Ds. L. Huisman - Johannes 14 : 8 - 9

Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien

Een dringende vraag
Een gebrekkig inzicht
Een troostvol antwoord
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).

Johannes 14 : 8 - 9

Johannes 14
8
Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.
9
Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1, 2
Lezen : Johannes 14
Zingen : Psalm 63: 1, 2
Zingen : Psalm 4: 3
Zingen : Psalm 2: 7

Geliefden, het Woord van God, hetwelk wij u wensen te prediken, staat in Johannes 14 vers 8 en 9. We lezen daar:

 

Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg. Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader?

 

Het thema van de preek is: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

 

Wij willen drie gedachten uit de tekst nader ontvouwen:

1. Een dringende vraag

2. Een gebrekkig inzicht

3. Een troostvol antwoord

 

Geliefden, sinds wij de vaste grond, waarop wij stonden voor onze zondeval, verloren hebben, zijn we onrustig geworden in deze wereld.

Onrustig blijft ons hart, totdat het rust vindt in Hem uit Wie we gevallen zijn.

 

Dat blijkt door al de eeuwen heen, maar inzonderheid in de tijd waarin wij leven. We zijn onrustig. Ons hele leven is onrustig. Er zijn meer zenuwpatiënten dan ooit tevoren. In deze tijd is er haast geen mens meer, of hij maakt de gevolgen mee van het onrustige leven. Men jaagt en men wordt gejaagd. Nergens rust! Niet in de welvaart die we hebben bereikt, niet in het vele goed dat we ons hebben verworven.

 

Wij hebben het Woord van God, meer dan enig ander land, en toch die verontrusting, toch kennen we de vrede niet. Toch roepen we in koor uit: ‘Ik ben zo gejaagd, ik ben zo moe, en ik heb geen rust, ik heb geen doorzicht meer, en ik kan het niet meer aan. De last wordt me te zwaar.’

Wij zoeken overal om ons heen naar een steunpunt. We zoeken hier en daar naar vastheid. Wij zoeken soms in dwaze dingen naar vastheid, waarvan we weten dat er geen rust in is gelegen, daar alles, wat van deze wereld is, toch voorbijgaat.

Wij voelen ons in ons zoeken omringd door duisternis, door vijandige machten. En we kunnen er niet afkomen; we komen er niet bovenuit; we kijken er maar niet doorheen. Dat is ons leven!

 

Maar is het vaak ook niet het leven van degenen die wel rust gevonden hebben, die weer grond onder hun voeten hebben gekregen, die door God zijn gelegd op het enige fundament, dat nimmermeer wankelt?

Is het ook niet het beeld van Gods gemeente in ons vaderland? Is de Kerk niet op drift geraakt? We weten nauwelijks meer waar we ons aan te houden hebben. Aan de ene zijde de moordende Schriftkritiek van de mannen der wetenschap, die de allerheiligste waarheden ondermijnen. Aan de andere zijde een bevindelijk leven dat de toets van Gods Woord niet kan doorstaan, waarvan je moet zeggen: ‘Mens, hoe kom je er toch bij? Je leest dat toch niet in de Bijbel?’ Wat maken de mensen elkaar niet wijs met zaken waar de grond niet in ligt, waar ook geen vastheid in zit, waarmee de mens wordt opgebouwd, waar de één de ander mee vasthoudt. Maar openbaart het zich wel in de vruchten?

Het is zonder vrede en men vindt geen rust. Het brengt niet het stil vertrouwen op God en het wandelen in de vreze des Heeren, in het effen spoor van Gods gerechtigheid. Het brengt geen vrede mee; hoogstens wat zelfingenomenheid, waarmee de mens al meer omhoog gaat, maar zonder echte vrede te vinden.

 

Het Woord van God wijst ons naar het kompas waarop we móeten zien, maar ook op mógen zien, opdat we weer rust vinden in ons leven. Rusten in Gods genade, rusten in Hem, in Wie we rust hadden voordat we de band met God verbraken. Opdat we de vrede vinden, die de wereld niet kent, die ook de ‘godsdienst zonder Jezus’ niet kent. Die vrede die alleen wordt genoten door te schuilen in de wonden van onze Heere en Zaligmaker en door stil te berusten in Zijn beleid.

 

We zien hier een voorbeeld van zulk een verontruste ziel.

Het is Filippus. Werkelijk toch geen man die zich bij het eerste windje uit de koers laat drijven! Nee, Filippus staat in de rij van de apostelen bekend als een man die weet wat hij wil, als een man die heus niet onder de zwakke broeders moet worden gerekend, maar die voor zijn zaak staat. Weldoordacht, wijs en verstandig gaat hij achter Jezus aan.

En toch, de vraag die hij stelt ontroert de Meester grotelijks. Want wat vraagt Filippus? Hij vraagt aan de Heere: Toon ons de Vader, en het is ons genoeg.

