Ds. R. Kattenberg - Zondag 47

De eerste bede

De woorden van die bede
De inhoud van die bede

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 105: 1, 2
Lezen : Numeri 20: 2-13
Zingen : Psalm 34: 1, 2
Zingen : Psalm 91: 7
Zingen : Psalm 75: 1
Zingen : Psalm 81: 2

Gemeente, met de hulp van de Heere overdenken wij in deze dienst Zondag 47 uit de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 122. Wij lezen Zondag 47:

 

Vraag 122: Welke is de eerste bede?

Antwoord: Uw Naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam  om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

Het gaat in Zondag 47 over: De eerste bede.

 

Twee aandachtspunten daarbij:

1. De woorden van die bede

2. De inhoud van die bede

 

1. De woorden van die bede

 

Deze eerste bede is geen vrome wens, maar schept voor ons heel nadrukkelijk verplichtingen. U wordt ten nauwste betrokken bij en ingezet voor de heiliging van de Naam van God.

Het is een claim die God op ons legt en dat grijpt diep in. Dat is niet zomaar iets, want in de Heilige Schrift staat de Naam van God voor God Zelf!

Je kunt bijvoorbeeld lezen in de Bijbel dat de Heere in Jeruzalem woont, maar je kunt in diezelfde Bijbel lezen dat de Naam van de Heere in Jeruzalem woont. In beide gevallen wordt hetzelfde bedoeld.

In het Spreukenboek wordt gezegd: De Naam van de Heere is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen (Spr.18:10). De rechtvaardige is dus kennelijk veilig en onaantastbaar, als hij onder de beschutting van de Naam van de Heere is. Dat is dus tegelijkertijd de Heere Zelf. Waar God is, daar is de Naam van God; en waar de Naam van God is, daar is de Heere Zelf.

Dus: het heiligen van de Naam van God is uiteindelijk het heiligen van God Zelf. Er is duidelijk een samenhang tussen de Naam en de drager van een Naam.

 

Kinderen, als je op school uitgescholden wordt, dan gaat het jou aan. Jij en je naam horen onlosmakelijk bij elkaar. Als ze je naam zwart maken, dan ben je daar zelf bij betrokken.

En als het gaat om het zwartmaken van een naam, gemeente, dan houdt dat nog iets in: daar krijg je een bepaalde naam door.

God heeft Zijn Naam bekendgemaakt, omdat God Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. God heeft gezegd dat Hij er is. God heeft Zijn Naam geopenbaard en bekendgemaakt. Dat lezen we in de Bijbel.

Omdat God Zijn Naam bekendgemaakt heeft, kunnen we ook deze Naam zwartmaken.

Had God Zijn Naam niet geopenbaard, dan hadden we geen smet en geen klad kunnen leggen op de Naam van de Heere. Dan hadden we het niet geweten.

Maar nu God Zijn Naam geopenbaard heeft, wordt de Naam van God ook zo vaak in het krachtenveld van de zonde getrokken, zodat Gods Naam wordt zwartgemaakt.

 

De Naam van de Heere heeft veel te verduren: in allerhande optredens, soorten van muziek, voorstellingen. Het lijkt wel alsof alleen maar de Naam van de Heere naar beneden wordt gehaald. ‘Waar is God? Wie is God?’ We weten het ook uit de moderne literatuur.

 

Gemeente, nu gaat het in deze dienst over iets heel anders. Nu gaat het er niet om dat de Naam van de Heere zwartgemaakt zal worden, maar dat Zijn Naam worde geheiligd!

Wij denken vaak aan heilig maken: Laten wij die Naam van de Heere heilig maken. Dat is het dus niet!

Voor Israël was dat totaal anders. Iets of iemand heiligen was voor het volk van Israël aan de orde van de dag. Heiligen hoorde bij het leefpatroon van het volk.

