Ds. R. Kattenberg - Zondag 50

Jezus leert het dagelijks brood vragen

Van God
Om Christus' wil
Ook voor de naaste

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 37: 2, 13
Lezen : Mattheüs 6: 19-34
Zingen : Psalm 104: 7, 14
Zingen : Gebed des Heeren: 5
Zingen : Psalm 105: 22
Zingen : Psalm 100: 1

Wij geven in deze dienst onze aandacht aan Zondag 50 uit de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 125: Welke is de vierde bede?

Antwoord: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.

 

Jezus leert het dagelijks brood vragen.

1. Van God

2. Om Christus’ wil

3. Ook voor de naaste

 

1. Van God

 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt, geef ons heden ons dagelijks brood.

Is dit nu een bevel of een gebed? Dat begrijpen de kinderen ook wel. Zeggen we nu: ‘Heere, U moet het geven’ of vragen we: ‘Heere, wilt U het geven?’ Taalkundig kan het allebei. ‘Geef het ons – U moet het geven.’ ‘Wilt U het geven, Heere?’ U voelt wel, dat laatste is het. Het is een onderdeel van het gebed, zoals de Heere Jezus dat aan Zijn discipelen geleerd heeft.

Het is een gebed dat uitgesproken wil worden, een gebed dat uitgesproken moet worden - ja, ik moet dat toch zeggen, gemeente - in diepe ootmoed en in grote afhankelijkheid. En tegelijkertijd ook in kinderlijk vertrouwen.

 

En dan vragen we: Is het nu wel nodig dat dat gebed ons geleerd wordt? Is het niet wat overtrokken dat de Heere Jezus deze bede aan Zijn jongeren heeft meegegeven in het allervolmaakste gebed? Moet dat nu wel?

Wel, misschien is er een baby thuis. En we weten het: baby’s laten het goed horen als ze willen drinken, als ze honger hebben. Dat hoeft ze niet geleerd te worden, dat gaat vanzelf.

Als we letten op het rijk van de natuur, dan lezen we in de Bijbel dat zelfs de jonge raven tot God om eten roepen. Niemand heeft dat aan de jonge raven geleerd. Niemand heeft tot die jonge raven gezegd: ‘Denk erom, dat je dat vraagt van de God van hemel en aarde.’ Niemand hoeft het ze te leren, het gaat vanzelf.

Zouden wij, u, jij en ik, dan ook niet vanuit onszelf moeten vragen en roepen om datgene wat we nodig hebben? Moet je dat nu leren?

Gemeente, ook als we op deze bede letten, brengen we er niets van terecht. Ook hier geldt het zo heel nadrukkelijk voor ons, wat de jongeren tegen de Heere Jezus gezegd hebben: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1). De Heere wil ons onderwijs geven door Zijn Heilige Geest. Hij wil ons meer en meer leren dat we ons eten, ons drinken, ons brood en alles wat we nodig hebben, moeten vragen van God.

 

Dat heeft alle eeuwen door gegolden, maar in de eeuw waarin wij leven geldt dat wel heel bijzonder. Dit geldt temeer in de wereld die vol is van, wat ik zou willen noemen, moderne mensen. Wat bedoelen we daar nu mee? Wat is een modern mens? Wel, iemand heeft het kenmerkende van een modern mens eens als volgt omschreven: ‘Het ergste van de moderne mens is zijn praktische godloosheid van elke dag.’ U hoort het goed, niet de goddeloosheid, maar de godloosheid. Het ergste van de moderne mens is zijn praktische godloosheid in het leven van elke dag.

Leven zonder God. Godloos, in de praktijk van het leven van alle dag. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Je kunt zoveel onder deze noemer brengen.

Je werk doen zonder God daarin te kennen, en ook in de vakantie en vrije tijd hebben we de Heere vaak niet nodig. Een modern mens kiest zelf zijn beroep zonder daarvoor op de knieën te gaan. Zo vinden we zelf wel onze vrouw of man. Om kinderen te krijgen hebben we God niet nodig, we plannen het zelf wel. De moderne man of vrouw staat bij het zakendoen hun mannetje. Het levenseinde bepalen we als geëmancipeerde mensen zelf wel.

Alles, zonder God. Alles, zonder in afhankelijkheid te vragen: ‘Heere, wat wilt U dat wij doen zullen?’

 

Gemeente, door de geweldige ontdekkingen van de natuurwetenschappen zoals de fysica, streeft de moderne mens God bijna voorbij. Waar hebben we God nog bij nodig?

