Ds. R. Kattenberg - Zondag 46

Het volmaakte gebed

Het aanspreken van God
Het noemen van de Vadernaam
Kinderlijke vrees en vertrouwen
Hemelse majesteit en Goddelijke almacht

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Geb. des Heeren: 1, 2
Lezen : Mattheüs 11: 20-30
Zingen : Psalm 33: 7, 11
Zingen : Psalm 103: 7
Zingen : Psalm 3: 2
Zingen : Psalm 20: 5

Gemeente, wij geven in deze dienst onze aandacht van Zondag 46 uit de Heidelbergse Cathechismus, de vragen 120 en 121 met de antwoorden die daar bij horen. Wij lezen Zondag 46:

 

Vraag 120: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?

Antwoord: Opdat Hij van stonde aan, in het begin van ons gebed, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond van ons gebed zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

 

Vraag 121: Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?

Antwoord: Opdat wij van de hemelse majesteit van God niet aardselijk denken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft van het lichaam en van de ziel verwachten.

 

Het gaat in Zondag 46 over: Het volmaakte gebed.

 

We letten op vier aandachtspunten:

1. Het aanspreken van God

2. Het noemen van de Vadernaam

3. Kinderlijke vrees en vertrouwen

4. Hemelse majesteit en Goddelijke almacht

 

1. Het aanspreken van God

 

Waarom, zo lezen we in vraag 120, heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?

Dat is een gebod van Christus en dat ligt er. Maar veel mensen weten vandaag de dag geen raad met, laten we zeggen, deze Vaderfiguur. Hoe komt dat? Dat komt onder andere hier door: omdat de aardse vaders model dreigen te staan voor de hemelse Vader. Anders gezegd: als het om vader gaat, dan kijken we eerst naar een vader in het gezin en dán kijken we naar de Vader Die in de hemelen is. Dat is een gevaarlijk uitgangspunt, want dat kan inhouden dat de ervaring die je opdoet met je aardse vader, bepalend is voor je beeld van de hemelse Vader. Het zien op het aardse vaderschap kan het zicht op het Vaderschap van God vertroebelen. Ondoorzichtig maken. Zelfs in diskrediet brengen.

Gaat u maar na. Er zijn vaders die zich in hun gezin gedragen als een soort tiran, van ‘dit zal en dat moet, en daar valt niet over te praten’. Als je dan zo’n vader hebt, dan kan dat vaderbeeld van God de Vader in de hemel, ook die trekken gaan vertonen. Alsof God een wrede tiran zou zijn die er maar op los slaat.

Je kunt als kind ook bang zijn voor je vader. Dat gebeurt ook. En dat kan ook zijn consequenties hebben voor het denken over God de Vader in de hemelen. Als je geen eerbied, geen ontzag hebt voor je vader – en dat komt óók voor: geen eerbied, geen opzien tot je vader – dan heb je dat straks ook niet voor God.

En – een hele moeilijke aangelegenheid – als je als meisje door je vader misbruikt bent, dan zal dat gevolgen hebben, als je in dit gebed hoort over ‘onze Vader Die in de hemelen zijt’.

 

Merkt u, het staat er en het blíjft er ook staan, maar als we het nu eens in een wat groter kader zetten, dan komen we toch ook heel wat zorgen op het spoor. En is het geen gevaar dat zo’n beetje iedereen de Naam Vader naar zijn eigen gedachte, naar zijn eigen beleving en naar zijn eigen ervaring gaat invullen? U moet daar voor uzelf maar eens de tijd voor nemen, of dat misschien bij u of bij jou ook het geval is.

 

En dan weten we ook in de wereld van vandaag van een groep mensen, feministen die zo opkomen voor de rechten van de vrouw. Feministen hebben al moeite met de Vadernaam op zích. Dan gaat het nog niet eens om het inhoudelijke, maar om het feit dat God Vader genoemd zou worden. Dan vinden ze dat God veel te veel mannelijke trekken krijgt toegewezen. En daar tegenover komen zij op voor de rechten van de vrouw. En zo roepen ze, als ze samenkomsten beleggen, God aan als vader en moeder.

We komen dus allerlei sporen tegen waarvan we zeggen: kijk, daar moeten we op bedacht zijn. En in hoeverre en waar kunnen we dat terugvinden in het Woord van God? Want we lezen hier in de catechismus, stoelend op het Woord van God: ‘Waarom heeft Christus ons geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?’

