Ds. R. Kattenberg - Zondag 43

Het negende gebod en onze woorden

De hoogheid van het woord
Het misbruik van het woord
De reiniging van het woord
Aan deze preek zijn vragen toegevoegd n.a.v. de preek.
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 120: 1, 2
Lezen : Jakobus 3
Zingen : Psalm 58: 3, 4, 7
Zingen : Psalm 12: 6
Zingen : Psalm 141: 1, 3
Zingen : Psalm 140: 13

Gemeente, we overdenken in deze dienst Zondag 43 uit de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 112: Wat wil het negende gebod?

Antwoord: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Het thema van de preek is: Het negende gebod en onze woorden.

 

We overdenken daarbij drie punten:

1. De hoogheid van het woord. Daarbij denken we aan de schepping van God.

2. Het misbruik van het woord. We denken dan aan de zonde van de mens.

3. De reiniging van het woord. We letten dan op de genade in Christus Jezus.

 

Onze eerste gedachte:

 

1. De hoogheid van het woord

 

Gemeente, bent u wel eens verwonderd over het lichaam dat God u heeft gegeven? Meisjes en jongens, jullie staan wel eens voor de spiegel, nietwaar? Dan zie je je gezicht met je twee ogen die God je gaf; je kunt zien. God gaf je twee oren; je kunt horen. God gaf je een mond en je kunt spreken.

Wat een zorg is het als er aan één van deze organen iets mankeert! Als je blind bent of doof of stom. Wat een zegen als we gezond mogen zijn!

Waarom gaf God ons die lichaamsdelen en zintuigen? Hij gaf ze om Hem groot te maken en om Hem te verheerlijken.

 

Onze kinderen weten wel dat als je bij de dokter komt en je hebt last van je keel, dan zegt hij tegen je: ‘Steek je tong eens uit.’

Gemeente, dat is als het ware in de woordbediening ook het geval. Steek uw tong eens uit! Want het gaat vandaag vooral over het gebruik van de tong als schepping van God. Eén van de wonderen van de schepping is dat we kunnen praten. Daarin is de mens uniek. Alleen God en mensen kunnen praten.

Beesten kunnen dat niet. Een koe kan wel loeien. Een poes kan miauwen. Een hond kan blaffen. Dieren kunnen niet praten.

 

Door middel van taal gaan we met elkaar om, communiceren we met elkaar. Niet alleen met elkaar, maar ook met God, als we in ons gebed het woord tot God richten. Zo gaan wij met God om, en wat nog groter is: zo wil God met ons omgaan.

Is dat geen wonder? Moeten we niet vaststellen dat we zo weinig bij dit wonder stilstaan?

Het is een wonder van God dat we vandaag in de kerk zijn. We zijn onder het Woord van God, onder het spreken van God. Wat een wonder dat God niet zegt: ‘Ga maar weg, Ik wil je nooit meer zien!’

Integendeel, God laat vanuit Zijn Woord horen: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22).

Wat een wonder!

 

Als wij spreken, lijken we op God. God spreekt en de mens spreekt. God schiep ons naar Zijn beeld. We moeten in ons spreken Hem bedoelen.

Als u deze week een ogenblik over hebt, vraagt u zich dan eens af: heb ik in mijn spreken God bedoeld? Gaat het in mijn woorden om Zijn Naam en om Zijn eer?

 

God kan spreken en wij kunnen spreken. Het één is van het ander afgeleid. Lijken we in ons spreken op God? De taal is een gave van God en is bedoeld om Hem te loven en om Hem te aanbidden. Om Hem te bedoelen, Hem te danken en met Hem te spreken.

Meisjes en jongens, de taal is er om Zijn hulp te vragen, bijvoorbeeld als je examen doet. De Heere heeft ons een tong gegeven. Je mag je vragen en je zorgen bij Hem neerleggen.

 

Taal is niet alleen de gave waarmee we tot God spreken, maar het is ook de gave waardoor we contact hebben met elkáár, om zo met elkaar om te gaan. Je kunt voor de ander je diepste gevoelens openleggen. We laten ons niet zomaar in ons hart kijken, maar als je ernaar verlangt en als er iemand is aan wie je, wat er in het diepst van je hart leeft, kunt toevertrouwen, dan is dat een bijzondere zegen.

