Ds. J.J. van Eckeveld - Genesis 3 : 20 - 21

Uitzicht op de komende Christus

De naam waarmee Adam zijn vrouw benoemt
Het kleed waarmee God de mens bekleedt

Genesis 3 : 20 - 21

Genesis 3
20
Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.
21
En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1
Lezen : Genesis 3: 9-24
Zingen : Lofz. v. Maria: 1, 6, 7
Zingen : Psalm 3: 2
Zingen : Psalm 130: 3

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in Genesis 3 vers 20 en 21; daar lezen wij:

 

Voorts noemde Adam de naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.

En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan.

 

In deze tekst wordt gesproken over: Uitzicht op de komende Christus.

 

We letten daarbij op twee gedachten:

We zien dat uitzicht op de komende Christus in:

1. De naam waarmee Adam zijn vrouw benoemt. Hij noemt haar Heva.

2. Het kleed waarmee God de mens bekleedt. De Heere maakt rokken van vellen om Adam en zijn vrouw aan te trekken.

 

1. De naam waarmee Adam zijn vrouw benoemt

 

Gemeente, het eerste huwelijk dat ooit op de aarde bestaan heeft, is door God Zelf gesloten. We lezen in Genesis 2 dat Adam de dieren namen gaf. Alle dieren komen bij hem langs, twee aan twee, mannetje en vrouwtje. Adam is echter alleen. Dat verwekt heimwee in zijn hart. Hij gaat verlangen om ook een hulp als tegenover hem te mogen hebben. Dan doet de Heere een diepe slaap op Adam vallen, en Hij bouwt uit een van zijn ribben een vrouw. En Hij brengt die vrouw tot Adam. Daar staat die vrouw voor hem!

En dan gaat Adam vol verrukking een lied zingen. Het eerste lied dat in de Bijbel voorkomt, is een huwelijkslied. Want dan lezen wij dat Adam zegt: Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees; men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aankleven, en zij zullen tot één vlees zijn (vers 23 en 24). We zien het niet zo in onze Bijbel, maar in het oorspronkelijke is het duidelijk dat de woorden van Adam een lied vormen. Een lied, gezongen vol verrukking over die vrouw die God hem geeft.

Daar hebt u dus het eerste huwelijk. Dat is in het paradijs een goed huwelijk geweest. Er was nog geen zonde. Er was een volmaakte harmonie tussen man en vrouw. Er was een lichamelijke band en een geestelijke band. Beiden hadden God lief.

Wat geeft dat ook een diepte aan het huwelijk vandaag, als man en vrouw elkaar in de ogen mogen kijken, en het van elkaar mogen weten: we houden veel van elkaar, maar er is er Een Die bovenaan staat, en dat is de God Die ons aan elkaar gegeven heeft!

 

Maar dan komt de zondeval. De zondeval heeft dat eerste huwelijk verwoest. Als Adam en Eva gegeten hebben van de verboden vrucht, dan komt er verwijdering tussen Adam en zijn vrouw. Ze gaan zich voor elkaar schamen, wat ze nooit eerder gedaan hadden, en ze maken zich schorten van vijgenbladeren.

Als de Heere hen dan voor de dag roept – want ze hebben zich ook voor God verstopt, in het struikgewas van de hof – als de Heere hen dan ter verantwoording roept, omdat ze gegeten hebben van de verboden vrucht, dan gaat Adam zijn vrouw beschúldigen. De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt (vers 12), die heeft mij verleid. Hoort u: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt. Hij noemt haar naam niet eens, want ze heette aanvankelijk Manninne. Hij zegt alleen maar verachtelijk: ‘Die vrouw…’

Daar hebt u de scherven van het eerste huwelijk. De zonde verwoest alles, ook het mooiste wat God geeft. Hoeveel huwelijken zijn er niet door de zonde verwoest! De man gaat de vrouw beschuldigen, en omgekeerd, en er komt verwijdering, en al meer verwijdering, en ten slotte breekt het. De verwoesting van de zonde openbaart zich ook in huwelijken. De zondeval heeft zo ontzaglijk veel verwoest, niet alleen dat eerste huwelijk, maar daarin en daar bovenuit ook de verhouding tot God. Want de zonde maakt scheiding tussen God en ons.