 

Samenvattend kun je zeggen: we moeten niet mensen als voorbeeld voor God kiezen. Kinderen maken tekeningen op school en daar heb je vaak een voorbeeld bij. Een voorbeeld, en dat ga jij tekenen. Wat is hier nu het voorbeeld? Dat is niet de aardse vader, om zo te kijken naar de hemelse Vader. Maar dat is de hemelse Vader, opdat zo gekeken zou worden naar de aardse vader. Dus mensen moeten niet het voorbeeld zijn met betrekking tot God, maar omgekeerd: God moet de mens tot voorbeeld zijn. En God moet de mens tot maatstaf zijn. God, dus ook in Zijn Vaderschap.

De catechismus zegt dat ook, dat we over God niet aards mogen denken. We mogen God niet zo in het aardse vlak trekken. We komen daar straks nog wel op, maar ik zeg het nu alvast. Soms hoor je mensen over God spreken alsof Hij hun buurman is.  

Gemeente, wat is het zaak dat we ons oor te luisteren leggen bij wat de Bijbel ons aandraagt als het gaat om het Vaderschap van God.

 

Juist de aanspraak van het volmaakte gebed, het ‘Onze Vader’, stempelt heel de inhoud van dit gebed. Want waarom zegt de Heere Jezus: Gij dan, bidt aldus: Onze Vader (Matth.6:9)? Waarom doet de Heere Jezus dat? Gemeente, dat doet Hij om aan te geven dat er één Naam is waarin de Heere Zijn hoogste vreugde vindt en waarin Hij het meest verheerlijkt wordt. Zoals we daarvan zongen uit Psalm 33: ‘Goedertieren Vader, milde Zegenader…’ En als een mens als zondaar die Naam op zijn lippen neemt, dan geeft hij aan God de Schepper er iets mee terug.

Wát krijgt de Heere dan terug? Dan krijgt God terug de eer waarop Hij recht heeft. Daarmee krijgt God terug wat Hij door de zondeval is kwijtgeraakt.

Want wij zijn door onze zondeval God kwijtgeraakt. Maar bedenk ook, gemeente, hoe God door onze zondeval, naar de mens gesproken, Zijn eer is kwijtgeraakt. Natuurlijk, God is en blijft de Hoogheilige en God valt niet méér te maken noch minder te maken. Maar we hebben wel de eer van God aangetast. Een mensenkind dat door genade vertrouwelijk omgaat met God de Vader en die God Vader noemt, geeft God iets terug van wat de Heere bij de zondeval heeft moeten afstaan: een mens die zich verblijdt in de ontmoeting en in de omgang met God.

 

De Vadernaam, gemeente, is geladen door liefde. Dat mogen we ook aan onze kinderen vragen, want je mag natuurlijk de lijnen ook doortrekken naar het aardse vaderschap. Wat is het fijn als je een lieve vader hebt. Een vader van wie je veel houdt en met wie je alles bespreken kunt en die naar je luisteren wil. Zo is ook de Vadernaam van God geladen met liefde.

In die Vadernaam zit ook het element van zorg. Dat weten de kinderen. Vader en moeder zorgen zo goed mogelijk voor je en die nemen je ook in bescherming als het nodig is. Toch? Dat vinden we ook terug vanuit God.

De Vadernaam is ook een betrouwbare naam, dat is een veilige naam. Kinderen zeggen: ‘Het is toch mijn vader? Het is toch mijn papa?’ Nou, zo mogen Gods kinderen ook weten dat die Naam van God veilig is en dat die betrouwbaar is. Eigenlijk hebben we dat samen ook gelezen vanuit het leven van de Heere Jezus Zelf, uit Mattheüs 11, als Hij God Zijn Vader noemt en als Hij zegt: ‘Ja, Vader, alzo is het welbehagen geweest voor U. Voor wijzen en verstandigen hebt U het verborgen, maar U hebt het de kinderkens geopenbaard.’ En in datzelfde hoofdstuk loopt het dan ook uit op de eer van God. En als de Heere Jezus Zijn wonderen doet op aarde, tijdens Zijn omwandeling op aarde – dat weten de kinderen ook – dan is het zo vaak dat we lezen dat de Heere eerst Zijn Vader aanroept. Dat Hij eerst in het gebed gaat tot Zijn Vader.

Kijk, en daar hebt u nu ook de lijn naar het leven hier op aarde in de harten van mensenkinderen. Het is vrucht van Christus’ werk dat God in het gebed als Vader mag worden aangesproken. Dus hoe komt het dat God als Vader wordt aangesproken? En dan komen we weer bij de kinderen: om Jezus’ wil. Het is het gevolg van het werk van de Heere Jezus Christus.

 

De aanspraaktitel van God is een heel bijzondere. Als u daar misschien eens op gelet hebt, dan zal het opgevallen zijn dat u die aanspraak in het Oude Testament niet tegenkomt. In het Oude Testament wordt God niet als Vader aangesproken. Nergens.

