Ds. R. Kattenberg - Zondag 45

Het gebed

Waarom is het gebed de christenen van node?
Waardoor wordt het gebed gekenmerkt?
Wat heeft het gebed als inhoud?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 57: 1, 2
Lezen : Mattheüs 6: 1-15
Zingen : Psalm 17: 1, 3
Zingen : Psalm 141: 1, 2
Zingen : Psalm 43: 3
Zingen : Psalm 29: 6

Gemeente, wij geven in deze dienst onze aandacht aan Zondag 45 uit de Heidelbergse Catechismus, de vragen en antwoorden 116 tot en met 119:

 

               Vraag 116: Waarom is het gebed de christenen van node?

Antwoord: Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

 

Vraag 117: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?

Antwoord: Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

               Vraag 118: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?

Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

 

               Vraag 119: Hoe luidt dat gebed?

Antwoord: Onze Vader, Die in de hemelen zijt; Uw Naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.

 

Het thema voor de preek is: Het gebed.

 

Drie gedachten:

1. Waarom is het gebed de christenen van node?

2. Waardoor wordt het gebed gekenmerkt?

3. Wat heeft het gebed als inhoud?

 

1. Waarom is het gebed de christenen van node?

 

Gemeente, het scheelt maar één letter. Maar het onderwerp is een heel ander dan het onderwerp dat we de voorgaande zondagen overdacht hebben. Toen was het ‘het gebod’, dat weten de kinderen ook nog wel. Nu gaan we één letter wijzigen, nu is het ‘het gebed’.

Het gebod leidt ook tot het gebed, want in de voorgaande Zondag is er ook sprake van dat wij tot God zullen bidden. Dat is ook de volgorde. Bij het begin van het gebod, en dat weten de kinderen ook, kijken we omhoog en we horen het de Heere zeggen: Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2). God, hoog in de hemel, spreekt Zijn Woord, Zijn gebod voor het leven hier beneden op deze aarde. Van boven naar beneden. Dat is gebod.

En nu gebed. Dat is precies de omgekeerde richting. Nu mogen wij als mensen, omdat God Zich heeft geopenbaard in Zijn Woord, onze stem verheffen tot Hem Die in de hemel woont. Dus: het gebod van boven naar beneden en het gebed van beneden naar boven.

 

En dan zegt vraag 116: Waarom moet dat nu? Waarom is het gebed de christenen van node? Gemeente, we weten dat er wereldwijd heel wat wordt gebeden. Mensen van allerhande godsdiensten bidden. Andere mensen bidden misschien wel meer dan wij dat doen. Je ziet in de krant heel wat plaatjes van moslims die geknield liggen op hun matje met het gezicht richting Mekka. U weet het misschien ook vanuit uw woonomgeving. Als u moslims als buren hebt, dan zal dat ook best te merken zijn.

Dat er gebeden wordt, is een groot goed. Maar nu zegt de catechismus wel tot wie we moeten bidden: tot de enige ware God. En wie is dan ‘de enige ware God’? Iemand zei: ‘Lopen niet alle godsdiensten allemaal uit op die ene ware God?’ Is het dan uiteindelijk toch niet zo’n beetje hetzelfde? Dan moeten we zeggen: nee! De enige ware God, dat is de Vader van onze Heere Jezus Christus. En als u dat onthoudt – en dat wist u al wel, maar dan is het goed om weer opgescherpt te worden – als u dat onthoudt, dan bent u toch van heel wat problemen af. Misschien komen er wel andere problemen bij, maar dat is de kern.

Als er dat niet is, als er niet is de erkentenis van God de Vader, als Vader van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, dan komen we bijvoorbeeld bij het grote knelpunt met de Jehova’s Getuigen. Zij willen niets van de drie-eenheid weten. En als je het hebt over de Vader van de Heere Jezus Christus, dan is dat gelijk zo’n beetje het einde. Maar dat is het kardinale punt!

 

En nu gaat het erom dat de catechismus ons vraagt: Waarom moeten de christenen bidden? Waarom is het gebed de christenen van node, zo zegt vraag 116. Dus het is niet zo van ‘waarom moeten de mensen in het algemeen bidden?’ Nee, de vraag heeft een spits naar de christenen.

