altijd zichzelf. De schijn is niet open en niet eerlijk, maar de schijn is berekenend. De schijn heeft ook altijd wat te zeggen. Als er dan iets goeds is, dan heeft de schijn daar ook altijd weer wat kwaads van te zeggen. Hoe komt dat nu? Wel, omdat ze zelf nooit het goede heeft geproefd en gesmaakt. Ze weet niet hoe goed het kan zijn in de uitstorting van de liefdedaad vanuit het hart tot de Heere. Daar heeft ze geen ervaring mee. Dus Christus is dat eigenlijk voor Judas niet waard. Hij heeft voor veel minder penningen Christus verraden, Hem voor dertig zilveren penningen verkocht. Hij heeft nog nooit echt de waarde in Christus gezien, en nog minder beleefd.

 

Maria komt openbaar, maar Judas komt ook openbaar. Wanneer komen ze openbaar? Als het gaat over het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus. Terwijl Judas toch drie jaar met Hem omgegaan had, drie jaar lang in Zijn onmiddellijke aanwezigheid was! Die twee, gemeente, schijn en werkelijkheid, kunnen heel lang samengaan. Wat dat betreft kun je bang worden voor jezelf, als het gaat over schijn en werkelijkheid. Toch zal de tijd leren wat werkelijk waarheid is. Wanneer komt dat openbaar? Wel, bij het sterven van Christus vallen schijn en werkelijkheid uit elkaar.

Er staat verderop: Toen ging een van de twaalve, genaamd Judas Iskáriot, tot de overpriesters, en zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht (vs. 14-16). Dan blijkt dat Judas een vijand van genade is, een vijand van vrije genade. Voor die dertig zilveren penningen gaat hij Hem verraden. Hij is volkomen blind voor het priesterschap van de Heere Jezus en het werk van de Heilige Geest.

 

Het genadeleven kan in de gemeente ook veel reacties geven. Zelfs in een gezin kan dat veel reacties oproepen. Dat kan bewogenheid oproepen, maar ook jaloezie geven. Dat kan werkzaamheden geven, maar het kan ook verzet opleveren. Dus veel reacties. Soms, maar dat is heel erg, staat een moeder dan op tegen haar dochter, of een zoon tegen zijn vader.

Judas is een kille rekenmeester. Hij is hier aan het meten en keuren, maar het is nooit zover gekomen in zijn leven dat hij zichzelf afkeurde. Hij heeft nooit op die school der genade onderwijs ontvangen, en is nooit ontdekt geworden aan wie hij nu eigenlijk zelf is. Judas heeft zichzelf wat bekeerd, en zichzelf erbij geplaatst, zodat hij ook bij die discipelen gerekend kon worden. Hij leeft in feite van conclusiegeloof, maar hij is een vijand van dat bevindelijke leven van Gods kinderen.

Gemeente, wat een huichelachtig bestaan heeft dan die buiten de Heere levende mens. Judas is een discipel van de Heere Jezus, en heeft zo dicht bij Hem geleefd, maar het is schijn zonder genadewerk. Schijnbaar heeft hij voor de armen een heleboel over, maar hij heeft niets voor de Heere Jezus over.

 

Wat is die afkeuring van hem voor Maria ook een pijnlijke zaak geweest. Het was dus niet alleen de afkeuring van Judas, maar ook van die andere discipelen. Ook zij blijken dus afstand te nemen van dat goede werk van Maria. Ten diepste nemen ze er afstand van en willen ze niet aan het lijden en sterven van de Heere Jezus. Want de miskenning van Maria is ook een miskenning van Zijn borgtochtelijk lijden en sterven. Geen oog, staat hier in de geschiedenis, voor Zijn begrafenis, voor Zijn noodzakelijke dood, voor het offer dat Hij zal gaan brengen, waar Hij Zichzelf tot een schuldoffer gesteld heeft, ja, tot een rantsoen voor velen.

Zo is het ook wel in het leven van Gods kinderen. Kennis aan Christus verkregen, profetisch onderwijs verkregen in de weg der zaligheid, in de weg des heils, en toch zo weinig of geen inzicht in de noodzakelijkheid van die priesterlijke gang. Waarom niet? Omdat de schuld en het oordeel, gemeente, niet wegen en omdat het recht van God niet drukt. Maar wat een onderwijs, ook in de verdere voortgang, is er dan nodig, om nu met de kennis van de profetische leidingen en het onderwijs in die priesterlijke gang, met alles de dood in te moeten. Ze moeten een stervend leven beoefenen, want dan moet een mens zo leren, ook in de voortgang, te sterven aan zichzelf, aan de zonde en de ongerechtigheden, aan de wereld, maar ook aan dat eigen ik.