Dat zie je ook bij Adam en Eva. Daar zitten ze weggekropen voor God, in het struikgewas van de hof. Gemeente, is dat uw nood al geworden, dat de zonde scheiding maakt, uw zonde, tussen God en uw hart?

Dan zien we Adam en Eva daar staan voor God, in hun naaktheid, in hun schuld, in hun schande. Ze worden ter verantwoording geroepen. Ze staan voor hun Rechter. Ze hebben de dood verdiend. De Heere had gezegd: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen.2:17).

 

Bent u weleens alleen met God overgebleven? Hebt u weleens – en dan bedoel ik diep vanbinnen – voor uw Rechter gestaan, toen u geconfronteerd werd met de heiligheid en de rechtvaardigheid van God? Daar weten al Gods kinderen van. Dan blijft er geen enkele verontschuldiging meer over. We kunnen nog zo bezig zijn, net als Adam en Eva, om onszelf te bedekken met alle mogelijke vijgenbladeren. Maar in de confrontatie met de levende God, met Wie wij in rekening staan, vallen al die vijgenbladeren weg. Dan sta je naakt voor God, geestelijk naakt. Dan zie je de dood voor ogen, en het is rechtvaardig. O, hebt u zo weleens voor God gestaan, zodat u de Heere mocht toevallen:

 

Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog;

Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.

 

Daar waren Adam en Eva eerst nog niet, want ze gaan de schuld op een ander werpen. Dat zit er zo diep in. Maar gelukkig als ik zelf de schuldige word!

Maar nu het wonder: daar waar wij onszelf het rechtvaardige vonnis van God waardig keuren, daar wordt onze Rechter onze Redder. Hoe is dat mogelijk? Alleen omdat Christus wilde worden het Zaad van de vrouw. De Heere heeft in die donkere paradijsnacht het uitzicht willen openen op de komende Zaligmaker, in de moederbelofte, die belofte die de moeder geworden is van alle andere beloften. In die moederbelofte gaf de Heere uitzicht op het Zaad van de vrouw, de komende Christus, Die ook uit de vrouw van Adam zou voortkomen en Die de kop van de slang vermorzelen zou.

De Heere moet de zonde straffen met de dood, onverbiddelijk. Maar nu is hét Kind gekomen, op Wie hier het uitzicht geopend wordt. Dat Kind Dat kwam in de lage kribbe om daar de kruisweg te beginnen, de straf te dragen, het recht van God genoeg te doen. Want God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Als je het Kind losmaakt van Gods heilige gerechtigheid en van de straf op de zonde, dan kom je terecht in al die kerstromantiek die niets met het kerstfeest te maken heeft. Daar moeten we erg in hebben. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5). In Christus is de hitte van Gods toorn geblust, het recht van God bevredigd en de toorn van God uitgewoed. In Christus wordt de Rechter tot Redder.

En dat uitzicht heeft de Heere in die donkere paradijsnacht al willen openen, in de moederbelofte. Daarom heeft de Heere Adam en zijn vrouw in het paradijs niet weggevaagd. De Rechter wordt de Redder in het Zaad van de vrouw.

 

Gemeente, wat wordt dat een wonder, als dat persoonlijk waar wordt in je leven, als je voor de Rechter niet kunt bestaan. Na de zondeval sprak alles van de dood. De mens had de dood verdiend, de eeuwige dood. Maar waar een mens verdient in de dood weg te zinken, gaat God hier openen het uitzicht van advent, het uitzicht op Christus, geboren uit een vrouw, gelegd in Bethlehems kribbe. In Hem wordt de Rechter de Redder.

Nu heeft de Heere in het hart van Adam geloof gewerkt, en dat is nog zo in het leven van al Gods kinderen. Ik hoop dat u dat weten mag uit uw eigen leven. Als de Heere met kracht Zijn Woord spreekt in uw hart, dan brengt de Heere geloof mee. Dan zeggen we niet: ‘Zou het wel van de Heere zijn?’ Als God komt tot het hart, dan brengt de Heere alles mee. Dan kan het later weer in de strijd en in de aanvechting terechtkomen en dan kan het later weer betwijfeld worden vanbinnen, maar op dat ogenblik niet. Dan mag het geloof geloven. Op dat ogenblik is er geen twijfel. Als het geloof zich verlaten mag op Zijn Woord, dan mag je zeggen: ‘Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’