Daar sta je voor de vraag: wie is een christen? Bent u het? Ben jij het? Ben je christen als je naar de kerk gaat? Ben je christen als je bidt en dankt voor het eten? Dat hoort er allemaal wel bij, maar dat is toch niet het belangrijkste kenmerk!

Wat is dan kenmerkend? Voor een christen is kenmerkend of je de zalving van Christus deelachtig bent. Zo hebben we het in het begin van de catechismus gehoord: ‘Waarom wordt gij een christen genaamd? Omdat ik de zalving van Christus deelachtig ben.’ Het gaat dus vooral, allereerst, om de gemeenschap met Christus. De vraag ‘hoe bidt u?’, heeft een vraag die daaraan voorafgaat. Voordat je vraagt: ‘Hoe bidt u?’, moet je vragen: ‘Wie ben ik?’ Wie bent u voor God? Vreest u God en heb je de Heere Jezus hartelijk lief?

Merkt u dat de catechismus niet wil dat u tevreden bent met wat uiterlijkheden? Dat we snel zeggen: ‘O fijn, ik ben ook christen, want aan de dingen die u zo-even noemde, voldoe ik.’ Christen zijn is een zaak van het hart.

 

Bidden is vooral kinderwerk. Niet kinderlijk of kinderachtig, maar kinderwerk. Werk als kind zijnde. Zo wordt God geëerd en gekend. We krijgen dan ook wat zicht op het antwoord op de vraag: ‘Waarom is het gebed de christenen van node? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, dat God van ons vordert.’

Wat vindt u van dat antwoord? Vindt u het niet een beetje vreemd dat het belangrijkste stuk van de dankbaarheid het gebed is? Zouden we niet zeggen: het belangrijkste stuk van de dankbaarheid is dat er goede werken worden gedaan? Kijk eens wat de Heere allemaal ontvangt als dank voor datgene wat wij van Hem ontvangen hebben! Dan wil je toch graag wat terugdoen?

Kijk, gemeente, dat is nu precies het knelpunt. Dat is precies het punt waar het op vastzit. Als we zo denken, dan zijn we heel menselijk bezig. Kinderen weten het en zo voeden de ouders hen ook op: als je wat krijgt moet je netjes ‘dankjewel’ zeggen. En als je, ik noem maar een voorbeeld, wat van je oom gekregen hebt en een poosje later vraagt die oom: ‘Wil je mij even helpen met dit of dat?’ en je zou ‘nee’ zeggen, dan zou je mama zeggen: ‘Zojuist heb je nog dat cadeautje van je oom gehad, je moet hem toch even gaan helpen. Jij hebt wat gekregen, dan moet je ook wat terugdoen.’ Dat is het stramien waarin wij bezig zijn als mens tegenover mens. Want als je het af laat weten, als er iets van je gevraagd wordt, dan kennen we het spreekwoord dat zegt: ‘Stank voor dank.’ Er kon nog niet eens ‘dankjewel’ af. Maar de catechismus gaat niet in die weg. Helemaal niet, mag je wel zeggen.

 

De catechismus heeft gesproken over de goede werken, het is alweer een poosje geleden. We lezen in vraag 86: ‘Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?’

Dan is het antwoord: ‘Daarom, dat wij…’? Nee! ‘Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijn Heilige Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt.’ Merkt u? Het antwoord is niet: wij moeten goede werken doen omdat God ook zoveel gedaan heeft. Dan moeten wij ook eens wat presteren. Nee!

Het antwoord op vraag 86 gaat verder: ‘Opdat Hij door ons geprezen worde.’ En dan komt natuurlijk de vraag: hoe prijst u God? Hoe maakt u de Heere groot? Hoe krijgt de Heere de lof van Zijn Naam? Waarin komt dat het meest tot openbaring? Dat je dít doet, dat je dát doet, dat je zus niet doet en dat je zo niet doet?

