Ds. R. Kattenberg - Zondag 49

De derde bede

De verloochening van onszelf
De gehoorzaamheid van het geloof
De getrouwheid van de engelen

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Geb. des Heeren: 1, 4
Lezen : Psalm 119: 121-136
Zingen : Psalm 103: 10, 11
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 73: 1
Zingen : Psalm 110: 3

Wij geven onze aandacht aan Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus. Wij lezen samen vraag en antwoord 124:

 

Vraag 124: Welke is de derde bede?

Antwoord: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Dat is: Geef dat wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.

 

Het gaat in deze Zondag over: De derde bede.

 

Drie aandachtspunten:

1. De verloochening van onszelf

2. De gehoorzaamheid van het geloof

3. De getrouwheid van de engelen

 

Verloochenen van onszelf, wat is dat eigenlijk? Dat is ongehoorzaam zijn aan jezelf. Jezelf verloochenen is ‘nee’ zeggen tegen jezelf. Petrus heeft zijn Meester verloochend. Want wat zei hij? ‘Ik ken Hem niet.’ Petrus zei ‘nee’ tegen de Heere Jezus. Dat is een ander verloochenen.

Het tweede punt is: gehoorzaamheid van het geloof. Gehoorzaam zijn. Dat heeft niet zoveel uitleg nodig.

Dan het derde: de getrouwheid van de engelen. Want de engelen luisteren altijd naar alles wat God ze opdraagt en beveelt.

Dit zijn onze drie aandachtspunten bij het overdenken van de derde bede: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw wil geschiede.

 

Als eerste dus:

 

1. De verloochening van onszelf

 

Als we de derde bede overdenken, zou het wel eens anders kunnen gaan dan wij aanvankelijk zouden denken. Want deze bede is al heel vaak verkeerd opgevat en uitgelegd.

Gaat u maar na. Veel mensen zeggen bij deze bede dat je moet goedkeuren wat God in Zijn raad heeft besloten. Daar moet je je bij neerleggen, want: ‘Uw wil geschiede.’

Ik geef een voorbeeld van iemand die ziek is geworden. De omstandigheden zijn zo ernstig, dat het er niet naar uit ziet dat hij nog beter wordt. Soms zijn er dan mensen die bij zo’n zieke komen en dan zeggen: ‘Je moet zover komen, dat je zegt: ‘Uw wil geschiede.’ Het gaat er om eenswillend te zijn met de heilige wil van God. Je moet er maar in berusten. Er verandert toch niets aan.’

Gemeente, dat is niet waar het in deze Zondag over gaat. Het gaat hier niet om berusting en om niets te doen. De Heere Jezus bedoelt met deze bede precies het tegenovergestelde. Het gaat er niet om dat wij passief het raadsbesluit van de Heere goedkeuren.

 

Maar we moeten eerlijk zijn, we hebben er zojuist over gezongen: ‘En stil berust’ in Uw beleid.’  Ieder moet daarin berusten. Want al wat God doet is majesteit. ‘Het is majesteit al wat Gij doet; dat ieder stil daarin berust’…’

Maar dat is niet je hoofd in de schoot leggen. Gelukkig hebben we ook de laatste regel van dat vierde vers uit het Gebed des Heeren gezongen: ‘En Uw bevelen doe met lust.’ Die derde bede is juist iets wat we wél moeten doen. Geen berusting dus, maar gehoorzaam zijn.

Dan kun je alleen maar zeggen: ‘Uw wil geschiede.’ Het is geen woord van de aarde naar de hemel. Maar het is allereerst een spreken vanuit de hemel, van God uit, naar deze wereld toe. Het komt uit de hoogte van de hemel. Dat woord vraagt zondermeer:  ‘Uw wil, o God, Uw wil en niets anders.’ Daar gaat het ook om in Psalm 93: ‘De Heer’ regeert, Hij is met hoogheid bekleed. De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’, eeuw uit eeuw in, tot sieraad en tot eer.’

