Ds. J.W. Kersten - Markus 5 : 34

De bloedvloeiende vrouw

Markus 5
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Het verlorene gevonden’ van ds. J.W. Kersten (Uitg. De Banier, 1968).

Markus 5 : 34

Markus 5
34
En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 12
Lezen : Markus 5: 21-34
Zingen : Psalm 102: 7, 11
Zingen : Psalm 6: 9
Zingen : Psalm 103: 11

Gemeente, de tekstwoorden waarbij we samen willen stilstaan, kunt u vinden in Markus 5 vers 34:

 

En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

                                                                                                                                             

Naar de leer der Schriften en naar de leer der vaderen, leggen wij de kenmerken van een nieuw leven in de geloofswerkzaamheden. Dus als u wilt weten of u ook een nieuw leven kent, dan moet u maar eens goed luisteren.

De kenmerken van het nieuwe leven liggen in de geloofsdaden. Niet in zaken die voor het geloof uitgaan. Wat zijn de zaken die voor het geloof uitgaan?

Dat zijn: beleving van ellende, de druk van de wet, benauwdheden, vrees, allerlei innerlijke bestrijdingen of donkerheden, de druk en de eis van Gods rechtvaardigheid, enzovoort.

Maar ja, die zaken kan iedereen beleven en er toch mee verloren gaan. Wat was Judas niet benauwd? Wat was Saul niet benauwd toen de dood kwam? Dus daar liggen de kenmerken van het leven niet in. Die liggen in de geloofswerkzaamheden.

Nu zegt u misschien: ‘Geloof is zulk een groot ding, dat zal ik wel niet hebben. Als het daarop aankomt, dan moet ik zeggen: Och Heere, ik heb geen geloof.’

Dit kan wel eens meevallen.

 

Wat doet het geloof eigenlijk?

Paulus zegt: ‘Het behaagde de Heere Zijn Zoon in mij te openbaren.’ 

Er is een drieërlei openbaring. Ten eerste in het Woord in het algemeen, ten tweede in de belofte, dan komt het veel dichterbij, en ten derde in de Persoon.

Die openbaring in het Woord, wat is dat dan?

Wel, dat is een openbaring aan de ziel, dat het in de natuur van God ligt om de zonden te vergeven. Dat is het allereerste waar dat dierbare geloof zich op richt en zegt: ‘Heere, het staat in Uw Woord. U zegt Zelf dat U barmhartig bent en dat U geen lust hebt in de dood van zondaren. Heere, dat blijkt in Uw Wezen te liggen. Dan kan het voor mij ook nog. U hebt Zelf geopenbaard dat U geen lust hebt om te straffen maar om zondaren wel te doen. Er staat dat bij U vergeving is opdat Gij gevreesd wordt.’

Dan leggen ze zich neer voor de alwetendheid des Heeren en krijgen ze enige hoop. Dan begint het geloof al een weinig te ritselen. Dat geloof zegt: ‘Heere, dat heb ik niet verzonnen, maar dat zegt U van Uzelf. Ach, wilt U dan ook mij mijn zonden vergeven? Als dat dan kan, zou dat dan voor mij ook kunnen?’ Daar hebt u de eerste uitgaande daad van het geloof.

 

Maar even later komen dan de overwegingen van Gods grootheid, Zijn geduchtheid, Zijn gestrengheid, Zijn majesteit, Zijn gerechtigheid, en dan storten die zielen weer terug en zeggen ze: ‘Nee, het kan nooit. O, God is zo vol majesteit en heerlijkheid, en ik ben zo goddeloos, onverbeterlijk en slecht, zo zondig en schuldig. Wat heb ik toch gedacht? Dat zal God mij vast nooit doen.’

Dan komt de openbaring in de belofte. Die belofte heeft betrekking op de Heere Jezus. De Heere zegt dan: ‘Ja zondaar, Ik ben wel rechtvaardig en Ik doe nooit één kwadrantpenning van mijn Goddelijke gerechtigheid af, maar toch kan het, want het kan in de Heere Jezus Christus, Die heeft het allemaal verdiend.’

‘O’, zegt dan dat geloof, ‘nu ga ik er iets van verstaan. Dus dan kan het tóch, Heere. Al bent U dan rechtvaardig en volstrekt heilig, maar dan kan het toch.’ Dan wordt de grond verklaard waarop God, Die heilig en rechtvaardig is, zondaren de schuld vergeven kan. Dan krijgt het geloof een beetje meer houvast, want dan zegt de Heere: ‘Op die en die grond kan het.’ En zij zeggen: ‘Dan kan het voor mij ook!’

 

De derde trap is de openbaring van de vergevende liefde Gods in de Persoon van de Middelaar. Dan wordt in de Persoon de vergeving zelf in de dadelijkheid omhelsd. Wie ooit de Persoon van de Middelaar mag omhelzen, krijgt metterdaad de schuldvergevende liefde Gods, door de toepassing van de Heilige Geest in zijn hart te ervaren. Dus eerst worden in het algemeen de ogen van het geloof ontsloten; de Heere zegt: ‘Bij Mij is vergeving.’ Dat geeft dan zoveel zoetheid en stille hoop, dat geeft van die tedere werkzaamheden. ‘Och Heere’, zeggen ze dan, ‘ik weet niet anders en ik wil niet anders, maar ik hoop alleen op U.’

Daarna volgt de ontsluiting in de belofte: dat het in Christus Gode betamelijk is dat Hij met handhaving van Zijn deugden, nochtans in het bloed des Lams zondaren kan zaligen. Dan wordt hun hart op de Middelaar gericht en de werkzaamheden gaan naar Hem uit. Zij zeggen: ‘O, maar als ik dan in Hem ben, is dat mijn enige troost in leven en sterven. Dan jaag ik daarnaar, of ik het ook grijpen mocht. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven.’

De derde trap is dat de Persoon des Middelaars door Zijn Geest intrek neemt in ons hart: ‘Zie, hier ben Ik.’ En dan zegt de kerk: ‘Mijn Heere, mijn God, mijn Bloedbruidegom. Gerechtigheid en vrede bij God, Die alle verstand te boven gaat.’ Dan komt de bevestiging van het leven, dat uit God is, in hun ziel.