Maar de Heere Jezus nam bij Zijn gebeden, in het Nieuwe Testament dus, deze Naam in de mond: Vader. Mogen wij die Naam ‘Vader’, zoals de Heere Jezus die gebruikt heeft, van Hem overnemen? Mag u het zeggen omdat Hij het gezegd heeft? Mag jij het zeggen omdat Hij het gezegd heeft? Het is goed, gemeente, als we die vraag onder ogen zien.

Als je zou zeggen: ‘Ja, natuurlijk mogen we dat en natuurlijk is God onze Vader, want we zijn toch allemaal kinderen van God? Allemaal kinderen van één Vader, van één en dezelfde Vader?’, dan denk ik dat u op een verkeerd spoor zit. Sterker nog, dan weet ik wel zeker dat u op een verkeerd spoor zit. Daar moeten we heel erg voorzichtig mee zijn. God onzer aller Vader…? Als het gaat om de schepping, dan is God Vader van alle mensen. Maar als het gaat om het werk van het geloof, als het gaat om de herschepping, om wedergeboorte, dan is God alleen Vader van Zijn kinderen.

Dus zo natuurlijk is het niet om te bidden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt’. Het is niet vanzelfsprekend. En daarom, ons past heilige eerbied. Het moet ook niet een stukje routine worden. Geen enkel bezwaar als u aan tafel bijvoorbeeld één keer het ‘Onze Vader’ bidt. Maar doe het dan nooit als een vanzelfsprekendheid. Laat het dan altijd opnieuw met de nodige eerbied plaatsvinden. Het geheim dat daarin opgesloten ligt is voor de wijzen en voor de verstandigen verborgen. Maar het is geopenbaard – dat is: opengelegd – voor de kinderen. Kinderen gaan die naam noemen als de Heere Jezus zegt: ‘Noem Mijn Vader úw Vader.’

Er blijft altijd onderscheid. Denk ook aan Pasen, als de Heere Jezus aan Maria de opdracht geeft om heen te gaan: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Joh.20:17). Dan hoor je daarin ook iets klinken van de rijkdom van het Vader zijn van God. Vader…

 

Zoek je nu iets in de Bijbel dat ook verhelderend kan zijn om als voorbeeld te hebben, denk dan aan de beschrijving van de vader in de gelijkenis van de verloren zoon. Die gelijkenis kennen de kinderen ook, zeker als ze wat ouder zijn. En we kennen de woorden die deze vader gebruikt tegen die verloren zoon. Als zijn zoon nog op afstand is, dan lezen we iets van die vader. Dan staat er: Zo zag hem zijn vader (Luk.15:20). En dan staat er nog wat bij, dan staat er bij dat de vader met innerlijke ontferming bewogen was. Nou, daar heb je nu een hele mooie, aangrijpende omschrijving van de vader. Zó ziet de vader er nou uit! De vader die al op de uitkijk staat en de vader die zijn zoon tegemoet loopt, die hem al ziet als hij nog op afstand is, en die met ontferming bewogen is.

 

En welke mensen gaan die God nu als Vader erkennen? Dat zijn alleen diegenen die het gebod van Christus zijn gaan verstaan. Laten we ter verduidelijking nog een keer kijken bij die gelijkenis van de verloren zoon. Achter de varkens, daar gebeurt het in het leven van deze jongen. De meisjes en jongens weten het ook, hij heeft het er niet best afgebracht. Want hij heeft gezegd, laat ik het maar wat cru zeggen: ‘Pa, je gaat toch een keer dood, dus geef mij maar vast het deel van de erfenis.’ Hij neemt een voorschot op het overlijden van zijn vader. Nou, dat kan niemand je aanraden, meisjes en jongens. Als ouders een voorschot nemen op hun overlijden naar kinderen toe, dat is een andere zaak. Als mensen zeggen: ‘Ik geef het liever met een warme hand, terwijl ik nog in leven ben, dan dat mijn kinderen het uit een koude hand zouden ontvangen als ik er niet meer ben.’

Maar goed, achter de varkens, daar is het gebeurd. Daar komt deze man tot een belijdenis, als hij zegt tegen zichzelf: ‘Ik heb geen recht om kind te zijn, om kind genoemd te worden. Wat heb ik allemaal gedaan!’ Dan zeg je: ‘Jongen, als je nou verstandig bent, dan zet je je vader uit je gedachten en dan maak je er van wat je er van kunt maken. Want je snapt natuurlijk ook wel dat als je op deze manier thuiskomt, nou, dan is het niet best. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet, blijf waar je bent.’