 

We beluisteren in dit woord:

 

1. Een dringende vraag

 

Wat drong Filippus tot deze vraag? Wat bedoelde Filippus met deze vraag? Wel dit: de Heere Jezus had zojuist gesproken van Zijn heengaan tot de Vader. Hij had het werk voleindigd dat Zijn Vader Hem op de wereld te doen had gegeven, en nu ging Hij heen tot Zijn Vader. Hij overzag reeds de laatste dagen van Zijn leven, Zijn lijden en sterven. Het was alsof Hij al aan het eind van Zijn arbeid op de aarde stond. Nu hoopte Hij dat Zijn discipelen met Hem verblijd zouden zijn, toen Hij tot hen sprak: ‘Ik heb Mijn arbeid op de aarde verricht en nu ga Ik heen tot Mijn Vader.’ Hij hoopte dat zij daarin een behagen zouden hebben en dat zij zouden zeggen: ‘Dank U, lieve Meester. Dank U, dat U Uw arbeid op de aarde voor ons hebt verricht en nu heengaat om ons een plaats te bereiden, want wij zullen U straks volgen, want U leeft en wij zullen leven. Wij hebben het zelf uit Uw mond gehoord.’

 

Maar in plaats daarvan waren zij diep ontroerd. Vandaar ook dat woord in de eerste tekst van dit hoofdstuk: Uw hart worde niet ontroerd. Zij waren wel ontroerd. Ze waren vreselijk ontroerd. Zij zeiden: ‘Maar, hoe moet het dan met ons, als U van ons gaat scheiden?’ Zij voelden dat er iets ging gebeuren. ‘Als U gaat sterven en wij zien U niet meer, dan kunnen we geen raad meer aan U vragen. En we weten niet waar U heengaat.’ Dan zegt Jezus: Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh 14:1-3).

 

‘Ik heb u toch de weg verteld?’, zegt de Heere Jezus. ‘Gij weet toch door welke weg Ik het Vaderhuis ga beërven? Waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij.’ En dan zegt Thomas: ‘Nee, Heere, wij weten het juist niet, en hoe kunnen we dan de weg weten?’

Jezus zegt tot hem: ‘Ik ben de Weg. Ik heb het toch steeds gezegd: ‘Ik ben de goede Herder, Ik ben de Deur, Ik ben de Weg, Ik ben het Leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij’? Hebt ge Mij dan niet gekend? Indien gij Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien.

 

En dat is teveel voor Filippus. Als de Heere zo tot hen spreekt, zegt Filippus:

‘Ja maar, Heere, daar kunnen wij het echt niet mee doen. We zien de crisis naderen, we zien dat er grote dingen gaan gebeuren en die dingen zullen schrikkelijk zijn, dat hebben we wel uit Uw woorden begrepen. We vragen ons af: is dit toch wel de weg die God met ons gaat? Ja, want U zegt het. En ja, we geloven ook Uw woord wel, Heere Jezus, maar laat dat woord nu eens bevestigd worden. Wij hebben er toch niet genoeg aan! Laat dat woord nu eens met verzekering tot ons worden gesproken.’

Wat toont Filippus:

 

2. Een gebrekkig inzicht

 

En hoe denkt Filippus zich dat nu in? Wel, hij zegt: ‘Als er nu eens iets bijzonders van de hemel zou gebeuren…’

Ik weet niet waar Filippus aan heeft gedacht. Het staat er niet.

Maar bijvoorbeeld zoals vroeger, toen de zeventig oudsten de Heere zagen met een werk als van saffiersteen onder Zijn voeten in de glans van het licht.

Misschien zoals Mozes Gods achterste delen heeft gezien, toen hij in de spelonk mocht schuilen en uitriep: HEERE HEERE, (…) lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex.34:6).

Of misschien zoals Elia Hem gezien heeft aan de ingang van de spelonk, toen Hij voorbij hem kwam in het suizen van een zachte stilte.

Misschien heeft Filippus daaraan gedacht en gezegd: ‘Als we nu eens een bijzonder teken uit de hemel krijgen…’ Hij zegt: ‘Dan is het genoeg.’ Met andere woorden: ‘Dan zullen we U volgen, waar Gij ook heen gaat. Dan zullen we het kruis dragen, hoe zwaar het ook is. Dan zullen we al de gebeurtenissen die komen gaan, kunnen trotseren, als we maar houvast hebben aan zulk een teken door de Vader gegeven.’

 

Natuurlijk wist Filippus wel dat God een Geest is en dat God als Geest niet kan worden gezien. Hij bedoelde dan ook niet ‘de Vader te zien’ in één of andere engelengestalte of in een menselijk lichaam. Zo kon hij de Vader niet zien; dat bedoelde hij ook niet. Maar hij bedoelde: ‘Laat ons nu van de Vader eens een teken zien. Laat de Vader nu eens zeggen, Heere Jezus, dat Hij het eens is met Uw woord, en dan zullen wij geloven en dan zullen wij het kruis dragen. Dan zullen we met U de moeilijke weg opgaan, hoe het ook moge zijn! Dan is het genoeg. Ja, dan zeggen ze zelfs: Dan zullen we met U in de dood gaan.’

Dat meende Filippus, en de anderen stemden daarmee in.

 

Nu zult u zeggen:

‘Dat is toch geen onbetamelijke vraag van Filippus? In zulke omstandigheden wil een mens toch zekerheid? Kijk eens wat er op handen is! Straks, dan zal Jezus gevangen worden genomen en straks, dan zal Jezus van hen worden gescheiden, en gekruisigd en gedood worden.’

O zeker, het is te prijzen in Filippus dat hij niet zomaar op wat algemene gedachten voortleeft. Het is in hem te prijzen dat hij zekerheid wilde.