Is het dat? Wat is de kern van de dankzegging aan God? God wordt het meest geprezen, God wordt het meest geëerd....waarmee? God wordt het meest geprezen als de handen gevouwen en de ogen gesloten zijn. Dat is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Het gebed voor het aangezicht van God.

 

Voor veel mensen – en we gaan er allemaal mank aan – voor veel mensen is het gebed alleen de Heere vragen om Zijn hulp en om Zijn bijstand. En natuurlijk, dat mag, meisjes en jongens. Het zou niet goed zijn als je examenkandidaat was dit jaar en dat je niet gebeden hebt voor je examens. Maar als je gaat zeggen: ‘Kijk, dat is nu bidden’, dan begrijpen we niet dat het gebed het voornaamste stuk van de dankbaarheid is. Dan zitten we alleen maar te kijken op de hand van God. Wat ontvangen we uit de hand van de Heere? Wat hebben we nodig om van de Heere te ontvangen?

Kinderen, onthoud dit eens goed: het gaat niet allereerst om Gods hánd, maar het gaat allereerst om Gods gezicht. En Gods gezicht wil zeggen: God Zelf.

Dus in het gebed, het voornaamste stuk van de dankbaarheid, gaat het niet om datgene waarvoor we allemaal moeten danken en bij de Heere terugkomen, om wat we allemaal hebben ontvangen uit Zijn hand. Het gaat om: hoe kijken we naar God, en hoe kijkt God naar ons?

Het moet gaan over het zoeken van Zijn aangezicht. ‘Ik zoek Uw aangezicht, o Heere, verberg Uw aangezicht dan niet voor mij. Ik zoek Uw aangezicht, opdat Uw Naam geprezen worde.’

 

Dat brengt ons ook gelijk op het volgende, namelijk dat wij God te bidden hebben om Zijn genade en Zijn Heilige Geest. Dus het is het voornaamste stuk van de dankbaarheid, en waarom is het gebed de christenen nog meer van node? Omdat God Zijn genade en Heilige Geest alleen aan díegenen geven wil, die met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

 

Gemeente, Gods genade en de Heilige Geest, die uitgaat van de Vader en de Zoon, die zijn nodig om bekeerd te worden. Zonder genade geen bekering en zonder de bediening van de Heilige Geest wordt geen zondaar van dood levend gemaakt. Dus die zijn nodig om bekeerd te worden. Dat wil zeggen: genade en de Heilige Geest zijn nodig om bekeerd te zijn voor het aangezicht van God.

Is het niet om van te duizelen, dat we ook hier weer mogen lezen van de genade van God, dat God Zijn genade laat prediken aan zulke mensen als wij zijn? Dan moet u er maar niet al te snel instemmend op antwoorden of bij knikken. Want als de Heere u werkelijk laat zien wie u bent, dan knikt u niet zo hard meer. ‘O God, ben ik dat?’

Gaat u zich daarom ook vanuit dit gedeelte van de catechismus verwonderen? We zijn zo gewend geraakt aan het woordje ‘genade’, dat we er misschien niet eens meer van opkijken. Gemakkelijk ontstaat nivellering, een vervlakking. Want als je niet meer van genade opkijkt, kijk je ook van zonde niet op. Dat zult u met mij eens zijn, dat houdt gelijke tred: zonde en genade, dood en leven, vloek en zegen.

We lezen hier dat God Zijn genade wil geven. Dat wil Hij echt geven, al was je de grootste van de zondaren. En zonder die genade kunnen we niet! Dat roept ook vragen op.

Duizenden mensen, miljoenen mensen zijn er in beweging hier op deze wereld. Moeten dan al die mensen verloren gaan? Dat is moeilijk. Wie komt daar uit?

Er zijn dingen waarvan we moeten zeggen: ‘En hier halt!’ Wij mogen daar niet achter kijken. God heeft ons dat ook niet geopenbaard. God heeft wel gezegd: ‘Wie zegt gij dat Ik ben?’ Dat vraagt om ons persoonlijk antwoord. En dan niet om te zeggen: ‘Die andere mensen doen er niet toe.’ Nee, juist als je dat persoonlijke antwoord kent: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’, dan krijg je ook zicht op die andere mensen. Anders niet. Want wat zal een onbekeerd mens zich druk maken over de eer van God als daarvan nu niets blijkt vanuit zijn eigen leven?