En dan zitten we precies fout, gemeente. Dat klopt nou precies niet met wat het Woord ons aanreikt. Want ondanks die belijdenis: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u’, ondanks die overdenking die hij heeft in zijn hart, durft hij toch de terugweg in te slaan naar zijn vader. Als een geslagen hond komt hij terug met die belijdenis bij zijn vader, gaat hij terug naar huis. Maar als hij teruggaat, gemeente, dan is dat toch met de hoop dat hij nog ergens een plekje zal vinden op de boerderij. Dat hoeft niet thuis te zijn, want ‘ik ben niet waardig om uw zoon genaamd te worden’, maar als het nou ergens in de schuur is… Zo in de trant van, heel menselijk gedacht: dan kan ik m’n vader toch altijd nog een keertje zien. Al is het maar op zijn rug, en al is het maar door de kier van een deur. Kijk, daar heb je die innerlijke betrokkenheid op vader. Als hij maar weet weer een beetje in de buurt van zijn vader te mogen komen…

 

En onderweg naar zijn vader, dan is daar de schuldbelijdenis. En wat denkt u, zal die belijdenis niet steeds intenser geworden zijn bij die jongen? Want dan gaat hij, al repeterende, al voortgaande: ‘Ik zal zeggen tegen mijn vader: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u.’ En naarmate hij dat verder zegt, wordt het geen gewoonte voor hem. Maar naarmate hij het meer zegt, wordt het uitgediept voor hem. Zo in de trant van: hoe moet dat? Als vader nou maar vader is gebleven. Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u (Luk.15:18).

 

Kijk, gemeente, dat is nu echt geloof. Wij denken wel eens dat écht geloof hetzelfde is als een volmáákt geloof, of als een volkómen geloof. Maar Gods kind moet het ook na ontvangen genade belijden, dat het alles ten dele is. Een mens die een waarachtig geloof heeft, is tegelijkertijd een mens die geen volkomen geloof heeft. Een waarachtig geloof, een echt geloof, dat is niet hetzelfde als een volkomen geloof.

Denkt u maar aan het avondmaalsformulier, waaruit we altijd horen lezen dat één van de dingen waardoor we ons aangeklaagd weten, is dat wij geen volkomen geloof hebben. Wel waarachtig geloof, maar niet een volkomen geloof.

En wat bewerkt niet een waarachtig geloof? Waarachtig geloof bewerkt deze belijdenis: ‘Ik heb gezondigd. Ik zal opstaan en gaan tot mijn Vader.’ Weet u het van uzelf? Weten jullie uit je eigen leven, meisjes en jongens: het kon niet en het gebeurt toch? Dat is altijd het machtige van het Woord van God. Je wordt in de klem gedreven, je kunt geen kant meer op en dan is God daar. Nu was alles tegen. En nochtans gaat u langs de evangelieweg. Vol zonde en ongerechtigheid. En dan komt er Eén langs, Wiens Naam Jezus is. ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontfermt U Zich over mij!’ Dat is het geloof, dat zich vastklemt en vastklampt aan de Heere Zelf. Dat geloof komt met een schuldverslagen hart en dat belijdt: ‘Heere, U bent Vader. Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan.’

Wat een wonder, als een vijand van God Vader leert zeggen. Onbegrijpelijk. Mag dat? Kan dat? Dat zien we in onze tweede gedachte.

 

We zingen eerst uit Psalm 103 het zevende vers:

 

Geen vader sloeg met groter mededogen,

Op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,

Dan Isrels Heer’ op ieder die Hem vreest.

Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten;

Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,

En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 

Het volmaakte gebed. We zagen allereerst het aanspreken van God en nu in de tweede plaats:

 

2. Het noemen van de Vadernaam

 

We beginnen met een vraag, gemeente: hoe ver moet je gekomen zijn in het geloof om Vader tegen God te mogen zeggen?

Er zijn nogal wat mensen die denken dat dat maar aan enkelen gegeven is. En als argument wordt onder andere daarbij aangevoerd: ‘Ja, kijk eens, de Heere Jezus heeft dat gebed aan Zijn discipelen geleerd. En wie durft zich nu te vergelijken met de discipelen? Die staan in je belevingswereld toch wel een heel eind van jezelf af. De discipelen, dat is nogal wat…’

Gemeente, het is zaak om dan eens na te gaan wanneer de Heere Jezus dit volmaakte gebed aan Zijn discipelen geleerd heeft, en wanneer de Heere Jezus tegen Zijn jongeren gezegd heeft: Gij dan, bidt aldus: Onze Vader (Matth.6:9). Dan valt het op dat dat niet geweest is na Pinksteren. Niet na de uitstorting van de Heilige Geest, de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen, zegt Paulus: ‘Abba, Vader’. De Trooster, de Heilige Geest, was nog niet gekomen. Wanneer de Heere Jezus aan Zijn jongeren de Vadernaam leert gebruiken, dan zijn de jongeren allemaal nog kleingelovig. Dan is het geloof nog niet sterk geoefend. Dan is er nog veel vrees in hun leven, en veel ontrouw zal openbaar komen, en moedeloosheid zal zich openbaren. De kennis van God in het leven van de discipelen en de kennis van het koninkrijk van God was nog gering.