Er zijn ook onderscheidene trappen in dát geloof. Er is een zwak geloof en er is een sterk geloof.

 

Waar hangt dat nu van af, of dat geloof sterk of zwak is?

Dit hangt af van de vrijmacht Gods. Hoe ver Hij die openbaringen van de vergevende liefde Gods in onze zielen heeft bekendgemaakt. Want we kunnen in het geloof nooit meer pakken dan de Heere ons geeft. Dit is een zalige afhankelijkheid. We zouden wel eens meer willen hebben, maar dat gaat niet. De Heere weet best hoe het moet. En Hij weet ook hoeveel u nodig heeft en Hij weet ook het allerbeste hoe dat kleine geloof van u geoefend moet worden. Dat gaan we nu overdenken.

 

Daar was een vrouw, die een klein korreltje geloof had, een heel klein beetje maar.

Ze was erg schuchter, en erg teruggetrokken. Erg vreesachtig. Ze sprak er nooit iets over. Ze weende maar en ze was ongelukkig en ze kon er maar niet bovenuit komen. Laten we het maar uit de geschiedenis zelf nagaan. Het is die van de bloedvloeiende vrouw.

Twaalf jaar lang is ze aan het tobben geweest. Met al dat getob werd het hoe langer hoe erger, tot haar portemonnee leeg was en ze geen geld meer had. Dus ze moest het loslaten.

Welnu, toen ze alles losgelaten had en niets meer bezat om uit te geven, toen ze finaal aan het eind was, meer dood dan levend, toen hoorde ze over Jezus. Toen heeft ze dat eens geprobeerd. En het kwam goed uit! Luister maar.

 

De Heere Jezus heeft nog nooit, zo lang Hij op aarde was – tenminste, er staat niets van beschreven in Zijn Woord – gezegd: ‘dochter’. Het was altijd: ‘Vrouw, uw zonden zijn u vergeven.’ Of: ‘Deze was een dochter Abrahams.’ Maar hier zegt de Heere Jezus tegen haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

Wat de Heere doet is niet na te rekenen. Want het gaat hier eigenlijk helemaal niet om die bloedvloeiende vrouw. Het gaat om Jaïrus. Of eigenlijk om zijn dochtertje! De Heere zou een groot wonder verrichten. Hij zal dat meisje weer uit de dood opwekken. Héél de wereld zal dat grote wonder bespreken.

Maar dan zo terloops, er tussendoor, geheel onopgemerkt, valt er uit die eeuwige onuitputtelijke zee van Zijn barmhartigheid en zondaarsliefde zomaar een druppeltje bezijden, nietwaar? Want de hoofdgeschiedenis is Zijn gang met die grote schare mensen. Ze willen eens kijken hoe Zijn gang naar het huis van Jaïrus afloopt.

 

Maar nu is er een vrouw; de Heere spreekt haar met ‘dochter’ aan. Uit het Griekse woord kunnen we opmaken dat ze nog niet zo oud was. Misschien zo’n dertig jaar. Dan is het rond haar twintigste jaar begonnen.

Die vrouw werd ziek en al haar levenskracht vloeide weg. Het was het begin van het einde. Zo was het al twaalf jaar. En maar worstelen. Ze wilde niet sterven. Ze ging alles proberen. Ze ging er alles aan ten koste leggen. Deze dokter en die dokter.

Ze ging aan het werk, die jonge vrouw, want ze besefte goed dat het niet in orde was. Als dat niet veranderde, kostte het haar leven.

Ze wilde niet sterven en ze kon niet sterven. Ze zou van háár kant alles doen, in de middellijke weg, om genezen te worden.

 

Er zijn veel mensen die niet eens weten dat ze ziek zijn. Dat is heel erg. Het allerergste wat er is. Ze doen ook niets, ze gebruiken geen middelen, en gaan niet naar een dokter.

Velen! Vooral onder ons opkomende geslacht.

Die jongens en die meisjes hebben een vreselijke kwaal. Ja, jullie allemaal!

Dat is de reuk van de dood. Uitwendig kun je kunstmatig een blos op je gezicht brengen, en de jongens kunnen dartelen als een jong veulen, maar dat zal niet baten.

Het is zo bedroevend dat jullie niet eens weten dat je door en door ziek bent; dat die dodelijke ziekte voort vreet aan je leven. Dat je straks voor God eeuwig zult wegzakken. En het is zo erg dat jullie niet eens weten wat er aan hapert. Beseften jullie het maar.

 

Deze vrouw wist het wel! Zij was er aan bekend gemaakt. En ze ging middelen gebruiken. Er zijn ook mensen die het wel weten, maar die doen alsof ze gezond zijn. Er is een soort mensen waarvan je wel eens een beetje vreesachtig wordt. Ze kunnen zo vrijmoedig over God en Goddelijke zaken praten en de grootste dingen bespreken. Maar als het erop aankomt of er enige persoonlijke beleving is van die dingen, dan stelt dat vreselijk teleur. Ze doen net of ze gezond zijn. Ze redeneren, ze maken iets mee en ze zien het zo goed liggen. Ze hebben een beschouwende kennis die indrukwekkend is en een historiëel geloof, prachtig!

Maar als je vraagt of ze ook ziek zijn, dan weten ze wel dat ze ziek zijn, maar ze voelen het niet.

Zo zijn er ook velen, die misschien denken: ‘Als ik overmorgen wakker word, ben ik ineens verlost.’ Die denken dat de zaligheid als een rijpe vrucht in de schoot valt. God moet immers de mens bekeren, en zalig worden is Gods werk, dus ik wacht maar af. Ze zijn zo akelig dood, zo lijdelijk.

Dan zeg je: ‘Heere, er moet toch wel een geweldig wonder aan hen gebeuren, anders zullen ze die lijdelijkheid in de eeuwige rampzaligheid bewenen.’

 

Er is nog nooit iemand zonder werkzaamheden naar de hemel gegaan.