 

Uw wil geschiede: ‘Geef dat wij zonder enig tegenspreken Uw wil gehoorzaam zijn.’ Wat is alleen maar goed? Uw eigen wil? Die is niet goed, die is verdorven.

Daarom zegt de catechismus dat we ‘nee’ moeten zeggen tegen onze eigen wil.

Kinderen, weet je het nog? ‘Nee zeggen’ tegen jezelf, jezelf verloochenen en afzweren, en alleen de wil van de Heere gehoorzamen.

Dus het is een heel directe activiteit. De activiteit van het geloof. Daarmee bent u in het hart van deze bede.

 

Om de wil van God in zijn volle diepte te verstaan, om er nog meer zicht op te krijgen, wordt er wel onderscheid gemaakt in de wil van Gods besluit en de wil van Gods bevel. De wil van Gods besluit gaat om het raadsbesluit van alle dingen. Als ik het heel eenvoudig en eerbiedig mag zeggen: God heeft besloten of de zon vandaag wel of niet zou schijnen. Dat kunnen wij met elkaar niet tegenhouden. Het is de binnenkant van God.

Mag ik het eens zo zeggen, dat de kinderen het ook kunnen begrijpen? Jullie willen wel eens graag om het hoekje van de deur kijken, he? Wat zou daar nou te zien zijn? Dat zou je wel eens willen weten. Zo willen grote mensen ook wel eens bij God om het hoekje van de deur kijken. Maar die deur zit dicht. God laat niet toe dat wij zouden zien wat Hij besloten heeft. De hoge, heilige en soevereine God gaat door met het doen van Zijn wil. Over het rond van deze aarde. Alles is daaraan onderworpen en ondergeschikt. De Heere doet dat, ongeacht wat zich daartegen verzet.

Ook de duivel kan zich niet verzetten tegen God. Ondanks zijn vele pogingen. Alle goddelozen op de aarde, alle onbekeerde kerkmensen en alle vijanden van God, kunnen niets daarvan tegenhouden. Soeverein en vol majesteit zegt de Heere: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10). In Psalm 2 staat: ‘Zou nietig stof’ – u, jij klein mensenkind – ‘Mij ‘t hoog gezag ontwringen?’ Vergis u niet, stervelingen, en let er op: God de Heere regeert en Hij volvoert Zijn raad.

Dat is de ene kant. De wil van Gods besluit.

 

Nu de andere kant: de wil van Gods bevel. Als wij bidden: ‘Uw wil geschiede’, vragen wij niet of de Heere alstublieft Zijn raadsbesluit wil doorzetten. Want dat gáát door, onafhankelijk van wie dan ook. En toch bidden we: ‘Uw wil geschiede.’ De Heere heeft, om dit beeld vast te houden,  de deur van de hemel op een gegeven moment opengedaan. De Heere heeft geopenbaard hoe Hij wil dat uw leven zal zijn. Dat andere, Gods besluit, is achter gesloten deuren, maar de wil van Gods bevel gaat u heel nadrukkelijk aan. God geeft Zijn bevelen. We horen de wet voorlezen; God openbaart Zijn wil waarmee we van doen hebben.

De Heilige Geest werkt een hartelijke lust om te gaan in die wegen en de geopenbaarde bevelen van de Heere. ‘Hoe lief’lijk, hoe vol heilgenot, zijn mij Uw huis en tempelzangen.’ Echt een psalm voor de zondag. Opgaan naar het huis des Heeren, dan blijf je niet thuis. Als je iets van je donkerheid wil laten opklaren, ga dan op! Het kan alleen in het midden van de gemeente, tenzij dat u ziek bent of een andere reden hebt. Dat is de uitwerking van de enige troost in uw leven. Om Hem van harte te volgen en gewillig te dienen. Daar gaat het om in het stuk van de dankbaarheid.

Dat is wel een zaak van het geloof, een zaak die aangevochten wordt. Het is geen vanzelfsprekendheid. Er komt het nodige tegenop: satan, de wereld en uw eigen vlees.