 

Woorden zijn meer dan klanken. Beesten uiten allerlei klanken waar geen verband in zit. Maar als wij onze woorden uitspreken zit er samenhang in. Het zijn niet zomaar wat losse klanken. Woorden drukken iets uit.

Het Hebreeuwse woord voor spreken is ‘dabar’. Dat betekent tegelijkertijd ook ‘doen’. In dat woord zit alles. Denkt u maar aan de stichting Woord en Daad.

Wat kunnen enkele woorden van ontzagwekkende betekenis zijn! Een voorbeeld. U hebt klachten en gaat naar de dokter. Wat zal hij zeggen? Er moet nader onderzoek worden gedaan. Daarna komt u weer bij de dokter en breekt het moment aan dat hij u de uitslag geeft van het onderzoek: ‘Mevrouw, meneer, u hoeft zich niet ongerust te maken.’ Een pak van uw hart!

Maar het kan ook zijn dat hij zegt: ‘Het is erg verdrietig, maar er is meer aan de hand. Ik vertrouw het niet.’ Ziet u welke invloed woorden, ten goede of ten kwade, kunnen hebben?

 

Nu gaat het in het voorbeeld om het woord van een arts. Maar in het negende gebod gaat het om alles wat door mensen wordt uitgesproken. Hoeveel woorden worden er wereldwijd op dit moment niet uitgesproken? Grote woorden, door kleine mensen. Zijn daar ook woorden bij tot eer van God?

Hiermee hebben we direct de kern van de preek. Er worden zoveel lasterlijke woorden tegen elkaar en tot de Heere gezegd. Maar zijn daar ook woorden bij tot verheerlijking van Zijn Naam?

Dus de vraag wordt heel persoonlijk aan ons gesteld: Hoe gaan we om met het instrument dat onze tong is en dat God ons gegeven heeft? Gebruikt u het in de dienst van God?

Daar sluit ook de vraag bij aan: Gebruikt u uw woorden ook in dienst van uw naaste? Dat moet wel samen gaan. Je kunt niet de eer van God bedoelen en de naam van je naaste besmeuren en bekladden met allerhande praat die afbreuk doet aan de waarheid. Is het tégen God en tégen uw naaste? Of is het vóór God en vóór uw naaste?

 

Gemeente, het is duidelijk dat God wil dat we ook onze woorden in Zijn dienst gebruiken.

Met Pinksteren zeiden de omstanders die de woorden van de apostelen hoorden: En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken (Hand.2:8,11). Spreken over de grote werken Gods… Kijk, daar gaat het om, ook vandaag nog.

 

Paulus heeft er ook over nagedacht toen hij in de gevangenis in Filippi was. Hij is dan vastgebonden. Hoe moet het nu met het Woord van God?

Maar dan hoor je hem zeggen: ‘Denk er om! Het Woord van God is niet gebonden.’ Mensen kunnen je grijpen en opsluiten, maar het Woord van God gaat daarheen waar de Heere het hebben wil. Steden kun je bombarderen, legers kun je vernietigen, maar het Woord van God blijft in der eeuwigheid. Het Woord is door niets en door niemand tegen te houden.

 

Het Woord van God is niet gebonden; God staat voor Zijn Woord in. Daarmee legt God tegelijk ook de verantwoordelijkheid aan ons hart. Wat doen we met het Woord van God? Wat werkt het uit in ons leven? Is het tot heil, tot zaligheid? Daartoe bedoelt de Heere het. Het Woord van God is een levende werkelijkheid. Het is een goddelijke kracht. De apostel Petrus zegt: En dit is het Woord dat onder u verkondigd is (1 Petr.1:25).

Dan kom je uit bij de lofzegging. Het Woord wordt onder ons verkondigd en we vragen ons af: ‘Waar hebben we dat aan verdiend?’ We moeten dan wel zeggen: ‘We hebben het nergens aan verdiend.’

Dat leidt tot een lofzang op de regering en besturing van God in ons leven. In Psalm 119 is het Woord van de Heere voortdurend het onderwerp van de lofzang. De dichter bazuint in deze psalm onafgebroken de grootheid en de heerlijkheid van dat Woord uit:

 

Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht, om ‘t donker op te klaren.