 

Merkt u, ‘de grootste van de zondaren zijn’, is een persoonlijke aangelegenheid. Maar als je zo wereldwijd dat begrip invult, dan hoeven wij niemand af te schrijven. Wij mógen ook niemand afschrijven. Dus zeg nooit dat het niet kan.

Het is ook niet onmogelijk voor degene die u misschien in gedachten hebt, van wie u misschien zegt: ‘Ach, die jongen van mij of die dochter van ons, daar komt nooit wat van terecht.’ Ja, van ons uit klopt dat wel, maar wat onmogelijk is bij de mensen, dat is mogelijk bij God. Dat is Gods belofte. Houd dan vast aan die belofte van God, aan dat spreken van God: ‘Heere, U hebt het toch gezegd, U hebt het beloofd.’

Ik hoorde eens van een jongen die het syndroom van Down had. Hij kon niet zoveel woorden zeggen, maar de woorden die hij over God gebruikte, die waren heel karakteristiek. Hij zei heel eerbiedig: ‘Beloofd is beloofd!’ En zo maande hij God op Zijn eigen Woord: ‘Beloofd is beloofd!’

 

Gemeente, God wil te doen hebben met mensen die geen rechten hebben. Mensen die geen genade hebben en die niet de Heilige Geest hebben, maar wel de belofte horen vanuit het Woord van God. Wederhorigen, mensen die er niet bij horen.

We zien het, Gode zij dank, als kinderen leven vanuit een nieuw hart. Als meisjes en jongens de Heere liefhebben in hun jonge leven en vragen om genade. Gemeente, zeg het dan maar dat het nooit vanuit u is. Dat het vanuit u ook nooit kan. Dat u niet bidden kunt en dat u ook niet bidden wilt. Dat u dwarsligt tegenover wat God allemaal in Zijn Woord openbaart. Dat is de vijandschap vanuit ons leven. Maar u mag nochtans uw handen vouwen om de Heere te smeken: ‘O God, laat de kracht van de zonden in mijn leven gebroken zijn, wil de enige God in mijn leven zijn!’

Het Lam van God Dat de zonden der wereld wegdraagt is er ook vandaag. En de Heilige Geest, Die hier ook met name genoemd wordt, wil werken onder jongeren, onder ouderen, wereldwijd. De Heilige Geest heeft heel het rond van deze aarde als werkterrein uitgekozen. Als je een plekje weet waarvan je zegt: ‘Daar is geen zonde, dus daar zal de Heilige Geest in het bijzonder zijn’, mag u het zeggen. Maar zo’n plekje is er niet. De Heilige Geest heeft een zondige wereld en een zondige mensheid als werkterrein uitgekozen.

 

Kijk, daar hebt u ook weer de onderbouwing. Want het gaat om de zondaar uit het menselijke geslacht, uit de sloppen en uit de achterbuurten, kinderen die in armoede leven, de kerk in de verdrukking. Dat de Heere ook daar wil werken en Zijn hof wil doorwaaien, tot de verheerlijking van Zijn Naam. Dat mensen zich bekeren tot de levende God. Hoe rijk is dat!

Waar dat werk zijn aanvang heeft genomen, daar zal het ook voortgezet worden. Dat werk maakt de Heere ook af. Het werk van Zijn genade, door Zijn Heilige Geest. Dat leven heeft onderhoud nodig. Elke keer moeten we eten, anders gaat het niet goed; dat weten de kinderen ook. Welnu, zo heeft de christen ook elke keer de genade nodig en de Heilige Geest, anders gaat het niet goed. Gods kind kan daar niet buiten.

 

David is één van de vele voorbeelden als hij daarvan zingt in de psalmen. We denken daarbij aan Psalm 43, als een mens daar in grote nood is, als hij in het zwart gaat vanwege des vijands onderdrukking. De kerk in de verdrukking! ‘Zend Uw licht, Heere, en zend Uw waarheid neder, dat die mij leiden en dat ze mij brengen tot de berg Uwer heiligheid!’