U denkt misschien dat je zomaar zalig kunt worden, dat er niets hoeft te gebeuren. Nee, die vrouw is er achter gebracht. Ze werkte, weliswaar helemaal verkeerd, maar ze werkte dan toch maar, en het kwam uiteindelijk goed uit. Ze werd wel steeds zieker en al die dokters konden haar niet helpen. Integendeel. De kwaal verergerde en het heeft haar de laatste cent gekost. Werk daarom dan maar. Het kwam immers goed uit. Al was het helemaal achterstevoren.

Ja, dat kon ze zelf niet bekijken. Zij handelde maar naar het licht dat ze had. Dus ze constateerde bij zichzelf: ‘Ik ben ziek en ik moet weer beter worden. Alle middelen die ik gepast acht – meer licht heb ik niet – maar die gebruik ik. Hoe dan ook!’ Denk erom dat zij aan het werk ging.

 

Had die vrouw dan nooit van Jezus gehoord?

Ja, dat zal wel.

Waarom ging ze niet naar Jezus toe?

Ja, ze had wel van Hem gehoord en toch niet!

Dit kan zo wonderlijk zijn. Je ontmoet mensen die van binnen een slag hebben gekregen; ze zijn in hun ongeluk gezet, in hun godsgemis, en ze klagen over hun schuld. Ze beginnen te werken en te roepen tot God om bekering. Ze gaan gebukt onder hun schuld en soms weten ze geen raad met zichzelf. Dan verfoeien ze zich en ze buigen hun knieën in het stof. Ze zeggen: ‘Er is één Naam onder de hemel gegeven; de Naam van de Heere Jezus.’ Ja, ze horen het wel, en ze horen het niet.

Dat is toch eigenaardig?

Ook die vrouw hoorde wel dat er een Jezus was, Die al zoveel zieken genezen had, maar het ging totaal langs haar heen.

Kijk, en dat bedoelde ik nu in mijn voorafspraak. Het geloof richt zich op zaken die God van de hemel gaat openbaren. Want over Jezus kunt u duizendmaal horen, maar Hij is zo verborgen dat u het toch niet weet. Het is alsof je nog nooit van Hem gehoord hebt.

Wat moet u met Jezus doen? Wie is Hij? Hoe kom ik er?

 

Dus die vrouw bleef maar thuis zitten en ze ging door met die andere dokters.

Je kunt natuurlijk zeggen: ‘Dat is dom!’ Maar, doet u het dan anders? Tegenwoordig gaat het anders, dat weet ik wel. Als ze denken dat het de tijd is, dan zeggen ze: ‘Nu geloof ik ook in Jezus, mijn Zaligmaker.’ En dan zijn ze ineens gered. Het kost helemaal geen moeite. Het kost hun de portemonnee niet. Ze krijgen geen rekening thuis gestuurd; het gaat zomaar vanzelf. Makkelijk zalig worden is dat!

Maar zo ging dat bij die vrouw niet. Ja, zij deed heel erg dom. Er is maar één Dokter, Die u genezen kan. En die vraagt geen geld, niets.

Het ging zo gemakkelijk! Alleen maar Zijn kleed aanraken. Dat kostte haar geen cent. Maar ze had ook niets meer. Maar denk erom dat die andere dokters geld kostten!

 

Je begrijpt niet dat die vrouw het twaalf jaar onder die dokters heeft uitgehouden! De één zei: ‘Nu moet je dit eens slikken’, en de ander zei: ‘Nu heb ik een nieuw middel.’ Een derde zei: ‘Ik heb pas wat nieuws ontdekt.’

Maar zij sterft er aan. Weet u wat voor dokters dat zijn? Zij zeggen: ‘Uw leven moet anders worden. Want Gods volk leeft anders dan u.’ Een ander zegt: ‘U moet drie maal per dag op uw knieën gaan, want ik heb een geoefend kind van God gekend en die had zijn afzonderingen, die kroop in zijn schuurtje. Een godzalig mens.’

Ach, en die arme zielen gaan het dan ook proberen. Maar ze kunnen geen twee zuchten uit hun keel krijgen. Een ander zegt: ‘U moet zich eens anders gaan kleden. U moet uw sieraden eens afleggen, want dat klopt niet met de godsvreze.’

Nog een ander zegt: ‘Ik weet het nog veel beter! Nu moet u eens veel oude schrijvers gaan lezen en bekeringsgeschiedenissen.’ En dan komen ze met boeken aanslepen… Maar er is er niet één die op Jezus wijst!

 

Die vrouw wordt steeds maar zieker, steeds maar erger. Die stroom van bloed stopt niet. Dit mensenkind gaat er aan! Dat ziet u gebeuren. Ze wordt met de dag minder. Hoe houdt ze het twaalf jaar uit?

Het zijn prachtmensen, die dokters die zelf nooit ziek zijn geweest. Ze kunnen mooie recepten voorschrijven en flink geld rekenen, maar ze weten zelf niet wat het is. De dood voor ogen; de dood in de schoenen; onmogelijk; te moeten sterven en niet kunnen. Ze weten niet wat ‘zonde’ is. Ze weten niet wat een arm zondaarsleven voor God is.

Ze hebben het nog nooit eens in een hoek op hun knieën uitgeschreeuwd: ‘O God, kan ik ook nog zalig worden?’ Daarover weten ze niets.

Maar denk erom dat ze wel weten hoe ze u lasten kunnen opleggen, die ze zelf helemaal niet aanroeren. Daar passen ze wel voor op. Het zijn van die geneesmeesters die uit de hoogte voorschrijven en bepalen: Dit moet en dat moet, en dat deugt niet. Zo moet je leven, en u moet eens in het zwart gaan, enzovoort, enzovoort. Als de godsvreze in u openbaar kwam, dan zou u wel anders doen! Dan zou u uw huishouden wel anders inrichten en dan zou dat er niet wezen. Prachtmensen zijn dat!

 

Maar die vrouw sterft er aan. En dat is wel goed ook, want ze moet een keer sterven aan al haar andere verwachtingen.

