Ds. L. Huisman - Filippenzen 3 : 10 - 11

Onderwerp

De begeerte van Paulus om op te wassen in de genade
De kennis van Christus
De opstandingskracht van Christus
De begeerte om te komen tot de wederopstanding der doden
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).

Filippenzen 3 : 10 - 11

Filippenzen 3
10
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;
11
Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1, 2
Lezen : Filippenzen 3
Zingen : Psalm 56: 5, 6
Zingen : Psalm 119: 7
Zingen : Psalm 138: 4

Geliefden, het Woord van de Heere, dat ik u wil verkondigen, kunt u vinden in Filippenzen 3, en daarvan de verzen 10 en 11:

 

Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

 

Deze tekst spreekt ons van: De begeerte van Paulus om op te wassen in de genade.

 

Deze opwas is gelegen in:

1. De kennis van Christus

2. De opstandingskracht van Christus

3. De begeerte om te komen tot de wederopstanding der doden

 

Geliefden, het is goed dat wij in deze dagen tussen het paasfeest en de hemelvaart van onze Heere Jezus Christus in het bijzonder stilstaan bij het feit, de betekenis en de kracht van de opstanding van Christus.

In Romeinen 8 staat dat Christus gestorven is voor de zonde; en dan staat er achter: Ja, wat meer is: Die ook opgewekt is. Die opwekking van Christus was de Vaderlijke vrijspraak van Christus. Daarin heeft God, de heilige en rechtvaardige God, aan ons laten zien dat de schuld van Zijn volk uit Zijn boek is gedaan, en bevestigt Hij ons dat Hij nooit meer in gramschap met ons zal handelen. De opstanding van Christus was dus de goddelijke handtekening onder de rekening die door Christus voldaan is door Zijn bitter lijden en sterven.

 

Vanaf de catechisatie weten wij het al: er moesten twee dingen gebeuren om de hemel voor ons weer te openen. In de eerste plaats moest de gemaakte schuld worden verzoend, worden weggenomen, worden betaald, of hoe men het ook noemen wil. Die schuld moest worden weggedaan. Maar om het eeuwige leven te verkrijgen, moest ook de wet, die God ons gezet heeft en die krachteloos geworden is door de zonde, volbracht worden. Wij konden en wij wilden het niet meer. Wij zijn eerst onwillig geweest om het te doen, en door onze onwil zijn we ook onmachtig geworden.

Ook al zouden wij het nu willen, dan zouden wij het niet meer kunnen, omdat wij door de zonde zó gedeformeerd zijn, zó totaal van onze plaats geraakt, zó compleet anders geworden dan wij waren, dat wij tot in eeuwigheid zouden voorttobben en er nog niets van zouden terecht brengen, laat staan dat wij het zouden willen!

 

En nu heeft Gód het gedaan! Dat is het onbegrijpelijke van het Evangelie! En het is mij altijd weer tot verwondering als ik het Evangelie aan de heidenen breng: dat ze dit niet weten.

Wij weten het natuurlijk wel, al is het nog maar de vraag óf wij het weten, maar wij hebben het altijd gehoord en wij zijn er zo aan gewoon geworden, dat het ons niet eens meer in verwondering brengt. Maar het is altijd weer opnieuw een wonder dat we tegenover de heidense praktijken een Evangelie mogen brengen dat tegen de mensen zegt: ‘Mensen, luister goed: Gód heeft het gedaan! Daar is bij God wat goedgemaakt, daar is bij God wat verzoend, daar is bij God door Hem een weg gebaand voor u, heel speciaal voor u, die het Evangelie van Gods genade hoort!’

 

Datgene wat wij niet willen en niet kunnen, heeft God gedaan in Jezus Christus! Toen Christus Zich gegeven heeft om aan die beide eisen van God te voldoen, heeft Hij het werk volvoerd en aan het kruis uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Voor God, maar óók voor ons. God was tevreden. De engelen in Efratha’s velden hebben gezongen: ‘Daar is weer eer voor God. Nu kan er weer vrede komen op de aarde.’ Dat heeft God bevestigd en dat genade-evangelie heeft Hij laten prediken tot aan de einden der aarde. Dat Evangelie is ook het enige dat ons tot bekering kan brengen.

Nooit zal iets anders ons hart aan God verbinden, nooit! Predik de dood aan de overtreder van de wet, zoveel u kunt. Predik het leven aan de dader van de wet, zoveel u kunt. U krijgt hoogstens een farizeërsbekering of een Kaïnsberouw. Meer is er uit de wet niet te putten, omdat de wet ons niet de weg naar Christus wijst. De wet zegt alleen: u kunt het niet, u wilt het niet en als u het niet wilt, zult u sterven. Dat is het enige!

Maar nu heeft God door die onbegrijpelijke liefde, die in Hem is, die Hij is – God is liefde – die genade aan ons geopenbaard; een weg van verlossing uitgedacht en aan ons voorgesteld! Ook geeft Hij bij de prediking van Zijn Woord de kracht van Zijn Geest, zodat doden de stem van de Zoon van God zullen horen. Als je eenmaal in je leven gezien hebt en ervaren hebt dat dat je redding is, dan begrijp je wat Paulus zegt: ‘Ik wil nooit meer anders preken! lk heb geen andere boodschap!’

 

Niet dat Paulus altijd zo gedacht heeft. Hij weet dat vanuit zijn eigen leven; hij is er doorheen gekropen. Hij weet vanuit het diepst van zijn ziel wat het is om door niets anders dan uit genade zalig te worden. Hij heeft zich vanaf zijn jongensjaren ingespannen om goed te doen voor God en hij was zo ijverig dat hij de dienaren van God – de kinderen van de Heere – gegrepen en naar de gevangenis gesleept heeft. Hij heeft ze geslagen en gezegd: ‘Vloeken zul je de naam van Jezus!’ Hij meende daarmee God een dienst te doen. Fanatiek tot in de toppen van zijn vingers, omdat het hem ging om de eer van zijn God, om de wet van zijn God en daarbij ten diepste om zijn eigen leven! Dáárom was hij zo ijverig. Dáárom heeft hij gedaan wat hij gedaan heeft. Zo hoopte hij de hemel binnen te stevenen. Zo dacht hij dat God al zijn werken zou vergaderen als een schat en dat hij straks op grond van die deugdzaamheid en trouw aan het Woord en van die ijver voor God een ereplaats zou krijgen in Abrahams schoot.