 

Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
Door zijnen smaak, en hart en zinnen strelen.

 

En zo gaat het door in deze psalm. Het is één grote lofzang op het Woord van God.

 

Als onze taal zich leent om het loflied zo hoog aan te heffen, dan moeten we beseffen dat we, naar Gods gebod, heel scherp moeten letten op onze woorden. Passen ze in deze lofzang?

 

Gemeente, we moeten vandaag in de dienst der verzoening een grote omslag maken in ons denken. De gave van het woord kan een lofzang op onze lippen leggen, maar zij kan ook misbruikt worden. En ze wórdt ook zo vaak misbruikt.

 

Dat is onze tweede gedachte: de zonde van het misbruik van onze woorden. Maar we zingen eerst over het Woord van de Heere, uit Psalm 12, het zesde vers:

 

Des Heeren woord is rein, en al Zijn spreken
Is zuiver, als het allerfijnst metaal;
Nooit is het schuim van ‘t zilver zo geweken,
Schoon in de kroes gelouterd zevenmaal.

 

Onze tweede gedachte:

 

2. Het misbruik van het woord

 

We lezen nog een keer vraag 112:

 

Wat wil het negende gebod?

Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand ─ echt niemand! ─ zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil.

 

Gemeente, u merkt wel dat hier een heel andere toon aangeslagen wordt dan in het eerste stukje van de preek. Onze woorden, ons spreken van elke dag, worden hier voor het voetlicht gehaald.

Als u goed luistert, laat de catechismus zich tamelijk scherp uit. In het antwoord ligt namelijk een diep ingrijpende waarschuwing: ‘Tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil.’

Is het dan zo erg wat we over elkaar zeggen? Is het dan zo erg om zomaar eens te praten over deze of gene? Als je iemand doodslaat, dat is erg! Dat is de overtreding van het zesde gebod. Er staat in Genesis: Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt (Gen.9:6). Maar achterklap? Spreken over die en die? Heb je gehoord van…? Ach, wie let daar op?

 

Gemeente, God merkt het op.

De catechismus onderstreept het negende gebod met indrukwekkende woorden. Bij geen ander gebod worden ze gebruikt: ‘Tenzij dat ik de zware toorn van God op mij wil laden.’ Die woorden staan niet bij het zesde gebod; een moord. Maar roddelen…? Alle geboden zijn gericht op God, maar dat God nu uitgerekend aan dít gebod Zijn zware toorn verbindt!

 

Als het over onze woorden gaat, komen we uit bij onze val in het paradijs. Vaak, als we spreken over onze diepe val in Adam, zijn dat loze woorden. Maar in verband met het negende gebod moeten we hier wel naar teruggrijpen. Het is begonnen in het paradijs.

Satan is ‘de leugenaar van den beginne’. Hoe heeft hij de mens eigenlijk verleid?

Satan is niet begonnen met een grote of een grove leugen. Met eerbied gesproken: hij maakte zomaar een praatje. Zoals je een praatje over de heg kunt maken met je buurman. In die trant. Zo van: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van alle boom dezes hofs? (Gen.3:1) Daar ligt de oorzaak van de zonde. De zonde die zo nauw verband houdt met het ongeloof, dat God zo onteert.

We hebben het oor geleend aan satan. We hebben hem niet weggestuurd. Integendeel! We hebben een luisterhouding aangenomen.

Wij mensen hebben aanvankelijk niets gezegd. We hebben geen loze of verdorven praatjes of leugenpraatjes gemaakt. We hebben er alleen maar naar geluisterd.

 

Gemeente, laat dat eens op u inwerken. Als het luisteren naar een enkele opmerking van satan al zo verdoemelijk is – God is daarover met Zijn oordeel gekomen – wat moet het dan wel niet betekenen voor God de Allerhoogste als wij liegend en bedriegend door het leven gaan!

Als érgens onze val openbaar komt, dan is het wel bij dit negende gebod.

 

Toen we het hoofdstuk Jakobus 3 zo-even lazen, voelde u het waarschijnlijk wel aankomen; er is niemand die kan zeggen dat het niet speelt in zijn leven. We hoeven niet naar een ander te kijken. Jakobus plaatst ons voor de spiegel van God, van Gods wet, en laat iedereen zijn beeld zien. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn woorden.

