Ds. L. Huisman - Hooglied 5 : 16m

Een lied dat vol is van liefdevolle verwondering

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).

Hooglied 5 : 16m

Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 150: 1, 2, 3
Lezen : Hooglied 5
Zingen : Psalm 32: 1, 4
Zingen : Psalm 45: 1
Zingen : Psalm 89: 1

Geliefden, voor deze bijzondere gelegenheid wil ik u het Woord des Heeren bedienen uit het Hooglied, hoofdstuk vijf en daarvan vers zestien, het middelste gedeelte, waar we lezen:

 

Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.

 

We beluisteren hierin: Een lied dat vol is van liefdevolle verwondering.

Wij zingen dit lied ter ere van Hem, Die mij riep en mij bekwaamheid gaf. Want wie ben ik en wat is mijn afkomst, dat God mij Zijn getuige deed zijn, hier en onder de heidenen.

Ook heeft de Heere dat getuigenis rijk gezegend, door velen door mijn bediening als paarlen aan Zijn kroon te hechten. Ik zeg dit tot eer van Hem Die mij riep, en waarachtig niet om te zeggen hoe goed ik toch wel gepreekt heb.

Telkens als ik in moeilijkheden verkeerde en mijn zorgen daar waren, als ook satan niet afliet om mijn deel te bestrijden, gaf de Heere getuigenis, en kracht, om voort te gaan. Telkens ontmoet ik weer mensen die mij hierover aanspreken.

Afgelopen week nog ontmoette ik twee mensen uit Zeeland, die ik nog nooit gezien had. De één was ouderling en de ander was een broeder uit Vlissingen, die zei: ‘Dominee, in het begin van de jeugdkampen, toen u gesproken hebt over het volgen van Jezus, toen heeft God mij in mijn hart gegrepen.’

De andere man, een ouderling, zei: ‘Dominee, u hebt vroeger hier gepreekt over: Ploegt de ploeger de gehele dag? (Jes.28:24). Dat is het begin geweest. Toen heb ik gezien hoe God in mijn leven geploegd had. U hebt toen gezegd: ‘Die ploeg gaat weg en die komt niet meer terug. Dan gaat hij het land effen maken.’ Toen was ik er van overtuigd dat God lang genoeg geploegd had, toen ben ik beschaamd geworden om mijn zonden.’

En zo zijn er altijd mensen die getuigenis geven van Gods werk. Dat heeft mij gesterkt en bemoedigd. Dat heeft mij kracht gegeven om voort te gaan. Het heeft mij ook gedrongen om thans deze tekst in het kort voor u te ontvouwen.

 

Al wat aan Hem is – mijn Koning, mijn Zender, mijn Verlosser, mijn Heere en mijn God – is gans begeerlijk!

lk ga in verachting voorbij aan de moderne theologen van de laatste decennia – misschien vroeger ook wel – die in dit Hooglied niets anders zien dan een banale vrijerij tussen een man en een vrouw, een jongen en een meisje; die hier niet meer in zien dan aardse liefde; hoewel ook aardse liefde een geschenk van God is. U weet, in het paradijs hebben we alle liefde verloren. Het is Gods algemene gratie, Zijn algemene genade, waardoor het nog mogelijk is op de wereld te leven; dat een man zijn vrouw en een vrouw haar man liefheeft en ouders hun kinderen. Maar ik strijd met ieder die dit Hooglied laat opgaan in de betekenis van een aardse liefde.

De Kerk van oude tijden heeft in dit Hooglied het lied gevonden van de bruid voor de Bruidegom en van de Bruidegom voor de bruid, van Jezus Christus, de Bruidegom, en van ons, Zijn Kerk, de zwarte bruid. Ja, in deze tekst staat het geschreven: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk!

 

Na vier hoofdstukken hiervoor, waarin gesproken wordt van het verlangen, van de roem der liefde, van de hartelijke vereniging, komt hier in het vijfde hoofdstuk van het Hooglied een andere gestalte van de bruid naar voren. Haar liefde lijkt verkoeld. Ze is traag om op te staan.