 

Gemeente, laten we eens nagaan, en heel ver terugkijken, heel ver tot de eerste bladzijde van de Bijbel. Even in onze gedachten in het paradijs zijn… Daar zien we Adam. Had Adam iets met deze bede? Met de inhoud ervan? Nee, helemaal niet.

Adam en zijn vrouw hoefden hun eigen wil niet te verloochenen. Die hoefden geen ‘nee’ te zeggen tegen zichzelf. Want beiden zeiden alleen maar ‘ja’ tegen God.

De wil van God te doen was de vreugde van hun hart en de blijdschap van hun leven. Psalm 119 was er toen nog niet, maar de inhoud ervan wel. ‘Uw liefdedienst, Heere, heeft mij nog nooit verdroten.’ Daar heb ik nog nooit verdriet van gehad.

Adam en Eva waren gehoorzame kinderen van hun Vader, Die in de hemelen woont. Als Adam en Eva de wil van God doen en Hem eren van ganser harte, van ganser ziele en met al hun krachten, dan komt de vraag: doet u dat ook?

 

We kennen het versje nog wel. Vroeger had je van die poëziealbums, daar stond wel eens een versje in met de regel: ‘Leer mij willen en niet willen, wat Gij wilt en niet wilt.’ ‘Leer mij’, zo zullen we straks ook zingen, ‘leer mij naar Uw wil te hand’len.’

Dat is een belijdenis, een schuldbelijdenis: ‘Leer mij’, want ikzelf weet het niet, en ik kan het niet, en ik doe het niet, en ik wil het niet. Niets vanuit mijzelf. ‘Leer mij Uw paden. Geef dat wij Uw wil gehoorzaam zijn. En dat we onze eigen wil ongehoorzaam zijn.’

 

Er is het een en ander gebeurd in het bestaan van de mens. Een grote omkeer in negatieve zin. Onze eigen wil deugt niet meer. Gods wil is goed, onze wil niet goed. Onze wil is verdorven. God heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, met een wil. Daarin komt de heerlijkheid van de mens in openbaar.

Een hond of poes heeft geen wil, maar wel een instinct. Wij hebben onze wil, maar die spoort niet meer met die van God. Dat was in het paradijs wel het geval, maar dat is niet meer zo. De wil van God, de wet van God was in het hart van de mens ingeschapen, door de Heere ingeschreven: God en uw naaste liefhebben is de korte inhoud van die wet. Doe dat, wees gehoorzaam, en u zult leven. De wil van God was dus gehoorzaam zijn.

De gehele wil van de mens was er aanvankelijk op gericht om de Heere te volgen. ‘Ik zet mijn treden in Uw spoor.’  Dat miste zijn doel niet, want het sloot naadloos aan. Wat een vrede lag daarin. Wat een rust lag er in het gaan in dat spoor en het doen van Zijn wil.

 

We zitten hier in alle rust in de kerk, daar mogen we dankbaar voor zijn. Maar als we nu eens even een sprong proberen te maken naar oorlogsgebied, of naar landen in de wereld waar honger is, waar vervolging is… Gehoorzaam zijn? Vrede en harmonie? Alles is weg, want we hebben de band met God verbroken.

De zondeval verbrak die band en ook de gehoorzaamheid. We staan nu voor de spiegel van het Woord van God. Zegt u het maar tegen God: ‘Er deugt geen spaan van, helemaal niets.’ Er is niets in uw leven dat kan bestaan voor het aangezicht van God. Vrede is oorlog geworden. Het begint al bij de kinderen als ze ruzie maken. Wat kunnen ze dan hard zijn. Het zit ín ons.

Vrede werd oorlog. Gemeente, hoeveel mensen heeft u al gedood? Want liefde werd haat, alles verkeerde in het tegendeel. Rust werd onrust. Als je een klein eindje rijdt, kom je al snel langs een kerkhof. Het leven is weg, de dood is ervoor in de plaats gekomen. Gehoorzaamheid? Het is ongehoorzaamheid geworden. Mijn haan zal koning kraaien.