Hiermee steekt hij uit boven zovele mensen, die het wel geloven en die zeggen: ‘Och ja, je kunt nu eenmaal toch niets aan de situatie veranderen. Laat ons maar afwachten hoe het valt. Laat ons maar zien hoe het komt. Je kunt er nu eenmaal toch niets aan doen.’

Die mensen zijn tevreden als ze het Woord hebben en het Woord lezen en onder het Woord opkomen, als ze de voorrechten van het christen-zijn mogen smaken. Die dáár rust in vinden. Het zijn er velen, die zich met wat algemene godskennis tevreden stellen. Velen zeggen: ‘Ja, wat kun je er tenslotte meer aan doen? Ik geloof toch de waarheid, zoals ik die altijd heb gehoord? Ik geloof dat er een God is. Ik geloof dat er een genadig God is en ik hoop maar op die genade van God.’

En als verdrukking, vervolging, ellende en moeite komen, dan zeggen ze: ‘Ja, laten we maar hopen dat het goed afloopt. Laten we maar hopen dat het goed uitkomt.’

Ze staan niet naar verzekering. Ze weten niet wat het is om met David te zeggen: Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil (Ps.35:3). Ze zijn niet als wachters, die uitzien naar de morgen, die zeggen: ‘Ach, wanneer?’

 

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op de Heer’,

Dan wachters op de morgen;

De morgen, ach, wanneer?

 

Daar weten ze niets van.

 

Filippus steekt heel ver boven dezulken uit.

Ook boven mensen die onder alle omstandigheden kunnen zeggen: ‘Ik heb eens een ‘waarheid’ gekregen van de Heere en Hij zal toch zeker doen wat Hij beloofd heeft?’ Die altijd maar steunen op wat zij vroeger in hun leven menen ondervonden te hebben. Dit geeft een koud, dor en hoogmoedig, van God afgekeerd leven. Geen liefde, geen vrede, geen geloof. Het is veel meer een vermetelheid, dan een stil berusten in Gods beleid, want daar heb je geloof voor nodig, en wel een levend geloof.

 

O, die dringende vraag van Filippus! Die vraag moge u wakker schudden, eer het te laat is, opdat u niet met een algemeen geloof, met een inkomende waarheid, met de aandacht die wel eens gevestigd is op een versje of een tekst, uw reis zou voortzetten.

Want de crisis nadert in ons aller leven! Er staan grote dingen, machtige dingen te gebeuren. God heeft het gezegd: Gijlieden zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods en komen met de wolken des hemels (Mark.14:62).

Hoe zult u het toch maken in de dag van het gericht met die algemene gevoeligheden?

 

Er zijn ook mensen die zeggen: ‘Ach, je kunt het nooit zeker weten. Je moet het eigenlijk altijd maar afwachten. Je weet tenslotte niet wat er in je leven nog gebeuren kan.’

Ook deze mensen begrijpen de dringende vraag van Filippus niet, toen hij in de nood kwam. Hij zegt: Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg.

 

Deze vraag was goed en getuigde van een diepe ernst, van een heilig ontzag voor God en voor Zijn werken.

Toch had deze vraag een bittere bijsmaak. Niet omdat Filippus ‘s Vaders gunst wilde zien, een teken wilde uit de hemel, en dan natuurlijk een teken in de gunst van God, want dat mag een kind van God wel begeren. Ook niet omdat Filippus de Vader wilde zien, Zich openbarende in de stoffelijke wereld, in het vlees dus. Dat mag een mens ook verlangen. Maar wat is dan het bittere aan deze vraag? Wat is nu eigenlijk fout in deze vraag van Filippus?

Kort en goed: hij zocht een openbaring van God buiten Christus om. Hij wilde Christus wel als een soort medium, of als een instrument gebruiken. Hij zegt: ‘Heere Jezus, zorgt U er nu eens voor dat de Vader een teken doet.’ Begrijpt u het verschil? Hij zag Hem niet als de Middelaar, als de Weg, maar hij wilde Hem gebruiken als een middel, om in het hart van de Vader Zijn gunst te mogen aflezen. En dat is fout!

Hij zocht een openbaring van God buiten Christus om. Dit was pure miskenning van de werken Gods in het rijk der genade. Hij zocht door Jezus een teken, maar hij zag Jezus niet als hét teken, waarvan Jesaja reeds had gezegd: Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; Zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren en Zijn naam Immanuël heten (Jes.7:14).

Het teken van God gegeven! Dat teken waardoor de herders uit Efratha’s velden naar Bethlehem gingen: En dit zal u - niet ‘een’, maar - hét teken zijn: Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe (Luk.2:12).

O zeker, Filippus wist zich wel een arme zondaar te zijn. Dat had hij wel ervaren onder de prediking van Jezus, maar hij zag de rijkdom niet die in Christus Jezus is. Filippus zag niet dat in Hem al zijn heil en al zijn kracht lag, zijn sterke rots en zijn tegenweer.

 

Dat Jézus niet alleen de toevlucht voor Filippus was voor zijn door de zonde en door de gerechtigheid Gods voortgedreven hart, dat baarde in het hart van Jezus diepe smart. Grote teleurstelling! Dan zie ik Jezus’ oog zich vullen met tranen en dan zegt Hij: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Diepe droefheid in het hart van Jezus. Want dit schijnbaar godvruchtige vragen had een diepe angel, namelijk miskenning van de hoogste openbaring van Gods eeuwige barmhartigheid in Christus Jezus.