Het valt ook niet mee, als je genoten hebt, om dan de strijd weer in te gaan, de nacht weer in te gaan, de wereld weer in te gaan. Het is zo zoet: eenzaam, met God gemeenzaam! Het is zo heerlijk, met een boekje in een hoekje, te genieten, te wenen over zonde, van liefde, van genade, van Gods trouw. Maar… er is meer. De bruid, kind van God, moet ook dóór dit leven gaan: ‘Gij zijt Mijn getuigen.’ En dat geldt niet alleen voor de dominee; dat geldt voor elk kind van God. ‘Dat Ik God ben.’ En als we dat getuigenis in deze wereld laten horen, die belijdenis, dan kleeft daar altijd lijden aan. Lijden met een lange ij. Lijden, pijn lijden, het zwaar krijgen, moeite, kruis. Dat heeft Jezus eerlijk gezegd. Als je Mijn discipel wilt zijn, neem dan je kruis op en volg Mij! En dat was voor de bruid van toen, en voor de bruid van nu, niet altijd even begerenswaardig, niet altijd even gemakkelijk. Vooral als je je voeten gewassen hebt. Vooral als je heerlijk rusten mag. De strijd en de nacht liggen voorlopig achter je en dan in stille liefde gedenken wat God aan ons, verloren zondaren, ten koste gelegd heeft.

 

Maar de Bruidegom was daar niet mee tevreden. We zien het in dit hoofdstuk: Hij is gekomen en Hij heeft geklopt; vriendelijk, nodigend, geroepen. Maar zij heeft gezegd: ‘Ach nee, nou niet, niet opnieuw de duisternis in! ‘t Is nacht! Ik wil rust! Ik wil nu genieten! Ik wil niet de strijd!’ Desondanks heeft Hij haar genodigd. Ja, Hij dwong haar met Zijn liefde. Maar zij zei: ‘Nee, nu niet!’

En toen? Toen is Hij weggegaan. Weggegaan. Teleurgesteld. Verdrietig. Maar Hij heeft toch iets achtergelaten. Dat was een beetje mirreolie dat Hij op de handvatten van de deur gestreken had. Een beetje mirre, als teken van Zijn liefde. Met andere woorden: ‘Mijn bruid, Mijn beminde, Ik ben bedroefd, Ik haat je niet. Ik neem geen afscheid van je. Maar Ik moet nu weg en je had samen met Mij moeten gaan.’

Maar ze wilde niet. Ze wilde liever nog wat rusten. Als Hij dan weggegaan is, dan voelt ze zich toch niet gelukkig. Hoe kan dat ook? En dat ligt niet aan Hem, dat ze zich niet gelukkig voelt! Dan komt er zo’n gemis, zo’n schrijnend gemis. Hij is weg! Ik hoor Hem niet meer! Ik kan niet meer met Hem spreken! En voor degene die weet wat het is, dat God tot hem gesproken heeft, voor degene die weet wat het is: ‘Deze Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn’, bedenk: dit is nu Zijn woord waarmee Hij tot ons spreekt. Als u dat in uw hart ervaren hebt, als dat in uw leven waarheid geworden is: God heeft tegen me gesproken! Ik heb Zijn stem gehoord! O, wat is het dan leeg, wanneer u de Bijbel weer opslaat, wanneer u weer naar de kerk komt, en u weer uw knieën buigt, en dat contact is er dan niet! Het Woord komt niet over! O, ik zeg het nog eens: dat is niet omdat Zijn gezindheid ten opzichte van u anders geworden is, want die Hij liefgehad heeft, die heeft Hij liefgehad ten einde toe. Maar dat komt altijd en alleen omdat wij niet trouw zijn zoals wij behoorden trouw te zijn. Dat komt altijd en alleen omdat wij ongelovig geworden zijn, op welke manier dan ook.

Dat brengt altijd weer smart. Zolang we aan deze kant van het graf zijn, zolang we nog niet thuis zijn, blijft dat onze kwaal, blijft dat het knelpunt in ons leven. Elke keer weer van de Heere afhoereren, verlokt worden door het vlees, afgetrokken worden van Zijn gemeenschap, bezet worden met de dingen van deze tijd, meegesleurd worden door de zonde, verleid worden door de vorst der duisternis. ‘O, wanneer, o God, wanneer zal ik bij U zijn?’, zo zong reeds de psalmdichter. Dan is het voorbij! Dan zullen we Hem nooit meer bedroeven, dan zullen we nooit meer de kant van Zijn tegenpartij kiezen, dan zullen we nooit meer verflauwen in liefde tot Hem.

Maar nu zijn we nog hier, in de tijd. Ook Paulus roept het uit: ‘Ik, ellendig mens, het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik!’ Ellendig mens! Ja, maar ik dank God door Jezus Christus, zodat we weer kunnen zingen:

 

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

 

Wel was de mirre achtergebleven op de handvatten van het slot. Maar wat is mirre, wat is een gave van Jezus, als je Jezus mist? Toen Hij eenmaal met je sprak, toen Zijn goedheid je hart vernederde en Zijn genade je in opstand bracht tegen de wereld en de zonde, toen Hij jou koos en jij Hem mocht kiezen, wat is dan de mirre zonder Hem?