Tót op die ure – u weet het natuurlijk – dat God hem op de weg naar Damascus liet zien dat hij een grote mislukking was met alles wat hij voor God gedaan had. Erger nog: dat hij een vijand was van de weg der zaligheid, zoals God die van het paradijs af verkondigd had.

Maar toen is hij dan ook radicaal in zijn leven omgedraaid. Daar heeft hij geen jaren over hoeven te doen. God heeft hem duidelijk en helder in een paar dagen tijd laten zien wat de weg van de verlossing was. Wat die weg wel was!

Toen heeft hij met een nooit verstervende liefde zijn Borg en Zaligmaker lief gekregen. Toen is er een relatie ontstaan tussen hem en Jezus; een relatie die zelfs door de dood, door banden, door gevangenis, door valse broeders en door alles wat hem in zijn leven overkomen is, niet uitgedoofd kon worden, laat staan uitgeblust.

 

Nu zien wij Paulus aan het eind van zijn leven in de gevangenis zitten. Hij heeft bijna niemand meer overgehouden. Hij schrijft in het negentiende en twintigste vers van het tweede hoofdstuk aan de Filippenzen dat hij Timotheüs zal sturen tot een vertroosting: Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is – dus die van eenzelfde instelling is, die hetzelfde denkt – dewelke oprech­telijk uw zaken zal bezorgen. Vervolgens zegt hij: Want zij zoeken allen het hunne en niet hetgeen van Christus Jezus is.

Dat waren nota bene zijn broeders! Hij had niemand meer overgehouden dan Timotheüs en daarom zegt hij: ‘Ik zal Timotheüs tot u sturen, want hij heeft een oprecht gemoed. Hij denkt zoals ik denk. Dat heeft hij ook van Jezus geleerd.’

Verder zegt hij: ‘Ik heb niemand. Ze zoeken allemaal hun eigen naam. Zij zoeken allemaal hetgeen van henzelf is. Ze zoeken er beter van te worden, maar zij zoeken niet hetgeen van Christus Jezus is.’

Moet u eens indenken hoe beroerd – en dan bedoel ik het in de echte zin van het woord – hoe beroerd hij zich daar gevoeld moet hebben tot in zijn hele wezen! Daar zit hij in de gevangenis. Een dienstknecht van God. Een verkorene van de Heere, van wie de Heere gezegd heeft: ‘Ik heb je uitgekozen om een licht te zijn voor de heidenen.’ En als hij er dan even uitgehaald wordt, staat hij met een ketting geklonken aan een soldaat, maar mag hij nog zeggen: ‘Ik ben een gezant van God in een keten.’ Dat is Paulus!

 

Mensen, laten wij dan toch nooit meer tobben! Dan is óns kruis maar licht! Dan hebben we het uiterste van het kruis nog niet gedragen. En wat doet Paulus? Murmureert hij over de weg van God? Vindt hij het spijtig dat het allemaal zo gelopen is? Roept hij de hele wereld op om hem te beklagen? Nee, geliefden! Zelfs in de gevangenis heeft hij maar één doel: dat de Heere verheerlijkt worde.

Hij pakt zijn pen en schrijft brief na brief, opdat de gemeenten toch zullen volharden in het aangenomen geloof, dat ze toch staande zullen blijven in de kwade dag.

Hij waarschuwt tegen de verleiders. Hij zegt in ons hoofdstuk: Voorts, mijn broeders, verblijdt u in de Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig en het is u zeker. Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding (vers 1 en 2).

Hier heeft hij het over leraars die leerden waar hij de dood in gezien had, die leerden waarvan God hem afgebracht had. Hier bedoelt hij de leraars die hun hoorders als met een ijzeren zweep sloegen naar de wet. Lerende gebod op gebod en regel op regel. Die de mensen op zichzelf terugwierpen. Die altijd weer zeggen dat een mens eerst zús moet zijn of eerst zó moet worden, vóór God eraan te pas komt. Want er moet toch eerst plaatsgemaakt worden voor Jezus Christus? Er moet toch eerst plaatsgemaakt worden voor het genadewerk van God?

 

Maar, geliefden, wie of wat zal er in uw leven plaatsmaken voor God en voor Jezus Christus? Wie denkt u dat dit doen zal? Kunt u het zelf? Bent u zo dwaas dat u meent ooit geschikt te worden om genade te ontvangen? Hebt u zo weinig van onze gereformeerde godsdienst geleerd, dat u denkt dat er ooit een moment in uw leven zal komen dat uw berouw – of uw kennis van de zonde of hoe u het ook noemen wilt – diep genoeg zal zijn om het voorwerp van Gods ontferming te worden? Als u zó denkt, dan bent u nog niet écht gereformeerd! Dan bent u geen christen, dan bent u geen ware gelovige!

Wie zal u moeten voorbereiden tot het ontvangen van de genade of – met andere woorden – tot de kennis van Jezus Christus? Wie zal dat nu moeten doen? Denkt u eens echt na.

-          Zelf kunt het niet, al wordt u tweehonderd jaar oud.

-          Kan de duivel het doen door je benauwd te maken, door je de vlammen van de hel voor te stellen? Is er op aarde ooit één mens geweest, die door het bedenken van de straf op de zonde God heeft lief gekregen? Laat hem opstaan! Er is niemand! Dat kan ook niet, want de wet werkt toorn. Daarmee kom je steeds verder van God af; dan word je steeds duivelser op God.

-          Kunnen de heilige engelen het? Nee! Ze hebben geen boodschap van God gekregen om mensenharten te verbreken.

-          Wie zal het dan doen? Een rechtvaardige God? God de Vader? Hij is buiten Christus een verterend vuur en een eeuwige gloed. Wee de mens die in het binnenste heiligdom tracht binnen te gaan zonder het bloed!

Wie blijft er dan over? Wel, Hij Die door God gegeven is en Die van Zichzelf getuigt: Ik ben de Weg, Ik ben de Waarheid, Ik ben het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6). Hij is het van Wie de Vader getuigd heeft: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! (Matth.17:5).