Als we ziek worden, is dan niet onze eerste reactie dat er toch best wel een medicijn of behandeling zal zijn voor onze kwaal? De medische wetenschap is zover gevorderd en de medische ontdekkingen zijn zo indrukwekkend.

God heeft de mens opdracht gegeven de aarde te bebouwen en te onderzoeken. We mogen eruit halen wat God erin gelegd heeft. Maar tegen welke consequenties lopen we aan? Wat is het gevolg nu klonen van dieren werkelijkheid, praktijk geworden is?

 

Het zijn zomaar wat dingen als voorbeeld. Het is onvolledig. Anderzijds is het genoeg om, zo in het kort, elkaar de CV van de moderne mens voor te houden. Gemeente, hebben we ons er niet allemaal min of meer in herkend? Hebben we er niet allemaal wat van te pakken? We kunnen toch niet zeggen: ‘Ach ja, dat zijn van die dingen van mensen die helemaal nergens aan doen. Mensen die nooit naar de kerk gaan.’ Nee, het komt ook op óns af. Het heeft ook óns wat te zeggen. Want om je nu helemaal van de Heere afhankelijk te voelen, in alle dingen van het leven… Om in alle dingen te vragen: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ Om in alles wat je nodig hebt tot de Heere op te zien… Om in alle omstandigheden te bidden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt, geef ons alstublieft ons dagelijks brood.’

In deze bede geeft de Heere Jezus te kennen dat Hij een volslagen afhankelijk leven wil.

 

De Heere Jezus heeft die bede in Zijn omwandeling op aarde voorgeleefd. Hij is daarvan het toonbeeld. Jezus heeft in de woestijn honger geleden. De kinderen kennen die geschiedenis ook wel. Na veertig dagen, als de Heere Jezus honger krijgt, komt de duivel. Dan zegt de duivel tegen de Heere Jezus:

‘Kijk eens hier, die stenen, zeg tegen die stenen dat ze brood worden. U kunt toch Uzelf wel uit de problemen helpen? Dat kunt U toch wel? Maak van deze stenen brood. Zeg dat deze stenen brood worden.’

Maar de Heere Jezus heeft die verzoeking afgewezen. Hij wilde ook voor de behoefte van elke dag alleen maar aangewezen zijn op datgene wat Zijn God en Vader Hem geeft. Hij antwoordt:

De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door de mond van God uitgaat (Matth.4:4).

 

Jezus wilde afhankelijk zijn van het zegenwoord van Zijn God. Zo heeft de Heere Jezus geleefd. Afhankelijk van Zijn God en Vader. Gemeente, zo wil Hij ook dat zondaren leven zullen, in volkomen afhankelijkheid van God. God heeft ons de adem gegeven en ons leven en alle dingen. En Hij wil dat we zullen wandelen in de weg van het geloof. Niet in een krampachtig bezig zijn vanuit je eigen denken. Niet: het moet zo nodig. Nee! We moeten dagelijks met ons hart bidden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, geef ons heden ons dagelijks brood. We moeten gelovig bidden. De Heere wil het gebed in het hart schrijven: ‘Onze Vader, geef het ons.’ Hij wil leren om alleen te leven van het geven van God.

 

Als de Heere ons zoveel geeft, hoe is dan uw houding? Kinderen, als je jarig bent en je krijgt een cadeautje van iemand, terwijl je met iets anders bezig bent, dan leg je dat eerst weg, want om dat cadeautje te kunnen aanpakken moeten je handen leeg zijn. Zul je dat onthouden? Want dat is nu precies wat de Heere vraagt: lege handen, afhankelijkheid van Hem. We moeten onze lege handen als behoeftige mensen uitstrekken naar de hemel.

 

God onderhoudt Zijn schepselen in de weg van de middelen. God geeft brood in de weg van ons werken. Dus dan moet je niet met lege handen staan. Als morgen het werk weer wacht en de kinderen weer naar school moeten en u het huishouden weer doet, dan kun je niet zeggen: ‘Ik ga met lege handen zitten.’ Nee, God realiseert de verhoring van het gebed in de weg van de middelen.