O, ik weet het: het kan zalig zijn te wenen vanwege Gods goedheid. Ik weet het: het kan zalig zijn Hem achterna te schreien, omdat wij milde handen en vriendelijke ogen bij Hem vonden en dat tegenover al onze zonden en onze ontrouw en onze afkomst en onze godde­loosheid. Maar als wij eenmaal ontdekt hebben wat de bron is van deze liefde van God, die Hij in onze harten heeft uitgestort, dan begeren we Hem te kennen, uit Wie al die liefde vloeit en door Wie die genade van God tot ons gekomen is. Dan zijn we niet meer tevreden – en God haalt dan ook meestal de bodem uit die droefheid, zodat we ons niet meer kunnen vermaken in de werkzaamheden onzer ziel – maar Hij maakt dat we weer gaan uitzien naar Hem Die het gewerkt heeft, namelijk Jezus Christus!

 

Ik zei u reeds, wanneer u dat in het oog gekregen hebt door het geloof, wat is dan mirre, als je Hem mist? Kijk maar bij de bruid. Wat is een hemel zonder Jezus? Een troon zonder Koning? Wat is een vrouw zonder man? Een hemel zonder Jezus is een hel gelijk! En een hel met Jezus is de hemel! Luther zegt: ‘Dan kan ik in de hel zijn, als ik dan maar bij Jezus mag zijn!’ Dat kan natuurlijk niet, maar bij wijze van spreken, want waar Hij is, daar is geen hel meer.

 

Welnu, de bruid had Zijn gemeenschap gesmaakt. In de dag van ondertrouw, voordat het huwelijk gesloten werd. Ja, ja, ik weet wat sommigen van u zeggen: ‘Ja, dat is die dominee die altijd over Jezus praat; hij begint met Jezus en hij eindigt met Jezus.’ Geliefden, ik kan niet anders! Ik geloof dat er geen andere naam onder de hemel gegeven is!

Als je in de tijd van je verkering niet verlangt naar elkaars gemeenschap, naar elkaars liefde, naar elkaars aanwezigheid, dan twijfel ik er sterk aan of je ooit tot een goed huwelijk kunt komen. En zo is het ook in het geestelijk leven. We zijn hier nog maar in de tijd van ondertrouw. Maar als je hier in deze tijd van ondertrouw niet met je ziel verlangt naar die Bruidegom, dan betwijfel ik of het ooit tot een huwelijk zal komen tussen Jezus en tussen u. Want hier op aarde vindt de ondertrouw plaats, hoor. Om straks in de hemel altijd bij Hem to zijn. U kunt er uw ziel aan toetsen hoor, het is een onbedrieglijk kenmerk.

 

Welnu, de bruid leerde in het gemis, hoe lief zij Hem had. Ja, dat is zoiets eigenaardigs, zoiets wonderlijks. Zij mist Hem. Zij heeft Hem lief. Hij is weggegaan. Zij ziet Hem niet. Zij hoort Hem niet. En nu gaat zij van Hem spreken, op een manier zoals zij nog nooit eerder over Hem gesproken heeft. Dat kan ook! Je kunt in het gemis zo heerlijk van Jezus spreken en zo hartelijk met Hem bezig zijn. Het verlangen van de liefde kan zo sterk zijn, dat je Hem zo dierbaar vindt en zo heerlijk; dat je Hem op de hoogste toon kunt verheerlijken, terwijl je toch zeggen moet: ‘Maar Hij is zo ver, Hij is zo ver weg!’

Ik weet het, ons natuurlijk huwelijk is niet in alles te vergelijken met dit geestelijk huwelijk, beslist niet! Maar er zijn toch wel overeenkomsten. Als je eenmaal een vrouw lief gekregen hebt of een man lief gekregen hebt en elkaar die liefde bewezen hebt, dan kan het gebeuren dat die man ver weg moet voor zijn werk of in militaire dienst of wat dan ook – ver weg. En als die liefde dan echt is, dan kan het zo zijn dat het meisje of de jongen brieven schrijft met woorden die ze nog nooit tegen elkaar gezegd hebben in elkaars tegenwoordigheid. Of als je getrouwd bent – je hebt het misschien zelf wel eens ervaren – als je elke dag bij elkaar bent, dan kan er wel eens wat gekibbel zijn, maar als je een weekje bij elkaar vandaan bent, dan vergeet je dat allemaal, en dan verlang je weer! Dan wordt het een zielsverlangen, dan zeg je: ‘Maar het is nu tijd dat je weer terugkomt, hoor! De scheiding heeft lang genoeg geduurd!’ En als je dan een brief krijgt van je man of van je vrouw, dan staan er dikwijls van die dingen in waarvan je zegt: ‘Hé, dat heb je nog nooit eerder tegen me gezegd!’ Dat is dat verlangen, dat liefdesverlangen.