Je zou het als volgt kunnen typeren: heiligen is iemand afzonderen, iemand apart zetten van de normale plaats en functie. Dat is het ene gedeelte. Het andere gedeelte is: iemand of iets volledig ter beschikking stellen van God.

Dus: afzonderen van de normale functie en helemaal ter beschikking stellen van God. Afzonderen en toewijden.

 

Een voorbeeld:

Er was een omstandigheid in het leven van het volk van Israël, dat de Heere tegen Mozes zei: ‘Ik ga met het volk van Israël spreken en Mijn wet afkondigen, Mijn verbond met Israël sluiten.’ Dat gebeurde op de berg Sinaï. Dan staat er dat die berg Sinaï voor de Heere geheiligd moest worden. En hoe gebeurde dat nu, dat die berg Sinaï geheiligd werd? Je ziet in gedachten mannen lopen met allemaal hekwerken. Dat hekwerk wordt om de berg Sinaï heen gezet. Zo wordt de Sinaï onttrokken aan het menselijk gebruik en helemaal gereserveerd voor God; voor wat de Heere wil openbaren, en voor Zijn verblijf daar ter plekke. In normale omstandigheden kon je die berg oplopen, maar nu is die voor God afgezonderd en apart gezet en toegewijd voor de Heere en wat Hij zeggen wil. Dit is een Bijbels voorbeeld uit Exodus 19.

Nu zal ik een voorbeeld uit het leven van alle dag geven.

Denk aan een bezoek van een staatshoofd uit een ander land aan Nederland. Dat heeft heel wat consequenties. Zo’n persoon krijgt een hotel, een onderkomen ter beschikking. Dat onderkomen is alleen voor die persoon bestemd. Om dat hotel heen wordt een cordon van soldaten, politie of militairen gelegd.

Normaal gesproken is dat hotel open en kun je daar een kopje koffie gaan drinken of iets gaan eten. Je kunt zo binnen lopen. Maar omdat die hoogwaardigheidsbekleder daar nu is, is dat niet het geval. Het hotel is hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Het staat nu alleen ter beschikking van die president, of wie dan ook. Het is voor hem of voor haar geheiligd, apart gezet en toegewijd.

 

Aan zoiets moet u denken, al zijn er uiteraard verschillen.

Het genoemde voorbeeld gaat mank: in het geval van dat staatshoofd is het cordon aanwezig om die persoon te beschermen, om de veiligheid te garanderen, maar op de Sinaï was de afrastering niet aangebracht om de Heere te beschermen, maar om te voorkomen dat een mens of beest zich letterlijk dood zou lopen op de berg Sinaï. Die afrastering was er dus ten behoeve van het volk en van de dieren.

 

Het woordje ‘heiligen’ in de Heilige Schrift wordt nooit gebruikt voor onderlinge menselijke verhoudingen, voor mensen, maar alleen voor de verhouding ten opzichte van God. Uw Naam worde geheiligd.

Er is bijvoorbeeld nooit een huis geheiligd voor de koning, maar wel voor de Heere. De tabernakel waar de Heere woonde (later de tempel) was Zijn huis, apart gezet en toegewijd aan Hem. Het paleis van Salomo was niet heilig. De tempel van Salomo, het huis van God, was wel heilig.

Afzonderen, ofwel apart zetten, en toewijden.

Afzonderen voor de Heere en toewijden aan de Heere.

 

Gods Naam worde geheiligd; wij moeten God de plaats geven die Hem toekomt. Het is niet Hem omlaag halen, maar Hem erkennen in Zijn verhevenheid en in Zijn majesteit. Dat zijn ook woorden die terugkomen in de uitleg: Hem heiligen en roemen en prijzen, almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid.

De hoogheid en de heerlijkheid van God worden met deze woorden nadrukkelijk onderstreept.

Dat is wat de Heere Jezus Zijn discipelen mee wil geven in die bede: Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd.