Het stond in zo’n gratis krantje. Twee meisjes gingen op vakantie. Ze waren een jaar of zeventien. De bestemming was Kreta. Ze gingen ernaar toe om Hollandse jongens te ontmoeten. Hun ouders zeiden: ‘Kijk uit dat je niet zwanger terugkomt. Doe wat je wilt, en waar je zin in hebt…’

 

Onze eigen wil verzaken… Daar is heel wat voor nodig. Om dat echt te doen is Gods genade nodig. Zelf moeten we dan aan de kant komen te staan en aan Gods wil voorrang geven. Aan Gods geopenbaarde wil. Niet aan de wil van Zijn besluit, maar wel de aan wil van Zijn bevel.

 

We zingen nu eerst Psalm 86 vers 6:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwen naam.

Heer’, mijn God, ik zal U loven,

Heffen ’t ganse hart naar boven;

‘k Zal Uw naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

Ons tweede aandachtspunt is:

 

2. De gehoorzaamheid van het geloof

 

Wat is de derde bede?

‘Uw wil, geschiede gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.’

Wat betekent dat?

‘Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken – dat is ‘nee’ zeggen tegen onze eigen wil – en Uw wil die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’

 

Als wij dit zo belijden en de catechismus nazeggen, horen wij daarin de roepstem van de Heere. Hij roept ons weg van onze verdorven wil. Wij zitten hieraan vastgeklonken. God zegt als het ware het volgende ervan: ‘Het is je dood, je ondergang. Ik wil wat anders in je leven.’

God wil uw behoud. God wil uw redding, uw zaligheid en uw eeuwig leven. Vraagt u wat God van u wil? Hij wil dat u zich bekeert. Vandaag en morgen en alle dagen van uw leven. Dat is de openbaring van de wil van God in Zijn Woord. Ik kan nergens in de Bijbel vinden dat Hij zou zeggen dat u zich niet zou moeten bekeren. Je kunt ook nergens vinden dat de Heere zegt: ‘Dat geldt alle mensen maar u of jou niet.’ Integendeel. De catechismus geeft het zo prachtig aan: dat wij en alle mensen alleen de goede wil van God zullen gehoorzaam zijn. Laat dat nu eens wegen op uw hart.

 

‘Wij en alle mensen Gode gehoorzaam zijn.’ Is dat niet één van de mooiste en indrukwekkendste uitdrukkingen in de catechismus? Het wil zeggen dat wij en alle mensen God moeten liefhebben en vrezen. Ja, zegt u maar niets, slik maar in wat u zeggen wilt. ‘Geef dat wij en alle mensen.’

Wat een schuld ligt er dan op ons mensen. Wanneer hebben we gebeden voor de zaligheid van alle mensen? Voor de zaligheid van kinderen? Voor de zaligheid van mensen die in oorlog met elkaar leven, voor de zaligheid van de Joden en alle Palestijnen, voor de zaligheid van de Egyptenaren, moslims, soennieten en alle andere mensen…

Als je van de week eens een ogenblik over hebt, schrijf het dan gewoon eens op een papiertje: ‘Wij en alle mensen.’

 

Ik wil u wel even vóór zijn. Onze vaderen wisten ook wel van de soevereine verkiezing van God. Maar zij hebben de tekst van de catechismus samengesteld vanuit de liefde van hun hart, vanuit de vreze des Heeren en vanuit het geloof in God.

Als de liefde van Christus je hart vervult, gun je satan geen onderdanen, geen enkele! Dan bid je inderdaad voor alle mensen. Hier zie je de opstellers als het ware smeken en worstelen aan de troon van Gods genade. Wij maken ons druk wanneer het gaat over het wel of niet algemeen zijn van het aanbod van genade. Hier staat: alle mensen. Ruimer kan het niet! Ja, we weten aan de hand van de Schrift dat niet alle mensen zalig worden. Maar dat wil niet zeggen dat je niet voor alle mensen moet bidden.  