Wat kan er ook nog veel ergernis zijn en veel vijandschap, hetgeen openbaar komt. Voor Maria is het een schok geweest dat de discipelen zo reageerden! De kritiek is vooral voor Jezus Zelf een smartelijke zaak geweest. Toch heeft Hij hier eerst Maria in bescherming genomen, en pas dan gaat Hij spreken over Zichzelf.

 

Dan komen we bij het slot, bij de blijvende vrucht van deze geschiedenis, dat is de derde gedachte. We zingen eerst nog van Psalm 116 vers 1 en 10:

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, ’k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Ik zal Uw Naam met dankerkentenis

Verheffen, U al mijn geloften brengen;

’k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,

In ’t heiligdom, waar ’t volk vergaderd is.

 

3. Een blijvende vrucht

 

Wij hebben iets gezien in de geschiedenis van de zalving te Bethanië, van grote liefde en ook van diepe ergernis, maar nu ten derde nog die blijvende vrucht.

De Heere Jezus neemt het op voor Maria. Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht. Maria heeft niets gezegd. Ze weet wel dat de Heere haar werk en haar daad zal oordelen, en daar mag ze in berusten, in de Heere. Ze mag het aan de Heere overgeven, in Zijn handen overgeven. Uw wil geschiede, dat geeft rust, want de liefde heeft op dat moment zo de overhand in haar hart. Als de liefde de overhand heeft, dan hoor je de harde woorden om je heen zelfs niet eens. Dan mag je gericht zijn op de Heere. De liefde vervult het hart, en de liefde overwint alles. Dus als de liefde in het hart is, in de beoefening van het geloof, dan kan een mens wel een stootje hebben. Als u veel van de Heere hebt, hebt u aan God genoeg. En anders kun je niets hebben, dan staat een mens zo op z’n achterste benen.

Maar de Heere Jezus neemt het voor haar op, en zegt: Blijf af van haar. Waarom? Wel, door het dierbare geloof mag zij de noodzakelijkheid van de prijsbetaling zien. Hebt u daar weleens zicht op gehad, op die dierbare Christus, Die in de diepte van de vernedering datgene gaat verdienen wat wij helemaal niet verdienen? Wat wordt Hij dan gepast, maar ook noodzakelijk, in die weg, dat Hij de zaligheid voor een doemwaardig zondaarsvolk gaat verwerven.

Nu moeten de discipelen daarvan afblijven, want het is het werk van de Heilige Geest. En als het werk des Geestes in het leven van Gods volk wonderen gaat verheerlijken, dan zal dat ook openbaar komen. Want eerder zullen de straatstenen spreken, dan dat dat niet openbaar zal worden. Die geur van nardus komt hier openbaar. Anders gezegd, als vader eens wat mag ontvangen van Boven, en als moeder eens vervuld mag zijn van de Heilige Geest, dan zul je dat thuis ook merken, dan wordt dat openbaar, dan is dat merkbaar in het gezin. Anders klopt het niet.

 

Er staat zo dat de Heere zegt: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht. Wat een wonder is het als je mag ervaren dat de Heere het nu gaat opnemen voor Zijn eigen werk. Dat mag Maria hier horen. Want zij, zo zegt Hij, heeft een goed werk aan Mij gewrocht, zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.

Er zijn er zovelen, moeten we zeggen, die vreemdeling blijven aan dat borgwerk, dat ware borgwerk dat hier ook openbaar gaat komen. Wat is het toch nodig, gemeente, voor ons allemaal, dat in ons leven daar voor het eerst of bij vernieuwing plaats voor gemaakt wordt.

Dat plaatsmakende werk vangt aan in de ure van de levendmaking, in de wedergeboorte. Dan wordt een mens in het gemis geplaatst. Dan komt zijn verzondigd leven openbaar, maar ook de droefheid. Altijd gezondigd te hebben tegen een goeddoend en een getrouwhoudend God, maar dan komt daar ook die droefheid naar God, vanwege de liefde die Hij bij aanvang ook in het hart heeft uitgestort, die een onberouwelijke bekering werkt tot de eeuwige zaligheid. Dan gaat de Heere ook profetische lessen geven. Dan ga je leren, ja, dan ga je als een gevonniste over de wereld, dan is het recht als de Heere met je gaat doortrekken: veroordeeld, afgekeurd, door de ontdekkende werkingen des Geestes. Het gaat niet buiten het recht om. Maar, gemeente, dan is dat lijden en sterven zo noodzakelijk. Dat bloed en dat water zijn zo noodzakelijk: rechtvaardiging, maar ook heiliging.