Er is maar één Naam onder de hemel gegeven. Ja, dat is zo, maar ze kon er niets mee doen. Niemand kan iets aannemen tenzij het hem van boven gegeven wordt. Maar de Heere doet dat! Die geeft het van boven. Maar op Zijn tijd; en als die vrouw er pasklaar voor is.

Want waarom ging ze niet naar Jezus? Was ze te ziek, was ze te slecht, was ze te arm?

Ze was nog helemaal niet arm. Haar portemonnee was nog niet leeg. Dus kon ze weer een andere dokter proberen en weer een ander middeltje. Want ze had nog wat en zolang ze nog wat had, gaf ze dat uit. Ze was helemaal niet te arm. Ze begon arm te worden, maar ze was het nog niet. Ze zag het wel aankomen.

Was ze te slecht voor Jezus?

Welnee, te goed!

Was ze te ziek voor Jezus?

Welnee, te gezond!

Wat moet een mens dan met Jezus doen?

Dan probeert hij het nog met andere dokters; gesprekken met zogenaamd godzalige mensen, waar ze zoveel van verwachten, en waar ze dan hun zielennood gaan klagen. Dat kan wel goed zijn, maar als die vrouw straks naar de Heere Jezus gaat, vraagt ze heus niet om een introductie van de discipelen!

Nee, ze zegt niets. Ze zwijgt in alle talen. Ze zegt tegen niemand iets, maar ze dringt door de schare heen. Hier krijgt ze een duw. Daar krijgt ze een snauw. Ze geeft geen antwoord. Ze gaat dwars door de hele schare heen. Dwars door de kring van de discipelen dringt ze heen.

 

U hebt misschien ook eens een keer een duw gekregen, want van die grote discipelen kunt ook u een flinke duw krijgen. Zelfs die grote discipelen wisten niet wat het was om haar tot Jezus te leiden. Ze drongen soms die arme zondaren nog bij Jezus vandaan. Het is toch wel erg ook!

Het gebeurde ook wel eens anders. Andreas bijvoorbeeld vond zijn broeder Petrus, en leidde hem tot Jezus, dat was beter. Er zijn niet zoveel van die hoog bekeerde mensen die wegwijzers tot Jezus zijn. Dus daar moet je het ook niet van hebben. Als ze er zijn, dan moet je ze in ere houden. Maar er zijn niet zo veel mensen die u tot Jezus leiden. Er zijn er wel veel die maar ‘doen en laten’- en ‘dit en dat’-recepten voorschrijven en zelf maar de bekeerde man blijven! En die nooit eens zelf in hun ongeluk lopen.

Maar goed, het ging dus met die vrouw niet beter, het werd erger. Kende die vrouw Jesaja 55 dan niet? O alle gij dorstigen, komt tot de wateren (…) komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld.

Of ze die tekst gekend heeft! Maar ze wist niet wat de beoefening daarvan was.

 

Zo zijn er meer mensen. Dat zijn van die wonderlijke mensen. Als ze dat lieve Woord van God lezen, dan verstaan ze het niet. Ze vinden het wel heerlijk en ze eten het op en het is soms zo zoet. Ze besproeien dat Woord van God met hun tranen, maar ze verstaan het niet, omdat er ook nog geen plaats voor is. De Heere doet alles op Zijn tijd. Ordelijk en eenvoudig.

Ze zouden het wel willen, maar ze zeggen: ‘Zonder geld en zonder prijs, Heere, hoe moet ik dat dan doen?’ Hoe dat moet? Loslaten. Ja, maar hoe dan? ‘Leert U het me dan maar, Heere, ik weet niet hoe het moet.’

Zo zalig te worden is zo’n onbegrijpelijke zaak. Daarbij staat nu letterlijk ons verstand stil. De Heere moet ons telkens maar weer een stapje verder brengen. Dan moet Hij ons dit laten zien, dan moet Hij ons dat zeggen en ons weer iets afnemen. Zo gaat het op de weg naar de hemel.

 

Met ons verstand en historiële kennis doen we niets. Daardoor voelen we ons soms nog ongelukkiger, want dan worden we gewaar dat we met heel die beschouwende kennis de praktijk van het leven missen. Dan kun je nog veel ongelukkiger worden dan iemand die daar nog nooit iets van geweten heeft. Want zo iemand weet het soms nog beter in de dadelijkheid; veel liefderijker en veel meer ontsluitingen in het Woord, dan mensen die met een hoofd vol wijsheid en wetenschap zitten.

Het wordt met die mensen erger. Ze zeggen dan bijvoorbeeld: ‘U moet eens meer gaan bidden.’ Maar als ze dan gaan bidden, komen de zonden naar voren in al hun gruwelijkheid. Ze schrikken van hun eigen gebed.

Dan proberen ze het nog eens en de zonde raast door hun ziel heen als door een opengebroken stad, terwijl ze Gods lieve Naam aanroepen, terwijl ze op hun knieën liggen. En van schrik staan ze dan maar weer op. En ze zeggen: ‘O Heere, er is niet één zo’n beest op de wereld als ik ben.’

 

Dan krijgen ze de raad om de oude schrijvers eens meer te onderzoeken. Nu, dat doen ze met gretigheid. Weet u wat ze in die oude schrijvers lezen? Daarin lezen ze over de rechtvaardigheid en de heiligheid Gods. Maar ze lezen zich er net precies buiten. Ze dachten dat ze er beter van zouden worden. Dat het wel toegepast zou worden. Dat ze misschien op een goede dag zouden zeggen: ‘Ziezo, nu heeft de Heere mij ook bekeerd.’

De oude schrijvers onderzoeken en bekeringsgeschiedenissen lezen. Dan lezen ze een eigenschapje en zeggen ze: ‘Ja, dat ken ik ook!’ Ze lezen nog een eigenschapje en krijgen een beetje hoop. Vervolgens lezen ze vijf eigenschappen die ze missen en dan ligt alles weer ondersteboven en zeggen ze van binnen: ‘Zie je wel dat je een huichelaar bent?’ Hoe meer ze onderzoeken, hoe meer ze lezen, hoe meer ze bidden… Het gaat achteruit!