 

O geliefden, ‘Hoe kan dat nu?’, zult u zeggen. Filippus had toch drie jaar met de Meester omgegaan? Hoe kun je dan zo aan Jezus voorbijzien?

Ach ja, dat vraag ik mezelf ook wel eens af. Dan zeg ik: ‘Heere God, nu heb ik al zoveel jaar Uw Woord en wat ga ik toch steeds aan het Teken voorbij. Wat zoek ik het toch vaak buiten U!’

 

En dat vraag ik me ook wel eens af, als ik zo de gemeente rondga en met die en gene spreek. Dan vraag ik me wel eens af: ‘Ach, arme zondaar, wat heeft nu het Woord van Jezus Christus voor waarde in uw leven gekregen?’ Hoe velen zijn er onder u die zeggen: ‘Ja, kreeg ik maar eens een teken. Gebeurde er maar eens een wonder. De dominee heeft het wel gezegd en ik vond het een mooie preek. Het is allemaal wel waar wat hij zegt…’ En dan komt het wat u wilt: u wilt een openbaring van God buiten het Woord om, buiten het nu gegeven teken, waarin Christus onder u gepredikt wordt. Christus is u gepredikt in de mantel van Zijn Woord, in Zijn waarheid. Hij is het vleesgeworden Woord.

Durft u te zeggen dat u Zijn stem nimmer hoorde? Durft u te zeggen dat Zijn Woord u altijd een ijdele klank was? Immers nee! Het is u zo menigmaal gepredikt in betoning van geest en kracht.

 

Nu, hoe staat u voor God, tegenover Jezus Christus? Hoe staat u ten opzichte van het heil van uw arme ziel, man, vrouw en kinderen?

Staat u nog steeds buiten? Is Jezus nog steeds voor u een Vreemde? Wacht u nog steeds op een andere boodschap?

Die zal u in der eeuwigheid niet gebracht worden. Want al kwam er een engel uit de hemel, die een ander evangelie predikte, die zij vervloekt.

Als u onder dit Woord der waarheid niet wordt bekeerd, als dit Woord uw hart niet in tweeën breekt, in stukken slaat, dan zal nooit een ander evangelie u enige vastheid geven in de nood van uw leven.

O, zoek het niet langer buiten het Woord van God! Luister ingespannen naar dit Woord. Luister wat Jezus zegt tot Filippus.

Dan bedoel ik niet alleen degenen die zomaar wat meelopen en die het voor kennisgeving aannemen, maar ook degenen die met Filippus het Woord des Heeren hebben opgegeten, hebben ingedronken als water, die dat Woord des Heeren hebben lief gekregen. Ook zij die zich verbonden weten aan dat Woord en die het zeggen met Psalm 119 vers 84:

 

Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss’,

Door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.

 

Wat is er toch weinig kennis van die lieve Borg en Zaligmaker Jezus Christus! Ook onder degenen die hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid. Wat is er weinig leven uit die Levensfontein! Wat hoor ik in de woningen weinig spreken over de hoogte, de diepte, de lengte, de breedte van Gods eeuwige liefde in Jezus Christus geopenbaard voor verloren zondaren!

 

Ik ontmoet veel meer mensen die met Filippus zeggen: ‘Ja, maar hoe moet dat dan? En als de nood komt en als de slagen komen en als de vijand komt en als we gevangen worden genomen en als U van ons gaat scheiden, hoe moet dat dan? Ach, daalde de Heere toch eens neer en gaf Hij ons toch een teken. Dan zou het genoeg zijn.’

Ach, uit zo vele harten hoor ik diezelfde stem van Filippus: ‘Ja, dominee, ik kan het niet ontkennen, de vreze Gods is in mijn leven. Ik haat de zonde en ik zoek de Heere. Ik heb de Heere waarachtig lief gekregen en ik hoop op Zijn heil. Maar ach, was ik maar eens verzekerd. Sprak er maar eens een stem in mijn hart. Zag ik maar eens iets van God, waaruit ik kennelijk mag opmaken: Ja, nu ben ik een kind van God!’

 

Geliefden, wat verwacht u nu toch? Verwacht u werkelijk dat God Zich buiten Christus aan u zal openbaren tot bevestiging van uw geloof? Ach, u doet er Jezus zo’n smart mee en u doet er God zo’n oneer mee, als u maar blijft zoeken naar een middel buiten hét Middel, naar een teken buiten hét Teken!

O zeker, ik prijs u boven al degenen die zomaar losjes zeggen: ‘Nu, we zullen wel zien wat er van terechtkomt, we hebben toch ons geloof en we zijn er toch in opgevoed.’

O, ik prijs u, wanneer u in uw bekommering en in uw nood nergens vastheid vindt en blijft wenen, totdat de Trooster, Die uw ziel kan troosten, tot u gekomen is. Daar prijs ik u in.

Maar hierin prijs ik u niet, dat u buiten Jezus een teken zoekt, dat u bevestiging zoekt van de hemel, terwijl ‘het Teken’ u wordt geschonken in de prediking van het evangelie en dat u niet bereidwilliger zijt om u op Hem te verlaten. Dat u Hem niet al uw liefde waardig schat, terwijl Hij toch uw rechterhand wilde vatten.