Zeker, op de vraag: ‘En gij, wie zegt gij dat Ik ben?’, heeft Petrus beleden: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ En toen ging de Heere Jezus leren: ‘Petrus, dat hebben vlees en bloed je niet geopenbaard, maar de Vader Die in de hemelen is.’ Maar wat blijkt een poosje later? Als de lijdensgang van de Heere Jezus zich gaat verdiepen en als de discipelen dat aanzien en als ze daar afstand van nemen, als ze geen zicht hebben op de gang zoals de Heere Jezus die maken moet tot verzoening van hun zonden, dan ontbreekt er nogal het één en ander in hun leven. Ze waren nog niet zó ver gevorderd op de leerschool van de genade van God.

 

Nou, hoe ver moet je dan gevorderd zijn op de leerschool van Gods genade om God Vader te mogen noemen? Ik zei het u eigenlijk straks al. U moet net als de verloren zoon zo ver gekomen zijn, dat je zegt: ‘Kijk, dat herken ik, als hij zegt: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U.’

Een kind kan het zeggen, een kind mág het ook zeggen. Welk kind? Alle kinderen! De grote kinderen en de kleine kinderen. De kinderen die meer genade ontvangen hebben en de kinderen die minder genade ontvangen hebben. Maar u snapt natuurlijk wel, degenen die meer genade heeft ontvangen, die heeft er ook meer doorzicht in dan degene die minder genade ontvangen heeft. Die meer genade heeft, die ziet ook meer de rijkdom van het Vaderschap en van het kindschap, dan iemand die nog niet zo lang op de weg des levens is.

Dat is, kinderen, in het leven van alledag ook zo, hè? Als je kinderen hebt in verschillende leeftijden, dan heeft de oudste meer besef van ‘dat is mijn papa’, dan de jongste. Maar kinderen zijn kinderen en ze horen in geestelijke zin bij het grote huisgezin van God. En daarom, zowel de groten als de kleinen, mogen de Vadernaam uitspreken, in geestelijke zin, ten overstaan van God de Hoogheilige.

 

En dan staat er terecht ook bij in de catechismus dat God van stonde aan in ons kinderlijke vrees en toevoorzicht tot Hem wil verwekken. Dat moet u goed lezen. De Heere wil dat wekken, of verwekken. Er staat dus niet dat die vreze er al ís, en dat die eerbied er al ís. De Heere wil die nu juist verwekken, de Heere wil die nu juist doen ontstaan door het zeggen van de Vadernaam. Dus dat sluit ook alle vanzelfsprekendheid uit, alle gewoonte en alle ondoordacht uitspreken. Nee, zegt de Heere, als je die Naam uitspreekt, dan laat Ik je dat doen opdat er van meet af aan in het gebed de kinderlijke vreze en de toevoorzicht voor God worden verwekt.

Worden verwekt… Er staat dus niet, gemeente, dat je dat kinderlijk vertrouwen en die vreze eerst moet hebben. Dan draaien we het om. Die mensen zijn er ook, die zeggen: ‘Je moet éérst kinderlijke vreze en dat vertrouwen hebben, en dán kun je Vader zeggen.’ Nee, zegt de Heere, als je Vader zegt, dan wil Ik die vrees en dat vertrouwen in je hart verwekken. Omgekeerd dus. Door het gebruik van die Naam wil God dat vertrouwen wekken.

 

Sluit u zich met uw vragen maar aan in de rij van de discipelen van de Heere Jezus Christus. Het geloofsleven van de jongeren was niet volmaakt. Maar toen alle mensen zich van de Heere Jezus losmaakten, toen Jezus vroeg aan Zijn jongeren: ‘Wilt gij ook niet heengaan?’, toen hebben ze gezegd: ‘Heere, tot wie zullen wij heengaan?’ Het woord van Petrus als een woord van allemaal.

O, zeker, uw onvrijmoedigheid is best begrijpelijk. Als we de Schrift lezen als het Woord van God de Allerhoogste, dan is er bij u zoveel te vinden waarvan je zegt: dat weerhoudt me om de Naam van God als Vader te gebruiken. Geen vrijmoedigheid. Of nóg geen vrijmoedigheid.