 

We moeten werken en onze arbeid verrichten. De vierde bede is een heel brede bede, gemeente. Daar valt zo ontzaglijk veel onder, zoveel andere vragen van ons leven. Het brood is kenmerkend voor de vierde bede, maar kijk eens wat er allemaal onder die noemer valt. Als we bidden om ons dagelijks brood, dan bidden we ook: ‘Heere, mogen we gelegenheid hebben om te werken? Heere, wilt U ons kracht geven voor onze arbeid, wilt U ons de gezondheid niet onthouden? Geef Uw zegen als we werken mogen, maar geef ook Uw zegen als we niet meer werken kunnen. Als we met pensioen zijn of als we op een andere manier buiten het arbeidsproces terechtgekomen zijn.’

Altijd geldt weer: ‘Heere, wat hebben we U nodig!’

 

Moge heel je leven van werken, van studie, van je bezig zijn, meisjes en jongens, van ons zakendoen, van ons huishouden, moge heel je leven gestempeld zijn door de woorden ‘met de Heere’.

Kenmerken voor de moderne mens is zijn ‘praktische godloosheid’. Godloos, dus zonder de Heere. Daartegenover staat het gelovig leven met de Heere in alle dingen. Het komt allemaal van Hem. De Heere wil op Zijn school leren dat we leven van gegeven goed.

 

Het is niet anders als u aan de tafel des Heeren komt, dan trekt de Heere die lijn door. Het brood op de tafel des Heeren is gewoon brood, maar het heeft op de avondmaalstafel wel een bijzondere spits. Hoor maar: ‘Dit is Mijn lichaam.’

Het avondmaalsbrood en het brood dat u thuis gegeten hebt, voor u naar de kerk ging, beide vallen onder de term ‘genadebrood’. Wat u thuis gegeten hebt, hebt u niet verdiend, en wat aan de avondmaalstafel gebroken wordt, hebt u evenmin verdiend.

We moeten in alle dingen van het leven van genade leven.

 

Voor wie geldt dat, gemeente? Voor elk mens, ook voor de miljonair. En er zijn heel wat miljonairs. Als de Jackpot valt, dan is er weer een x-aantal miljonairs bij. Ook zij leven van ‘dagelijks brood’.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat geldt voor de miljonair, dat geldt voor de loonwerker, dat geldt voor de professor, voor de bakker, voor de slager, voor de man van de supermarkt, dat geldt voor de huismoeder. Dat geldt voor jou, meisje en jongen, dat geldt voor zakenmensen, dat geldt voor de koning, dat geldt voor de minister, dat geldt voor de zwerver. Voor wie niet?

Voor heel de mensheid geldt: Geef ons heden ons dagelijks brood.

 

Gemeente, in de kerk krijgt de bede natuurlijk een spits. Dit woord staat onder de boog van de openbaring van God tot heil en zaligheid. Waar gaat het om in deze bede? Wel, dat God aan Zijn eer komt in uw leven. Eert u God in uw brood, gemeente? U hebt vandaag gegeten, en gisteren. Was het tot eer van God? God zoekt daarnaar. Hij wil dat we voor Hem leven. Het staat hier zo: ‘Opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige Oorsprong zijt van alle goeds, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen.’

Het komt alles bij God vandaan. Als we het gekregen hebben is het nog niet klaar. Het komt namelijk van God, het raakt de aarde, maar het moet ook weer tot God terugkeren.

 

Eerst lezen we: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, en dan volgt de vierde bede over ons brood. Die beden hangen niet als los zand aan elkaar, het volmaakte gebed is een eenheid. Hoe zullen we kunnen bidden: ‘Uw Naam worde geheiligd’, ‘Uw Koninkrijk kome’ en ‘Uw wil geschiede’, als we van honger dreigen om te komen? Hoe zullen we ze bidden en Uw dienst aanprijzen als het ons aan het nodige ontbreekt?

 

We denken hierbij allereerst aan de gebieden op de wereld waar honger heerst.

Maar aan ons, wij die wel eten hebben, vraagt de Heere dat we ons in dienst stellen van Zijn Koninkrijk en van Zijn Naam! En het hoort niet dat u de maaltijd eindigt en zegt: ‘Tjonge, wat hebben wij lekker gegeten, zeg!’

We moeten elkaar opscherpen dat het ook daarin gaat om God te dienen.

 

Een kind van God weet het: ‘Mijn tijd hier op aarde is diensttijd, tijd in dienst van mijn Heere en Koning.’ We hebben al aan het begin van de catechismus gehoord, aan het slot van Zondag 1, dat we bereid en gewillig worden gemaakt om voortaan voor Hem te leven, door Zijn Heilige Geest.