 

We lezen hier in het antwoord: ‘Dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.’

De Heere wijst de weg van het gebed. Ik doe het niet om uwentwil, zegt God, maar Ik doe het omwille van Mijn grote Naam, opdat die verheerlijkt wordt. Hartelijk zuchten en onophoudelijk danken. Hartelijk, dus vanuit je binnenste, vanuit je hart. Dan gaat het niet om mooie woorden. Het gaat er om of het aanhoudend is en vanuit uw hart. Zo vervult de Heere Zijn belofte.

 

We zingen er ook van, uit Psalm 141 vers 1 en 2:

 

‘k Roep, Heer’, in angst tot U gevloden,

ai, haast U tot mijn hulp en red!

Hoor naar de stem van mijn gebed,

daar ik U aanroep in mijn noden.

 

Mij beê met opgeheven handen

klimm’ voor Uw heilig aangezicht

als reukwerk voor U toegericht,

als offers die des avonds branden.

 

Als het gaat over het gebed stonden we eerst stil bij de vraag: waarom is dat de christenen van node? Ons tweede aandachtspunt is:

 

2. Waardoor wordt het gebed gekenmerkt?

 

‘Wat behoort nu tot zo’n gebed, dat Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt?’ Dan staat er als eerste: ‘Dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.’

 

Ik denk dat de kinderen wel eens een ansichtkaart sturen, naar iemand die ziek is of iemand die jarig is. Wat is dan heel belangrijk? Dat het adres goed is. Want als het adres niet goed is of de postcode ontbreekt, dan gaat het mis. Of je belt wel eens iemand op. Wat is dan belangrijk? Dat weet je wel: dat je het goede nummer kiest. Want als je het verkeerde nummer kiest, krijg je iemand aan de telefoon die je helemaal niet aan de telefoon zou willen hebben. Dus: het juiste adres.

Zo is het ook bij het gebed, gemeente. Dat het gebed aankomt bij het juiste Adres. De gebeden dienen het goede adres te hebben, zoals hier staat: de enige ware God Die Zich in Zijn Woord aan ons heeft geopenbaard.

‘De enige ware God en Zijn Woord’ horen bij elkaar. ‘Die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard’ is een nadere toespitsing. En die toespitsing heeft zijn reden.

 

Er zijn wat namen van God in omloop die niet op het Woord teruggaan, die ook afwijken van het Woord. ‘Opperwezen’ bijvoorbeeld, of ‘Onze lieve Heer’. Hitler had het over ‘de Voorzienigheid’ en dan met een hoofdletter. Dat zou God dan zijn.

Gemeente, wat luistert het nauw. Want zelfs al noemt u Hem ‘de Alwetende’, al noemt u Hem ‘de Eeuwige’, dan zijn we nog bezig in de marge. En in de marge, kinderen, dat is aan de rand. Dan zijn we bezig aan de rand. Als je iets in moet kleuren, dan moet je buitenaf beginnen en moet je zo naar binnen. Nou, daar gaat het ook om bij het bidden. ‘God, zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.’

En die openbaring van God in Zijn Woord kun je met één Naam benoemen. Daar kun je een Naam voor invullen, namelijk: Jezus Christus. Dat is ten diepste de openbaring van God in Zijn Woord. En al wat wij zeggen van God en al wat wij bidden van God, dat zeggen wij en dat bidden wij door Hem, door Christus. De kinderen doen dat ook, als ze zeggen: ‘Om Jezus’ wil.’

 

God, de eeuwige God, is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Christus is het Beeld van Zijn Vader. In de brief aan de Hebreeën lezen we er over: het uitgedrukte Beeld van Gods zelfstandigheid. Hij lijkt precies op Zijn Vader, in eerbied gezegd. Je kunt aan de Zoon zien hoe de Vader is, want Hij lijkt sprekend op de Vader.