 

Geliefden, het is waar, er moet in ons hart plaats gemaakt worden voor Jezus. Maar daarvoor moeten wij bij Jezus zijn! Hij is de Enige Die het wil en Die het kan, Die de opdracht daartoe van God ontvangen heeft. Dat heeft Paulus geleerd en dat heeft Timotheüs geleerd en van dat leerstuk zijn ze niet af te brengen. Paulus noemt al degenen die een ander evangelie brengen honden, kwade arbeiders, mensen van de versnijding, kortom: valse leraars. Hij zegt: Want wij zijn de besnijding, wij, die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen (vers 3). Dus niet in ons vlees waardoor wij menen onszelf een geschikt voorwerp te kunnen maken voor de genade van God.

En dan spreekt hij verder in dit hoofdstuk van deze genade, die hem gegeven is, in welke hij roemt, als hij zegt: Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht (vers 7).

Erskine gaat er ook heel ver in, als hij daarover spreekt. Hij spreekt niet alleen over de zonde, die we wegdoen om Christus’ wil, maar ook over onze onderhouding van Gods wet zonder dat het uit een reine liefde tot Christus is.

 

Alle dingen schade geacht! Hetgeen mij gewin was, mijn gerechtigheid voor God, datgene waarop ik mijn hoop stelde, de verbrijzeling van mijn hart, de zoete tranen van mijn berouw, het hartelijk vluchten tot God, alles heb ik om Christus’ wil schade geacht. Geliefden, die gerechtigheid van Christus moeten we goed zien! Die gerechtigheid van Christus is zó groot, dat God in dit ogenblik een onbekeerd mens zo tot Zijn eeuwige gemeenschap kan opnemen om Christus’ wil, en hem in het sterven, in het opnemen tot Zijn troon, met de gerechtigheid van Christus bekleedt. Ik bedoel er dit mee te zeggen: de gerechtigheid van Christus is zó volmaakt voor God, dat God ons zelfs zonder enige traan van onze kant, zonder enige schuldbelijdenis van onze kant, zonder enige verbrijzeling van het hart van onze kant, zó – om Christus’ wil – in Zijn eeuwige gelukzaligheid kan opnemen.

 

Dat God dat niet doet, is een andere zaak. Hoewel God ook kinderen zo in de hemel opneemt, die jong sterven, zonder dat zij bewust enige zondekennis of genadekennis hebben verkregen, spreek ik nu tot de volwassenen.

Uiteraard spreek ik ook tot de kinderen, maar ik bedoel dat het de wil van God is dat degenen die kunnen denken, die verstand gekregen hebben, zich hier op aarde bekeren, droefheid over de zonde werken, verlangen naar verlossing, worstelen om tot het Licht te komen en geloven in Christus Jezus. Dat leert Hij ons hier op aarde, vijf, tien, twintig of tachtig jaar lang. Zo wil God het. Maar zo hoeft God het krachtens het offer van Christus niet te doen.

Dat moet u nu, vóór alle dingen, eens goed onthouden! Anders blijven we altijd maar tobben. Er zitten onder ons zoveel mensen die gevangen zitten en tobben en zeggen: ‘Ja, ik zal geloven dat God me genadig wil zijn, als ik dan eerst maar eens meer van mijn zonde voelde en als ik dan eerst maar eens plat in het stof voor God terechtkwam en als ik dan eerst maar eens als een radeloze over de wereld ging…’ Maar zo zijn we bezig om ons geschikt te maken door onszelf, buiten het Evangelie van Gods genade om. Want alleen de genade maakt ons geschikt! Alleen het heil van God maakt ons bekwaam om datgene te hebben wat God van ons eist!

 

Dat heeft Paulus doorzien. Daarom zegt hij: ‘Ik acht het allemaal als niets! Ja, erger, ik acht het schade en drek, om de uitnemendheid van de kennis van Christus. Het is niet alleen niets waard, maar het schaadt ook mijn gemeenschap met God. Het schaadt de lofverheffing, het schaadt de liefde. Want het is door U, door U alleen!’ Ik acht alle dingen, zegt hij, schade en drek, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof (vers 9).

Het gaat om de rechtvaardigheid van de Opgestane. Daarmee zijn we bij onze tekst teruggekeerd. De rechtvaardigheid van de Opgestane. Daar heeft God Christus gerechtvaardigd. God heeft tegen Christus gezegd: ‘Ik zet er Mijn handtekening onder. Het is genoeg wat U gedaan hebt.’

Nu mogen zondaren komen: klein en groot, jong en oud. Ze mogen én kunnen komen, want het voorhangsel is gescheurd. God is verzoend, de vrede op de aarde is hersteld. Nu komt het Woord van God tot ons: Grimmigheid is bij Mij niet (Jes.27:4). Het gaat om de rechtvaardigheid die uit God is.

 

En dan zegt Paulus van zichzelf: Opdat ik Hem kenne. Natuurlijk, het was al meer dan vijfentwintig jaar geleden dat Paulus Hem leerde kennen op de weg naar Damascus. Maar toch zegt dezelfde Paulus nu hij in de gevangenis zit en zijn leven naar het einde gaat: Opdat ik Hem kenne. Met dat kennen van Hem bedoelt Paulus niet dat hij veel van Hem mag weten, want we kunnen ontzaglijk veel van de Heere Jezus weten, van Hem gelezen hebben, over Hem gedacht hebben, van Hem gehoord hebben, zonder dat wij Hem kennen in die diepe Bijbelse zin van het woord.

Het kennen waarvan Paulus spreekt, is het kennen van het geloof. Dat kennen functioneert alleen door de liefde, zoals twee geliefden elkaar leren kennen in de band van de liefde die twee harten doet samensmelten. Zo bedoelt Paulus te zeggen: ‘Dat ik meer en meer door het geloof in Zijn hart mag blikken en van Zijn liefde mag drinken, maar ook Hem mijn liefde mag bewijzen.’ Dat is ook een behoefte van het liefhebbende hart. Het hart dat echt bemint, wil niet alleen ontvangen, maar heeft ook behoefte om te geven. Het is smartelijk om met onbeantwoorde liefde door de wereld te gaan. Dat is in het natuurlijke al smartelijk: dat je van iemand houdt en dat je geen aansluiting hebt bij degene van wie je houdt. Het kan een vuur zijn dat je beenderen verteert. In het geestelijke is het nog meer zo dat we, wanneer eenmaal de liefde van God in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest, niet alleen behoefte hebben om geliefd te worden, maar dat het ook een zielsbehoefte is om Hem lief te hebben. Dat gebeurt in dat kennen van Christus: Opdat ik Hem kenne.