 

En wonder, zo is het bij Adam geworden, die Adam die eerst de schuld op een ander wierp en die vol verachting zei: Die vrouw die Gij bij mij gegeven hebt… De Heere heeft hem daar gebracht, dat hij de belofte Gods heeft geloofd, nadat de Heere eerst het oordeel over de zonde had aangekondigd. Dan lezen we niet meer dat Adam nog iets zegt om zichzelf te verdedigen, maar de Heere heeft het zo geleid dat hij de belofte Gods heeft geloofd. Door dat geloof heeft hij zich vastgeklemd aan de moederbelofte. Dat was Gods werk. Anders had Adam nooit geloofd. Als de Heere tot een mens komt, vindt Hij bij die mens nooit geloof, maar Hij brengt Zelf het geloof mee.

Door dat geloof heeft Adam nu naar zijn vrouw mogen kijken, en dan noemt hij haar Heva. Er staat in het Hebreeuws: Chawwah, en dat betekent: leven! Alles sprak in die donkere paradijsnacht van de dood, maar de Heere had uitzicht gegeven op het Zaad van de vrouw. Nu zal de vrouw leven voortbrengen. Zij zal hét Leven voortbrengen uit haar. Er is een hele reeks van moeders van Christus in het Oude Testament, maar deze vrouw is de eerste. Uit haar zal voortkomen dat grote Zaad, Dat later zeggen zal: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6). Hoort u het: Ik ben het Leven! Die vrouw zal als een moeder zijn uit wie Christus zal voortkomen. Daar mag Adam uitzicht op krijgen. Dan wordt het advent in Adams hart. Hij mag van verre, net als Abraham en andere gelovigen uit het Oude Testament, de dag van Christus zien. En die Christus zal als het Zaad van de vrouw eenmaal uit zijn vrouw voortkomen.

 

Dan lezen wij het: Voorts noemde Adam de naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is. Gemeente, begrijpt u dat hier adventsuitzicht wordt geopend? Hij komt, Die als het Zaad van de vrouw de kop van de slang zal vermorzelen. Hij komt, Die door de dood heen het leven zal verwerven. Hij komt, Die de weg zal banen voor doodschuldige zondaren naar het eeuwige leven. Hij komt, in Wie de Heere rechtelozen ten Redder zal zijn. Nu mag die vrouw heten Heva, Chawwah, leven.

Gemeente, daar hebt u het herstel van dat eerste huwelijk dat in scherven lag. Nu is Adam opnieuw nauw, en nog veel nauwer, aan zijn vrouw verbonden. Dat eerste huwelijk lag aan scherven; we hebben het gezien: ‘Die vrouw…’ Maar in het uitzicht op Christus wordt dat eerste huwelijk door God hersteld. Heva, leven.

 

In Christus ligt de herstelling van dit huwelijk, ligt de diepe zin van het huwelijk. Want als Paulus aan de Efeziërs erover schrijft, dat de man zijn vader en moeder verlaten zal en zijn vrouw zal aanhangen, en dat die twee tot één vlees zullen worden, dan zegt Paulus: Deze verborgenheid – dit mysterie – is groot! Dan voegt hij eraan toe: Ziende op Christus en op de gemeente (Ef.5:32).

Dat is een zegen, als je getrouwd mag zijn en je elkaar daarin verstaan mag: We hebben Christus lief. Dan mag de man het hoofd van de vrouw zijn, zoals Christus van Zijn gemeente. Dat heeft niets met tirannie en uitbuiting te maken, zoals men vandaag ons wil doen geloven. Zoals Christus Zijn gemeente – Hij heeft Zichzelf voor haar opgeofferd, in onuitsprekelijke liefde – zo mag de man het hoofd van de vrouw zijn. En zo mag de vrouw haar man volgen, zoals de gemeente Christus volgt.

Ziet u de lijnen lopen van Genesis 3 naar wat Paulus schrijft aan de Efeziërs? Hier, in die donkere paradijsnacht, wordt in het uitzicht op Christus dat eerste huwelijk, dat gebroken was, wonderlijk hersteld.