Apart gezet en gewijd, daar zit de hoogheid in van God. Daar moeten wij ook de afstand bewaren en terugdenken aan de berg Sinaï; daar mocht de mens op dat moment niet komen, dat was het terrein voor God alleen.

 

Hem erkennen en Hem belijden.

Dat woord is als een witte raaf in een donkere wereld. Overal is men bezig om de Naam van God te ontheiligen, de dag van God te ontheiligen, het Woord van God te ontheiligen. Dat hoort allemaal bij elkaar.

Voelt u dan hoe het ons in deze dienst vanuit de catechismus tegemoet klinkt: Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd?

Kun je daar nog mee uit de voeten, in de wereld van vandaag? Niemand zit daar op te wachten! Integendeel, iedereen doet mee aan het ontheiligen en het naar beneden halen van de Naam van God. De grens tussen God en mens wordt steeds meer uitgewist. God wordt naar beneden gehaald, dat is de ene mogelijkheid. Of de mens drukt zichzelf naar boven, dat is de andere mogelijkheid.

Maar bij beiden is het tot smaad van Gods Naam en krijgt God niet de plaats die Hem toekomt.

 

We hebben samen een stukje gelezen uit Numeri 20. De kinderen kennen dat gedeelte uit de Bijbel wel. We lezen daar over de zonde in het leven van Mozes en Aäron. Het volk moppert vanwege het feit dat er geen water is. De Heere geeft aan Mozes de opdracht om naar de rots te gaan en tegen de rots te spreken. Vanwege de belofte dat er water tevoorschijn gaat komen, zien we Mozes naar die rots toe gaan. Hij spreekt echter niet tegen de rots, maar slaat op de rots.

Wat brengt Mozes daarin tot uitdrukking?

Als Mozes op die rots slaat, slaat hij eigenlijk het volk van Israël. Hij uit zijn boosheid: ‘Jullie zijn een onmogelijk volk! Jullie zouden (mag ik het zo zeggen) een pak voor je broek moeten hebben!’ Mozes slaat de rots en Aäron staat erbij.

Weet u wat de zonde van Aäron is? Aäron komt niet tussenbeide om tegen het volk van Israël te zeggen: ‘Volk van Israël, mijn broer is fout! Je moet niet naar hem luisteren! Let niet op wat hij doet en zegt, want het is niet naar de wil van God.’ Nee, Aäron staat erbij en hij kijkt ernaar. Bij Mozes de zonde van bedrijf, bij Aäron de zonde van nalatigheid.

En dan komt God! Dan zegt de Heere: ‘Omdat u Mij niet geheiligd hebt voor het aangezicht van de kinderen van Israël, zult u in het beloofde land niet komen.’ Daaruit blijkt hoe de Heere de eer van Zijn Naam zoekt. De klacht van de Heere is: ‘U hebt Mij niet geheiligd, u hebt Mij de plaats niet gegeven die Mij toekwam, u bent helemaal verkeerd met Mij en met de Naam die Ik draag omgegaan.’ Daarom velt de Heere dat zware oordeel.

 

Neem dat eens mee in uw eigen leefwereld, in uw eigen leven, voor het aangezicht van God. Het volk heeft God niet geheiligd bij Meriba. En u? En jij? En wij? U merkt hoe zwaar de Heere die zonde opneemt. Waar God Zijn Naam openbaart, past eerbied en aanbidding van die Naam en het grootmaken daarvan. We moeten de Naam van de Heere ook niet zomaar uit de losse pols of uit onze mouw schudden.

Dat we Zijn Naam heiligen, roemen en prijzen geeft gelijk de hoogheid van die Naam en de heerlijkheid daarvan aan.

En zo wil de Heere Jezus het ook overbrengen naar Zijn discipelen als Hij zegt: Gij dan bidt aldus: Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd (Matth.6:9).

 

Dat betekent ook dat wij de heilige Naam van God in deze wereld zullen opheffen, om de heerlijkheid ervan te verkondigen. Dat is een hele opgave.