Gemeente, wanneer zouden we de vrijmoedigheid in onszelf kunnen vinden om te zeggen: ‘En nu kan ik de Vadernaam wel gebruiken’? Wanneer zou u voldoende vrijmoedigheid kunnen openbaren om te zeggen: ‘En nu, nu kan het’? Welke vrijmoedigheid hebben wij vanuit onszelf, tot welk geestelijk werk ook? Wat kunnen we vanuit onszelf ook in déze? En kijk, dan is dít maatgevend voor de ware christen: ook in al deze dingen alles van de Heere Jezus te verwachten. En in dit alles uit te zien naar Hém, te hopen op Hém Die alles heeft aangebracht, Die voorgegaan is in het uitspreken van de Naam van Zijn Vader.

En ziende op Hem, is en blijft er altijd iets van die terughoudendheid. Dat is dat dubbele: enerzijds de betrokkenheid op, en anderzijds het afstand nemen van… Een stap vooruit, en een stap achteruit… Want wie ben ik ten overstaande van de allerhoogste God? Dat is het spanningsveld.

Als we daar erg in hebben, dan is dat een zegen. Dan word je bewaard ook voor automatisme. Dan heeft het ook reliëf, als u de Vadernaam gebruikt. Dan heeft het ook weerklank in het hart. Dan heeft het ook de liefde in zich. Ook zoals de kinderen tegen papa mogen zeggen: ‘Ik hou zoveel van u.’ Als we zo dat ook ten uitvoer mogen leggen in het gebed naar God toe. Als de Heere Zich zo wil openbaren, zodat je hoop op Hem is, in en door de Heere Jezus Christus.

 

En wie dat gelooft, die weet echt wel dat hij met al zijn werken God niet tot zijn Vader máákt. Want dat is soms ook een gedachte, dat mensen zeggen: ‘Ik moet eerst dit en ik moet eerst dat, en als ik dat nou gedaan heb, kijk, dan is God ook mijn Vader.’ Merkt u, dan laat u het weer van uzelf afhangen. Dan bent u zelf maatgevend en normgevend. Nee, Jezus zegt: Gij dan, bidt aldus: Onze Vader Die in de hemelen zijt. Het is vrije ontferming, vrije genade, om God als onze Vader te mogen aanroepen.

Ja, wat een wonder dat een vijand van God Vader leert zeggen. Vader, Die zoveel liefde openbaart. Vader, Die zo Zijn trouwe zorg laat zien. Vader, Die dat in het bijzonder heeft gedaan in de schenking van de Zoon van Zijn liefde, Die de straf heeft gedragen om schuld te verzoenen. Dan zegt een kind van God: ‘Heere, U wist toch dat we zondaren waren, en hebt U nou voor zulke mensen Uw Zoon overgegeven?’ Dan buig je diep. Om in de verwondering ten overstaan van God hóóg te zingen, zoals Psalm 3 dat doet, en wij met die Psalm, het tweede vers daaruit:

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen.

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m’ Uw gunst aanschouwen.

‘k Riep God niet vrucht’loos aan;

Hij wil mij niet versmaân,

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.

 

Het volmaakte gebed. We zagen eerst het aanspreken van God. Vervolgens het noemen van de Vadernaam. En dan staan we in de derde plaats stil bij:

 

3. Kinderlijke vrees en vertrouwen

 

In het spreken tot God gaat het om de gezindheid van het hart. God ziet het hart aan. En ten opzichte van de rechte gestalte noemt de catechismus dan twee elementen: kinderlijke vreze en kinderlijk toevoorzicht.

 

Kinderlijke vreze. Dat is een mooi woord. Vrees heeft de betekenis van: opzien, liefde. Het is niet ‘bang zijn’, dat is slaafse vrees. Slaafse vrees is de vrees van een slaaf die bang is voor de slagen die zijn meester hem geven zal. Maar kinderlijke vrees, daar spreekt de liefde uit. Dat moeten we dus niet verkeerd begrijpen. De kinderen kennen het versje wel: ‘Wie heeft lust de Heer’ te vrezen’. Dan is de betekenis niet: ‘Wie heeft er zin in om bang te zijn voor God?’ Dat snap je ook wel. Dan voel je wel: vrezen is liefhebben, ontzag hebben voor, opzien tegen. Dus dat vinden we hier.

Dus die kinderlijke vreze, dat kinderlijke liefhebben, dat vloeit voort uit de ingestorte liefde van God. God is de Eerste, komt met Zijn liefde, en dat heeft zijn terugklank naar God toe, dat we de Heere lief gekregen hebben om Zijns Zelfs wil. Omdat God God is. Niet omdat God wat geeft, of omdat God wat belooft, maar God liefhebben omdat Hij God is.