Een ander zegt: ‘Je moet veel heiliger leven en veel voorzichtiger. U moet de wereld eens loslaten en in alle eenzaamheid proberen in de godsvreze voor Zijn heilig aangezicht te wandelen.’

‘Ja, natuurlijk’, zeggen ze, ‘dat is de Heere ook eeuwig waardig.’

Ze gaan de strijd tegen de zonde aanbinden. Ze zullen dit weren en met die geen omgang meer hebben. Ze gaan daarmee twee zonden onderdrukken, maar er staan weer tien andere op. Een vreselijke opstanding van allerlei gruwelijke boosaardigheid, waarvan ze vroeger nooit hebben geweten. Ze binden de strijd aan tegen deze zonde, maar twee minuten later vallen ze in een andere. Ja, het is een hopeloos werk. Zo worden ze steeds erger. Ze blijven maar geld uitgeven, dit nog maar eens proberen en zich nog maar eens tot die plicht begeven.

 

Helaas zijn er velen die in deze stand van het leven kans zien om de stroom van bloed te stoppen. Er zijn van die dokters die door Mozes zijn onderwezen; zij hebben van die prachtige uitwendige middelen, maar die pakken de oorzaak niet aan. Die middelen nemen de oorzaak van de ziekte niet weg, maar onderdrukken alleen maar de gevolgen ervan. En dat lijkt heel wat.

Wee degenen, die langs deze weg denken verlost te zijn. Die hun benauwde geweten en dat onrustige gemoed met een beetje werkheiligheid en met een beetje plichten tot rust brengen. Dit is zo’n ontzaglijk groot gevaar; het schijnt de stroom van bloed te stoppen, maar vanbinnen werkt de dood! Dan werkt de ziekte door tot zij plotseling uitbreekt, en dan is het kwijt. De dood komt en het is afgelopen.

Voor eeuwig zakken ze weg. Ze hadden juist gedacht dat het zo goed ging. Ze hebben zich begeven in allerlei wettische en vormelijke dingen en ze hebben stipt de hand eraan gehouden. Met een beetje inspanning lukte dat aardig en toen dachten ze dat het wel gaan zou. Wee degenen die buiten Jezus rust hebben gevonden. Zij behoren bij de hypocrieten.

 

Er is één Rustaanbrenger. Zijn Naam is Jezus. Ik zal Mijn volk zalig maken van hun zonden.

De Heere Jezus zal niet toelaten dat Mozes dit doet. Waar de Heilige Geest het zaligmakende werk van overtuiging en zondekennis in beginsel heeft gewerkt, zal de Heilige Geest ook verhinderen dat een zondaar ooit tot rust komt buiten de gemeenschap met die beminnelijke Jezus. Dat zou Hem Zijn eer kosten. Dan waagt de Heilige Geest er alles aan, want Hij zal Christus verheerlijken.

Nu, dan wagen we die vrouw er ook aan. Vooruit, u bent er nog lang niet. U hebt nog genoeg geld in uw portemonnee. Kijk, u hebt dit nog, en u hebt dat nog. U hebt uw armoede nog en u hebt uw klachten nog. U hebt uw gebedjes nog, u hebt uw tranen nog.

U hebt uw zoete werkzaamheden nog, en u hebt uw verborgen bidplaatsjes nog. O, u hebt nog zoveel!

Vrouw, u bent er nog lang niet. Sterven moet u! Als u nu niet sterft in uzelf, dan is er voor een levende Jezus geen plaats. Zo komt u er niet! Dat leert de Heilige Geest.

 

Ten slotte is het zover. Dan is inderdaad alles op. Dan is zij aan het eind. Haar bloed vloeit nog steeds, en ze weet er geen raad meer mee. Bovendien moet u eens in Leviticus lezen; het is om wanhopig van te worden. Die vrouw was natuurlijk onrein en alles waar ze mee in aanraking kwam werd onrein. De stoel waar ze op zat moest gereinigd worden. Het bed waar ze op lag, de persoon met wie ze in aanraking kwam. Deze vrouw was één grote besmetting voor heel haar omgeving. Dat heeft ze ingeleefd. En Gods kinderen leven nog steeds in dat ze zelf de oorzaak zijn van al de ellende in heel hun omgeving, dat ze zelf één stuk melaatsheid zijn, die iedereen aansteekt. Zó was het met die vrouw; het was ten slotte niet meer om uit te houden. Zij was ten einde raad!

 

Laten we nu eerst zingen uit Psalm 6 vers 9:

 

De Heer’ wild’ op mijn kermen,

Zich over mij ontfermen;

Hij heeft mijn stem verhoord,

De Heer’ zal, op mijn smeken,

Geen hulp mij doen ontbreken;

Hij houdt getrouw Zijn woord.

 

Gemeente, vervolgens staat er in ons tekstgedeelte: Deze van Jezus horende (vers 27). Over Hem had ze al zo dikwijls gehoord, maar nu hoorde ze het pas goed. De Heere opende het hart van Lydia. Toen ging ze acht nemen en toen hoorde ze dat er een Jezus was.

De vrouw uit onze tekst kreeg toch zo’n krediet voor Jezus. Ze dacht: ‘Maar Hij kan me genezen. Dat weet ik zeker. Of Hij het doen wil weet ik niet, maar dát ga ik proberen.’ Met loslating van alles, en met een lege portemonnee. Ze dacht helemaal niet: ‘Wat moet ik betalen?’ Ze redeneerde niet. Gelukkig niet. Ze zei tegen niemand iets, maar ze nam het vaste besluit om te gaan. En ze gaat.

Ze heeft een paar magere handjes en een uitgemergeld gezicht, een paar holle ogen en een lichaam waar geen vlees meer aan zit. En zo, meer dood dan levend, wankelend, zo dringt ze naar Jezus toe.