Waarom benadrukt Paulus Hem, de Heere Jezus?

Wel, omdat er buiten de Heere Jezus geen kennis is van de drie-enige God. Wij kunnen nooit God de Vader kennen zonder Christus. Wij kunnen nooit God de Heilige Geest kennen zonder Christus. Elke openbaring van God tot zaligheid is een openbaring in de Heere Jezus Christus. Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Joh.1:18). Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6). Daarom moet het begin van onze godsdienst zijn: Ach, dat ik Hem kenne!

 

Ik heb net gezegd: het is bij Paulus niet de eerste roep om Christus te mogen kennen. Dat is vijfentwintig jaar geleden gebeurd. Het moet voor ons én de eerste én de tweede én de laatste roep van ons hart zijn: ‘Heere Jezus, dat ik U kenne!’ En waarachtig: God geeft Zich te kennen, want daartoe wordt u het Evangelie gepredikt.

Het Evangelie wordt u gepredikt, opdat u Christus zou kennen: de Kracht Gods en de Wijsheid Gods. Het Evangelie wordt u gepredikt, opdat u de drie-enige God zou kennen als uw Zaligheid. Dat is primair, dat is vóór alles Gods bedoeling. U zit hier niet in de bank omdat God uw oordeel wil verzwaren.

Ik las onlangs zo’n stukje dwaasheid in de een of andere kerkelijke krant, waarin het zo werd voorgesteld alsof God aan veel mensen het Evangelie laat verkondigen om ze des te bitterder te doen lijden in de rampzaligheid. Toen heb ik gezegd: ‘Dat is mijn God niet waarover hier geschreven wordt. Ik heb geen God Die zo denkt.’ Dat mag u van mij weten en ik heb de Schrift aan mijn zijde.

Ik geloof wel dat degenen die dit Evangelie van Christus versmaden, des te zwaarder oordeel zullen ontvangen. Dat het voor u, als u onherboren blijft, erger zal zijn in die eeuwige rampzaligheid dan voor de heidenen, die nooit de stem van Jezus gehoord hebben. Dat geloof ik vast en zeker. Naarmate u de liefde van Christus versmaad hebt, zal de brand van Zijn toorn uw ziel tot in alle eeuwigheid kwellen.

Maar dat is dan, omdat u zo’n grote liefde verworpen hebt! Dat is dan driedubbel eigen schuld, omdat u de tranen van Jezus niet hebt willen zien, Die gehuild heeft over u, en omdat u de liefdearmen van Christus niet hebt willen zien, ja erger, dat u de beker met medicijn, die Hij u toereikt in de verkondiging van het Evangelie tot genezing van al uw zonden, uit de hand van deze hemelse Heelmeester geslagen hebt.

Dan moet u sterven aan uw kwaal. Maar dat is, omdat u zich tot het einde toe verhard hebt, wetende dat Hij de Christus is, en u zich nochtans door Hem niet liet zaligen.

 

Uw onmacht staat u niet in de weg, daar kunt u zich niet achter verschuilen! Wij hebben als kinderen al op moeders schoot geleerd: ‘Eist van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond.’ En als u zegt: ‘Wij hebben niets te eisen’, dan zeg ik u: ‘Wij hebben wél wat te eisen.’ God geeft ons te eisen! Dat is het buigen Gods, dat is de liefde Gods. Het Evangelie, uit Gods hart voortgesproten, is dat God zegt: ‘O, zondaar, eis van Mij vrijmoedig!’ Wij moeten van God uit kracht van het verbond eisen, waarvan wij het zegel dragen. Niet alleen smeken, niet alleen bidden, niet alleen pleiten, maar eisen – op grond van het verbond van God – dat Hij ons bekeert.

 

Heeft u dat wel eens gedaan? Het is het eerste versje dat u leerde. Ik denk dat dat het minste door u beoefend is. U wilt nog wel smeken, u wilt soms nog wel hopen, u wilt soms nog wel wachten, totdat er wat met u gebeurt, maar u wilt niet eisen. En daarom zeg ik het nogmaals met grote nadruk: u mag eisen op grond van het verbond, Gods trouwverbond, en zeggen: ‘Heere, U hebt mij het Evangelie toch niet voor niets laten verkondigen? Ach Heere, toen ik gedoopt werd, was dat toch maar niet een ijdel teken, wat voor mij enkel tot verzwaring van mijn verderf is? Heere, zo kunt U toch niet handelen met zondaren, Gij Die de grootste en eeuwige liefde Zelf zijt? U bent Degene Die mij vanaf mijn derde jaar in de kerk gebracht hebt tot nu toe; tot mijn tiende jaar of mijn twintigste jaar of mijn zestigste jaar toe. Heere, dat hebt U toch niet gedaan om mij voor eeuwig verloren te laten gaan? U hebt toch geen lust in de dood van de goddelozen? En daarom kom ik tot U, Heere, op grond van dát verbond, dat U mij als kind al toegezegd hebt, en ik eis van U, dat U Uw liefdehart ook aan mij openbaart, opdat ik U kenne! Heere Jezus, ik eis van U op grond van Uw volmaakte gerechtigheid, dat U Zich doet kennen, ook aan mijn hart. Opdat ik met Paulus zou zeggen: Opdat ik Hem kenne, opdat die liefde van dat Evangelie ook mijn hart tot die wederliefde zou doen ontvonken.’

 

Wat betekent: Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding? Dat is niet iets nader of hoger boven Christus uit. Ik heb vroeger wel eens gehoord dat mensen die Christus echt liefhadden, met deze tekst op de huid geslagen werden. Dan werd tot hen gezegd: ‘Ja, je hebt Christus wel leren kennen, maar Paulus zegt toch maar: Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding. Je hebt Christus wel in Zijn lijden leren kennen, maar je moet Hem ook nog in Zijn opstanding leren kennen. Dat eerste is eigenlijk niet genoeg.’ Of nog erger: dat eerste betekent eigenlijk niet veel.

Dat is een gebrek aan eerlijk lezen van de Schrift, want er staat: Opdat ik Hem kenne… Er staat niet: ín de kracht van Zijn opstanding. Dat zou nog te verklaren zijn. Maar er staat: én de kracht van Zijn opstanding. Wat betekent de kracht van Zijn opstanding? Is dat iets wat boven Jezus uitgaat, in de zin van: ‘Je moet de Heere Jezus niet alleen leren kennen als de gerechtigheid van God, als de Borg en Zaligmaker voor je schuld, maar ook als de opgestane Jezus’?