 

Ze vergrimden tegen haar, ze werden eigenlijk boos, ze ergerden zich. Maar de Heere Jezus neemt het voor haar op. Maria hoeft dus niet voor zichzelf te strijden, dat is ook nog een voorrecht. Hij doet het! Maria mag weten dat Christus het weet. Het is groot als je mag weten dat Christus het weet, dat je mag zeggen: Heere, kijk er maar in, U weet alle dingen! Dat alles open en bloot voor Hem neergelegd mag worden. Het is een voorrecht te weten dat Christus afweet van je verslagenheid, van je verlegenheid, van je gemis, van je moeite, van je kruis, van je druk, in het leven, dat Hij die dingen weet. Want het kan goed in de war komen.

Als Judas dus met die schijn gaat praten, en sommigen ook van Gods kinderen gaan meepraten, dan kan er na ontvangen genade nog zoveel onkunde openbaar komen. Denk eens aan Eli. Eli was toch een man met genade, nietwaar. Hij zag daar Hanna wat prevelen, en hij dacht dat Hanna dronken was, terwijl ze biddende was tot de Heere. Wat kunnen we ons diep vergissen. De discipelen dachten dat ze veel wijzer waren dan Maria, maar Maria heeft een Voorspraak, een Voorspreker.

 

Er staat in vers 11: Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Ach, gemeente, er komt een tijd dat je alles zou willen geven om nu die Jezus tot je Deel te mogen hebben, en als dat dan niet het geval is, dan is het te laat. Hij zegt: U hebt Mij niet altijd. Met andere woorden: de dag der zaligheid neemt een einde. Wij leven tussen de wieg en het graf; hoe lang nog? Dat weten we niet. Er komt een einde aan. Je kunt niet zalig worden zonder Borg. Wat is er nu nodig in mijn leven? Een Borg voor de schuld, en een God voor het hart. Van die zalving waarmee Christus gezalfd is geworden, moet er iets verstaan worden. Dat we dan maar als een arme zondaar aan Zijn voeten terecht mochten komen; gans hulpeloos tot Hem gevloden, zal Hij ten Redder zijn!

Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Ja, het is een Bijbelse plicht om de armen te helpen, de nooddruftigen, de mensen die in nood verkeren. En dat zijn er nogal wat, maar wie wil, kan daar altijd gelegenheid toe vinden. Dat gold nu niet de Heere Jezus Zelf, want Hij staat op het punt om hen te verlaten. Het is dus een waarschuwing: er komt een keer een einde aan. Heden dan, zo gij Mijn stem hoort, dat u het niet zou verachten, maar dat u zich zou willen laten leiden!

 

Want als zij deze zalf, zegt de Heere, op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis. Die zalving van Maria is dus een goed werk. Ze heeft gedaan wat ze kon, ze heeft het gedaan vanuit die hartelijke liefde. Ze heeft er enig besef van hoe nu Christus zal lijden voor de Zijnen. En dit, zegt Christus dan, loopt vooruit op Mijn begrafenis.

In Israël was immers de zalving van een overledene een belangrijk liefdewerk. De zalving van een overledene was eigenlijk nog meer waard dan de zorg voor armen. Alleen misdadigers werden niet gezalfd. De Heere wist dat Hij bij de misdadigers gerekend zou worden, en dan zou dat dus niet gebeuren, maar nú wordt Hij gezalfd, dat gebeurt nu op dit moment in Bethanië. Maria eert Hem dus nu het nog kan, er is nog gelegenheid.

Met die zalving gaat ze ook heenwijzen naar wat er gaat gebeuren, naar de kruisiging, maar ook naar de begrafenis. En dat nu die priesterlijke arbeid noodzakelijk is, dat wordt nu gepredikt, daar in Bethanië. Maria mag dat inzicht ontvangen.

Als we de noodzakelijkheid, gemeente, van de prijsbetaling door dat bloed gaan zien, dan gaan we ook iets zien van het Goddelijk recht. Maria mag daaronder leren buigen. Jezus neemt het voor haar op, omdat Hij Zijn eigen werk in haar ziet. Hij gaat Zijn eigen werk kronen. Hij werkt altijd op Zijn eigen eer aan. Dat gebeurt hier ook.

 

Gemeente, zo waren we dus ook vandaag een ogenblikje in Bethanië. Wat wordt daar nu gepredikt? Daar wordt gepredikt recht en genade, genade door recht, tegenover degenen die zo vergrimd zijn, die zich zo kunnen ergeren, die zo opstandig kunnen zijn.

Zijn wij al aan de vijandschap ontdekt? We kunnen het zo oneens zijn met de gang van zaken. De Heere mocht maar plaatsmaken voor die noodzakelijke borgtocht in ons hart en leven. Maar dat houdt in dat we moeten sterven aan onszelf. Dan moeten we zelf wel een stapje terugdoen. Dan blijft er van een mens niets over. Maar waar wij gaan verdwijnen, daar zal Hij verschijnen.