Sprekend… ja, heel concreet, als Hij Zijn Woord spreekt. Maar ook figuurlijk, zoals wij zeggen: ‘Je lijkt sprekend op je vader’, ook al heb je geen woord gezegd. Voor beide elementen is plaats in het leven van de Heere Jezus Christus. Sprekend Zijn Vader! In Hem heeft God Zich geopenbaard.

 

Is dat ook werkelijkheid in uw persoonlijk leven? Wat betekent dat ‘persoonlijk’? Dat betekent dat de mens die tot God gaat spreken en die iets doorleeft van de hoogheid van God, de heiligheid van God, de heerlijkheid en de majesteit van God, dat zo’n mens zichzelf kent als een klein, zondig mensenkind.

Wie ben ik, wie bent u, tegenover de allerhoogste, heilige God? Daar moeten we niet gering over denken. Doen we dat dan? Soms wel. Dan kan gemakkelijk de heiligheid van God op de achtergrond raken.

 

Hier vinden we het woord ‘verootmoediging’, in het tweede stukje van het antwoord.
‘Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen.’

Denk eens aan Abraham. Hij was de vader van alle gelovigen. Zo heet híj alleen. En hij bidt. Hij staat daar voor het aangezicht van God en hij bidt voor het goddeloze Sodom. En vanuit de belijdenis van zijn eigen kleinheid doet hij een beroep op de grootheid van God. Hij bidt: ‘Ik ben stof en as.’ En dat is niet veel, stof en as. Dat is doorleving van Abraham, als hij tegenover de hoge God zijn stem verheft. En hoe bidt hij dan? ‘Heere, als er nu vijftig rechtvaardigen in Sodom zijn, vijftig bekeerde mensen, veertig, dertig, en als het er maar tien zijn…?’

Merkt u, dat is nu dat hartelijke bidden. Bidden met het hart. Het hart spreekt er in mee. Wie werkelijk bidt, die houdt de Heere Zijn eigen Woord voor. Dan leggen we er onze vinger bij. Dan kom je niet met een eisenpakket, maar dan zie je, zoals Abraham het oprecht beleed: ‘De minste van Uw weldaden heb ik niet verdiend. Heere, ik mag veel meer vragen omdat U Zich zo in Uw Woord hebt geopenbaard.’ En we hebben het de kinderen geleerd: al wat je ontbreekt schenkt de Heere, zo je ’t smeekt, mild en overvloedig. In de weg van de verootmoediging…

 

Ja, al onze nood en ellende recht en grondig kennen. Moet dat zozeer benadrukt worden? We zijn toch bezig in het laatste stuk van de catechismus, dat gaat over de dankbaarheid? We moeten onthouden dat het een eenheid is in de catechismus. Je kunt niet  zeggen: nu hebben we de ellende gehad en nu beginnen we aan de verlossing of nu gaat het over de dankbaarheid, en dan hebben we het helemaal niet meer over de ellende of over de zonde. Gemeente, het is één groot geheel met een verschillend accent. En zo komen we ook hier deze woorden tegen: onze  nood en onze ellendigheid grondig kennen.

Christus heeft de gelovigen toch verlost van hun nood en ellende? Dat is waar, gemeente. Maar weet u, het gaat om een doorgaande verhouding tot God. Een blijvende verhouding. Al had u al de genade die al de kinderen van God ontvangen hebben hun leven door, dan zou u nog uw nood en ellendigheid grondig moeten leren kennen. Want u hebt vandaag ook gezondigd. Zo simpel is dat, en tegelijkertijd is dat zo ingrijpend. Met al de genade ben je nog geen rechthebbende geworden. En zo is bidden ook niet commanderen: ‘Heere, U moet dit en U moet dat…’

We hebben nodig waar Calvijn zijn Institutie mee begint: Godskennis en zelfkennis. Altijd, heel het leven door. Je nood recht en grondig kennen, wordt niet een gepasseerd station, zodat je zegt: ‘Nu weet ik het wel.’ Nee, wie recht bidt, die doet dat in de zin zoals Abraham dat deed, de vader van de gelovigen, zoals Jakob dat gedaan heeft, zoals de tollenaar in de gelijkenis het gedaan heeft: in verootmoediging voor het aangezicht van God.