Jakobus zegt over de tong: Zij is een onbedwingelijk kwaad (Jak.3:8). Als Paulus in Romeinen 3 vers 13 en14 uw en mijn beeld schildert, het beeld van ons zondaarsbestaan, zegt hij: Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid.

Het zal je maar gezegd worden! Toch is dat het beeld dat wij allemaal vertonen. Paulus zegt: Want zij hebben allen gezondigd, en derven – dat is: missen – de heerlijkheid Gods (Rom.3:23). Allemaal. U, jij en ik.

 

Als we de uitspraak bij het negende gebod hier naast zetten, vindt u dat het dan te vér gaat als er staat: ‘Tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil’? Om ons spreken zijn we immers van oude tijden af onder de toorn van God gekomen, van het paradijs af tot nu toe.

Wat moeten deze woorden ons aanleiding geven om de tekst uit Jakobus goed in ons hoofd te prenten: Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn (Jak.1:19), als het gaat om de waarheid. Dit gebod geldt voor ons allemaal.

Jakobus zegt: Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man (Jak.3:2). ‘Indien iemand’, daar zit de gedachte achter: zo iemand is er niet.

We vallen allemaal onder dit oordeel.

 

Gemeente, we stemmen allemaal hiermee in, maar de Heere vraagt: ‘Erken je dat nu ook voor Mijn aangezicht?’ Want alleen maar braaf zijn is niet genoeg. Belíjdt u het ook? Belijden we het als een persoonlijke schuld?

 

Soms worden je er even bij stilgezet.

Ik hoorde eens dat er twee mensen over een ander spraken. Roddelden? Op een gegeven moment kwam er iemand bijstaan, die het even aanhoorde. Deze brak toen in in dat gesprek en zei: ‘Zullen we verder praten als degene over wie het gaat, er ook bij is?’ Ik vond dat heel ontdekkend, en ik vergeet het niet meer. Misschien hebt u er ook iets aan. We gaan zo meteen zingen: ‘Zet, Heer’ een wacht voor mijne lippen.’ Zullen we voortaan maar wachten met over een ander te praten tot de persoon in kwestie er bij is?

Het kan u behoeden voor veel zonden tegen het negende gebod.

 

Het gaat om onze persoonlijke schuld. Het is nodig dat we die als een realiteit, als een werkelijkheid ondervinden. Dat is ook de kracht van Zondag 1, waar gevraagd wordt: ‘Wat is uw enige troost?’ Met als antwoord: ‘Te weten dat ik het eigendom van Jezus Christus ben.’

 

Straks vraagt de catechismus aan het einde van de behandeling van de wet in Zondag 44: ‘Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?’

Het antwoord is dan: ‘Eerstelijk, opdat wij ons leven lang – hoort u: ons leven lang – onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.’

 

Voelt u aan waar het om gaat? Als het gaat om Gods heilige wet, de tien woorden, de tien geboden, kan het nooit zijn zonder de schuldbelijdenis.

 

We denken nu na over het negende gebod. Het zijn woorden van God. De Heere laat Zijn wet zo scherp prediken, opdat wij des te begeriger zouden zijn naar God in Christus Jezus. Opdat we bij Hem uitkomen.

Maar u moet wel weten van ‘schuld belijden’. De bediening van de genade van God is onvoorwaardelijk, maar wie tot God komt zal dat altijd doen met schuldbelijdenis. Zo ook de belijdenis van schuld ten aanzien van het negende gebod.

Kinderen, daarom bidden jullie ‘s avonds voor je naar bed gaat: ‘Ofschoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’

‘Komt dat dan altijd weer terug?’ Ja, dat komt altijd weer terug, je hele leven lang.

Zo brengt de Heilige Geest de boetvaardige zondaar bij het Lam. Het Lam Dat ter slachting geleid werd, en van Wie Jesaja zegt: ‘Hij deed Zijn mond niet open. In Zijn mond is geen bedrog geweest.’

 

Gemeente, daar staat Hij, de Zoon des mensen. Hij werd beschuldigd van alle kanten. Doch Jezus zweeg stil (Matth.26:63).