Jongelui, als jullie verlangen naar het huwelijk – en dat mag, dat is goed, zo wil de Heere het – maar is het dan ook jullie verlangen: ‘Heere, geef ons een huwelijk waar Christus de hoogste plaats heeft? Christus, Die alles voor Zijn bruidsgemeente gegeven heeft. Mag ik zo mijn vrouw liefhebben?’ En dan hoor ik de gemeente van Christus vol verwondering zeggen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste! (Hoogl.5:16) Zo mag de vrouw zich dan verheugen in haar man. Wat zijn dat gezegende huwelijken!

 

Zo hebben Adam en zijn vrouw elkaar weer mogen vinden in het uitzicht dat hier geopend wordt op de komende Zaligmaker, Die uit de vrouw zou voortkomen. Vandaar zegt Adam: ‘Haar naam is Heva, Chawwah, leven.’ Toen Adam naar zijn vrouw keek, mocht hij geloven: uit haar zal eenmaal voortkomen de Levende, Die de dood overwinnen zal.

 

En dat is Advent: Hij komt. Zijn er hier kinderen die uitzien naar de komst van de Heere Jezus, die vragen: ‘Heere Jezus, wilt U ook in mijn hart komen?’ Zijn er hier jongelui bij wie het is: ‘Dat is het verlangen van mijn hart’? Zijn er hier voor wie het zo onmogelijk geworden is, omdat ze geconfronteerd zijn met de heiligheid en de rechtvaardigheid van God, die hun vijgenbladeren kwijt moesten en die daar als het ware staan in hun geestelijke naaktheid voor de Heilige? Hoe zal het ooit moeten? O, luister, het is advent: Hij komt! Hij komt tot die bevende zondaren. Hij komt om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Hij komt om zondaren te brengen bij Zijn kribbe. Dan zullen ze Hem mogen zien, en zich in Hem mogen verblijden.

Adam en Eva hebben uitzicht gehad op Zijn komst. En gemeente, zo kan het zijn in het hart; ogenblikken van uitzicht, van moed, van hoop. Dan durf ik nog niet te zeggen dat Hij tot mijn ziel gekomen is, maar dan is er toch die stille hoop in het hart, dat stille uitzien, dat zich vastklemt aan Gods Woord. Zo Hij vertoeft, verbeid Hem – wacht op Hem – want Hij zal gewisselijk komen (Hab.2:3). Dat is adventsuitzicht.

 

Maar dat uitzicht wordt ook beproefd. Denk eens aan Adam en Eva. Als ze hun eerste kind krijgen, hebben ze gedacht: Dat is het, dat is de Beloofde! En ze noemen hem Kaïn, dat betekent: verkregene. En ze zeggen: Ik heb een man van de Heere verkregen (Gen.4:1). Ze hebben gedacht: Dat is Degene Die beloofd is, het Zaad van de vrouw, Die de kop van de slang vermorzelen zal; dat is Christus…

Gemeente, wat kunnen we een verkeerde toepassing maken van Gods belofte. Dat komt ook in het leven van Gods kinderen al te vaak voor. Dan gaan we wat de Heere zegt, uitleggen zoals het ons past. Een verkeerde toepassing.

Adam en Eva hebben gedacht: Kaïn is het, dat is de verkregene, de man die we van God verkregen hebben. Later is Abel geboren, en daar hebben ze helemaal geen verwachting van gehad, want Abel betekent: nietigheid, een nietigheidje. Daar hebben ze niets van verwacht. Al hun aandacht was op Kaïn gericht. Hij is het!

Maar wat is het anders gegaan. Jullie weten het wel, kinderen, wat er gebeurd is, hè? Abel is door Kaïn doodgeslagen. Dan raken Adam en Eva hun beide kinderen kwijt. De een in de hemel, Abel, de eerste mens die in de hemel kwam; en de ander van God verlaten en zwervend op de aarde, Kaïn.

Is dat de vervulling van Gods belofte? Is Eva werkelijk de moeder der levenden? Het lijkt wel of ze geworden is een moeder der doden…

 

Zouden Zijn beloftenissen

Verder haar vervulling missen?

Vruchtloos worden afgewacht,

Van geslachte tot geslacht?

 

Daar hebt u de beproeving van het geloof. Het geloof is een genade die beproefd wordt. Adam en Eva hadden uitzicht op de komende Christus, maar dat adventsuitzien gaat door het onmogelijke heen. Eva lijkt een moeder der doden.