Welnu, zo is het dikwijls ook met ons in onze verhouding met onze lieve, dierbare Borg en Zaligmaker, als Hij voor een tijd van ons geweken is.

 

Wanneer onze aardse vader ons kastijdt, dan is die kastijding geen zaak van vreugde, dat is waar, maar dan kan er in de slagen van een vader toch wel zoveel liefde liggen, dat u zegt: ‘Ja, pa heeft het goede met mij voor. Hij wil mij weer op het rechte spoor brengen.’ Al beken je dat dan als kind niet altijd, ook al kreun je dan misschien van de slagen die je zo-even gekregen hebt, maar als de verhouding recht is, dan weet je toch, als de avond daar is en je je hoofd op het kussen legt: ik heb het dubbel en dwars verdiend. Pa is toch goed voor me, hij zorgt dat ik niet in de wereld ten onder ga.

 

Welnu, zo zijn ook de slagen van God. We kunnen er wel eens onder kermen. We kunnen wel eens zeggen: ‘O God, het doet zo zeer!’ We kunnen zelfs wel eens zeggen: ‘Heeft God vergeten genadig te zijn, Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?’, als we zien dat de vijand overwint. Als we zien, met Asaf, dat de goddelozen geen banden hebben tot de dood toe. Hun kracht is fris; ze zijn niet in de moeiten met de andere mensen en ze worden met andere mensen niet geplaagd. En mijn bestraffingen zijn er elke morgen! Totdat... totdat Vader Zich over hem heen buigt en zegt: ‘Mijn kind, heb Ik het dan zo verkeerd gedaan met jou?’ En dan snikt ook Asaf het uit: ‘Nee, Heere, nee!’ Want toen hij in Gods heiligdommen inging, zei hij: ‘O Heere, het is goed, hoor. Het is goed wat U gedaan hebt. Lout’re goedheid, liefdekoorden, waarheid, zijn al des Heeren paân.’

 

Dan gaat de bruid Hem zoeken, zo staat er in dit hoofdstuk. En in de nacht komt ze de wachters tegen en ook de dochters van Jeruzalem. Zij kennen deze liefde niet. De wachters – misschien de oversten van het volk, de oppassers van de wet van Mozes, ik weet het niet – misschien de dochters van Jeruzalem, die toch wel veel gehoord hebben over de Bruidegom, maar die Hem niet kennen zoals de bruid Hem kent. Zij zeggen: ‘Wat maak je je toch druk? Waar gaat het toch over in je leven? Wie zoek je toch midden in de nacht?’ Ze trekken haar sluier van haar weg. Ze zeggen: ‘Wat ben jij voor een vrouw, die midden in de nacht ronddwaalt door de straten?’ Maar zij kennen de drang van de liefde niet! Ze weten niet dat alles wijken moet voor de liefde tot Christus.

De bruid wel. En daarom doorstond ze de plagen. Wat is het erg, als zelfs de dochters van Jeruzalem je niet herkennen in je liefde tot Christus! Wat is het erg, als zelfs je broeders, met wie je samen straks God groot zult maken, je niet herkennen in die liefde tot Christus! De dochters van Jeruzalem… Misschien zijn het wel de dochters geweest die weenden om de pijn van hun lijdende Heer’, maar er niet aan dachten hoe zij zelf door hun schuld, Zijn kroon hadden gevlochten en Zijn beker gevuld. Dat kan ook, ik weet het niet.

 

Dit onbegrip prikkelt haar te meer om te spreken, en dat doet ze! Dan gaat ze spreken, in verbondenheid aan Hem Die ze zo hartelijk bemint. In de nacht, als het oordeel, als de wet slaapt, als ze het leven ver van haar voelt, en toch, en toch… dat verlangen.

O, ik weet het, er zijn veel worstelingen. Er zijn veel bestrijdingen. Er is veel wat we tegen hebben. We kunnen hele verhalen vertellen over wat er met ons gebeurt, voordat we weer daar zijn, bij onze Liefste. Laat dat echter geen leven op zichzelf gaan leiden. Daar ben ik zo doodsbang voor, ook onder ons.