Hoeveel kwaad hebben we al gesticht met ons spreken? Hoeveel verdriet hebt u een ander al aangedaan? Laat iedereen maar in de spiegel kijken. We komen dan uit bij Adam en Eva, en zien zo onze schuld voor God.

Wat is het toch noodzakelijk voor ons allen om gereinigd en gewassen te worden door het bloed van de Heere Jezus Christus! Onze zonde is werkelijk verschrikkelijk. We zijn de satan, de leugenaar van den beginne, toegevallen. We hebben zijn slangenstreken overgenomen.

Kinderen, jullie hebben in de diergaarde wel eens een slang gezien. Dat beest heeft zo’n gespleten tong. Zo dubbelzinnig, zo achterbaks zijn wij nu ook.

 

Dag in dag uit moet ons gebed wel zijn:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,
‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwen Naam.

 

God gaf ons een tong en een mond om Hem te loven en te prijzen, maar hoe vaak vloeken we God en lasteren we onze medemens.

 

Beseft u, dat als we onze naaste beschadigen met onze tong, wij dan ook God aantasten? Je kunt zondigen tegen je naaste, maar alle zonde is zonde tegen God. Daarom daalt dit gebod af tot op de bodem van ons hart, van onze ziel. Bij de andere geboden ging het om onze daden. Je kunt zeggen: ‘Ik heb nog nooit een mens dood geslagen.’ Niemand kan dit zo zeggen over het negende gebod. Je kunt niet zeggen: ‘Ik sta hieraan niet schuldig, want ik heb nog nooit een verkeerd woord gesproken, tegen wie dan ook.’

De inhoud van het negende gebod is niet wat we gedáán hebben, maar wat we gezégd hebben. Het gebod vraagt:

‘Wat heb je gezegd?’

‘Wat heb je tegen je man gezegd?’

‘Wat heb je tegen je vrouw gezegd?’

Meisjes en jongens: ‘Wat heb je tegen je ouders gezegd?’

Ouders: ‘Wat hebt u tegen uw kinderen gezegd?’

‘Wat heb je tegen je collega’s gezegd?’

 

U merkt wel: als het om onze tong gaat, dan komt het heel dichtbij iedereen hier in de kerk.

Jakobus noemt de tong ‘een wereld van ongerechtigheden’. ‘Een leven vol ongerechtigheid’ is al heel wat, maar ‘een wereld vol ongerechtigheid’… Het wordt ontstoken door de hel. De duivel zit erachter.

 

Dus onze catechismus neemt de draad van Jakobus over als er gesproken wordt over de eigen werken van de duivel. De catechismus noemt: achterklap, lasteren, iemand veroordelen zonder dat hij er zelf bij is, en noemt u maar op. Daarover gaat het als gesproken wordt over ‘de eigen werken van de duivel’.

 

Ontstoken door de hel…

Wat een rampzaligheid wordt ons getekend in dit gebod! Als we nimmer iets beseffen van de ernst van de zonde tegen dit gebod, dan zullen we in de rampzaligheid voor altijd onze tong gebruiken om God te lasteren. In de Openbaring aan Johannes staat dat degenen die in de rampzaligheid zijn, hun tong kauwen van pijn. De tong vloekt óf looft, het is verloren óf behouden, voor eeuwig.

 

Moeten we elkaar dan niet waarschuwen en opwekken om Gods goede geboden te houden? We zullen dít niet meer doen, en dát is ook zondig… Niet meer roddelen, nooit meer iemands naam aantasten. Gemeente, roddel nooit meer, maar in eigen kracht redt u dat niet!

We moeten elkaar wijzen op de genade die te vinden is in Jezus Christus. Uw hárt moet vernieuwd worden. Want uit het hart van de mens komen voort boze woorden en lasterlijke bedenkingen. De spits richt zich niet op de symptomen van ons zondaar-zijn, maar op ons zondaar-zijn zelf. Dát moet veranderen. U moet u bekeren. U moet voor God leven, leven in de vreze des Heeren.

Heel vaak denken we: je moet niet zo zwaar tillen aan wat we zeggen en denken, je moeten niet op alle slakken zout leggen, je moet niet zo moeilijk doen… Onze catechismus blíjft zeggen dat we zo de zware toorn Gods op ons laden.