 

Jezus heeft smart, diepe teleurstelling. Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Dat zegt Hij ook tot ons, die al zo lange tijd zijn onder de bediening van het Woord.

Jezus zegt: ‘Ik heb toch al zo’n lange tijd onder u gewandeld in het gewaad van Mijn Woord, gewandeld in de prediking van Mijn eeuwig evangelie. En bent u nu nog zo verduisterd in uw verstand, dat u Mij niet kent? Dat u geen schoonheid en geen heerlijkheid in Mij ziet? Dat u aan Mij niet genoeg hebt?’

O nee, het is waar, de Heere verstoot zulke vragers niet. Hij verstoot ze niet, maar Hij bestraft ze wel, met de bestraffingen Zijner liefde en Hij zegt: ‘Is het dan alles tevergeefs? Is er dan niemand die naar Mijn stem hoort? Is er dan niemand die Mijn prediking gehoor geeft?’

Nee, Hij verstoot niet. Maar Hij openbaart Zichzelf andermaal. O, onbegrijpelijk wonder! Want wat zegt Hij? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader?

 

Die Mij gezien heeft.

Want Christus is het Woord, dat vlees geworden is. Dat Woord, dat God spreekt tot zondaren. Laat ik het eens zo mogen zeggen: Als een zondaar vraagt: ‘Heere, wat moet ik doen om zalig te worden? Kan ik vergeving van zonde krijgen?’, dan is Jezus het antwoord op uw gebed. Dan wijst de Vader altijd met een uitgestrekte vinger naar de verhoogde slang in het midden van de woestijn van uw leven.

Buiten Hem geen genezing, buiten Hem geen vrede, buiten Hem geen houvast en buiten Hem geen troost.

 

O, gij bekommerde om uw zonde, gij zoekende naar God, gij die vastigheid wilt, die zegt: ‘Ik moet een grond hebben om op te staan. Ik kan zo niet meer verder, mijn nood is te groot en het oordeel te zwaar. Hoe zal ik het ontgaan?’

O, ik zeg u in de naam van de eeuwige God: ‘Daar staat Hij, daar hangt Hij, daar leeft Hij, daar ligt Hij, het vleesgeworden Woord, Jezus Christus.’

 

Hij zegt het tegen Filippus: Die Mij gezien heeft.

‘Ja’, zegt u, ‘maar wij kunnen Jezus toch niet meer zien?’ Ach, u begrijpt toch wel dat Jezus hier niet bedoelt het zien met het lichamelijke oog? Zo hebben de Joden Hem allemaal gezien en zo hebben zelfs de heidenen Hem gezien. Zo heeft Pontius Pilatus Hem gezien. Zo hebben de moordenaars Hem gezien. Zo hebben duizenden, misschien wel miljoenen mensen Hem gezien, maar ze hebben des te harder geroepen: Kruist Hem, kruist Hem!

Waarom hebben zij Hem niet gezien als het wonder van God gegeven, als de grond om op te staan en als het Teken van hun redding? Ach, het is wel te verklaren. Hij had geen gedaante, noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen. Jesaja zegt: Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht (Jes.53:2,3).

 

Is dat ook vandaag niet het struikelblok voor zovelen, dat zij Christus niet erkennen als hun God en Koning, omdat zij Christus niet zien in het midden van de gemeente? Want de gemeente vertoont nog steeds het beeld van de lijdende Christus. We zijn nog steeds de strijdende kerk en dan is er aan de gemeente van Christus niet veel te zien. Men moet er een geestelijk oog voor gekregen hebben, anders zegt men: ‘Is dat de gemeente des Heeren? Is dat de kerk waar Christus woont? Is dat het volk van God? Nee, mij niet gezien.’

We weten van die dit en van die dat, we zien Christus in Zijn lijdende gestalte hier op de aarde, maar we hebben geen lust om met Hem smaadheid te dragen.

O, indien Hij Zich vertoonde als de zegevierende Koning met een met diamanten bezette kroon op Zijn slapen, ja, dan zouden ze Hem volgen. Indien Hij een orde stichtte op aarde, die zich uitbreidde als een wervelwind en die over alle volken heerste, we zouden komen tot Zijn stoel. Maar nu Hij Zich vertoont in armen en ellendigen, in tollenaren en zondaren, in hoeren en ongelukkigen, in paria’s, dan antwoordt u: ‘Ach nee, wat heb je daar aan? Wat word je daar wijzer van? Is dat nu alles wat God ons te bieden heeft, de gemeenschap met zo’n kerk? Het heeft voor ons niets bekoorlijks en het heeft geen begeerlijkheid in ons leven.’

 

Geliefden, zo was het ook in de dagen van Zijn omwandeling op de aarde. Daarom, als Hij zegt: Die Mij gezien heeft, dan bedoelt Hij niet het zien met een lichamelijk oog, maar dan bedoelt Hij het zien met het oog van de ziel. Dat betekent: ‘Die Mij gekend heeft, Filippus, die in Mij gelooft, die Mij gezien heeft door het geloof, die heeft de Vader gezien.’

En ach, dan kan Filippus het niet ontkennen, dat hij toch wel iets van de Christus gezien heeft. Het is waar, zij hebben heel weinig oog voor Zijn borggerechtigheid, maar dan hebben zij Hem toch gezien als de Profeet van God gegeven. Dan hebben ze Hem toch gezien als de Man Die Zichzelf Borg gesteld heeft voor Zijn schapen. Hij heeft het altijd voor hen opgenomen.