Ach nee, dat bedoelt de apostel Paulus niet. Hij heeft even tevoren gezegd dat hij nooit iemand anders wil preken dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Hij zegt niet: ‘Jezus Christus en Dien opgestaan,’ maar hij zegt: ‘Jezus Christus en Dien gekruisigd.’ En hier zegt hij: Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding.

 

Wat bedoelt Paulus nu met: En de kracht van Zijn opstanding?

De kracht van Zijn opstanding is anders dan de kracht des levens. Door de kracht des levens geeft Hij het aardrijk het leven en doet Hij alle schepselen wel. Hij zendt Zijn Geest uit en ze worden geschapen. Hij vernieuwt het gelaat van de aarde. Je kunt zien dat God trouw is aan Zijn verbond, ook aan het natuurverbond, dat Hij met ons heeft opgericht en waartoe Hij Zijn boog gegeven heeft in de wolken. Dat zie je als je de bomen ziet bloeien, als je het gras groen ziet worden, als je de lammetjes ziet dartelen in de wei.

Hier wordt echter niet de kracht des levens bedoeld, waarmee Hij alle dingen draagt en onderhoudt, maar wordt met die zeer bijzondere kracht der opstanding de opstanding uit de doden, het leven uit de doden bedoeld.

De engelen hebben wel de kracht des levens, maar niet de kracht der opstanding. Adam in het paradijs had wel de kracht des levens voor zijn zondeval, maar niet de kracht der opstanding. Als Paulus zegt: Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding, dan bedoelt hij daarmee de kracht van het nieuwe leven, die vanuit de opgestane Christus uitgaat en die neerdaalt in de Zijnen, die in de dood zijn en altijd weer om Christus’ wil in de dood worden overgegeven. Ja, dat moeten wij altijd weer ervaren. Wij die leven, wij die Christus kennen, worden altijd in de dood overgegeven om Christus’ wil, opdat die opstandingskracht van Christus zou functioneren.

 

Ik zal het met een voorbeeld duidelijk maken, dan kunnen de kinderen het ook begrijpen. Weet je wat de opstandingskracht van Christus was? Welnu, dat was die kracht van Christus, waarmee Hij Petrus opzocht, toen Petrus geen been meer had om op te staan. Toen hij als de allerellendigste ergens in een hoekje lag te huilen, omdat hij zijn lieve Meester verloochend had, voor Wie hij zich even daarvoor dood wilde vechten, want hij had het zwaard getrokken en zou sterven op het veld van eer. Zo had hij het zich voorgesteld. Maar de Meester zei: ‘Steek je zwaard in de schede, want wie het zwaard gebruikt, zal door het zwaard vergaan.’ Toen, in die vreselijke nacht, heeft Petrus gezegd: ‘Ik ken Jezus niet. Ik heb nooit iets met Jezus te maken gehad. Hij is voor mij een vreemde. Ik heb Hem nooit eerder gezien of gehoord.’ Toen is hij vergaan in zijn ellende. Dat kan ik begrijpen, want er is niets erger in dit leven dan geschonken genade te ontkennen. Er is niets erger!

Elke zonde is een zonde tegen God, tegen Gods wet, maar het ontkennen van genade is een zonde tegen het Evangelie. Het is een zonde tegen Gods liefde! Dat is veel smartelijker en veel erger! Daar heeft Petrus iets van gevoeld. De zonden van Petrus waren erger dan de zonden van Judas. Hij wist wie Jezus voor hem was. Hij heeft het uitgeroepen: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Matth.16:16). De Heere heeft dat bezegeld en gezegd: ‘Dat heb je niet van jezelf, Petrus! Dat heeft God je geopenbaard. Dat heb je van God, van Mijn Vader, Die in de hemelen is.’

En nu ligt diezelfde Petrus een paar uur later als een verlorene, als één brok ellende, zich leeg te wenen voor God. Maar dan komt de Heere met Zijn opstandingskracht en laat Hij aan Petrus zien dat hij wel Jezus losgelaten heeft, maar dat Jezus Petrus niet losgelaten heeft.

 

Geliefden, wij twijfelen zo vaak in ons hart of God nog wel de Getrouwe is, en wij meten Zijn liefde zo dikwijls af aan de uiterlijke omstandigheden. Maar het is toch zo verkeerd, om geloof te beoefenen vanwege uiterlijke welvaart, en uiterlijke gunstbewijzen als een vriendelijke toeknik van Gods genade.

Weet u waarom?

Omdat het Gods gewone weg is ons hier op aarde door de woestijn te leiden, om ons door vele verdrukkingen te doen ingaan en het kruis achter Hem aan te leren dragen. We moeten Gods genade niet willen aflezen aan uiterlijke levensomstandigheden, waaraan wij met de hele kerk geworpen worden. Dan gaan wij aan het dwalen en aan het wankelen.

We moeten Gods genade aflezen uit Zijn verbond, uit Zijn Woord. We moeten Gods genade aflezen uit de wonden van onze Heere Jezus Christus. Dáárop moeten wij vaststaan. Dat moet onze enige troost zijn, namelijk het bloed van het Nieuwe Testament.

 

De dichter zong er van: ‘Als alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel.’ Door dat bloed is Gods aangezicht in gunst tot mij gewend; alleen door dat bloed zijn Zijn striemen onze genezing geworden. Daar moeten we vast op staan. Dat was de opstandingskracht van Christus in Maria Magdalena, in de apostelen en de Emmaüsgangers. Dát was de kracht van de opstanding! De kracht van de opstanding is altijd de kracht van Gods genade, die ons uit onze nood en dood uittrekt, die ons er weer bovenop haalt. Daarom zegt Paulus in de gevangenis: ‘Opdat ik Hem kenne en opdat ik de kracht van Zijn opstanding kenne. Dan knellen die banden niet. De donkere kerker kan mij niet beroven van mijn troost; de honden, de kwade arbeiders, de versnijders kunnen mij en de gemeente van Christus niet van het fundament afrukken, als ik die kracht van de opstanding ken: Mij is gegeven alle macht; Ik draag de sleutels van de hel en van de dood.’