Wie van Gods kinderen weet niet van die onmogelijkheden? Dan kom je met de belofte in de nacht van de onmogelijkheid terecht. Dan zie je niet hoe de belofte ooit nog waar zal moeten worden.

Adam en Eva wisten het niet toen ze hun twee kinderen kwijtraakten. En Abraham wist het niet toen Sara onvruchtbaar bleef. En David wist het niet toen hij zwerven moest als een veldhoen op de bergen. En u weet het niet, als het zo onmogelijk wordt en als alle wegen tot de vervulling van Gods Woord worden afgesloten. En als de duivel, die oude slang, vanbinnen tegen je zegt: ‘Je hebt tevergeefs op God gehoopt.’ En de schuld van je leven staat hemelhoog voor je. Het uitzien van advent, het uitzien naar Christus is een uitzien dat beproefd wordt, dat door onmogelijkheden heen gaat. Dan is het of alles in de dood zal ondergaan. Heva, Chawwah, leven… Is Eva een moeder der levenden? Ze is een moeder der doden!

 

Maar door het onmogelijke heen geeft God uitkomst. Ze zal toch moeder der levenden zijn. Adams geloof zal toch niet beschaamd worden. Want dan komt er weer een zoon, Seth, en dan zegt Eva: God heeft mij een ander zaad gezet (Gen.4:25). Dan komt er toch weer uitzicht op het Zaad Dat komen zal. Door de onmogelijkheid heen geeft de Heere Zijn kinderen toch weer uitzicht, totdat Hij Zelf komt, in de volheid des tijds, eeuwen later.

De Kerk van het Oude Testament heeft Hem lang verwacht. De Heere laat Zijn kinderen soms lang wachten. In de Westminster Confessie wordt het beleden, dat Gods kinderen soms lang moeten wachten op de vervulling van de belofte, op de verzekerdheid des geloofs, maar Hij komt.

 

’k Heb lang de Heer’ in mijnen druk verwacht,

En Hij heeft Zich tot mij geneigd.

 

Hij komt, dwars door alle strijd en beproevingen heen. En als Hij komt tot het hart, dan mag er in het hart kerstfeest gevierd worden. Dan mag u met de herders buigen bij de kribbe en dat Kind aanschouwen en met Simeon zeggen: ‘Nu hebben mijn ogen Uw Zaligheid gezien. Want dat Kind is Uw Zaligheid.’

We gaan zingen Psalm 3 vers 2:

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen.

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m’ Uw gunst aanschouwen.

’k Riep God niet vruchtloos aan;

Hij wil mij niet versmaân,

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.

 

Uitzicht op de komende Christus. In de naam waarmee Adam zijn vrouw benoemt, maar ook in:

 

2. Het kleed waarmee God de mens bekleedt

 

Want er is nog meer, ik lees vers 21: En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan. Adam en Eva stonden daar in hun schamelheid en in hun naaktheid voor God. Hun vijgenbladeren hadden voor de Heere geen waarde.

U en ik staan in geestelijk opzicht naakt voor God. De verhoogde Christus zegt tot de gemeente van Laodicéa: Gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt (Openb.3:17). We staan in onze naaktheid en schande voor God.

En wat doen we? We proberen zelf onze naaktheid te bedekken. We proberen zelf onze zonde te bedekken. We willen niet in onze schuld en schande voor God komen. Wij zoeken overal vijgenbladeren om onze schuld te bedekken. We proberen de schuld te verbergen, of we zeggen: ‘Kijk eens naar die, dat is ook zo’n beste niet, en kijk eens naar die, die is slechter dan ik.’ En zo gaan we maar door. We zijn net als Adam en Eva meesters in het afschuiven van onze schuld.

 

Als je naaktheid en je schande wordt blootgelegd, dan ga je aan het werk om dat te bedekken. Dan willen we onze schande bedekken met de vijgenbladeren van onze goede werken en van onze tranen en onze gebeden en onze inspanningen en onze waarde en onze verdiensten. En we zullen het anders gaan doen, en we zullen het beter gaan doen… En we zeggen met het gezicht op onze schuld: ‘Heere, heb maar geduld, ik zal U alles betalen.’ Dat zit er zo diep in bij u en bij mij. Dat kleine kind dat nog maar net praten kan, zegt het al: ‘Ikke zelf doen!’ Zo zijn we maar bezig zelf schorten te maken van vijgenbladeren. Vijgenbladeren van eigen gerechtigheid, van eigen verdienste.