 

De geschiedenis wijst dus op de begrafenis. Ze is een voorbereiding op Zijn begrafenis. Maar dan zal het niet afgelopen zijn, want er staat in vers 13: Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

Wat is dat Evangelie? Is dat datgene wat Maria gedaan heeft, haar daad? Nee, dat wordt niet in de eerste plaats bedoeld, maar het gaat voornamelijk over de boodschap van die stervende Christus, van Hem Die zal opstaan uit de dood, en dat voor arme, verloren zondaren, die midden in de dood liggen, dát is het Evangelie! Maar, staat er dan bij, dan zal er ook gesproken worden over de daad van Maria, hetgeen ze hier gedaan heeft; een aparte vermelding. Ze wordt eigenlijk wat geëerd, niet om haar persoon (Markus en Matthéüs noemen haar naam helemaal niet), maar ze wordt geroemd in haar geloof. Van wie heeft ze dat geloof? Van de Heere. Dat is een geschonken geloof. Het ware geloof is een gave Gods, maar ook een kracht Gods tot de zaligheid. Daar zal de Heere de eer van gaan verkrijgen.

Zo wordt het Evangelie nog verkondigd, gemeente, en wordt tot haar gedachtenis gesproken. Dan word je er steeds aan herinnerd, de een ten oordeel, de ander ten voordeel. Je kunt niet zeggen dat je dat Evangelie dus niet beluisterd hebt, en dat je nooit van dat goede werk van Maria gehoord hebt. Er is vandaag nog weer over gesproken.

 

De afkeuring van die daad door Judas en die andere discipelen, is heel pijnlijk geweest voor Maria, maar de goedkeuring van de Heere Jezus was voor haar een erekroon. Nu mag ze zijn op die plaats waar nooit meer gesproken wordt over begraven, want de dood zal daar niet zijn. Maar dan mag gezien worden op dat Lam van God, Dat Zijn bloed heeft gestort tot reiniging van al die zonden. Er mag nog tot haar gedachtenis gesproken worden.

Gemeente, de gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn (Spr.10:7). Haar liefdewerk is geen verlies geweest, nog minder dat liefdewerk van Christus, want dan is het: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19). Dan kunnen we zien op Maria, maar nog meer op dat borgwerk, want Hij heeft de volle prijs betaald, Hij heeft de hitte van Gods gramschap geblust, Hij heeft de toorn van God gestild en het graf heeft Hij geheiligd.

 

De Heere moge zo het onbekeerde maar ontdekken aan de liefdeloosheid, Hij mocht de vijandschap maar verbreken, en die onvervalste nardus in het hart gaan uitstorten. Gemeente, wat is dat nodig! De Heere zegt: Mij hebt gij niet altijd. Als de dood komt, dan zal het zijn: Had ik maar… En daarom, dat we acht mochten nemen op de prediking van zonde en genade!

Jongens en meisjes, we hebben dus gehoord van Maria die een volle fles met dure nardus uitgiet over het hoofd en de voeten van Christus. Wat blijkt daaruit? Als we iemand werkelijk liefhebben, dan heb je er alles voor over. Maar wat is het groot als mijn hart vol mag zijn van de liefde tot de Heere. Dan heb je wel een nieuw hart nodig. Vraag daar veel om, om dat nieuwe deel te mogen ontvangen, dat Hem toebehoort, om Hem te mogen aanhangen, te betrouwen en lief te hebben, van ganser harte en van gansen gemoede, met al onze krachten.

En gemeente, ach, wat moeten we leren dat we van nature zo liefdeloos zijn. Maar de Heere kan het schenken, opdat waar gaat worden wat we gezongen hebben: ‘God heb ik lief; want die getrouwe Heer’…’

En volk des Heeren, Hij is die liefde zo waardig. Dat dan in ons leven die liefde openbaar mag komen. Dan heb je wel de werking van de Geest nodig. En daarom, het gaat niet buiten de ontdekkende werking en de vertroostende en vervullende werking van de Heilige Geest om. ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!’ Dan heb je die Geest zo nodig, om die Borg te leren kennen en vervolgen te kennen, want dat is het eeuwige leven. Als dat waar mag zijn, dan gaat dat gepaard met een liefdegeur die elk ook tot liefde zal nopen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 30:3

 

Psalmzingt, Gods gunstgenoten, geeft,

Geeft lof de Heer’, Die eeuwig leeft;

Zijn vlekkeloze heiligheid

Zij ter gedachtenis verbreid;

Een ogenblik moog’ ons doen beven;

Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.