Laat ik het zo zeggen: wanneer Hij als de Goede Herder zijn vleugelen over Zijn schapen uitbreidt, dan kunnen de kleinsten er bij. Zij hebben Jezus gezien in Zijn barmhartigheid en in Zijn ontferming.

 

Zeg nu eens, is het Woord, waarin Christus nu tot u komt, al eens zó aan u verschenen, dat u zegt: ‘Ja, waarlijk, ik kan het toch niet ontkennen. Toen ik dat Woord zag, die God Die door dat Woord tot mij sprak, dat Woord alleen, toen heb ik Hem gezien als de openbaring van Gods genade en van Gods ontferming. En toen kreeg ik houvast aan dat Woord’?

Welnu, zondaar, waarom is dat uw steun, waarom is dat uw sterkte niet bij de voortduur? Zoek toch buiten dat Woord geen andere openbaring. Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr.3:18). Dan zult u nimmermeer twijfelen, vaststaande op het Woord van Zijn getuigenis. Zoek het er toch niet buitenom!

 

Ach, er zijn er zovelen die met allerlei wonderlijke bevindingen de hoogte in gaan. Maar het zal weggestormd worden, wanneer u in de dag van het gericht op iets anders uw betrouwen stelt dan op de openbaring van Jezus Christus in Zijn Woord.

Denk er goed aan! Er zal geen enkele bevinding, hoe schoon ook opgebouwd, kunnen bestaan in de dag van het gericht, dan alleen deze bevinding:

 

‘k Bekend’, o HEER’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.

 

Wat is dat, het zien van Jezus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

Wel, het is het zien van Gods barmhartigheid. Dat Hij, om de wereld het leven te geven, Zijn Zoon heeft afgestaan.

Dat is het zien waardoor er vastheid komt in mijn hart van de genade en de barmhartigheid Gods.

Het is een zien van Gods gerechtigheid, wanneer Hij met Zijn Zoon in toorn handelt, wanneer Hij de straf van onze zonden op Hem legt.

Wanneer in de prediking van het evangelie het oog van onze ziel geleid wordt om op Hem te mogen zien, Die voor de vreugde Hem voorgesteld het kruis droeg.

Als wij Hem zien onder de nederdaling van de toorn van God tot de openbaring van Gods rechtvaardigheid aan het gevloekte hout.

Wanneer wij Hem neder zien dalen ter hel.

 

Nu, zegt Jezus, die Mij zó gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Die heeft uit ‘s Vaders mond gehoord de Godsspraak: ‘Zondaar, Ik zoek uw dood niet. Ik leg de straf niet op uw rug, maar Ik leg deze op de rug van Mijn enige Zoon.’

 

Geliefden, hebben we iets van Christus gezien? Want over hen zegt Jezus: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader?

 

Daar nog een enkel woord over, nadat we gezongen hebben uit Psalm 4 het derde vers;

 

Dan zult gij recht naar ’t outer treden,

En off’ren God een rein gemoed,

Het offer der gerechtigheden,

En ’t zuiv’re reukwerk der gebeden;

Betrouwt op Hem, want Hij is goed.

Waar velen twijfelmoedig vragen:

‘Wie zal ons ’t goede toch doen zien?’

Doe Gij, o Heer’, na ’t angstig klagen,

Ons ’t lieflijk licht Uws aanschijns dagen,

En wil Uw rijke gunst ons biên.

 

We luisteren naar een:

 

3. Een troostvol antwoord

 

En hoe zegt gij: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.

En dan zegt de Heere verder in dit hoofdstuk: ‘Als u Mij dan niet gelooft op Mijn woorden, gelooft Mij dan om Mijn werken.’

 

Geliefden, zo staat Christus ook in het midden van ons en Hij zegt: ‘Zondaar, Ik heb u zo lange tijd Mijn Woord bekendgemaakt. Gelooft u Mijn woorden niet, wel, zie dan Mijn werken.’

En dan vraagt u: ‘Wat zijn dan de werken van Christus onder ons?’

Dan zeg ik: ‘Daar zijn al Gods kinderen levende getuigen van. Vraag het maar eens, hoe zij, voordat de Heere hen te sterk werd, wandelden naar de begeerte van hun verdorven hart. Hoe ze leefden in de dienst der zonde, tot eer van de vorst der duisternis, maar tot schande van God en van Zijn Zoon Jezus Christus.’

 

Is het geen wonder van de hemel, als een zondaar de zonde verlaat? De zonden, waar we met alle vezels van ons bestaan aan vast zitten? Is het geen wonder, als datgene wat ons het liefste is, namelijk zondigen tegen God en tegen onze naaste, onze smart wordt?

Is elk kind van God geen wonder van de kracht van Gods genade? Als er van Saulus gezegd wordt: Want zie, hij bidt (Hand.9:11), is het dan geen wonder, waarvan alle engelen in machtige akkoorden gaan zingen? Dan is het een wonder, want de engelen in de hemel verblijden zich over één zondaar die zich tot God bekeert.

 

Zie ze zitten, mannen, vrouwen en kinderen, die door de kracht des Geestes het wandelen op de brede weg, het spoor dat de vorst der duisternis getrokken heeft, vaarwel gezegd hebben, en die gekomen zijn in het spoor der gerechtigheid.