Eens bad een ouderling in de consistorie in het gebed voor de dienst het volgende: ‘Heere mag er één tot bekering komen?’ Hij liet even een stilte vallen… Daarna bad hij: ‘Eén, maar we zijn met veel meer – het was een vrij grote kerk – Heere, wij bidden het U voor allemaal, maar als het voor één werkelijkheid zal zijn, dan is dat een wonder waarvan de eeuwigheid getuigen zal.’

 

Onze belijdenis is geen dode orthodoxie, maar getuigt vanuit een levend geloof. We belijden daarin dat de dood van Gods Zoon van een eeuwige kracht is, van oneindige waardigheid, en overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van heel de wereld. U mag er geen verkeerde conclusies uit trekken. Want dat willen de mensen dan ook weer graag. Als dit beleden wordt, dan is het niet iets wat uit uw of mijn hart komt.

Waar komt het dan vandaan? Het is gegrond op het werk van Christus. Dan worden u, jij en ik aan de kant gezet. Ja, wij allemaal.

‘Ik kom, o God, om Uw welbehagen en Uw wil te doen.’

Daar hebt u het Lam van God. Het bloed van het Lam van God. Uit Zijn verdienste putte de Heilige Geest om zondaarsharten te overtuigen en te overreden. Uit Hem, de Heere Jezus. Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden. Vanuit Zijn verdienste wordt uw wil geknakt en gebroken. Dan gaan we vragen: ‘Heere, leer mij naar Uw wil te handelen, dan zal ik wandelen in Uw waarheid.’ Voor het eerst en ook steeds weer opnieuw.

Dit is geen gebed voor een keer, maar levenslang elke dag weer. De genade van de gehoorzaamheid blijft nodig. Aan de bediening uit Christus komt nooit een einde. Wanneer de Heere Zijn kinderen wijst op het volmaakte werk van het Lam van God, kom je uit op de bodem van het gebed.

 

Gehoorzaam zijn. We kijken in gedachten naar de Heere Jezus. ‘Het is mijn spijs, dat Ik doe de wil van Degene die Mij gezonden heeft.’

Zijn gehoorzaamheid was een volkomen gehoorzaamheid. De Heere Jezus heeft nooit gezegd: ‘Dat doe Ik niet.’

‘Mijn ziel U opgedragen, wil U alleen behagen.’

Dat is gebleken toen de Hij werd gelegd in de kribbe van Bethlehem, toen Hij door de duivel verzocht werd, toen Hij de doornenkroon droeg. Toen Hij hing op Golgotha, op het vloekhout der schande, heeft Hij als Borg alle gerechtigheid vervuld.

Hij is gehoorzaam geweest. ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan, maar niet Mijn wil maar de Uwe geschiede.’

Berusting? Zich erbij neerleggen?

‘Nee, Vader, Ik zal gehoorzaam zijn en Uw bevelen doen met lust. Zelfs als Ik de beker van Uw toorn moet leegdrinken tot in de dood.’

Over Hem zegt de Heilige Geest: En dit is de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe (Joh.6:40).

 

Heeft u zo gebogen in uw leven onder wat God geopenbaard heeft? Dan sta je met een mond vol tanden en een hart vol zonden. U wist het altijd zo goed, u kón het altijd wel en u dééd het altijd wel.  Als Gods Woord zich richtte op uw hart en op uw leven, sprak u God in dat alles tegen.

 

God tegenspreken… Er staat ergens in de Bijbel dat de Heere Christus het tegenspreken van de zondaren heeft verdragen. Als dat geschreven wordt in uw leven, dan zit het hem niet in de tranen, maar dan breekt het hart. Wanneer Gods genade openvalt in deze Heere Jezus, Die dit allemaal over Zich heeft laten komen, Die dit tegenspreken heeft verdragen en op Zich genomen heeft op het kruis.