 

Waar haalt toch die vrouw de kracht vandaan? Ze had er wel onder kunnen bezwijken. Maar nee, het is dat onbegrijpelijke, onverklaarbare drijven van de Heilige Geest. Dat kunnen we zelf niet verklaren. Dan worden we in een weg gebracht waarvan we zeggen: ‘Nu weten we het niet meer.’

We kunnen er geen naam aan geven. We kunnen het niet op z’n plaats krijgen. Onwederstandelijk worden we getrokken door de Geest van Christus als dat uur van het eeuwig welbehagen is aangebroken. De Heere trekt die vrouw dwars door alles heen.

Zo gaat die vrouw naar Jezus toe. Ze zegt tegen niemand iets. Ook niet tegen de discipelen. Ze zegt niet: ‘Breng me bij Jezus.’ Ze heeft niemand meer nodig. Ze heeft ook geen geld bij zich. Ze heeft geen gebed meer. Ze kan niet eens meer zeggen hoe ziek ze is. Ze gaat zomaar naar Jezus toe en ze zegt bij zichzelf: ‘Ik heb niet veel nodig. Als ik Hem alleen maar even aanraken mag. Dit hoeft geen mens te weten, dat vertel ik tegen niemand. Ik probeer Hem alleen maar even met m’n vinger aan te raken. En dan weet ik zeker dat ik genezen zal zijn.’

 

Wat een geloof heeft die vrouw! Zij redeneert niet meer: ‘Zou ik wel… zou ik niet?’ Als ze nu aan het redeneren gegaan was, dan had ze het vast niet gedaan. Want die binnenpraters zouden gezegd hebben: ‘Wat denkt u wel? Het is met u veel te erg. U mag trouwens niet eens, u bent onrein. U mag niet eens bij die schare komen. U besmet de hele boel. Moet u, met uw ongelukkige lichaam en uw goddeloze bestaan, moet u naar Jezus toe? U wilt eens kijken Wie Hij is? Hoe durft u? Dat kan nooit. Hij zal u dood bliksemen met Zijn gerechtigheid.’

Nee, ze redeneerde niet, maar ze ging, en ze wist zelf niet waarom, maar ze ging. Hoe het dan af zou lopen zou ze wel zien, maar als er één mogelijkheid was, dan was Hij het.

Dat eindeloze krediet dat ze voor Jezus had, stond bovenaan. Al zou het dan sterven worden, ze zou toch zeggen: ‘Heere Jezus, U bent mijn enige hoop. Ik wil niets anders meer en ik heb niets anders meer en ik zie niemand anders meer dan U alleen. Zoveel krediet heb ik voor U. Gij kunt en Gij wilt en Gij zult in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.’

En zo doet ze. Met zo’n magere vinger raakt ze de zoom van Jezus’ kleed aan. Ja, want de kracht ligt niet in die vinger, maar de kracht ligt in Jezus. De kracht ligt niet in haar lichaam, maar in Jezus. De kracht ligt niet in het geloof, maar in de Geest van het geloof.

 

En het wonder gebeurde! Uitgemergeld, op het punt om te bezwijken, was ze door de schare heen gedrongen en raakte ze de zoom van Zijn kleed aan. Zomaar eventjes… En er ging zo’n wonderlijke kracht van uit. Ineens veranderde alles van binnen. Ze voelde de vloed van de Goddelijke, genezende kracht in zich opkomen en aanwassen.

Zo werd dat mensenkind gesterkt en toen ging ze er stil weer vandoor. Begrijpt u dat nu? Ja, deze vrouw had te veel geleden, en bovendien, wat moest ze zeggen? Ze kon toch niet zeggen hoe ellendig en hoe ziek ze geweest was. Ze kon ook niet zeggen of verklaren hoe het gegaan was. Ze was gezond geworden. Dat voelde ze, maar ze dacht: ‘Ik ga stilletjes naar huis. Ik ga het maar overdenken. Ik wil geen mensen meer zien. Ik moet dat in mijn eigen hart meenemen en maar niet praten en maar geen verslag doen. En ik hoop maar dat ze me niets vragen.’

 

Dus daarom ging ze er maar vandoor. Want het zijn van die schuchtere zielen, van die arme wezens. Ze hebben te veel klappen gehad. Ze zeggen: ‘Ik doe mijn mond niet meer open, maar ik ga stil thuis Zijn lieve Naam eens noemen en stilletjes maar in mijn bed liggen of in een hoekje zitten. Of ik ga maar stilletjes eens mijn knieën buigen en dan ga ik het tegen Hem zeggen. Alles tegen Hem zeggen. Hoe lief ik Hem heb, en hoe zoet Hij voor mijn ziel is, en hoe ellendig ik was, en hoe boos en schuldig mijn hart was, en hoeveel ik van Hem houd. Dan ga ik tegen Hem alles klagen, en ik ga maar stil tot Hem wat bidden. Ik heb verder geen mens meer nodig. Ik heb aan Hem genoeg.’

 

Ze wilde geen mensen meer zien. Gauw ervandoor, want al die hoge mensen! Bovendien, Jezus heeft zoveel haast; Hij is op weg naar Jaïrus, en wie ben ik tenslotte? Die Jaïrus, dat is een groot kind van God, die veel oefeningen kent… Zwijgen maar, niets zeggen. ‘t Is toch met jou niets.

O ja, ze is wel gezond en die ziekte kwam niet meer terug. ‘t Is wel anders dan vroeger. Dat wist ze wel. Maar weet u wat ze ook miste? De bevestiging van het werk Gods in haar ziel. De Heere kan Zijn volk zulke kostelijke dingen leren en Hij kan ze de genezende kracht uit de Heere Jezus door Zijn lieve Geest zó doen gevoelen, dat ze het niet durven ontkennen. Die blinde zei immers ook: Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie (Joh.9:25). Dat kunnen ze niet ontkennen. Het is heel anders dan vroeger.

 

En dan die verborgen omgang met de Heere. ‘Laat mij nu maar stil in een hoekje zitten. Bemoei u nu maar niet met me. Laat mij nu mijn eigen leven maar leven. Ik wens geen verslag te doen; ik kan het trouwens ook niet. Val me toch niet lastig; verlos mij, Heere, van ‘s mensen overlast.’ Weet u wat ze willen? Ze willen langs een omwegje naar de hemel toe. Niet de openbare weg. Niets zeggen, want dan zegt de duivel: ‘Houd je mond toch.’