‘Heere, hoe zullen we voor U leven, als we door honger dreigen te sterven?’ Dat is de uitwerking van de enige troost in leven en in sterven.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Heere, geef dat ik mijn leven zal inrichten tot de verheerlijking van Uw Naam. Dat ik niet omkom van de honger en dat ik niet sterf van de dorst, maar geef ons heden ons dagelijks brood.

 

We zingen dat uit de berijming van het Gebed des Heeren vers 5:

 

Geef heden ons ons daag’lijks brood;

Betoon Uw trouwe zorg in nood;

Gij weet, wat elk op aard’ behoev’;

Dat ons dan geen gebrek bedroev’;

Dat nooit Uw zegen van ons wijk’;

Die maakt alleen ons blij en rijk.

 

2. Om Christus’ wil

 

Jezus leert ons ons dagelijks brood vragen, allereerst ‘van God’ en dan nu in de tweede plaats ‘om Christus’ wil’.

Dat staat niet met zoveel woorden in de uitleg, maar dat zit er wel heel nadrukkelijk in, als we de Vadernaam noemen. ‘Om Christus’ wil’, dat ligt opgesloten in het uitspreken van de naam van de Vader. Onze Vader, geef ons heden ons dagelijks brood, om Jezus’ wil, om Christus’ wil. We leren het onze kinderen, zodra ze wat woorden kunnen zeggen: ‘Heere, zegen dit eten om Jezus’ wil, amen.’

 

Nu moet u niet denken dat dat zo gemakkelijk is. Ja, die woorden uitspreken kost niet al te veel moeite. Dat lukt wel. Maar het gaat om wat daarin opgesloten zit. Woorden geven geen probleem, maar de inhoud van de woorden wel. Want als je bidt: ‘Om Jezus’ wil’, dan beseft u… Ja, wat? Wat beseft u dan als het goed is? Uw onwaardigheid. Dat is niet een woord dat ons van nature zo ligt: onwaardigheid. We zijn mondige mensen, en we zijn waardige mensen. We kunnen dit en we doen dat en het moet zus gebeuren. Maar waar God genade schenkt, worden mensen onwaardig voor het aangezicht van de Heere.

De Heere Jezus wil niet alleen dat u afhankelijk bent. Maar Hij wil ook nog dat u uiting geeft aan het besef van onwaardigheid. Dan wel echt vanuit het hart. Niet zomaar de gedachte: ‘O ja, we moeten ons ook als onwaardigen gedragen.’ Nee, maar vanuit de structuur, vanuit de trend, vanuit het bestaan van uw leven. Onwaardig. ‘Heere, ik heb het niet verdiend dat U mij brood geeft.’

Dat is voor ons mensen heel wat. Dat schud je niet zomaar even uit je mouw. Dat is niet iets waarvan we kunnen zeggen: ‘O, dat doen we wel even en zo moeten we het onze kinderen ook maar bijbrengen.’ Zeker, wij zeggen aan tafel: ‘Hoor, ons kind kan het ook al, luister maar.’ En dan zegt het kind: ‘Heere, zegen dit eten om Jezus’ wil, uit genade, amen.’ Bescheidenheid is al moeilijk, laat staan onwaardigheid. Het is de spits van de heiligmaking. De dankbaarheid, vanuit het onwaardig zijn.

 

We zitten er niet naast als we vaststellen dat wij, mensen, veeleisend zijn. Het is niet gauw goed in ons leven. We moeten dit en we moeten dat en we moeten zus en zo. Maar dan roept de Heere ons vandaag tot de orde. De Heere zegt: ‘Leg daar nu de vierde bede eens naast.’ Die bede om het dagelijks brood, die portie die we voor vandaag nodig hebben, die voor vandaag toereikend is.

We kennen Agur uit de Bijbel. Hij heeft gebeden om een bescheiden deel. ‘Bescheiden’ wil hier zeggen: toegemeten. ‘Heere, wilt U mij het toegemeten deel geven?’ En daar bedoelt hij mee: ‘Geef me niet te weinig. Want als ik tekort kom, dan dreigt het gevaar dat ik ga stelen. Heere, geef me ook niet teveel, dat ik boven mijzelf uitgroei en dat ik U zou vergeten. Maar geef me het bescheiden deel dat ik nodig heb voor elke dag.’

 

Niet teveel, niet te weinig.

Gemeente, het is de bedoeling van de Heere dat wij onze afhankelijkheid steeds meer zullen inleven. Steeds meer!