 

En daarnaast is er kinderlijk toevoorzicht, of het kinderlijk vertrouwen. Enerzijds dus het ootmoedig opzien tot de Heere en anderzijds dat vrijmoedig naderen. Daar heb je hetzelfde weer van zo-even: een stap vooruit en ook weer een stap terug. Eerbied en liefhebben en ook weer dat toevoorzicht, dat vertrouwen, ja, dat is een soort pendel zeg maar, die hier ons voorgesteld wordt als het gaat om de omgang met God. Vrees en vertrouwen.

 

En die twee noemt de catechismus als grondslag, fundament, voor het gebed. Grondslag, fundament, dat wil dus zeggen: de bodem ervan. Alles rust daarop. Dat weten de kinderen ook. Je hebt de vloer hier in de kerk en de rest van de kerk is daar op gebouwd. Zo is het bij jullie thuis ook. Nou, het gebed heeft ook zo’n vloer, zo’n bodem. En, zegt de catechismus, dat is nu die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht. Die twee moeten de bodem zijn en die moeten ook verwekt worden, opgewekt worden.

En wie zou dat doen, denkt u? Dat is de Heilige Geest. De Heilige Geest leert u dat de Heere nabij is bij de gebrokenen van hart, en dat de Heere Zich inlaat met de verslagenen van geest. Als de Heere u iets van die gebrokenheid en die verslagenheid leert kennen, dan gaat ook de verbrijzelde en de verbroken Christus voor u leven. Want hier valt Zijn Naam, namelijk dat God onze Vader door Christus is geworden. God wil Vader zijn om Christus’ wil. Let daar op, Hij is altijd weer het middelpunt. Hij is altijd weer het centrum. De Vader kan alleen de genadige Vader zijn door Zijn Zoon. Het geloof zingt hier de lofzang: Hij is onze Vader geworden door Christus!

 

Gemeente, als een mens daar iets van gaat verstaan, dan ziet u ineens het hele evangelie van de drie-enige God oplichten. Dan kan het Woord zo rijk openvallen, als u dan de bediening van die drie-enige God ziet, als het er om gaat om vijanden met God te verzoenen. Dan zie je achter deze aanspraak God de Vader. God de Vader Die in het paradijs gevallen mensenkinderen wilde opzoeken, die vervallen waren aan de diepste ellende, ja aan de dood zelf. Om zulke mensen terug te brengen in het Vaderhuis, om ze aan te vatten met Zijn Vaderhand, om ze te drukken aan Zijn Vaderhart. Je ziet daar God de Vader in.

Maar dan ziet u achter die aanspraak ook het werk van God de Zoon. God de Zoon Die in deze wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, Die de lijdensgang gegaan is. Hij Die de stervensweg is afgedaald. Hoe ver? Hij komt tot in de Godverlatenheid. Daar is een Vaderhuis dat dicht is voor Hem. Dicht voor Hém, opdat het geopend zou worden om Zijnentwil, voor zondaren uit het menselijk geslacht.

En dan in de derde plaats ziet u ook het werk van de Heilige Geest in deze aanspraak. De Heilige Geest Die er plaats voor maakt in het hart en leven van de zondaar. Die Geest Die het uit Christus neemt en het ons verkondigt en het leert belijden: ‘Om Jezus’ wil, Abba, Vader.’

 

Een kind weet: vader zoekt voor mij het beste. Dat kinderlijk vertrouwen dat er het beste gezocht wordt, dat vinden we in het slot van het antwoord, als er staat: ‘En dat Hij ons veel minder zal afslaan hetgeen wij Hem met recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.’ Vader weet wat het beste is voor Zijn kinderen.

Gemeente, dat is een opmerking om toch nog eens even bij stil te staan. Om tegen elkaar te zeggen dat God het ook het beste kan vinden om niet te geven waar u om vraagt. Dat het niet altijd spoort. Of Hij kan soms een kruis leggen op uw schouders. Uit liefde, uit vaderlijke kastijding.

 

Er is een waar verhaal van een meisje uit Amerika. Ze overkwam een ernstige dwarslaesie en werd verlamd, maar ze mag daarin de goedertierenheid van de Heere opmerken. Ze zegt: ‘Wat heeft de Heere mij veel mogelijkheden gegeven om anderen ook met het Woord van God in aanraking te brengen.’ En dan zegt ze: ‘Dan moet u natuurlijk niet gaan proberen of u dat ook mag overkomen, dat is de bedoeling niet.’ De Heere kan soms een weg met ons gaan, waarbij er gaandeweg licht over komt, zodat je zegt: ‘Heere, dank U wel dat U zo met mij hebt willen handelen.’ Dat mensen verwonderd zijn en zeggen: ‘Hoe kun je dat toch, zo met zo’n omstandigheid omgaan?’ Ja, dan moet je het eerst meemaken, wat dat zeggen wil.