Daar zie ik een wenende Johannes op Patmos, ver van zijn gemeente verwijderd, van zijn lieve broeders en zusters, van degenen die met hem een even dierbaar geloof hebben ontvangen. Wat zal er gebeuren? Straks barst Nero los met al zijn duivels geweld en hij, Johannes, is ver van zijn gemeente vandaan. Maar dan bezoekt Jezus hem en zegt: ‘Ik ben de Alfa en de Oméga. Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.’ Dat is de kracht van de opstanding van Christus!

 

Geliefden, wij moeten altijd goede moed hebben en wij hebben er recht toe! In onze grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust! Ik zal Hem nooit vergeten; Hem mijn Helper heten: al mijn hoop en lust!

Kom, gelovigen, zó moet u leven, zó moet u vaststaan, zó moet u zich werpen op Gods Woord. Duivelen, satan, honden, kwade arbeiders en versnijders zullen u dan niet van dat geloof afrukken. We moeten weer een strijdende Kerk worden. Niet een Kerk die eeuwig last heeft van de bestrijders! Die zullen er wel blijven tot aan de dood toe. We moeten uitgaan! We moeten strijden! We moeten het paard zijn van Gods majesteit in de strijd. We moeten zeggen: ‘Wij staan op Christus vast!’ Vertrouw op God, op Zijn Woord en zeg: ‘Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord! Wat sterveling zou mij schenden?’ Dáár wordt God in verheerlijkt.

 

Paulus zegt in de allerellendigste omstandigheden, waarin er voor een mens geen hoop meer overblijft: ‘Opdat ik Hem kenne en opdat ik de kracht van Zijn opstanding kenne.’ Waarom zegt Paulus dit?

Dan ken ik ook de gemeenschap van Zijn lijden!

Voor Christus was het éérst lijden en toen opstaan. Voor ons is het net andersom. Voor ons is het eerst opstaan met Christus uit de dood, door Zijn Geest een nieuw leven krijgen en dan met Hem sterven en in de gemeenschap van Zijn lijden Zijn dood gelijkvormig worden.

Hier gaat het dus over het leven van de heiligmaking. Eerst heeft Paulus gezegd: Christus is mijn gerechtigheid. Nu de gerechtigheid van Christus mij voortdurend voor ogen staat, zal ik Hem ook volgen en zal ik ook met Hem lijden. Dan zegt hij ook dat hij verblijd is dat hij waardig geacht wordt om Christus’ wil smaadheid te lijden.

 

Geliefden, wat zijn wij daar menigmaal ver vanaf! Dan dragen wij het kruis nog wel – min  of meer gewillig – maar om nu blij te zijn als we op ons werk, in ons huis, in de gemeente van Christus, in deze wereld gesmaad worden, omdat we Jezus liefhebben, omdat wij op Hem ons betrouwen stellen…?

We moeten onze belijdenis belijden en lijden! Ja, pijn lijden! Smart lijden! In je ziel lijden, in de gemeenschap van Zijn lijden! Maar nooit is mijn ziel dichter bij Jezus, dan in de gemeenschap van Zijn lijden. Het is een heerlijk lijden, een vrolijk kruisdagen, wanneer ik lijden mag omdat ik Hem liefheb, omdat Zijn liefde in mij is, omdat ik leef door het geloof in de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. Dat is een voortgang; dan zijn we meer dan overwinnaars! Dit is de overwinning, waarmee wij de wereld overwinnen, namelijk door ons geloof! En het geloof, dat Hij mijn gerechtigheid is bij God, geeft mij ook smaak om het kruis te dragen om Zijns Naams wil.

 

Daartoe hebben wij gedurig de kracht van Zijn opstanding nodig, want onze heiligmaking is maar gebrekkig. Kruisdragen geschiedt door mij nooit voor honderd procent. Het kruisdragen is ook niet een deel van mijn geréch­tigheid, maar moet wel een deel zijn van mijn héiligheid. Maar omdat ik weet dat ik hier nog niet zo heilig ben als ik in de hemel zal zijn, is ook het dragen van het kruis altijd gebrekkig. Soms murmureer ik, soms ben ik het zat, soms zeg ik: ‘Heere moet het nu altijd zo?’ Maar we zullen dan ook zeggen: ‘Heere, geef mij de kracht van Uw op­standing! Geef mij die doodoverwinnende levenskracht! Dan zal ik het gewillig dragen; dan is geen kruis te zwaar: geen kruis in mijn huis, geen kruis in mijn kinderen, geen kruis in mijn huwelijk, geen kruis in de strijd tegen de zonde, geen kruis op mijn werk, geen kruis in de kerk. Dan is geen kruis te zwaar! Geef mij dan toch die opstandingskracht, Heere, dat nieuwe leven, opdat ik Zijn dood gelijkvormig worde.’

 

Let erop: hier spreekt Paulus niet over zijn gerechtigheid; om het theologisch te zeggen: over zijn rechtvaardigmaking. Daar heeft hij het niet over. In dat opzicht heeft het geen enkele betekenis om het kruis te dragen en de dood van Christus gelijkvormig te worden. Maar hier heeft hij het over zijn heiligmaking, dat wil zeggen over het leven aan de hand van de Heere God.

Hij zegt: ‘Heere, mag ik Uw dood gelijkvormig worden, zoals U het kruis gedragen en verdragen hebt en zoals U de schande veracht hebt? Zoals U Uw mond niet opendeed, toen U als een stemmeloos lam geslacht werd en Uw mond niet opendeed tegen God, Die U mateloos sloeg, Die U vernietigde, Die U in de diepte van de hel deed wegzinken. Toen U Uw mond niet opendeed tegen de mensen, die het U aandeden, terwijl U kwam om hen zalig te maken. Toen U gescholden werd en niet terugschold en toen U leed aangedaan werd en niet dreigde.’

 

Geliefden, dat is een heerlijk leven! Als u zó leeft, zullen uw huisgenoten aan u merken dat u een vaste Rots hebt, waarop u staat. Dan zult u in al uw smarten zeggen: ‘Satan, je kunt doen wat je wilt. Je kunt mijn ziel kneuzen, je kunt mijn gedachten afleiden van dat kruis. Je kunt mij opstandig maken tegen dat kruis, maar je kunt mij ten diepste niet beroven van de vertroosting van dat kruis. Want diep in mijn hart leeft de onsterfelijke hoop: Hij zal mijn druk eens verwisselen in geluk.’