Maar als het dan doorklinkt in het hart: ‘Betaal mij wat gij schuldig zijt’, als u dan tot in het diepst van uw hart geconfronteerd wordt met de heiligheid en de rechtvaardigheid van God, dan gaat u zien: de Heere kan alleen maar tevreden zijn met het volmaakte. Daar heeft Hij alle recht op, want Hij heeft ons goed gemaakt. En waar zal ik het volmaakte ooit vandaan kunnen halen? Daar gaan dan al je vijgenbladeren. In de confrontatie met de heiligheid en de rechtvaardigheid van de God met Wie wij in rekening staan, wordt dat allemaal weggevaagd.

Adam en Eva konden met hun schamele vijgenbladeren voor God niet bestaan. Dan blijft er alleen maar naaktheid en schuld over. Je mag met Adam en Eva nog zoveel verontschuldigingen hebben gehad, maar uiteindelijk heb je niets meer in te brengen. Dan kun je de dood verwachten, niet anders dan de dood. Het is rechtvaardig. ‘Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’…’

 

Daar ziet u ze staan, Adam en Eva, in hun schamelheid, in hun naaktheid voor God. De dood verdiend. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. Als de Heere het vonnis voltrokken had, was het rechtvaardig geweest.

Maar nu dat wonderlijke, wat we lezen in vers 21: En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en trok ze hun aan. Dus als Adam en Eva daar staan voor God, in hun naaktheid, in hun schamele vijgenbladeren, dan gaat God aan het werk. Wat gebeurt er dan? Dan gaat de Heere een dier of dieren slachten. Wat voor dieren weten we niet, in ieder geval dieren. Van de huid van die dieren maakt Hij rokken. Hoort u het, Gód doet het. De Heere maakte klederen voor die twee naakte mensen, en Hij trekt ze aan.

Wat wij zelf maken, dat heeft geen waarde. Wat wij onszelf aantrekken in geestelijk opzicht, voor God, dat heeft geen betekenis. Het kleed van onze eigen gerechtigheid en onze eigen verdienste, dat wij zelf willen weven, heeft geen waarde voor God, geen betekenis. Alleen als de Heere Zélf een kleed maakt en ons aandoet, dan wordt onze naaktheid bedekt. God gaat hier aan het werk. Hij doodt een dier, Hij slacht dat dier.

Als ik dat dode dier, of misschien wel dieren, zie liggen, dan zeg ik: Dat is nu de straf op de zonde. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen. En daar ligt dat dier of die dieren, dood. Adam had moeten sterven, maar nu ligt daar dat dier dood.

 

Gaat het u dagen, als u daarover nadenkt? Begint het licht bij u op te gaan? Ook hier zien wij adventslicht. Adam moet sterven, en nu ligt Adam niet dood op de grond, maar dat dier of die dieren. De mens heeft zich aan de dood onderworpen. Het Kind van Bethlehem zal komen om in zijn plaats de dood in te gaan.

Gemeente, dit dode dier heeft iets van het offer dat voor een ander wordt gebracht. Dan zien we hier uitzicht op het grote offer, dat het Zaad van de vrouw eeuwen later zal brengen aan de kruispaal van Golgotha. Ik zou zeggen: dit eerste offer hier dat ooit gebracht is op de wereld, wijst heen naar dat grote offer van Christus. Het bloed van dat gedode dier wijst naar het bloed van Christus, waarvan het Woord van God zegt: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:7). Dat Kind in de kribbe zal komen om Zichzelf op te offeren. Dat Kind zal komen om Zijn bloed, om Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen.

Dan denk ik weer aan die naam Heva. Het Zaad van de vrouw, Christus, zal dat leven verwerven door onder te gaan in de dood. En hier al, in die donkere paradijsnacht, wordt het uitzicht geopend op dat offer van Christus.

 

Hebt u zo wel eens met geestelijke ogen naar die kribbe van Bethlehem mogen kijken? Dat Kind is gekomen om te sterven, om aan het kruis van Golgotha het grote Offer te zijn voor de verzoening van de zonde. Dat Kind is gekomen om door de dood heen leven te verwerven. Hij is gekomen om geslacht te worden. Hij heeft de nood en de dood van al Zijn kinderen overgenomen. Het zwaard van Gods heilig recht heeft Hem getroffen midden in Zijn hart, opdat verloren zondaren, Hem door de Vader gegeven, eeuwig vrijuit zouden gaan.