Ik ben opgevoed in een dorp en een omgeving waar nog veel gezelschapsleven was in mijn jonge tijd. En ik ben heel veel op die gezelschappen geweest, en heb daar veel liefde ondervonden. Ik heb daar echte kinderen van God ontmoet. Maar ik heb er ook veel dingen gehoord waar ik van zeg: ‘Nee, nee, dat is het niet!’ Het gaat niet om mijn slagen en mijn wonden en mijn moeiten en mijn verdriet. Niet de tranen die ik pleng, niet het offer dat ik breng. Niet mijn striemen genezen me. Niet mijn pijn, niet mijn verdriet, niet mijn ellende is afbetaling voor mijn schuld. Het gaat om Zijn wonden en Zijn striemen en Zijn kruis en Zijn gerechtigheid! En daarom niemand anders dan Jezus alleen!

Ik zeg het nog eens: dat geestelijk leven, dat zo waar kan zijn, mag geen leven op zichzelf worden, zo in de zin van: ‘Ja, maar Christus is nog ver, boor. Christus is nog ver; je moet er zo maar niet over gaan praten. Daar gaat eerst heel wat aan vooraf hoor!’ Ik bezweer u, als dat ‘heel wat’ niet in het gezicht is van de Zoon van God, Die alleen Verlosser is, o, werp het dan voor de mollen en de vleermuizen!

Er is wat benauwdheid en er is wat angst en er is wat droefheid! Ik weet zeker dat Judas in zijn leven heel wat benauwder geweest is dan ik ooit in mijn leven geweest ben. Hij is zo benauwd geweest dat hij naar de strop vloog. En toch kwam hij niet in de hemel. Nee, dat is het kenmerk niet van het ware. Beslist niet. Maar dit is het kenmerk: dat, als je Hem mist, God mist en Hem niet meer kunt missen, dat je dan geweld doet op het koninkrijk van God. En als je gezien hebt waardoor God Zijn liefde in je hart uitgestort heeft, dan zeg je: ‘Ik kan Hem niet meer missen. Als ik Hem mis, dan mis ik alles.’ Wat heb ik aan mijn tranen op zich. Wat heb ik aan mijn benauwdheid op zich. Wat heb ik aan mijn ellendekennis op zich, als de balsem van Zijn genezende liefde niet druppelt in de wonden van mijn hart.

 

De bruid kon er geen vrede mee hebben. Zij riep zelfs uit in het midden van de nacht, tegenover mensen die haar niet begrepen, toen dezen zeiden: Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste, o, gij schoonste onder de vrouwen? Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste, dat gij ons zo bezworen hebt? (Hoogl.5:9) En dan zingt ze haar lied in de nacht: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Zijn hoofd is van het fijnste goud (Hoogl.5:10-11).

Dan gaat ze zeggen Wie haar Liefste is. Doet u dat ook? Doet u dat ook als het nacht is in uw leven? Als u Hem mist? Als het donker is? Als u moet zeggen: ‘O God, ik voel me zo eenzaam! Ik voel me zo beroerd! Ik voel me zo schuldig! Ik voel me zo onverzekerd!’ Als dan Zijn Naam verkondigd wordt, als we dan luisteren naar Hem, naar de prediking, naar de Bijbel!

Want hoe krijgen we die kennis die de bruid deed uitroepen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk? Wel, die kennis krijgen we uit het Woord van God, uit de bediening van de Heilige Geest. Dat is openbaring! Maar dan moeten we wel in dat Woord lezen! Dan moeten we in dat Woord graven! Dan moeten we met dat Woord bezig zijn! Want in diezelfde kringen waar ik straks van sprak en waar ik toch veel kinderen van God ontmoet heb, daar heb ik ook veel mensen ontmoet die nooit persoonlijk met de Bijbel om­gingen.

 

Ik las eens een aardig verhaaltje, zomaar van een dominee die schrijft: ‘Kijk, we zijn soms als domme schoolkinderen. De onder­wijzer geeft een stuk papier met bovenaan een regel in schoon­schrift en dan moet dat kind dat na gaan schrijven. Nou, als hij dan zijn eerste regel schrijft, dan kijkt hij naar dat bovenschrift, dat voorbeeld. Maar bij de tweede regel gaat hij naar zijn eigen regel kijken en bij de derde regel naar de tweede regel, en bij de vierde regel naar de derde regel en als hij dan onder aan de bladzij is, dan is het een grote warboel! Maar hij had elke keer naar die eerste regel moeten kijken!’ En zo is het ook met het vertellen van alle bekeringen; met het uitspreken van alle ervaringen. Soms richten we ons zoveel naar die, en die richt zich naar die, en die richt zich weer naar die, en die heeft het van die gehoord en zo komen we steeds verder bij het Woord vandaan.