U kunt niet eten voor morgen of voor overmorgen. U kunt niet zeggen: ‘We eten nu wel, maar laten we ook maar vast voor morgen wat nemen.’ U kunt niet voor weken of maanden vooruit eten. Daarom, het woord van de Heere Jezus is zo trefzeker! Het zet ons op onze plaats.

Geef ons elke dag ons dagelijks brood. We zijn zo afhankelijk van de zegen van de Heere, elke dag.

Die bescheidenheid gaat nog verder als we een spa dieper spitten en we komen bij onze onwaardigheid. Dan leert de Heere Jezus ons pas werkelijk bidden om het brood voor elke dag, ons dagelijks brood.

 

Er zit nog meer in, in het ‘alleen maar bidden om dagelijks brood, en om niet meer dan dat’. We bidden dan niet om luxe, maar alleen om - het staat zo prachtig in de uitleg - de nooddruft van het lichaam. ‘Nooddruft’ is datgene wat je nodig hebt. We bidden hier als zondige mensen. Hoeveel genade de Heere ook gegeven of geopenbaard heeft, we bidden als zondige mensen, als zondaren.

U zegt: ’Waarom ligt daar zo de klemtoon op?’ Gaat u eens mee in uw gedachten, de kinderen ook, naar het verloren paradijs.

Als de Heere de mens na de zondeval weer tevoorschijn roept, en Hij het oordeel over de slang uitspreekt, dan zegt God tot Adam en Eva: In het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten (Gen.3:19). Merkt u? Zo hebt u vanuit het Nieuwe Testament heel nadrukkelijk de link naar het begin van het Oude Testament.

Wat hebben we het toch verzondigd voor het aangezicht van God!

En zo blijft het, gemeente, een bede van zondige mensenkinderen. Mensen tegen wie God gezegd heeft: In het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten. Als zondaar staan we met lege handen tegenover God. Als mensen die, zoals dat vroeger gezegd werd, alles verbeurd hebben. ‘Verbeuren’ is een ander woord voor ‘verzondigen’. Je hebt er geen recht op. Je hebt het niet verdiend. U hebt misschien ook wel eens gehoord van ‘een verbeurde zegen’, een zegen die je niet verdiend hebt. Nu, zo ook als het gaat om ons dagelijks brood. We hebben het niet verdiend en we hebben de zegen daarbij verbeurd. We zijn het totaal onwaardig en we kunnen geen enkel recht laten gelden.

 

Deze bede is geen eis. Zo van: ‘U moet het geven.’ Dan laat je je rechten gelden. Maar het is de bede: ‘Heere, wilt U het geven?’ Kennen we zo het onderwijs van de hemel? Het onderwijs van de Heilige Geest aan bescheiden mensen, aan onwaardigen?

Dan vindt u ook in deze bede het kruis van Christus. Dan buigt u diep, gemeente. U moet dat woord ‘onwaardig’ maar niet wegduwen door te zeggen: ‘Nu ja, daar houd ik niet zo van. Ik wil nog wel iets zijn.’ Gemeente, je kunt alleen iets zijn als je in Christus bent; buiten Hem ben je nooit wat.

 

Als je als onwaardige dit gebed bidt, dan kom je uit bij de kernwoorden: ‘om Jezus’ wil, om Christus’ wil.’ Dan komt Golgotha in het vizier. Dan zien we het bloed van het Lam ook in dit gedeelte van de catechismus. De vervulling van deze bede heeft de Zoon van de Vader bij Zijn Vader verdiend als Knecht. De Zoon is Knecht geworden. Knecht bij Zijn Vader.

Hoe heeft hij door Zijn lijden en sterven alle rechten verworven voor de Zijnen, genaderechten!

Hij heeft de kinderrechten verworven door de gang die Hij gemaakt heeft. En ziende op Hem lezen we in de Bijbel dat de Heere belooft:

‘Je brood zal zeker zijn. Daar hoef je niet over in de war te zitten, Mijn kind. En uw water zal gewis zijn. Ook dat zal niet ontbreken. Het zal waar en zeker zijn, want Ik beloof het u.’

 

In het geloof mogen we steunen op de gerechtigheid van Christus, ook als het gaat om ons dagelijks brood. Zo bidden is de praktijk van het geloof.

We hadden het net over de praktische godloze, maar dit is de praktische godvrezende. Dit is de mens die gaat in de weg van het geloof, elke dag weer opnieuw.