Heiligmaking betekent dat we Zijn Naam opheffen tegen al dat geschreeuw tegen de Naam van God in. Dan bent u maar een klein mens. Er is niemand die daar de kracht toe heeft vanuit zichzelf.

We weten hoe de islam de naam van Allah hoog houdt, boven alles uit. Maar hoeveel heerlijker is de Naam van de Heere onze God! David zegt in Psalm 8: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! (Ps.8:2).

Kijk, dat is dat opheffen van die Naam! Die Naam centraal stellen! Op die Naam het licht laten vallen! De Naam van de Heere onze God is zoveel heerlijker dan welke afgod dan ook.

 

Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw Naam…

U moet in Christus zijn om deze bede ook tot de uwe te kunnen maken. Daar is geloof voor nodig!

U mag niet blijven steken in een stukje werkheiligheid. Het gaat erom dat u vanuit het geloof in Hem leeft, Die gezegd heeft: Vader, Ik heb U verheerlijkt op de aarde (Joh.17:4).

 

Toen de Heere Jezus twaalf jaar oud was, heeft Hij het ook gehad over de dingen van Zijn Vader. Als Zijn ouders Hem zoeken, zegt Hij tegen Maria: Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader? (Luk.2:49). Het gaat toch om de eer en de Naam van Mijn Vader?

En als de Heere aan het einde gekomen is van Zijn leven, horen we Hem aan het kruishout van Golgotha zeggen: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk.23:46).

Heel Zijn leven was één grote verheerlijking van Zijn God en Vader. En Hij deed dat werk als Borg, dat wil zeggen: plaatsbekledend voor een ander.

 

Alleen vanuit de geloofsgemeenschap met Hem krijgt dit ook gestalte in uw leven. Alleen door Zijn genade gaan wij de eer van God weer bedoelen en Zijn Naam grootmaken.

 

Zo vinden wij het ook in Psalm 91 vers 7:

 

Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint,

Dus laat God Zelf Zich horen,

Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,

Een heilrijk lot beschoren;

Omdat Hij mijne Naam erkent,

Zal hem Mijn gunst verzellen;

Ik zal hem redden uit d’ ellend’,

En op een hoogte stellen.

 

Het gaat over de eerste bede. We letten eerst op de woorden ervan en nu op:

 

2. De inhoud van die bede

 

Welke is dat, de eerste bede? Dat hebben we gehoord: Uw Naam worde geheiligd.

Wat is de inhoud dan? Wel, dat staat in het antwoord: Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid , barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen. Daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

Gemeente, let eens op dat eerste stukje uit het antwoord: Geef dat wij U recht kennen. Kent u God? In zekere zin kennen we God allemaal. Allemaal hebben wij een ingeschapen kennis van God. Het is een besef dat er een hoger Wezen is dat wij God noemen, zo zegt onze belijdenis. Behalve een ingeschapen Godskennis kunnen wij ook door middel van onderzoek meer kennis over God verkrijgen.

De catechismus zegt echter dat we een rechte kennis van Hem moeten hebben, om Hem te kunnen verheerlijken; een kennis door wederbarende genade! Een kennis waarvan de dichter in Psalm 119 zingt: ‘Geef mij verstand, met Goddelijk licht bestraald.’

 

Het rechte kennen verbindt het hart van een zondig mensenkind aan God. Wie God recht kent, heeft God lief. Het rechte kennen is het kennen dat voor de Heere buigt, in de verootmoediging van het hart. Het is het zicht op de grootheid van God tegenover de kleinheid van u als mens hier op de aarde. En naarmate de Heere meer genade geeft in het leven van Zijn kinderen, wordt die verootmoediging ook steeds groter.

Door het rechte kennen van de Heere wordt God steeds groter in het leven van het geloof, en word je zelf steeds kleiner. Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30), zo heeft Johannes gezegd. Dan ken je je eigen nietigheid en kleinheid, je dood, je doem, je ongerechtigheid.