 

Misschien roept die tekening van het gelovig gebed wat weerstand op. Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik sta daar kritisch tegenover.’ Die vinden het een beetje te benauwd of te armzalig of te bekrompen. Mensen die niet willen weten van die ootmoedige gebedshouding. Die struikelen over de woorden ‘nood’ en ‘ellendigheid’. Zij zeggen: ‘Zo is het christelijke geloof niet. Het geloof, dat is: van goed naar beter naar best. Steeds hoger en steeds beter.’

Weet u, gemeente, dan ga je precies aan het kruis voorbij. Want er is er Eén Die uit de diepte heeft geroepen tot God de Allerhoogste. Tot de enige ware God. Als de Zoon van God, in onze menselijke natuur, roept Hij tot de eeuwige Vader. Tot die God, Die Hij als Zijn God en Vader aanroept: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk.23:46).

 

Gemeente, vanuit dat werk van Christus, dat verdienende werk, is er de bodem voor wat de dichter bidt in Psalm 130: Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (Ps.130:4). En nu valt er alleen maar te leven uit dat ‘maar’. Maar bij U is vergeving. ‘Heere, bij mij is er schuld, nood, ellendigheid, maar bij U is vergeving.’

En dat is het wonder van Gods genade in het leven van alle dag. Dat heeft ook zo zijn uitwerking. Dat krijgt zo zijn beslag naar je omgeving toe.


Er staat ten derde: ‘Dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij dat onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord heeft beloofd.’ Ja, dus steunen, op... Niet op je gebed, op je innig bidden of op je mooie bidden, of op wat dan ook. Niet steunen op je verootmoedigd bidden. Dat is wel rijk. Daar mag je ook wel dankbaar voor zijn.

Maar hoe innig uw gebed ook is, dat geeft de reden van de verhoring niet aan, dat je zegt: ‘Ik heb toch zo gebeden, nu verhoort de Heere.’ Dan zou het zijn: ‘Heere, dank U wel dat U mij verhoord hebt, omdat ik zo gebeden heb.’ Ach, dan bent u weer terug bij af. Voelt u wel?

De Heere verhoort om Christus’ wil! Daarbij geef je alle verdiensten van jouw kant uit handen. Dan wordt het gebed een zoeken. Een zoeken naar de vaste grond. Die vaste grond vind je niet in jezelf, in je gebed, in je bekering, in je geloof. Dat is ook maar een instrument. Maar die vaste grond vind je in het werk van Christus Jezus alleen en daar is de verhoring vanuit Zijn Woord.

 

Gemeente, veel onzekerheid met betrekking tot het heil zou misschien verholpen kunnen worden door daar meer vanuit het Woord op te letten. Wij willen graag zoveel dingen naast het Woord zetten: ‘Kijk, daar heb ik houvast aan!’ Maar als het niet op het Woord teruggaat, dan ontvalt het u. Zoek in het Wóórd de vastheid en de fundering. Laat van daaruit dan het gebed zijn wat we nu zingen uit Psalm 43 vers 3:

 

Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder

en breng mij, door die glans geleid,

tot U gewijde tente weder,

dan klimt mijn bange zielgereder

ten berge van Uw heiligheid,

waar mij Uw gunst verbeidt.

 

Het gaat in deze dienst over het gebed. Waarom is het de christenen nodig, waardoor wordt het gekenmerkt, en nu het derde:

 

3. Wat heeft het gebed als inhoud?

 

De Heere Jezus heeft er in de Bergrede op gewezen dat het bidden eenvoudig moet zijn. Geen omhaal van woorden, geen opsmuk of wat dan ook. Ook geen veelheid van woorden. Dan kom je in heidense sferen terecht, want de heidenen denken: hoe meer woorden je gebruikt in het gebed, hoe beter het is en hoe meer kans je hebt op verhoring. U hebt het vast wel eens horen zeggen: ‘Als je nood het grootst is, dan zijn de gebeden het kortst.’ Dan blijft soms alleen het gebed over: ‘Heere, help!’