Dat is ook een manco in onze gemeenten. Ik ga daar nu verder niet op in. Er is bij ons ook van lieverlee een stuk gemeentetheologie ontwikkeld dat op gespannen voet staat met verschillende delen van het Woord van God en van onze gereformeerde belijdenis, omdat we teveel geluisterd hebben naar die tweede en die derde en die vierde en die vijfde en die zesde regel en zo menigmaal het Boek van God dicht gelaten hebben. Echt, hoe is het mogelijk, zul je zeggen. Maar het gebeurde, dat alleen in de kerk de Bijbel open­geslagen werd en na het eten en misschien voor het naar bed gaan ook nog een keer, maar verder werd er geen gebruik van het Woord van God gemaakt. En dan krijg je allerlei uitwassen en allerlei mis­standen.

 

Ik weet het: het is moeilijk om te belijden wat de bruid beleed. Want er zijn vele klagers in de kerk des Heeren, die het leven verdacht maken. Het is haast niet meer mogelijk om te zeggen: ‘Maar ik heb God lief!’ Het is haast niet meer mogelij, om te zeggen: ‘Jezus, Hij is mijn Deel!’ Dat is haast niet meer mogelijk! Dan zeggen ze: ‘Man, wat praat jij nou? Wie durft dat nu toch te zeggen?’ Ja maar, er staat in de Bijbel honderdduizend keer... in de grootste smarten hebben ze het uitgeroepen: ‘Mijn God!’ Hebben ze Hem geëigend! In het diepste gemis heeft Hij Zijn heerlijkheid tentoongespreid!

 

Zie de bruid! Zij ziet Hem hier, zoals zij Hem tekent. Blank en rood! Zijn hoofd van het fijnste goud! Zijn haarlokken gekruld, zwart als een raaf! De koninklijke kroon op Zijn hoofd! Zijn ogen als duivenogen! O ja, als je Hem in Zijn ogen kijkt, dan zie je vriendelijke ogen – weet u dat ook? Duivenogen; niet de geslepen ogen van een kat, die loert om je te verslinden. Maar duivenogen, vriendelijk, genadig, barmhartig en zeer weldadig. Dat is onze God! Dat zijn de ogen van Jezus Christus! Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen. Zijn wangen als een bed van specerijen, als welriekende torentjes. Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. Alles wat Hij zegt is heerlijk, weldadig, ook al bestraft Hij. Al zegt Hij ‘satanas’ tegen Petrus. Dan kruipt Petrus straks toch weer naar hem toe. Al zegt Hij: ‘Ga heen, achter mij!’ En Petrus zegt: ‘Gij weet alle dingen, Heere, Gij weet alle dingen; ik had het nodig, dat U toen ‘satanas’ tegen mij zei, want ik stond U in de weg. Maar Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb!’ Dan zegt Thomas op zijn beurt: ‘Mijn Heere en mijn God.’

Zijn wangen zijn een bed van specerijen, Zijn lippen zijn als leliën druppende van vloeiende mirre; Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois. Vol met heerlijk goed om uit te delen. Gaven genomen om uit te delen onder de mensenkinderen. Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud. Nee, geen voeten van leem en ijzer, die straks zullen vallen, maar vaste schenkelen op voeten van het dichtste goud.

Dat is Jezus, staande, niet wankelende. Die Hij vast heeft, die heeft Hij voor eeuwig vast! En die Hij draagt, die draagt Hij naar huis! Nooit zal Hij wankelen in Zijn trouw! Zijn goedertierenheid zal van ons niet wijken en Zijn verbond zal Hij niet schenden. Voeten van het fijnste goud. Zijn gehemelte is enkel zoetigheid! Alles wat ik ooit van Hem gehoord heb, is gans begeerlijk; ja, al wat aan Hem is!

 

En denk dan niet in de eerste plaats aan wat Hij geeft, maar denk in de eerste plaats aan wat Hij is. Want Jezus geeft ons niet alleen vergeving van zonden, wanneer we onze ellende en onze nood aan Hem vertellen, maar Hij is onze gerechtigheid! Hij geeft ons niet alleen het eeuwige leven, maar Hij is ons eeuwig leven. Dat is nog rijker! Dat is nog heerlijker! Maar dat is ook zo’n – hoe moet ik het uitdrukken – dat is ook zo’n ontdekking, als je ziet: als ik dan Jezus heb, dan heb ik alles! Dan ben ik rechtvaardig voor God! Dan ben ik heilig voor God. Al voel ik me hier een onreine, al ben ik hier een ellendige zondaar, dan ben ik toch heilig voor God, want dan gaat Hij voor me staan en Hij bedekt mijn zonden voor het oog van Zijn goddelijke Vader, voor het oog van Mijn Rechter, en dan mag ik door Zijn doorboorde handen in het vriendelijk oog van de Vader blikken, omdat Hij mijn gerechtigheid is!