 

Met het woordje ‘heden’ wil de Heere ons leren dat we zullen bidden om ons brood voor elke dag.

Gemeente, we moeten deze dingen echt serieus nemen, want we realiseren het ons wel, maar we doen het vaak niet. Welke mensen zouden dat woordje ‘heden’ nu echt beleven in de wereld van vandaag?

Ik denk aan zwervers, van wie er ook ons land heel wat zijn. Er zijn gelukkig heel wat instellingen die deze daklozen op sommige avonden een warme maaltijd aanbieden. Deze zwervers, deze mensen leven wel heel dicht bij het woord ‘heden’, ‘vandaag’.

En kinderen, jullie hebben ook wel eens plaatjes in de krant gezien van kinderen in hongergebieden, in opvangkampen. Helemaal uitgemergeld, met een opgezet buikje, omdat er geen eten is.

Misschien weet u ook wel voorbeelden. Mensen in derdewereldlanden praten niet over morgen. Het gaat die mensen erom dat ze vandaag wat te eten hebben.

 

Geef ons heden het brood voor elke dag.

De vierde bede is ook geen gebed voor hamsteraars, voor mensen die alles naar zich toe willen halen. Dat betekent ook niet – laten we dat er gelijk bij zeggen – dat je niet zorgen mag. Dat betekent niet dat je alles maar op zijn beloop moet laten. Maar dat betekent wel dat de Heere van ons vraagt dat we niet leven zullen bij onze vermeende zekerheden.

Het betekent wel dat we moeten zien op Zijn hand en dat alles ons uit Zijn vaderlijke hand toekomt in de weg van het geloof. En dat niet zomaar één keer. Nee, elke dag! We moeten leren om bij de dag te leven, zodat onze harten niet aan het vergankelijke blijven hangen, ‘niet aan dit vergankelijk leven kleev’, maar alles doe wat U gebiedt’. Dat we niet zo aan de dingen van het leven van alle dag verbonden zijn, dat we zo erin verworteld zijn, dat dat ons leven is.

 

De kinderen kennen de geschiedenis van de reis van het volk van Israël in de woestijn. De Heere heeft hen uit Egypte geleid, maar in de woestijn gaat het volk mopperen: ’We hebben geen eten en geen water.’ Jullie weten het wel. En dan geeft de Heere manna. Manna uit de hemel. De Heere gaf het hun elke dag. De Heere gaf het elke dag voor elke Israëliet zoveel als hij nodig had.

Sommige mensen zeiden: ‘Laten we maar wat meer oprapen, dan hebben we voor morgen ook vast wat.’ ‘Nee’, zegt de Heere, ‘maar voor één dag.’

Zo werden ze dagelijks begenadigd met manna, hemels brood.

Elke dag weer opnieuw en dan voor één dag.

 

Dat is nu het voorbeeld dat de Heere ook wil doortrekken naar ons leven. Vanuit onszelf willen we dat bedelaarsleven niet. Want dat is het natuurlijk als we ‘bij de dag’ leven. Het is genade als je dat afhankelijke leven kent. Als je je dagelijks brood krijgt, dan zeg je: ‘Heere, dank U wel, ik heb hieraan genoeg.’

En morgen dan? En volgende week dan? Dat weet ik niet. Door genade zegt een kind van God: ‘Eén ding is zeker. Ik heb een Vader in de hemel, Die beter voor mij zorgt dan ík dat kan doen.’

En dat is meer dan dat wij doen kunnen doen met al onze zekerheden die we gebouwd hebben. Vandaag kun je iets bereiken en zeggen: ‘Dat staat als een huis’, en morgen is het er niet meer. Maar de belofte van God blijft zolang als deze wereld er zijn zal. En Hij houdt getrouw Zijn woord, van geslacht tot geslacht.

We hebben het gezongen uit Psalm 37:

 

’k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren;

Maar zag nog nooit rechtvaardigen door nood

Zo zwaar gedrukt, alsof hen God liet varen,

Noch ook hun zaad, al bedelde ’t om brood.

 

De Heere zorgt voor Zijn kinderen in het strijdperk van dit leven, zolang hun diensttijd duurt. In de weg van het brood komt het Koninkrijk van God.