 

In het laatste stukje van het antwoord lezen we:

‘Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.’

De catechismus maakt onderscheid tussen onze woorden voor het gerecht, en zoals we dagelijkse met onze naasten praten.

 

Wij zetten het allemaal maar onder één noemer en leggen ons hart er naast.

Het zijn alledaagse uitdrukkingen:

‘Heb je al gehoord dat…?’ En dan volgt er iets.

‘Ik zeg het niet om kwaad te spreken, hoor. Maar wist je al dat…?’

‘Ik weet het niet zeker, hoor. Maar ik heb toch gehoord…’

We weten toch dat we dat niet mogen doen? Je brengt zo geen goed gerucht voort van je naaste. Het is zonde, zonde tegen het negende gebod.

 

Gemeente, mensen gaan nog al eens af op de schijn en kennen de werkelijkheid vaak niet. Een paar voorbeelden.

 

Je ziet een jong echtpaar. Er zijn geen kinderen. ‘Een modern huwelijk zeker! Hoe lang zijn ze nu al getrouwd? En geen kinderen?’

Maar als je eens om het hoekje van de deur bij die mensen zou kijken, dan hoor je ze bidden: ‘O God, ontfermt U Zich over ons. Mogen we uit Uw hand toch ook de kinderzegen ontvangen? Mogen wij zo ook meebouwen aan de komst van Uw koninkrijk?’

 

Een ander voorbeeld. ‘O, die hebben maar twee kinderen. Ze willen er zeker niet meer. Hoe lang is het nu al geleden dat de jongste geboren is?’

Maar het blijkt dat deze ouders net een afspraak met de dokter hebben gemaakt. ‘Dokter, mogen we eens met u praten?’ Want dat bespreek je in goed vertrouwen met je dokter, nietwaar?

 

Of mensen die in psychische nood zitten. Die niet zo goed meer weten wat ze doen. En hoe vaak hoor je dan niet het commentaar: ‘Je moet je niet zo aanstellen. Je moet een kerel zijn. Je moet flink zijn!’

 

Je kunt je naaste ernstig bezeren met roddelverhalen, anonieme brieven, telefoontjes, en noem maar op.

Misschien hebt u het bordje wel eens gezien met de spreuk: ‘Spreek niet óver elkaar, maar spreek mét elkaar.’

 

Het gaat vandaag over het uitdragen van de Naam van God en dan worden ook wij, op het erf van de kerk, ontmaskerd. De Heere begint de wettekst met: Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb (Ex.20:2). En dan volgt vandaag: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste (Ex.20:16).

 

Gemeente, hoe vergaat het ons als het onthullend licht van het Woord van God over ons leven schijnt? Stellen we ons dan niet de vraag: ‘Wie kan dan zalig worden?’ Het luistert zo nauw. De zonde komt door al de kieren van ons bestaan naar buiten. Het is niet tegen te houden. Ze zijn niet tegen te houden. En daarvoor gelden de huiveringwekkende woorden: werken van de duivel…

 

Kunnen we dan nog de lofzang uit Zondag 1 zingen? ‘Dat ik met lichaam en ziel mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben…’

Staat die dan niet mijlenver bij ons vandaan?

Nee, toch niet!

Als in elke catechismuszondag een stukje ligt van ‘die enige troost in leven en in sterven en het eigendom te zijn van de Heere Jezus Christus’, van Zondag 1, dan valt ook de inhoud van deze drieënveertigste Zondag niet buiten die cirkel.

 

Kan het dan nog wel goed komen?

Gemeente, als we gaan letten op onze woorden en verwachten God daarmee tevreden te stellen, dan is het onmogelijk. Dat redt ons niet en leidt naar dood en hel.

Er is wél doen aan als we letten op wat Gód zegt en belooft in Zijn Woord. Dat Woord verkondigt dat ondanks onze zonde en ongerechtigheden, of dwars door onze zonde heen, er leven is, eeuwig leven!

 

We zingen:

 

Wie zal Uw gunstbewijzen,
In ’t zwijgend graf, ooit prijzen;
U zingen in het stof?

 

Hizkia heeft gezegd: De levende, de levende, die zal U loven (Jes.38:19).