Het tegenspreken van de zondaren… Daar lopen ze. Op Golgotha was het druk!

Wat doen al die mensen daar?

Tegenspreken. Spotten met de Heere Jezus. ‘Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis, en wij zullen in U geloven.’

Tegenspreken. Zelfs de twee moordenaars die aan weerskanten van het kruis van Jezus hingen. Gelukkig zal die ene zijn eigen wil verzaken als de Heilige Geest in hem werkt en hem confronteert met de Koning der koningen. Als de liefde van God zijn hart breekt,  vergaat hem de lust om tegen te spreken.

En als er genade valt voor een Saulus van Tarsen, of een stokbewaarder?

Dan horen we de roep om genade.

‘Leer mij, Heere. Wat wilt Gij dat ik doen zal?’

Een roep om genade. Genade voor een tegenspreker, voor een lasteraar. Genade uit die Ene!

‘Ik voor u, anders had u de dood voor eeuwig moeten sterven. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Joh.18:8). Ik ben gehoorzaam, Uw wil geschiede. Vader, Ik ga in alles in het spoor van Uw Woord.’

Immanuel. God met ons. Om Zijnentwil.

Wij gaan het meezingen uit Psalm 73 vers 1:

 

Ja waarlijk, God is Isrel goed,

Voor hen die rein zijn van gemoed;

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen.

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Maar ach, hoewel mijn ziel die weet,

Mijn voeten waren in mijn leed

Schier uitgeweken, en mijn treên

Van ‘t spoor der godsvrucht afgegleen.

 

3. De getrouwheid van de engelen

 

En… gemeente, hoe ver heeft u het gebracht in de heiligmaking en de dankbaarheid?

Een aardig eindje? Een schouderklopje voor jezelf?

Kan dat? ‘Nee’ zeggen tegen jezelf en dan inschatten dat er toch wel wat is in je leven. Jezelf verloochenen, en je eigen wil verzaken?

Er zijn soms mensen die over heiligmaking voor en heiligmaking na spreken. Dan is de vraag: ‘Hoe ver bent u gevorderd? Zo ver als de engelen?’

 

Gehoorzaam zijn is: dat een ieder zijn ambt en beroep zo gewillig en getrouw bedient en uitvoert als de engelen in de hemel doen.

Daar hebt u het weer: schuld en ellende in het stuk van de dankbaarheid en van de heiligmaking. Dat kan ook niet anders, want wie durft zich met de engelen gelijk te stellen? Maar de Heere Jezus leerde dit wel in het allervolmaaktste gebed aan Zijn jongeren. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. De engelen worden ons als voorbeeld opgevoerd: ‘Gelijk als…’ Dus identiek. We moeten hetzelfde zijn.

Wat zit er een sterke kracht in dat voorbeeld. Het is maar niet een beetje erop lijken, maar er staat een ‘is-gelijk-teken’.

Ik hoor iemand zeggen: ‘Je moet niet op een engel lijken, maar je moet op Jezus lijken.’

Dat is helemaal waar! Maar als u daarmee denkt eronderuit te komen, vergist u zich. De engelen zijn gehoorzaam en daarmee lijken ze op de Heere Jezus. Wij moeten in onze gehoorzaamheid op de Heere Jezus lijken. Je kunt ook zeggen: ‘Lijken op de engelen, want die lijken op Hem.’

 

Lijkt u op de engelen? Bent u als een engel, een dienaar van God, die de stem van God gehoorzaam is in alle dingen van het leven?

We hebben zojuist gezegd dat we nergens kunnen lezen dat Jezus ooit gezegd heeft: ‘Vader, dat doe Ik niet.’ We kunnen ook nergens lezen dat een engel gezegd heeft: ‘Heere God, U beveelt het me wel, maar ik doe het niet.’ Nee, de engelen zijn de dienaren van God, die gehoorzaam zijn aan de stem van het woord van God. Zij zeggen nooit: ‘Nee, Heere, dat doe ik niet.’