 

We zingen nu eerst Psalm 45 vers 1:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal ‘t schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;

Is z’ als de pen van een, die vaardig schrijft.

Beminlijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven,

Gaat al het schoon der mensen ver te boven;

Genâ is op Uw lippen uitgestort,

Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.

 

Kinderen van God, het is toch onze hoogste vreugde om iets goeds van Hem te mogen vertellen! Alles wat aan Hem is… Hij was te allen tijd spelende voor het aangezicht van Zijn Vader en Zijn vermakingen waren met de mensenkinderen. Hij speelde… Ja, God houdt van spel. Spelen met Zijn Kind en spelen met ons en wij met Hem. Dat heerlijke liefdesspel dat Hij en wij alleen maar weten te spelen! O, daarin is Hij dierbaar en beminnelijk, met alles wat aan Hem is! Ook voor de engelen zelfs. Hoewel Hij geen Borg hoefde te staan voor de engelen, houden de engelen van Hem. Hebben de engelen Hem lief, volgen de engelen Hem op Zijn via dolorosa, op Zijn smartenweg en staan zij straks heerlijk verblijd bij het geopende graf. Zij hebben de deur reeds geopend voor hun Koning. Hij is niet de Borg en de Zaligmaker van de engelen, maar Hij is dan toch wel de Heere der engelen.

 

Begeerlijk is Hij. Hier staat het: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk!

Wat is er dan aan Hem? Wel, als ik Hem zie in de kribbe, in doeken gewonden, arm, daar Hij rijk was. Begeerlijk, als ik Hem zie als Heiland, Die de aarde doorwandelt. Voor wie was Jezus ooit hard? Dat lees ik nergens. Waar heeft Hij ooit iemand teruggestoten, die tot Hem kwam? Waar heeft Hij ooit een kwaad woord gezegd tot kinderen die naar Hem verlangden, die Hem wilden zien? Nee, hard was Hij voor de farizeeën en voor de schriftgeleerden; die heeft Hij adderengebroedsel genoemd. Hij heeft hen genoemd: slangen, opstandelingen, knechten van satan, omdat ze Hem verwierpen. Omdat ze geen schoonheid in Hem zagen. Maar voor een arme ziel, voor een zieke ziel, voor een zondaar – ik bedoel een zondaar die het bekende, die het gevoelde, die het ervaren heeft – was Hij nooit hard! Nimmer! U kunt er geen voorbeeld van noemen in enige bladzij van de Schrift, dat Hij ooit iemand weggestuurd heeft die tot Hem kwam. Waarvoor ze dan ook kwamen: met blinde ogen, met kreupele voeten of ziekten, ook zieke kinderen. Hij heeft ze allemaal ontvangen en Hij heeft ze het Koninkrijk der hemelen toegezegd! Daarin is Hij toch een dierbare Zaligmaker, want alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk! Daarbij zegt Hij ook: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen (Matth.11:29).

Ja, zelfs op de weg naar Damascus zegt Hij tegen Saulus – en Saulus, dat was toch een brullend beest hè, die naar Damascus ging om de schaapjes, de duifjes van Christus te roven – en wat zegt de Heere, als Hij hem neerslaat? Dan zegt Hij: ‘Saul, Saul, het is zo hard voor jou om je verzenen tegen de prikkels te slaan!’ Dan klaagt de Heere niet over Zichzelf, dan zegt de Heere niet: ‘Saul, Saul, je doet Mij zo’n pijn!’ Maar dan zegt Hij: ‘Saul, Saul, het is zo erg voor jou, als je zo doorgaat!’ Ach, het zwaarste woord dat Jezus tot een zondaar zegt, dat is: ‘Kom! Kom!’ En Hij heeft nooit verstoten die tot Hem kwamen.

 

O, hoe begeerlijk is Hij, als Hij straks de prijs aan het kruis gaat betalen. Hoe begeerlijk is Hij, als ik Hem zie met doornenkroon en spotkleed, of naakt uitgetogen aan het ruwhouten kruis. Hoe begeerlijk is Hij dan! Kunt u verstaan dat iemand die voor dat kruis stond en in die gekruiste Christus de vloekende wet zag ondergaan, geroepen heeft: ‘Heere Jezus, kom of van het kruis, dat is mijn plaats!’ Hebt u dat ook wel eens gezegd, al is het dan misschien niet met dezelfde woorden? Want daaraan kunt u weten of u waarlijk vernederd bent en of u waarlijk verlost bent. Dan hebt u Hem gezien, door uw zonden gekroond met doornen en met een spotkleed omhangen.