Dan lees ik hier een paradijsprofetie van de komende Christus. Hij in de dood, opdat Zijn kinderen zouden leven. O, wat wordt Hij dan dierbaar, als het licht van de Heilige Geest erop gaat vallen, voor verloren mensen die in hun naaktheid en schamelheid staan voor God, die geen verontschuldiging meer over houden, en geen vijgenbladeren meer, die niets meer overhouden. O, hoor, het is waar, in u is niets, maar alles is in Hem! Hij is gekomen in de kribbe van Bethlehem, om Alles te worden in het leven van zondaren die niets hebben om voor God mee te kunnen bestaan.

Weet u een andere weg om met God verzoend te worden, om in Gods gunst hersteld te worden? Er is geen andere weg. Tot wie zullen we anders heengaan dan tot Hem, tot Jezus alleen?

 

En als nu dat eerste offerdier – zo mag ik het toch wel noemen – dat ooit is geslacht, hier dood op de grond ligt, dan maakt God van de huid van dat dier klederen, en Hij hangt die dierenhuiden Adam en Eva Zelf om. God Zelf bekleedt hun naaktheid met het kleed waar Hij Zelf voor gezorgd heeft.

Er is maar één ding dat onze geestelijke naaktheid en schande voor God kan bedekken: het kleed van dat grote Offerlam Jezus Christus. Het kleed van Jezus’ gerechtigheid. De gerechtigheid redt van de dood (Spr.11:4). Zijn gerechtigheid!

En wat een wonder, gemeente, als de Heere ons dat kleed omhangt. Wat u zichzelf omhangt, dat heeft geen waarde, maar wat God doet. Het kleed dat Hij Zelf omhangt. Hij heeft mij bekleed, lees ik dan, met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan (Jes.61:10). Dat is het kleed van Jezus’ gerechtigheid en van Jezus’ verdienste. Het Zaad van de vrouw, op Wie hier het uitzicht al geopend wordt, en Dat gekomen is om in de weg van lijden en sterven dat kleed te verwerven.

Als dat kleed van Jezus’ blanke gerechtigheid om mijn vuile zondaarsschouders gehangen wordt, dan ziet God mijn zonde niet meer. Dat kleed kan al mijn zonden bedekken, heel mijn schuld, heel mijn schande, heel mijn nood en mijn dood.

Weg dan met al die vijgenbladeren van je eigen gerechtigheid! Laat het je toch te doen zijn om dat kleed van Jezus’ gerechtigheid, dat onze naaktheid voor eeuwig bedekt! En in dat kleed ziet God mij zo heilig, zo volmaakt als Christus Zelf, als had ik nooit zonde gekend en nooit zonde gedaan. Dan ziet God mij aan in Christus. Dan heb ik, arme zondaar – want in mezelf kom ik nooit verder –aan dat Lam van God eeuwig genoeg.

 

Gemeente, vanuit het paradijs worden we hier heen gewezen naar het Lam van God. Het is de prediking van het Evangelie die ook vandaag hier mag klinken tot kinderen, tot jongeren en tot ouderen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Want in dat Lam is genoeg voor heel de wereld. De Dordtse Leerregels zeggen: ‘overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonde der ganse wereld.’ En o zondaar, als het dan voor heel de wereld kan, zou het niet voor u kunnen? Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

Adam heeft van verre dat Lam gezien. In dat Lam zegt God: ‘Ik zie geen zonde meer in Mijn Jakob en geen overtredingen meer in Israël.’

 

Ik denk aan Kohlbrugge, die in zijn naaktheid en schande voor God stond en helemaal niets meer had om in te brengen. Vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom.7:14). En toen was het alsof God in zijn ziel tot hem sprak: ‘Ben je tevreden met Mijn Lam?’ En toen Kohlbrugge zeggen mocht vanuit zijn hart: ‘Ja, Heere’, toen was het alsof God tegen hem zei: ‘Dan ben Ik tevreden met u.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130: 3

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op de Heer’,

Dan wachters op de morgen;

De morgen, ach, wanneer?