Is dat niet een teken dat het Woord levend en krachtig is?

Is dat niet een teken dat God onder ons leeft?

Is het niet een teken dat Hij Zijn koninkrijk nog bouwt, zelfs in deze donkere dagen?

O, waarom staat u dan langer buiten? Waarom zoekt u dan langer vastheid, daar, waar u het nimmer vinden kunt? O, kom toch tot Hem! Jongens en meisjes, zoek Hem in je jeugd. Verwacht geen andere openbaring van God. En zeg toch niet: ‘Ja hoor, maar ik zal wachten totdat God me bekeert, dan zal mijn leven wel anders worden.’ Jezus zegt: Ben Ik zo lange tijd bij u, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus?

 

Die Mij gezien heeft.

Durft u te zeggen dat u Hem nimmer aanschouwde?

Durft u te zeggen dat uw hart altijd onbewogen was onder de prediking van deze lijdende, stervende en opgestane Christus?

Heeft die liefde Gods u nooit met de zonde doen breken en u nooit een voornemen in uw hart doen ontsteken, om van nu aan de Heere te zoeken? Zo ja, en wat is er van over gebleven?

O kom, de arbeid aan uw ziel is nog groot. Stel het toch niet langer uit! Er zal nooit ‘een ander evangelie’ meer gepredikt worden en er zullen nooit andere wonderen meer gedaan worden, dan de wonderen die God gedaan heeft.

Het eerste wonder dat God weer zal doen, buiten dit Woord, buiten de wonderen die Hij al gedaan heeft, dat is wanneer Hij de hemel zal scheuren en Hij zal komen op Zijn grote, witte troon.

Maar dan kun je niet meer bekeerd worden. Als je dan nog zal vragen: ‘Doe ons een teken’, dan zal Hij zeggen: ‘Ben Ik zo lange tijd bij u geweest, Filippus, Jan, Marie, of hoe je naam ook mag zijn…’ Dan zegt God tot u persoonlijk: ‘Ben ik zo lange tijd bij u geweest en hebt u Mij niet gekend? Mij niet gekend, Die Zich op zulk een wijze aan uw voeten neerboog en Zich op zulk een wijze aan u openbaarde?’

 

Maar nu is het nog niet te laat. Hoor maar! Jezus geeft vriendelijk, hartinnemend en troostvol onderwijs. Hij zegt: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

‘Die Mij gezien heeft, die weet wat de Vader wil’, bedoelt de Heere Jezus. We hebben buiten dit Woord om geen woord meer uit de hemel te verwachten.

Als Jezus vandaag in uw midden staat en Hij zegt: ‘Kom tot Mij’, dan is dat de stem van de rechtvaardige God. De eeuwige God, bij Wie de zondaar niet wonen kan. Die vlekkeloos Reine; Hij roept u toe: ‘Kom tot Mij!’ Jezus zegt: ‘De woorden die Ik tot u spreek, zijn Mijn woorden niet, maar het zijn de woorden van Mijn Vader.’

 

Als u zegt: ‘Ja maar, weet u dan wel, wie ik ben? Weet u dan wel, wat er in mijn hart leeft? Weet u wel wat ik tegen God en tegen de mensen misdaan heb?’, dan zeg ik: ‘Ondanks dat alles zegt Jezus: Kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven.’

Zegt u: ‘Had ik maar meer schuldbesef en was ik maar een arme van geest en kon ik dan eens hartelijk klagen en mijn nood tot Jezus dragen’, dan zegt Jezus tot hen die onder deze last en onder deze vermoeidheid gebogen gaan: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). ‘Ik heb goddelijke autoriteit, Ik heb macht en last van de Vader ontvangen.’

 

O, geloof toch niet, als u tot Christus komt, dat Hij u verstoten zal. Geloof het woord van de satan niet, dat zegt: ‘Ja maar, dan moet je eerst getrokken zijn door de Vader, anders kun je nimmer tot Christus komen.’ Zo verdraait men de woorden Gods, die God tot onze vertroosting geschreven heeft, tot zijn eigen verderf.

Maar de Heere zegt tot die schuchtere zielen: ‘Kijk, zie je het nu? Die tot Mij komt, die draagt daarin het bewijs dat hij een ‘getrokkene’ is van de Vader, die draagt daarin het zegel van de hemel dat hij een keurling is van God, een gekende van eeuwigheid.’

Daar mag u troost uit putten, u die bekommerd over de aarde gaat, voor wie het Woord van God dierbaar geworden is, die dat Woord hebt ingedronken zoals de discipelen en bij wie een band met God gelegd is.

Als u zegt: ‘Ja, Heere Jezus, ik zou geen raad meer weten als ik Uw Woord niet had, als ik de bediening van dat Woord moest missen! Als dat Woord niet in mijn leven gekomen was, dan was ik de ongelukkigste van alle mensen!’, welnu, wat schaadt dan toch uw vrede en uw blijdschap? Waar hapert het dan toch, dat u niet inniger met Hem verbonden bent; dat u niet hartelijker over Hem spreekt; dat u Zijn Naam niet meer belijdt; dat u niet vrolijker uw pad gaat, dragende uw kruis? Waar ligt de haper?

Ik weet het wel. De haper ligt hier, dat u met Filippus zegt: ‘Ja, dat is allemaal wel waar, maar toon ons dan eens iets bijzonders. Geef dan eens een openbaring van de Vader.’