 

Kijk maar wat Paulus ver­volgens zegt: Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

Het is een beetje vreemde uitdrukking. Dat ‘enigszins’ gebruiken wij op een andere manier, in een andere betekenis. Wij zeggen: ‘Nu ja, als het dan niet helemáál kan, als het dan maar enigszins gaat.’ Met andere woorden: als het dan geen honderd procent kan zijn, laat het dan maar tien procent zijn.

Dat bedoelt Paulus echter niet. Als hij zegt: Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden, heeft hij het over de wederopstanding ten laatste dage, over de totale verlossing. Paulus was allang opgestaan uit de doden op de weg naar Damascus, maar hier heeft hij het over het onbederfelijke goed. Terwijl hij gebonden zit in de gevangenis kan hij zeggen: ‘Ik zal straks vrij zijn. Straks gaat mijn kooi open. Straks komt de cipier of op welke manier ik ook bevrijd zal worden; dan mag ik opgaan tot Gods altaren, tot God, mijn God, de Bron van vreugd!’

 

Geliefden, wij hebben die verwachting zó verloren. Wij zijn die verwachting zó kwijt. Wij zijn ook zó blind geslagen door de materie. Wij zijn op hol geslagen en draven maar wat achter deze wereld aan. Wij willen ook graag nog een graantje meepikken van onze welvaartsstaat en daarbij doen wij onze ziel schade aan.

Wanneer ontmoet je nu nog mensen die zeggen: ‘Mijn ziel verlangt naar de levende God! Ik wacht op de Heere, ja, mijn ziel verwacht Hem! Ik hoop Hem straks te ontmoeten en straks mijn kroon voor Zijn voeten neer te leggen. Heere Jezus, kom haastiglijk! Ja, Heere Jezus, kom haastiglijk!’ Waar is dat brandende verlangen om ont­bonden en met Christus te zijn?

Dat is niet hetzelfde als te verlangen naar de dood! Dat is heel wat anders. Er zijn duizenden mensen die verlangen naar de dood. Ze springen zevenhoog het raam uit en laten zich te pletter vallen op de straatstenen. Ze zien er geen gat meer in. Maar dat is niet het gevolg van het verlangen naar God. Als ik hier spreek over het verlangen waarover Paulus spreekt, gaat het over het verlangen naar volmaaktheid. Dat is niet Gods weg moe zijn, maar dat is jezelf moe zijn, je zonde moe zijn en de onverenigdheid met het kruis moe zijn. Het is het verlangen om volmaakt lief te mogen hebben, zoals Hij volmaakt liefheeft. Het is dat heerlijke, blijde vooruitzicht dat mij streelt: ‘Ik zal ontwaakt Zijn lof ontvouwen, Hem in gerechtigheid aanschouwen; verzadigd met Zijn goddelijk beeld!’

 

We gaan eerst met elkaar zingen uit Psalm 119 vers 7:

 

’k Heb and’ren al de rechten van Uw mond

Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen;

Uit al de schat van ’t grote wereldrond

Is nooit die vreugd in mijn gemoed gerezen,

Die ’k steeds in Uw getuigenissen vond,

Door mij betracht, en and’ren aangeprezen.

 

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. Is Paulus dan met een klein beetje tevreden? Nee! Dat ‘enigszins’ moet u zo zien: Paulus ziet de strijd. Hij weet met welke banden een zondaar gebonden kan zijn aan iets wat buiten Christus is. Hij ziet op die felle, bittere strijd, want Paulus weet dat het ook in zijn leven altijd langs het kantje af is gegaan. Paulus weet dat hij was vergaan als de Heere zijn Hulp niet was geweest. Daarom zegt hij: enigszins. Met andere woorden: na een nacht die zó bang, zó dicht is, na de strijd die ik te strijden heb met de valse broeders in alle gemeenten die mij uitgestoten hebben.

Paulus heeft wat ervaren! Bijna nergens kwam hij er heelhuids af. Hier hebben zij hem gestenigd, daar hebben ze hem geslagen. Hier moest hij vluchten, daar werd hij uitgeworpen als een paria. En uiteindelijk zit hij in de gevangenis. En door die nauwe gang, door dat worstelperk, dat strijdperk van het leven zegt hij: ‘Of ik ook enigszins moge komen. Nadat ik de besmetting van deze wereld ontvloden ben, door dat nauwelijks zalig worden, mag ik Hem in gerechtigheid aanschouwen om dan verzadigd te worden met Zijn goddelijk beeld.’

Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar (vers 12). Paulus zegt: ‘Ik jaag ernaar.’ Paulus is de jager; hij laat zich niet meer op zijn ziel zitten door de duivel, die de mens altijd maar voortjaagt naar de ellende. Hij zegt: ‘Ik jaag naar de prijs. Ik jaag naar het eind van de baan. Ik jaag naar de omhelzing van mijn lieve Borg en Zaligmaker. Ik jaag naar het ogenblik waarin ik rusten mag aan Zijn hart en heerlijk mag zingen van Gods goedertierenheden.’

 

Geliefden, kent u deze Jezus?

Dit is de Christus van de Schriften!

Kent u deze Borg en Zaligmaker?

O, als u Hem niet kent, dan stelt Hij Zich vandaag aan u voor in dit Woord van Zijn genade! Dan heb ik Hem u vandaag toch gepredikt, al heb ik het niet gedaan zoals ik het wilde doen, met mijn gehele hart, met al de liefde die God mij gegeven heeft. Dan schiet ik daarin altijd weer tekort en dan weet ik dat ik – als ik straks voor Zijn aangezicht zal staan – zo’n spijt zal hebben dat ik niet nóg meer gezegd heb en nóg luisterrijker verteld heb Wie Hij is voor zondaren! Maar laat dan datgene wat ik wel van Hem gezegd heb, genoeg zijn om u tot Hem te bekeren!

 

Jongens en meisjes, kinderen, waarom zou je Hem niet liefhebben? Je hebt om Zijnentwil niets te verlaten dan een wereld die in de verlorenheid ligt, die straks toch door het vuur verteerd wordt. Je hebt om Zijnentwil niets te verlaten dan een paar vrienden of vriendinnen, die je misschien nu aftrekken van de dienst van God, maar die je toch niet gelukkig kunnen maken! Of zit er iets tussen God en je ziel? Kom, onderzoek het eens.

 

Gemeente, wat hebt u nu boven Jezus, wat u bemint? Uw goed, uw geld?