Ja, begeerlijk is Hij, als de Opgestane. Als wij, vanuit een lage staat, door de een of andere omstandigheid tot een betere levenspositie geraken, dan zijn we zo gauw geneigd om ons verleden te vergeten en onze vroegere vrienden vaarwel te zeggen. Maar wat doet Jezus? Als Hij met eer en heerlijkheid gekroond uit het graf opstaat, wat doet Hij dan? Dan gaat Hij naar Maria Magdalena en dan zegt Hij tot die eenzame vrouw, die verdoold stond te leunen tegen de kille rotswand en zei: ‘Ze hebben mijn Heere weggenomen en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben’, dan zegt Hij: ‘Maria!’ Dan knoopt Hij de band weer vast, die een ogenblik scheen verbroken te zijn.

Als Petrus daar ergens buiten ligt te kermen en zich vervloekt heeft door te zeggen: ‘Jezus? Die ken ik niet! Wat praat je van Jezus? Ik heb Hem nooit gezien of gehoord! Ik heb geen contact met die Man. Wat wil je mij gelijk rekenen met Hem?’ Hij vervloekte zich. En dan komt Jezus. En daar ligt Petrus. We zouden toch denken dat Hij zou zeggen: ‘Hé, mannetje, kom aan; zullen we nu samen richten: Ik ben de Verheerlijkte en jij hebt Mij verloochend’? Nee! Dan zegt Hij: ‘Petrus, Ik heb je nog lief!’

En als dan straks aan de oever van het meer wordt afgerekend, is het zwaarste woord dat Jezus zegt: ‘Simon, zoon van Jona, hebt gij Mij lief?’ Nou, dan is het antwoord niet moeilijk!

 

Trouwens, waar moet ik beginnen om uit de Schrift te bewijzen dat al wat aan Hem is, gans begeerlijk is? Nu is hij aan de rechterhand des Vaders gezeten. U bent er een toonbeeld van, u die God vreest, u die Jezus bemint, u die Hij uit de duisternis riep tot Zijn wonderbaar licht, u die uw zonden beleed omdat u niet anders meer kon, niet uit drang, niet om de zweep die knalde, maar omdat God goed was. Omdat u overweldigd bent door Zijn evangelie! Dat is een echte bekering! Dat is een hartelijke verootmoediging. Dat is de ware verootmoediging.

Welnu, dan is Hij u dierbaar geworden, al was het maar dat u Hem door de traliën van Zijn Woord zag blinken. Al was het maar dat u Hem bij ogenblikken hier aan de dis zag in brood en wijn. Al was het maar dat u Hem bij ogenblikken zag, toen u zich neerboog bij de Schrift en Hij u toesprak in uw nood en in uw ellendigheid, zoals Hij gewoon is om te doen.

 

Geliefden, al wat aan Hem is, is gans begeerlijk! Ik kan het u aanbevelen en ik zal het doen, zolang ik leven heb. Buiten Hem geen zaligheid! Buiten Hem geen verbroken hart en geen verslagen geest. Ook niet dat oprechte berouw, waar u zo naar uitziet. Ik weet het. Was ik nog eens echt verbroken! Had ik nog eens een hart dat smolt als was! Welnu, zie Hem dan! Zie Hem dan hoe Hij geleden en hoe Hij gestreden heeft om zondaren zalig te maken, en weldra zal dat harde hart verbroken worden. U weet:

 

Waar vloek en wet het hart verstalen;

daar zal ‘t gezicht door God gewrocht,

daar ‘t bloedrantsoen verzoening kocht,

aldra het stenen hart vermalen.

 

Laat dan de kennis van Hem u brengen waar de donder van de Sinaï u nog nooit kon krijgen, opdat u zo aan Zijn voeten moogt uitzingen: ‘Ja, alles wat aan Hem is…’ En als u zegt: ‘Dat is nou de pijn, de pijn van mijn hart, dat dit nu zo weinig bij me leeft!’ Welnu, is het in beginsel waar? Houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet, nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

En straks: ‘Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk!’ Dan zult u bezitten wat u dan nu nog mist. En dan zult u in sirenezang en in eeuwige vrede uitroepen: ‘Ja, nu zie ik het!’ Als de eerste dingen zijn voorbijgegaan. Alles wat aan Hem is, dat is gans begeerlijk!

 

Die hoop moet al ons leed verzachten.

Kom, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen, die ‘t heil des Heeren wachten,

Zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten,

O vreugd, die alle smart verbant,

Daar is ons vreemd’lingschap vergeten

En wij, wij zijn in ‘t Vaderland!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 1

 

‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;

Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên.

Ik weet, hoe ‘t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,

Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;

Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,

Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).