 

O, ik weet het, er zijn dwaze mensen, ook onder Gods kinderen, die menen dat de openbaring van Christus niet genoeg is tot zaligheid.

Die zeggen: ‘Ja, als je Christus gezien hebt als een Borg en Zaligmaker, en je hebt Hem mogen eigenen, als een van God gegeven offerande voor je schuld, dan moet je ook nog vrijgesproken worden door de Vader; dan moet je ook nog vrede vinden in dat spreken van de Vader.’

Geliefden, Ik zeg u in de naam van God, dat Jezus bedroefd over u is. Dat u een teken van des Vaders welbehagen zoekt, terwijl de Vader alles gedaan heeft wat Hij doen kon. Hij heeft Zijn hart geopend, Zijn Christus gegeven, Zijn Zoon in de dood gezonden, op Hem Zijn toorn gelegd en Zijn gramschap uitgewoed. Wat wilt u nog meer?

Er is geen andere openbaring van God. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6). Niemand zal ooit de Vader kennen, dan door de Zoon, want in Jezus Christus ontvangen wij kennis van het goddelijk, vaderlijk mededogen en in Jezus Christus mogen we de ervaring van de bediening des Geestes aan onze ziel hebben.

Als mijn oog Jezus ziet, dan zie ik door Hem ‘s Vaders welbehagen.

Als mijn oog het bloedende Lam ziet, dan aanschouw ik de straffende hand des Vaders, Die niet op mij kwam en niet op u, maar op Zijn geliefde Zoon.

 

Geliefden, zouden we hoger openbaring wensen, terwijl Hij alles gegeven heeft wat ons nodig is tot zaligheid? Het is tot smart van Christus, indien u een andere weg zoekt.

Geestelijk bekommerde zielen, die reeds zo lang van verre staan, in plaats dat u met vrijmoedigheid gebruik maakt van de enige offerande die u voorgesteld is om bij Hem te schuilen en u op Hem te verlaten en in Zijn wonden die schuilplaats te zoeken en te vinden en daarin te gaan, zegt u: ‘Als dit nu eens en als dat nu eens…’ O, Jezus is bedroefd over u. Hij zegt: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader?

Zegt u: ‘Laat God het dan nog eens bevestigen’, zie Jezus als de gift van God tot uw heil; God gaf Hem voor de zonden der wereld.

 

Zeker, het is nodig, ten einde de troost ervan weg te dragen, dat u zich als één van die wereldlingen kent; dat u zegt: ‘Ja Heere, een verloren wereld met een verloren mensheid, daar maak ik deel van uit. Zo’n verloren jongen ben ik en zo’n verloren meisje ben ik ook. Zo’n verloren man en zo’n verloren vrouw, dat ben ik. Ik ben van U afgedwaald, ik heb de weg der waarheid verlaten. Heere, ik moet met de wereld sterven, want ik heb met de wereld geleefd.’

O, indien u dat voor God uitschreit, indien u dat tot smart wordt in uw leven, indien dat het punt is waarop u vastloopt, wel, hier staat het: Ben Ik zo lange tijd met u geweest, Filippus?

Is dat Woord zo vele jaren in uw midden gepredikt en moet u nu nog wanhopen aan de genade van God? Wanhoop aan uzelf! Wanhoop aan uw trouw, wanhoop aan uw goede voornemens, maar wanhoop niet aan het Woord des Heeren en zeg niet: Toon ons de Vader, want de Vader heeft Zichzelf aan u geopenbaard.

En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten (2 Petr.1:19).

 

Kom, zeg het eens, kinderen van God, als u in de duisternis zit, zoek het bij dat Woord. Zoek uw gangen vast te maken in dat Godsgetuigenis. Zoek Hem te aanschouwen door de nevelen van uw ongeluk heen. En als u dan het kruis in het oog krijgt, Jezus Christus onder ons geopenbaard in dat evangelie des kruises, twijfel dan niet, maar kom dan, verbroken en verslagen, en leg uw dode, lamme hand op het hoofd van het Offerdier.

Maakt het verbond met God vast en zeg: ‘Heere, mijn God, wilt U naar zulk één Uw Woord zenden? Rechtvaardige Vader, wilt U Uw toorn blussen in het Offerlam, Uw gramschap van mij afkeren en Uw gunst mij schenken? Zie, hier ben ik.’

Houd dan op met tegenspreken. Zit aan Zijn voeten neer. Wacht volkomen op de genade, die geopenbaard is in het Lam Gods Dat de zonden der wereld wegneemt. Opdat u getroost en zalig met uw kinderen de weg des levens des vredes moogt bewandelen, totdat we voor God in Sion zullen verschijnen.

 

Hier op aarde blijft ‘het zien des geloofs’ nog maar ten dele.

Maar als u hier door de traliën van het Woord uw Jezus gezien hebt, als de van God gegeven Zaligmaker, dan zullen straks uw ogen de Koning zien in Zijn schoonheid.

Dan zullen we Hem van aangezicht tot aangezicht mogen zien. Dan zullen we Hem nooit meer smart aandoen, maar dan zullen we de drie-enige God mogen vinden in het wandelen met Jezus, eeuwig en altoos.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 2: 7

 

Welzalig zij die, naar Zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;

Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!

Welzalig zij die vast op Hem betrouwen!

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).