Ja, de gevallen engelen wel, maar het gaat nu om de engelen in de hemel. Die worden uitgezonden omwille van degenen die de zaligheid beërven zullen.

Engelen. Gedienstige geesten, die in het spoor van God gaan en de wil van God de Vader volbrengen. Legioenen van engelen in de kerstnacht staan op aarde en zeggen hun lofzang uit: Ere zij God in de hoogste hemelen (Luk.2:14).

Er was er niet één bij die zei: ‘Ik zing niet mee.’ Alle engelen die daarbij aanwezig waren, hebben het uitgezegd: Ere zij God. Evenmin heeft de engel die de boodschap van de Zaligmaker mocht overbrengen, gezegd: ‘Dat doe ik niet.’

Als de boodschap gebracht is, is daar terstond een menigte van hemelse heirlegers die God loven en prijzen. Krachtige helden. Geen engeltjes die door het luchtruim zweven! Nee, laten ze het niet horen! Het zijn krachtige, sterke helden, die het woord van God volbrengen, gedienstige geesten.

 

Gedienstig waren de engelen op het paasfeest, toen de boodschap gebracht moest worden dat Jezus uit de doden is opgestaan: Hij is hier niet, want Hij is opgestaan (Matth.28:6).

Engelen zullen ook op de dag van Jezus’ glorie aantreden. Engelen zijn ook betrokken bij het eindgericht. Altijd zijn de engelen op hun plaats als de bozen van de rechtvaardigen zullen worden gescheiden. Altijd gaan zij in het spoor van wat de Heere hun opdraagt.

 

Wat zeggen de engelen over ons leven?  Als het gaat om ons dagelijks werk? Lijk je op een engel als je de computer gebruikt? Overtreedt u de wet niet als u in de auto zit? Bent u getrouw en gedienstig als de engelen, als u in gesprek bent met de ander?

Engelen praten evenmin achter uw rug om. Gemeente, u toch ook niet?

Engelen als voorbeeld in uw leven? In alle verbanden van ons bestaan? De besteding van ons geld? En als er verband ligt met de opwarming van de aarde? Waar ligt de schuld van de mens in de gevolgen van ons handelen? Als er bijvoorbeeld een dijk doorbreekt kunnen de gevolgen heel ernstig zijn. Had God het niet kunnen voorkomen? Gemeente, wie heeft die dijk op deze wijze aangelegd? Waar liggen de verantwoordelijkheden van ons leven? Bij je vrouw, je ouders of bij je kinderen?

 

Gehoorzaam zijn. Maar dan geen kadaverdiscipline, in de trant van: dat moet nou eenmaal. Nee, met liefde, van harte willig en bereid. De Heere stelt de eis van zelfverloochening. ‘Wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf. Die zegt ‘nee’ tegen zichzelf.’

De Heere zegt dan: ‘U moet uw kruis opnemen.’ Dat krijg je niet opgelegd, maar dat moet je oppakken. Die neme zijn kruis op, midden in de wereld. Niet opzij gaan voor aanvallen van deze of gene, of voor allerlei praatjes. Staan zoals de engelen; getrouw. Waarachtig zijn op de plaats waar de Heere u gesteld heeft. Zelfverloochenend kruisdragen.

Brengt u daar iets van terecht? Iemand heeft alles volbracht, en als die Ene er niet was, zakte onze zelfverloochening als een kaartenhuis in elkaar. Gods kinderen zijn niet volkomen, niet volmaakt en niet goudgerand in zichzelf. Maar omwille van die Ene proberen zij wel zichzelf te verloochenen, gehoorzaam te zijn en naar de hemel kijkend te zeggen: ‘Heere, lijk ik op een engel?’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 110: 3

 

Uw volk zal op Uw heirdag tot het strijden

Gewillig zijn, in heilig krijgssieraad;

U zal de dauw van Uwe jeugd verblijden,

Geboren uit de vroege dageraad.