Zo wil de Heere bepaalde dingen afwijzen en ook andere dingen geven die wij niet gehoopt en niet verwacht hadden en die toch strekken tot de verheerlijking van Zijn Naam.

 

En bij dat alles, zegt de catechismus, is er de toevoeging: ‘Waarom wordt daar bijgevoegd: ‘Die in de hemelen zijt?’ Opdat wij van de hemelse majesteit van God niet aards zouden denken en van Zijn almachtigheid alle nooddruft van lichaam en ziel verwachten.’ Dat is het slot dus:

 

4. Hemelse majesteit en Goddelijke almacht

 

De Vader Die in Christus zó diep tot ons is afgedaald, is de God Die een verloren mensenkind weer thuis wil brengen. Hoe nabij komt God dan! En tegelijkertijd: hoe ver blijft God bij je vandaan. Dat wil de catechismus ons hier duidelijk maken, als hier gesproken wordt van de hemelse majesteit van God, waar we niet aards over zullen denken.

Ik zei u al: we mogen de Heere niet trekken in het vlak van de buurman, met ‘je’ en ‘jij’ en ‘jou’. En ik weet het wel, er zijn dialecten waarbij dat de gewoonte is, maar de hoogheiligheid van God kunnen we nooit genoeg respecteren. Laten we daar heel voorzichtig mee omgaan. God is de Heilige Die in de hemel woont, Die hemel en aarde vervult. Overal is God. Op bergen en in dalen, overal is God. En u en jij, wat zijn we ontzettend klein…

De Heere zegt: ‘Al de volken van de aarde acht Ik minder te zijn dan een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal.’ Nou, kinderen zien wel een drupje aan een emmer, maar dat is niet veel hè, een druppeltje aan de emmer. Nou, ál de mensen van deze wereld, allen die geleefd hebben en nog zullen leven, die allemaal, zegt de Heere, zijn voor Mij minder dan een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal. Als de zon schijnt in de kamer, dan zie je stofjes. Wat is nou een stofje op een weegschaal? Er kan een heleboel stof op de weegschaal liggen, maar het legt geen gewicht in de schaal. Nou, zegt de Heere, al de mensen van de aarde zijn voor mij als een stofje aan de weegschaal.

 

Gemeente, het is goed dat de Heere ons ook in dat opzicht op onze plek zet. Want laten we eerlijk zijn, als we naar onze mond kijken, dan is dat nog wel eens een grote mond. De één weet dit en de ander weet dat. En nou tegenover God: ‘Opdat wij van de hemelse Majesteit niet aards zullen denken.’ Niet op een aardse manier dus. Ook in dat opzicht dienen wij God God te laten.

Dat is altijd een indrukwekkende zaak, de hemelse majesteit van God. Een heilig God vol van majesteit, en een klein mensenkind vol van zonde en ongerechtigheid. We moeten bewaard worden voor hoogmoed. Misschien hebben we het nodig om zo weer op onze plek gezet te worden. Dat is ook een zegen! Wij denken dat de zegen van de Heere onder de preek altijd maar iets is dat we kríjgen, maar het is ook een zegen als we bescháámd worden in de kerk. Als we het hoofd moeten buigen en zeggen: ‘Heere, wat ben ik van het spoor af en wat is die hoge majesteit van U soms weg uit mijn gedachtewereld. Laat ik niet aards van U denken, o allerhoogste God.’

 

En de Heilige Geest wil in dit verband de verbinding tot stand brengen. Een heilig God en een zondig mensenkind, en daar tussen… het bloed van het Lam van God! Het kruis van de Heere Jezus Christus. Wat een genade als zo’n zondaar zich in de weg van het geloof mag toevertrouwen aan deze God. Want deze God is onze God, zo zingt de dichter.

 

Ja, daar mag van Zijn almachtigheid alle nooddruft naar lichaam en ziel worden verwacht. Zo sluit de catechismus af: ‘En van Zijn almachtigheid alle nooddruft van lichaam en ziel verwachten.’

Nooddruft is alles wat we nodig hebben. Maar dat is nogal wat. Somt u het eens op voor uzelf, maak zo eens een keer een overzicht. Wat heb je nou allemaal niet nodig? En dat de Heere nu alles wil geven vanuit Zijn volheid… En de Heere doet dat om Jezus’ wil!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 20:5

 

Behoud, o Heer’, wil bijstand zenden,

Verlos, bewaar, verschoon;

Die Koning hoor, als w’ in ellenden

Aanbidden voor Zijn troon.