De duivel kon hun gezondheid niet verhinderen. Maar wel zegt hij: ‘Och mens, moet u eens naar die kijken en naar die. Het is toch niets met u. Dus houd nu uw mond maar, want misschien komt het nog wel een keer terug. Pas maar op!’

Ze dacht: ‘Ik ben er nog niet. ‘t Is wel groot, Heere. Hartelijk bedankt, en wat zijt Ge toch goed en wat is het toch wonderlijk; en mijn ziel, maak Hem toch groot.’

‘Nee’, zegt de duivel, ‘stop maar. Niet te hoog zingen nog, want wie weet wat er straks nog gebeurt. Ga eerst maar naar huis en ga eerst maar bij Hem vandaan. Er kan nog heel wat gebeuren!’

Nu, er is veel gebeurd, maar ze kan het toch niet zeggen. En ze wil het ook niet zeggen. Ze kan er geen duidelijk beeld van krijgen. Ze heeft er geen licht over. En dan gaat ze weer tussen de mensen door.

 

Maar dan grijpt Jezus in. Weet u wat er nu gebeurt? Wel, dergelijke schuchtere zielen, die maar graag hun mond houden, gaat de Heere Jezus nu niet vertroetelen. En mensen die verborgen willen blijven, trekt Hij in het openbaar. Er zijn van die mensen met zo’n trompet; ze lopen te redeneren en te praten en hun bekering te vertellen. Die mensen trekt de Heere in een hoek. Zij gaan als een nachtkaarsje uit.

De verlegenen en de schuchteren denken: ‘Ik zeg nooit meer wat.’ Maar de Heere gaat hen roepen en zegt: ‘Komt u eens hier, want het gaat toch niet om u, om uw genezing en om stilletjes maar de gezondheid weg te stelen. En dan in uw eentje te genieten. Daar gaat het toch niet om? Het gaat toch om Mij, om Mijn eer en Mijn Naam?’

Zo ging het dus niet. De Heere Jezus kijkt die vrouw na. Ze voelt zich betrapt en ze beeft over heel haar lichaam. Och, wat zou er nu gebeuren? De Heere kijkt haar aan. Hij zegt: ‘Er is kracht van Mij uitgegaan.’ Och ja, die discipelen met hun grote mond weten er direct raad op. ‘Maar, Heere Jezus’, zeggen ze, ‘de hele schare verdringt U. Wie zou U niet aangeraakt hebben?’

Ze zeggen tegen hun Meester: ‘Wat spreekt U toch rare dingen: wie heeft Mij aangeraakt?’ ‘Nee’, zegt de Heere Jezus, ‘iemand heeft me aangeraakt.’ Ja, er zijn er honderden die Hem aanraken en er gebeurt niets. ‘Eén heeft me aangeraakt’, zegt Hij, ‘en er is kracht van Mij uitgegaan.’

En die vrouw keert terug. Ze valt voor Zijn voeten neer en ze zegt Hem de hele waarheid. Alles. Wie ze was, en wat ze gedaan had. De vrouw heeft er niet veel woorden voor nodig gehad. Ze zei de hele waarheid.

Misschien heeft ze niet één woord hoeven te zeggen. ‘Die al uw krankheden kent en ze liefderijk geneest.’ U kunt zonder woorden naar de Heere Jezus komen. Legt u maar neer, want Hij weet het en Hij laat het ook merken dat Hij het weet. ‘Die al uw krankheden kent…’ Hij kent ze! Want Hij is gekomen als een medelijdende Hogepriester, Die in alles verzocht is, gelijk als wij.

Daar ligt de vrouw. Ze is betrapt en Hij zegt: ‘Wat is u dierbaarder, arm schepsel, Mijn eer of uw gezondheid? Ik moet er ook wat van hebben. Waar blijft gij met uw dankbaarheid?’

En ze beeft en zegt: ‘Heere, nu ben ik nog een eerrover Gods ook. Ach Heere, genees me alstublieft, genees me nu grondig, helemaal, want ik ben nog veel zieker dan ik dacht.’

Zo buigt ze dan aan Zijn voeten – ten dode of ten leven - maar Hem kan ze niet meer missen. Ze legt zich in verwondering aan Zijn voeten, en ze eigent haar schuld. Ze zegt: ‘Och Heere, daar moet ook nog verzoening over gedaan worden. Ik had moeten spreken en nu ga ik zwijgen. Alleen al om mijn zwijgen heb ik de dood verdiend.’

Ja, de wereld weet niet wat zonden zijn, maar Gods kinderen worden erop betrapt. ‘Met het hart gelooft men en met de mond belijdt men ter zaligheid.’

 

Hier zijn zeker ook van die zwijgers, die vooral niet praten, en zeker nooit zeggen: ‘Komt, luistert toe, gij godsgezinden, wat de Heere aan mijn ziel gedaan heeft.’

‘Nee, straks, dan zal ik eeuwig zingen’, zeggen ze, ‘maar hier zeg ik geen woord.’

Maar de Heere zegt: ‘Dat zal toch eens een keer gebeuren. Want eerder zullen de stenen spreken, dan dat dezen zwijgen. Ik heb Mij een volk geformeerd dat Mijn lof zal verkondigen. In de hemel, maar hier ook.’ De mond gaat open. En dat gaat dan dwars door alles heen. Daar zal Hij wel voor zorgen.

 

Daar staat die hele schare en dan wordt die vrouw ten aanschouwe van al die mensen neergezet als een toonbeeld van Zijn Goddelijke barmhartigheid.

Het is om Jezus te doen, om Zijn Naam, om Zijn eer. Het gaat niet om die vrouw. Die vrouw valt voor Hem neer en zegt Hem de gehele waarheid.