Zeg het eens eerlijk, is dat werkelijk uw plezier? Heeft u het zo goed in de wereld? Leeft u hier nu zó gelukkig dat u zegt: ‘Laat mij eerst nog maar een poosje rustig leven, zeventig of tachtig jaar misschien, en dan zullen we wel verder zien’?

Ik weet dat ik naar uw hart spreek, als ik zeg dat veel dingen tegenvallen in deze wereld, zeker bij het ouder worden. Je hoeft geen levenspessimist te zijn om te verstaan wat de dichter zegt: dat het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet is en dat het snel wordt afgesneden en dat wij daarheen vliegen. Ik weet dat elke genieting zonder God bitterheid in onze ziel achterlaat, omdat wij ten diepste met de genieting van ons geld, met de genieting van ons borreltje, met de genieting van onze mooie auto, met de genieting van onze lange vakantie niet tot het doel van ons leven komen, namelijk: Jezus kennen.

Ik gun het u allemaal, als u het met mate doet. U mag de gehele wereld gebruiken, want de wereld is van de Heere en haar volheid. Paulus zegt: ‘Er is niets wat ik niet doen mag, als ik het maar doe tot eer van God.’ Je mag dus alles hebben, áls het is tot eer van God! Maar als je Jezus niet kent, zal het je leeglaten, omdat wij van Gods geslacht zijn. Als we de weldaden van God gebruiken, zonder dat we onze Schepper erin eren en danken, brengen die weldaden ons in een steeds grotere leegte. En naarmate dan het bezit vermeerdert, vermeerdert ook onze zorg, onze smart.

De hele wereld – en dat is geen goedkoop praatje, het is waarachtig – kan ons niet gelukkig maken, echt niet, ten diepste niet!

Weet u Wie ons alleen maar gelukkig kan maken? Dat is Jezus. Het eerste verlangen naar Hem, dat als het morgengloren, na een bange nacht misschien, in onze ziel doordringt, is méér waard dan al de schatten van de wereld. Gods genadewerk begint als die vaderlijke goedheid uit het Evangelie ons hart verbreekt, ons in opstand brengt tegen onze zonden; als we niet meer tegen God willen zondigen, omdat we bij Hem milde handen en vriendelijke ogen gevonden hebben. Want het zijn de goedertierenheden van God die ons tot bekering leiden!

 

En dan is de weg die God met Zijn volk houdt vaak heel verschillend. Ik las het in een heel mooi boekje, van Appelius: ‘Raadgeving aan bekommerden.’ U moet allen dat boekje kopen. Dat vind ik een heerlijk boekje! Ik heb nergens anders over de heerlijke, vrije genadewerkingen van God zó gelezen. Hij zegt: ‘We moeten als een kind zijn onder de hand van onze hemelse Meester en bij welke les ons de Heilige Geest bepaalt, dáár moeten wij stil blijven staan. Als het de Heilige Geest behaagt ons als eerste bij het kruis van Christus te brengen en we – opziende tot die versmade en verachte Jezus – onze ontrouw zien, onze zonden die Hem aan het kruis gebracht hebben, dan moeten we niet als een eigenwijs kind eerst stil willen staan bij een vlammende wet om daardoor onze zonden te leren kennen.’

Zó hebben onze vaderen daarover gedacht. Ze hebben álle vrijheid gelaten aan het werk van de Geest, opdat alle kinderen van God, hetzij ze door de noorderpoort of hetzij ze door de zuiderpoort komen, tot Hem zouden komen en zeggen: Opdat ik Hem kenne! Alles hebben deze schrijvers weggenomen, wat als een beletsel zou kunnen dienen voor de zondaar om te zeggen: ‘O, Heere Jezus, dat ik U kenne!’

 

Is dat ook de begeerte van ons hart geworden? Ons leven komt aan het rechte doel als het hongeren en het dorsten van ons hart al reeds meer is dan het fijnste goud op aard. Wat zijn het heerlijke, hemelse ogenblikken als Hij Zich bij ogenblikken aan ons te kennen geeft! Het zijn maar ogenblikjes in deze wereld, dat Hij zegt: ‘Zie hier ben Ik’, dat Hij ons in Zijn armen neemt en dat Hij zegt, zoals tegen Abraham: Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot (Gen.15:1). Wie zou er niet aan Jezus genoeg hebben? God heeft er genoeg aan! Zouden wij er dan niet genoeg aan hebben? Dan is Hij onze Zaligheid!

 

Welnu, ik raad u aan Hem, die Christus, te kopen zonder geld en zonder prijs! Ik raad u aan dat u tot Hem gaat! Als u dan geen lévende hand hebt, klop dan aan de deur met uw dóde hand! En als u dan geen wedergeboren hart hebt, kom dan tot Hem óm een wedergeboren hart! En als u dan niet diep genoeg overtuigd bent van uw zonden, geef ik u de verzekering dat u over Hem zult rouwdragen, gelijk men rouwdraagt over een eniggeboren zoon, als u één blik op Jezus werpt! Want ze zullen zien in Wie ze gestoken hebben.

Als u last hebt van uw zonden en u kunt ze met al uw goede voornemens maar niet onder de knie krijgen, zie dan op Jezus! Ik geef u de verzekering dat er geen beter kruid gewassen is tegen de zonde dan de wonden van mijn lieve Borg en Zaligmaker, dan de wonden van Jezus Christus.

Eén blik op het geslachte Godslam, op het Offer van God gegeven, op het kruislijden van Hem Die in de hel is neergedaald, en daar breken de banden! Dan zeg ik: ‘Heere, liever sterven dan nog langer zondigen!’

 

Opdat ik Hem kenne.

Geliefden, dat dit de bede van uw hart moge zijn. Zo zult u opwassen, zo zult u toenemen, zo zal uw band met Hem steeds inniger worden en zo zult u ook steeds meer in staat zijn om het kruis te dragen. Zo zult u steeds meer Zijn dood gelijkvormig worden.

Maar in het sterven aan uzelf zal ook die ongekende en heerlijke verwachting steeds luisterrijker in uw ziel vernomen worden: Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. Dan zult u het uitroepen: ‘Ik zie een poort wijd open staan! Kom, Heere Jezus! Gij zult mijn kruis eindigen hier; want goedertier’, zijt Gij gestadig!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138: 4

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven.

Is ’t dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

Verlaat niet, wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).