Johannes zegt: Hij moet wassen, maar ik minder worden. Johannes zal niet geweten hebben dat het erop uit zou lopen dat zijn hoofd zou worden binnengedragen in de danszaal van de koning. Ten overstaan van God viel alles wat hij had weg, maar hij ging ten hemel in en erfde het koninkrijk van God tot in alle eeuwigheid!

 

Dat rechte kennen geeft de gemeenschap naar God. Dat rechte kennen doet dorsten naar de Heere en naar Zijn gemeenschap. Dat is de kennis waarvan Jezus zei in het hogepriesterlijk gebed: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3). Dat is het werkelijke kennen!

Om God te verheerlijken hebben we dat rechte kennen nodig; niet als een werk van onszelf, maar ook hier weer als een werk van de Heilige Geest, de Werkmeester van het geloof.

 

Werkt de Heilige Geest ook zo in uw en jouw hart? Als je dat niet kunt zeggen voor het aangezicht van God, de Allerhoogste, bid dan: ‘Heere, leer mij U kennen zoals U gekend moet worden tot zaligheid in de Heere Jezus Christus.’

Dat is een gebed tegen jezelf in, want je gaat eraan, meisjes en jongens! Er blijft niets van je over. Dat zei ik je zojuist van Johannes.

Maar het is wel het leven voor het aangezicht van God! Het is de blijde boodschap van de genade van God! Dan pas gaan de werken van God recht spreken in ons leven. Dan worden we een biddend mens, die roept vanuit de diepte van de verootmoediging: ‘Geef dat wij U in al Uw werken recht kennen!’

 

In al Uw werken? Ja, dat is heel wat, gemeente, in al Gods werken! Zou u kunnen aangeven wat dat allemaal is? Laten we dat maar niet proberen, want dat lukt ons niet.

De tweedeling die we daarop toe kunnen passen is: de werken van God in de schepping en het werk van God in de genade.

 

Heel het scheppingswerk van God is één machtige getuigenis. In een natuurgebied heb je aan een vierkante meter genoeg om een hele dag daarover gebogen na te denken en te mediteren. Grassprietjes en bloemetjes, paardenbloemen die je zo kunt wegblazen als ze uitgebloeid zijn, de wind die de pluisjes meeneemt…

Als u een metertje zand hebt, wijzen al die korreltjes op de majesteit, de grootheid van God.

Of je kijkt naar boven. Je ziet de wolken aan de hemel. Je ziet er bepaalde figuren in; je ziet dat de ene wolk harder gaat dan de andere wolk. Uit de ene wolk komt regen en uit de andere niet.

En als de zon schijnt geeft dát weer zoveel overdenkingen.

God heeft ook Zijn wetten in de natuur gelegd. Als je het mos ziet op de boomstronken, als je de gevolgen ziet van stormen, is dat allemaal zo indrukwekkend en goed om daar op te letten.

De dag en de nacht, de seizoenen wisselen elkaar af.

Er staat in Psalm 104: Gij vernieuwt het gelaat van het aardrijk (Ps.104:30).

Het staat beschreven in de zogenaamde natuurpsalmen; zie ook Psalm 19, Psalm 8. Of lees Psalm 29, over het onweer. Gods stem op de grote wateren, ja Gods werk in de natuur!

 

Vervolgens is er het werk van God in de genade. ‘Dat wij U in al Uw werken roemen en prijzen.’ Het zijn de werken van wedergeboorte, dat een dode zondaar levend gemaakt wordt met Christus. Het is het werk van het geloof, het werk van het in stand houden van de genade die God geopenbaard heeft. Het is het geloof in de heilige God dat belijdt: ‘Heere, wat hebt U een werk aan mij! Wat hebt U een werk aan mij om mij klein te maken en ook om mij klein te houden, want ik wil altijd toch weer wat zijn. Wat is het nodig, Heere, dat U mij altijd aan Uw voeten brengt, zodat ik U zou roemen en prijzen. Wat is het nodig dat U mij houdt in het rechte spoor.’