 

Voor alle duidelijkheid: de Heere Jezus heeft niet gezegd dat je niet lang mag bidden. Dat is een andere zaak. We weten hoe de Heere Jezus Zelf hele nachten doorgebracht heeft in het gebed met Zijn Vader, het persoonlijk gebed, privégebed. Teellinck schrijft ergens: ‘Het leven moet bidden zijn en het bidden moet leven zijn.’ En dan weet de Heere ook wel dat je je werk moet doen, maar dan is je leven door het gebed gestempeld. Al doende, al bezig zijnde, is er het onmisbare gebed.

Maar de lengte van het gebed als zodanig is geen verdienstelijkheid, dat hebben we straks gelezen uit Mattheüs 6. Geen veelheid van woorden om eerder verhoord te worden.

 

We lezen in de catechismus: ‘Wat heeft God ons bevolen om van Hem te bidden? Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, die de Heere Christus beschreven heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.’

Dan zou je je voor kunnen stellen dat kinderen zeggen: ‘Pap, mam, de Heere weet toch al alles? Hij weet toch wat ik nodig heb? Dan hoef ik het toch niet meer te zeggen? God weet het toch al?’ Ja, dat is zo. Wat moeten we daarop zeggen? Dit: de Bijbel maakt duidelijk: u bidt niet omdat God het nog niet weet, maar wij bidden opdat wij zouden weten dat God het weet.

God weet van uw moeite, uw zorg, uw verdriet, uw kruis, uw ziekte. Maar in het gebed mag u van uw kant en mag jij van jouw kant aan de Heere alles vertellen wat er omgaat in je leven. God weet van zonden. God weet van de boezemzonden. God weet van de aanvallen van de duivel. God weet van het tarten van de hond uit de hel. God zet de deur van Zijn heiligdom open. God zegt: ‘Kom maar en zeg het maar.’ En u zegt dat alles opdat u zou weten dat God het weet.

 

Gemeente, die gelovige wetenschap, die biedt ruimte en die geeft troost en kracht. Bidden, dat is je nood niet in eigen hand houden, maar overgeven aan de Heere. De Heere aanschouwt de moeite en het verdriet opdat men het in Zijn hand geve.

Ooit schreef een predikant daarover: ‘Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve. Als je dat dan gedaan hebt, láát het daar dan ook!’ Maar hij zei erbij: ‘Maar dan zijn we als mens zo bezig, dat we de volgende dag zeggen: zal ik het toch niet weer naar mij toehalen, kan ik er niet beter voor zorgen dan God?’

Voelt u dat spanningsveld? Daar kom je ook niet bovenuit. Maar de Heere wil Zijn kinderen wel oefenen om vanuit die ruimte te mogen leven, ook in het leven van alle dag, bij alles wat je nodig hebt.

 

En dan krijg je dus niet alles, omdat de Heere heel nadrukkelijk kan vinden dat je bepaalde dingen niet nodig hebt. Je mag alles vragen. Er ligt een beperking als het gaat om wat we nodig hebben en dat is lang niet alles waar wij om vragen. Dat is een les die je moet leren door schade en schande heen.

Agur heeft die les geleerd. In het Spreukenboek lezen we van hem dat hij bidt: ‘Heere, geef mij niet teveel, want als ik teveel heb, dan denk ik misschien niet meer aan U. Dan vergeet ik U. Maar geef mij ook niet te weinig, want dan steek ik mijn handen misschien uit naar datgene wat niet van mij is, dan ga ik stelen. Heere, geef mij het mij toekomende, het bescheiden, het mij toegemeten deel!’ Dat is mooi!

Laten we het zo ook vandaag bidden: ‘Heere, wil voor de komende week geven wat wij nodig hebben in al de verbanden van ons bestaan.’ Dat is een heleboel, vind je niet?

 

Amen.
 


Zingen: Psalm 29: 6

 

Looft de Heer’, Die wond’ren werkt,

Israël, Zijn volk, versterkt,

Hem, Die Jakobs heilig kroost

zeeg’nen zal met vreed’ en troost.