De Heere schiet een straal van Zijn alwetendheid door ons hart en we behoeven al niets meer te zeggen. ‘Ik leg voor Uw oog mijn hart en wandel bloot.’ Het is in een ogenblik gebeurd. Gij weet alle dingen, zegt Simon Petrus, Gij weet dat ik U liefheb (Joh.21:17).

Daar hebben al die verlorenen geloofd dat Hij de hartenkenner is en de proever van de nieren. Dat is een zalig werk! ‘Heere, kijk er maar in, U mag alles zien, mijn zonden, mijn goddeloosheid, alles wat er niet deugt. Heere, U mag alles zien. Maar als er dan ook nog iets van U bij is, versterk dan hetgeen Gij hebt gewrocht. En verlaat dan niet wat Uw hand begon. O Levensbron, wil bijstand zenden.’

 

Dan gaat de Heere Zijn eigen werk bevestigen. Hij zegt tot die vrouw: ‘dochter’. Een lief woord; een heel zacht woord. Dochter, uw geloof heeft u behouden. Mijn geloof? Ze zegt: ‘Heere, ik heb niets gedaan; U hebt alles gedaan.’ ‘Ja’, zegt Hij, ‘dat is geloof! Dat is het nu net.’ ‘Ja Heere’, zegt ze, ‘maar dan is er van mij toch niets bij?’ ‘Nee, dat is ook zo, er is ook niets van u bij, het is van Mij.’ ‘Wel, Heere, dan zijt Gij er des te groter om, des te heerlijker.’ En de vrede Gods daalt in haar ziel af.

‘Ja’, zegt de Heere Jezus, ‘hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat gij vrucht draagt. Uw vrucht is uit Mij gevonden.’

 

O, nu begrijpt die vrouw het en ze zegt: ‘Heere Jezus, laat me dan in U blijven, groeien en bloeien. Gij zijt de ware Wijnstok.’

Wat een blijdschap! Die God is onze zaligheid. Door het bloed des kruises gewassen, gereinigd en genezen. Die al uw krankheden kent en die ook liefderijk geneest. Die van het verderf uw leven wil verschonen, met goedheid en barmhartigheid u kronen, Die in de nood uw Redder is geweest. En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

 

Ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

Dat was ze toch al? Ja, maar nu weet ze dat de kwaal niet meer terugkomt. Haar vrees is weg, haar wankelmoedigheid is weg. Dit is de bevestiging van Zijn eigen werk. God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is (Ps.62:12).

 

De Heere kan wel eens wat doen in ons hart, maar als het licht er niet over opgegaan is, dan loopt u rond met de vraag: ‘Zou het wel waar zijn? Straks is het toch weer voorbij. Ik vrees dat ik weer ziek zal worden. Het zal wel niet bestendig zijn. Ik val straks weer terug in mijn schuld, mijn zonde en mijn boosheid.’

Zo tobben ze maar een eind weg en gaan er stil vandoor. Ze zeggen tegen niemand iets. Ze halen de buit wel eens binnen en als ze dan uit de kerk komen, zien ze maar liever geen mensen. Ze gaan maar het liefst gauw naar huis en een uurtje stil zitten. En dan liever maar geen mens zien en geen mens spreken.

Wat moeten ze eigenlijk zeggen? Er valt niets te spreken, want ze kunnen het niet verklaren. Ze weten niet waar het vandaan komt. Ze weten niet waartoe het strekken zal. Ze zijn bang dat het weer over zal gaan. Dus maar niets zeggen en er stil vandoor gaan.

Maar zalig zijn zij, die de Heere Jezus eens voor het voetlicht roept. Want: Die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth.10:32).

 

Zijn hier ook van die stumpers, die zo ellendig zijn en zo ziek zijn? Die zoveel klappen hebben gehad en niets meer kunnen zeggen? Ze zijn wel genezen, dat voelen ze wel, maar ze zijn zo bevreesd dat het niet zo blijven zal. Ze zijn toch zo bang en ze willen maar in de eenzaamheid zijn, want dan kunnen ze nog eens wenen en kunnen ze nog eens alles stilletjes zeggen tegen de Heere.

Je zou eens moeten weten wat die eenzamen in de oren des Heeren fluisteren. Daar komt niemand achter, dat weet de Heere alleen. ‘Ik heb al uw tranen in Mijn fles vergaard’, zegt Hij.

Dat eenzame leven met de Heere, dat is een zalig leven. Maar het moet ook eens een keer openbaar worden, want het gaat om Zijn eer. En Hij zal een keer uw mond openbreken.

Misschien zijn er wel die als laatste redmiddel het sacrament hebben gebruikt. Portemonnee leeg, hun hele leven leeg, en midden in de dood liggen. Ze gevoelden enige geneeskracht, maar het was zo weer weg, en de bestrijdingen en de beschuldigingen werden des te groter. De bevestiging wordt gemist. De zaken kunnen in uw hart verheerlijkt zijn door de Heilige Geest, maar als je er geen licht over hebt, dan blijf je er maar over tobben. Je zucht maar wat en je laat je tranen eens gaan, je zoekt dit en je probeert dat.

De Heere riep die vrouw terug. Dat was een zalig ogenblik. Hij heeft toen Zijn Goddelijk werk duidelijk en helder in haar ziel bevestigd. En Hij gaf er het geloof bij, zodat die vrouw het omhelzen mocht en zeggen kon: ‘Maar nu weet ik het! Vraag me nu maar, want ik heb het uit Zijn eigen mond gehoord. Ik weet Wie de Persoon is, Die het gedaan heeft. In Hem is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke rots, mijn tegenweer, Hij is een toevlucht in het lijden.’

 

‘Vertrouw op Hem, o volk, in smart. Stort voor Hem uit uw ganse hart. God is een toevlucht te allen tijde.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103:11

 

Looft, looft de Heer’, gij Zijne legerscharen,

Wier lust het is, op Zijnen wenk te staren.

Dat hemel, aard’, en zee, en berg, en dal,

Hoe ver men ook Zijn scepter ziet regeren,

Nu Zijnen naam en grote deugden eren;

En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Het verlorene gevonden’ van ds. J.W. Kersten (Uitg. De Banier, 1968).