In al die werken is de gerechtigheid van God tot het verdedigen van de zaak van Zijn volk.

Daarin is Zijn barmhartigheid; in het vergeven van de zonden, in het openbaren van Zijn genade. In die werken is de waarheid dat de Heere Zijn belofte vervult, al moet u er misschien lang op wachten. Toch komt de Heere ongedacht om Zijn Woord te vervullen. Denk maar aan Abraham, die zo lang moest wachten op de vervulling van de belofte van het ontvangen van een zoon. Maar de Heere maakte het waar: ‘Ik zal Mijn waarheid nimmer krenken.’

 

Gemeente, is het ook onze lust en ons leven om daarin bezig te zijn?

Onderzoeken wij onszelf voor het aangezicht van God? Je ontmoet soms mensen die zeggen dat ze bekeerd zijn, maar waar niets blijkt van warmte en liefde tot de werken van God, om Hem daarin te heiligen, te roemen en te prijzen. Er komt een vanzelfsprekendheid naar voren en je mist de verwondering en het klein zijn voor het aangezicht van God.

Als je een ware bidder bent, word je stil als je denkt aan de weg die God in Christus uitgedacht heeft om zondaren zalig te maken, als je let op heel de lijdensgang en stervensweg van de Heere Jezus Christus. Dan wordt het wonder steeds groter: ‘Heere, dat U het nu zo heeft uitgedacht, zonder dat Uw deugden daarbij gekrenkt zijn…’ Dat wonder kun je nooit bevatten.

Als we door het geloof daarop zien, is er een innerlijke behoefte om God groot te maken, om de Heere te roemen, om Hem te prijzen.

Dan denkt u aan de weg die de Heere ging met u zelf. Er zijn vast momenten geweest dat u gedacht hebt: Moet dat nu zo? Kan dat nou niet anders? Maar toen u erachter stond, moest u zeggen: ‘Heere, Uw weg was de beste weg! U had het ook niet anders kunnen doen.’ Ik bedoel niet dat u de Heere hoeft te rechtvaardigen, maar dat de Heere Zijn licht daarover laat gaan. Als wij zeggen: ‘Heere, dit was de beste weg’, prijzen wij de Heere daarin. Dat is de genade van God. ‘Heere, geef mij een mond en geef mij gelegenheid om goed van U en van Uw dienst te spreken, Wie U in Christus Jezus voor een verloren mens wilt zijn.’

 

De catechismus gebruikt van die zwaar beladen en tegelijkertijd aansprekende woorden: heiligen, roemen, prijzen.

‘Laat ons alom Zijn lof ontvouwen, in Hem verblijdt zich ons gemoed.’ (Psalm 33:11)  

‘Ik roem in God, ik prijs ‘t onfeilbaar woord; ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’ (Psalm 56:5)

‘Juicht, vromen, om uw lot; verblijd u steeds in God.’ (Psalm 97:7)

‘Prijs de Naam van uwen God, ’s Heeren knechten hier vergaard.’ (Psalm 135:1)

‘En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.’ (Psalm 103:11)

Hoort u, dat is dat roemen en prijzen van het geloof!

 

Er wordt zoveel kwaad van de Heere gesproken, de Naam en de zaak van God worden zo beklad. Zouden we dan tegenover al die woorden, dit woord niet overnemen: Gij dan bidt aldus: Onze Vader Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd?

Die begeerte van het hart zal het leven doortrekken. En dat loopt uit op wat we samen zingen uit Psalm 75, het bekende eerste vers:

 

U alleen, U loven wij;

Ja, wij loven U, o Heer’!

Want Uw Naam, zo rijk van eer,

Is tot onze vreugd nabij;

Dies vertelt men in ons land,

Al de wond’ren Uwer hand.                 

 

We denken in de tweede gedachte na over de inhoud van de eerste bede.