De Heere zegt:

‘Alsjeblieft, hier is brood, hier heb je eten. Wat doe je daarmee? Bedoel je Mijn eer? Ik geef je kracht om te bidden voor de naaste. Je gebruikt je kracht toch niet op een verkeerde manier? Dat je je verheft boven je naaste? Dat je je afzet tegen je naaste, of dat je kritiek hebt op je naaste?’

God zegt:

‘Daarvoor geef Ik je die kracht niet. maar om het te besteden in Mijn dienst, tot de eer van Mijn Naam.’

Uw Koninkrijk kome en Uw wil geschiede. Daarvoor geeft de Heere brood en alle andere dingen die nodig zijn voor het leven van alledag. Opdat Zijn Koninkrijk komen zal.

 

Dat is de gewone weg van God. Het kan ook anders gaan. Misschien is er in deze dienst een jongen die zegt: ‘Jawel, maar wij hebben net gezongen: Ik heb de rechtvaardige nooit zonder brood gezien. Maar als je dan de foto’s bekijkt uit de Tweede Wereldoorlog en je ziet de mensen duwen achter een handkar, of met een oude fiets de boer op gaan om eten te krijgen. Waren daar dan geen kinderen van God bij? Hadden die wel altijd genoeg te eten?’

 

De gewone weg is ‘de weg van het brood’. Maar er zijn bijzondere omstandigheden waardoor het op een andere manier gaat. Dan kan het ook de rechtvaardige aan brood en aan andere dingen ontbreken. In tijden van oorlog. Tijden ook van ziekte. De Heere is daar vrij in.

Maar ook in die afwijkende omstandigheden komt God aan Zijn eer en klinkt lof aan God. Zou de lof des Heeren niet hoger gezongen worden in tijden van nood en gebrek, dan in tijden van overdaad en van weelde?

En dan moeten we niet zeggen: ‘Ach, laten we dan maar gebrek hebben aan alles.’ Nee, de Heere geeft ons ons dagelijks brood zoals Hij wil dat wij het ontvangen zullen.

Maar de Heere kijkt wel nauwkeurig toe. Hoe ontvangt u het? Ligt het brood in de vuilnisbak? Zelfs niet voor de eendjes bestemd, maar zomaar weggekiept? Dan sta je te schande voor God en voor de mensen. Dan wordt u door God tot de orde geroepen, zoals we daarvan zingen uit Psalm 105 vers 22:

 

Zij werden daag'lijks begenadigd:

Met manna, hemels brood, verzadigd.

Gods hand bracht, in dat dorre oord,

Rivieren uit een steenrots voort;

Hij dacht aan 't geen Hij aan Zijn knecht,

Aan Abraham, had toegezegd.

 

3. Ook voor de naaste

 

Jezus leert het dagelijks brood vragen:

van God,

om Christus’ wil,

maar ook voor de naaste.

Het gaat in het aller-volmaaktste gebed niet alleen maar om míjn brood, maar het gaat om óns brood. Onze naaste wordt heel nadrukkelijk in het gebed betrokken. Het woordje ‘ons’ staat er zelfs twee keer. Er staat niet: ‘Geef aan mij.’ Maar Jezus leert bidden: ‘Geef het aan ons.’ Als je uit en door genade leven mag, dan zul je niet alleen bidden om de vervulling van de nood van je eigen leven. Dan zul je niet alleen vragen om wat je zelf nodig hebt. Maar een waar christen neemt altijd de ander mee in zijn gebed. De Heere Christus zet Zijn kinderen in de wijde gemeenschap, de wereld, de rijke gemeenschap, waarvan Hij het Hoofd is. En zo heeft Hij het geleerd aan Zijn jongeren: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, geef óns heden óns dagelijks brood.

 

Gemeente, u ziet hier een wonderlijke overeenkomst van ‘het gebed’ met ‘het gebod’ van God. Als we aan de meisjes en de jongens vragen: ‘Geef kort aan wat de inhoud van de wet is’, dan weten ze: ‘God liefhebben met alle kracht, met alles wat in je is en je naaste liefhebben als jezelf.’ Dus God liefhebben en je naaste liefhebben. Je vindt dat ook in deze bede terug. Er staat: ‘Geef óns, mij en alle mensen. Geef dat wij onze eigen wil verzaken en Uw wil die alleen goed is, zullen volbrengen.’

 

Je vindt dat ‘gemeenschappelijke’ terug in het gebed. Het gebed is ook een priesterlijke aangelegenheid. De priester heft zijn handen op ten behoeve van het volk dat aan zijn zorgen is toevertrouwd. Hij heft Zijn handen op voor de gemeenschap. Dat geldt ook voor de voedselvoorziening. We moeten bidden in gemeenschap der heiligen. Het kan niet anders, gemeente, als er een band met God is, dan is er ook een band met je naaste.