Er is nog een tweede gedeelte, als de catechismus zegt: ‘En daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet worde gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.’

Dat betekent zoveel als: ‘Heere, laat mij toch leven tot de eer van Uw Naam! Heere, bewaar mij in Uw kracht, als er zoveel te doen is wat zich tegen Uw Naam verzet en verheft. Als Uw Naam zo beklad en naar beneden gehaald wordt. O God, mag in mijn leven zich iets openbaren van de grootheid en de heerlijkheid van Uw Naam! Wees mij daartoe een vurige muur rondom. Bewaar en bescherm mij, Heere! Geef dat ik op de plaats waar ik ben iets van een lichtend licht en een zoutend zout mag zijn; als ik op mijn werk ben, als ik thuis ben, als ik als huisvrouw de was doe, als ik studeer, als ik buiten ben, als de kinderen aan het spelen zijn. Mag heel het leven, heel mijn leven, mogen al mijn gedachten, woorden en werken afgestemd zijn op U, o God!’

Thuis moeten we maar eens voor God uitspreken hoe het is met onze schuld dienaangaande. Want de buitenwereld kijkt er ons op aan, nietwaar? Er ligt een claim op ons leven.

 

De Heere zegt: ‘Wat ligt er in Mijn Naam een rijkdom met betrekking tot het zalig worden!’ God heeft deze Naam op u, op jou gelegd toen we gedoopt werden en God Zijn Naam verbond aan onze Naam. Toen heeft de Heere gezegd: ‘Kind, je bent van Mij. Je moet voor Mij leven, in de weg van bekering en van geloof. Ik leg Mijn hand op jou, opdat in deze verworden wereld in jouw leven zich iets zal openbaren tot de verheerlijking van Mijn Naam.’

Hij zegt niet dat u te slecht of te goddeloos bent, te ver afgeweken of wat dan ook. Weet u, God doet het niet om onzentwil, maar Hij doet het om Zijns grote Naams wil, opdat Die verheerlijkt worde! Dat mag een pleitgrond zijn voor God: ‘Heere, doet U het toch omwille van Uw Naam!’ Ik doe het niet om uwentwil, gij huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam (Ez.36:22).

Dan zult u bekennen dat u het niet waardig bent, dat u het ook niet verdienen kunt en dat u het ook nooit verdiend hebt, dat u uzelf de buitenste duisternis, het eeuwige oordeel hebt waardig gemaakt; daar waar de Naam van God tot zaligheid niet meer genoemd wordt.

Maar smeek het dan om Zijns Naams wil, want: ‘Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed van al Uw gunstvolk goed.’ Om Zijns Naams wil! ‘Zie op mij in gunst van boven.’ Roep Zijn Naam aan, want Petrus heeft op de pinksterdag gezegd: Het zal zijn dat een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden (Hand.2:21).

 

Er is een weg ten leven! God openbaart Zijn Naam. Die Naam kan bezoedeld worden, maar die Naam kan ook worden aangeroepen. Die Naam kan ook worden aangeprezen. Er ligt een taak, ook voor een kind van God in het leven van het geloof, in de dienst van de dierbare Heere Jezus Christus. Daar is de Heilige Geest voor nodig, steeds weer en steeds meer.

 

Mogen we zo samen het gebed kennen en de opdracht van de Koning van de kerk. Opdat de hemel zich scheure, en de lof van de Naam des Heeren gehoord zal worden uit verbroken harten, uit verslagen geesten, uit verootmoedigde mensenlevens.

Gods lof stijgt al hoger, naarmate wij doorleven dat wij alleen uit genade zalig kunnen worden!

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;

Men loof Hem vroeg en spâ;

De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen,

Met amen, amen na!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81: 2

 

Zingt een psalm, en geeft

Trommels aan de reien;

Wat in Isrel leeft,

Roep’ Zijn grootheid uit;

Harp en zachte luit

Moet Zijn roem verbreien.