‘Ziet hoe lief ze elkander hebben.’

‘Hoe goed is het dat broeders van hetzelfde huis samenwonen.’

We staan voor één en dezelfde zaak: het Koninkrijk der hemelen. De band met God geeft ook een band aan de naaste.

 

De Heere vraagt voorbede voor onze naaste. Doet u dat? We doen het voor vrienden. Dat is fijn, voorbede doen voor vrienden. We doen het ook wel voor mensen van wie we weten dat ze door velen vergeten worden. Dat is ook goed. En nu komt het: doet u het ook voor uw vijanden? In Romeinen 12 staat: Indien dan uw vijand hongert, - dat sluit dus naadloos aan bij deze bede - indien dan uw vijand hongert, zo spijzig hem; indien hem dorst, zo geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen (Rom.12:40). Dus als uw vijand hongert, spijzig hem. Hoe leer je dat, gemeente? En waar? Waar leer je dat? Alleen op de school van de Heere Christus. Op de school van Hem van Wie we lezen dat Hij voor Zijn vijanden gebeden heeft en dat Hij voor goddelozen de dood is ingegaan.

Merkt u dat de genade van God ook in deze bede de toon zet en de kleur aangeeft? Waar de genade triomfeert, daar heb je oog voor je naaste. Want genade en liefde zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld.

 

Gemeente, is dat uw leven? Ligt daar uw hart in? Dan loopt het uit op Hem, Die het gezegd heeft: Ik ben het Brood des levens (Joh.6:35). Dan zoek je mee naar een betere maatschappij, dan zoek je mee naar een rechtvaardiger samenleving. En hoe meer dat weegt op je hart, des te meer kom je er achter dat het alleen maar kan als er ‘nieuwe mensen’ komen. En ik bedoel met dat ‘nieuw’ echt-vernieuwde, wedergeboren mensen.

Natuurlijk, er is een taak voor de regering. Zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Maar de maatschappij verbetert pas echt als de mens zijn hart op God richt.

 

Wij, als mensen, zijn bezig: ‘Dit moet zus en dat moet zo.’ We kennen actiegroepen zoals Greenpeace. Het moet anders. Ja, maar ú moet worden veranderd. Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk van God niet zien (Joh.3:3). Dus een nieuwe wereld begint bij nieuwe schepselen. Wedergeboren mensen. Dan leren we de Koning van alle koningen dienen, dan wordt Gods Woord normgevend, bepalend.

Dan vinden we mensen die zeggen: ‘Als u de ene wang gehad hebt, dan mag u de andere wang ook hebben. Moet ik één mijl meten, dan zal ik twee mijl meten.’

 

Mensen die leven in de vreze des Heeren gaan achter hun Koning aan. Zij geven hun eigen ik op. Zij roepen: ‘Mag alles wat ik doe dienstbaar zijn tot verheerlijking van Uw Naam.’

Daartoe schrijft de Heere deze bede ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ door de Heilige Geest in het hart van Zijn kinderen.

 

We zullen daarbij elke keer weer ons tekort, onze schuld ervaren. Het is niet zo, als je deze bede bidt, dat je kunt zeggen: ‘Nu heb ik aan iedereen gedacht. Ik heb voor mijn vijanden gebeden. Ik heb mijn vijanden ook brood gegeven toen ze honger hadden en te drinken gegeven als ze dorst hadden. Alles gedaan wat hier gevraagd werd.’ Nee, dus.

Als u het volmaakte gebed opzegt, dan klinkt na het ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, het woordje ‘en’, gevolgd door de vijfde bede ‘Vergeef ons onze schulden’.

Zie je, meisjes en jongens, het zijn verschillende beden, maar de vierde en de vijfde bede worden verbonden door het woordje ‘en’.

Dus hoeveel genade u van de Heere ontvangt, het zal altijd nodig blijven om te bidden:

Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden.

 

De grondtoon is:

Als je eet of drinkt of als je iets anders doet, doe het al ter eer van God.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 100: 1

 

Juich, aarde, juicht alom de Heer’;

Dient God met blijdschap, geeft Hem eer;

Komt, nadert voor Zijn aangezicht;

Zingt Hem een vrolijk lofgedicht.