 

Hoe kan dat dan?

Als we deze vraag stellen dan komen we bij onze derde gedachte: De reiniging van onze woorden, ofwel: de genade die er is in Christus Jezus.

 

Maar eerst gaan we zingen uit Psalm 141, het eerste en het derde vers:

 

‘k Roep, Heer’, in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden. 

 

Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat ontglippen. 

 

Het negende gebod en onze woorden. We zagen allereerst: De hoogheid van het woord. Het is geschapen door God. In de tweede plaats hebben we gelet op: De misbruik van het woord. Zo zijn we gestuit op de zonde van de mens. En ten slotte:

 

3. De reiniging van het woord

 

Dan gaat het over de genade van Christus Jezus.

Gemeente, het zou ons hart moeten breken. Als u eens denkt aan wat u allemaal gezegd hebt afgelopen week. En ook jullie, jongeren. Hebben we dan verdiend dat we vandaag mogen horen over de genade van God?

Ook bij het spreken over het negende gebod is het Woord van de Heere zeer ontdekkend, onthullend en ontmaskerend. De Heilige Geest brengt het dan dichtbij, tot in alle schuilhoeken van ons hart.

Het wonder wordt steeds groter als we beseffen en horen dat God Zijn verlossende en bevrijdende waarheid in deze wereld nog proclameert.

God is niet om de bittere nood van ons zondaarsbestaan heengegaan.

Toen wij in het paradijs het gesprek met God afbraken, hebben wij gezegd: ‘Nee, Heere, het hoeft niet meer!’ Toen heeft God Zich niet in starre onbewogenheid teruggetrokken: ‘Mens, wilt u niet meer met Mij praten, dan wil Ik niet meer met u praten.’

Gemeente, God is het gesprek weer aangegaan met de vraag: ‘Waar zijt gij? Waar ben je? Je bent niet op de plaats waar je zijn moest. Ik heb geen verbinding meer met je.’

Als je even denkt aan een telefoonverbinding: toen werd de telefoon niet meer opgenomen…

Daarvóór was er verkeer tussen de hemel en de aarde. Maar na de zondeval niet meer. Dat is de schuld van de mens.

Maar God vraagt: ‘Waar bent u? Waar ben jij?’

Dat is opzoekende liefde! Het oordeel en de liefde in één en hetzelfde woord.

‘U zou op uw plaats moeten zijn, maar u bent het niet. Ik, de Heere, roep u toch nog.’

 

De Heere heeft Zijn Woord van toorn en oordeel over onze zonde tot de wereld gesproken. Dat Woord klinkt na tot op de grote dag van Jezus Christus. Maar in het oordeel openbaart God ook Zijn ontferming, Zijn barmhartigheid en Zijn genade. In zondaarsliefde zoekt Hij ‘wat verloren is’. God heeft daartoe het allergrootste gedaan wat Hij doen kon, tot verzoening in deze leugenachtige en verloederde wereld.

 

In deze zondige en leugenachtige wereld heeft Hij een kribbe geplaatst, waarin Hij Zijn Zoon als de waarachtige en getrouwe Getuige legt…!

Jezus zegt van Zichzelf: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6).

Ik ben de Waarheid. Hij houdt het vol, ook al staat het kruis zo dadelijk dreigend voor Hem; ook al dringt Pilatus aan en vraagt: ‘Wat is waarheid?’ De Heere Jezus blijft volhouden dat Hij in de wereld gekomen is ‘om der waarheid getuigenis te geven’. Dat was Zijn taak. Het was Zijn opdracht om de waarheid te vertellen.

De waarheid over God.

De waarheid over de mens.

De waarheid over ons leugenachtige bestaan.

De waarheid over de enige weg tot herstel voor mensen.

Ook als wij, mensen, die waarheid niet willen horen, is Hij desondanks de Waarheid.

 

Gemeente, wat hebben wij toen gedaan? We hebben gezegd: ‘Die waarachtige Getuige moet aan het kruis; we willen Hem niet meer horen. Hij past niet bij ons.’ Nee, gemeente, Christus past niet bij ons.

Hij kwam voor een verloren wereld, voor mensen verloren in zonde en schuld. Wij hebben Hem, net als de Joden, naar het kruis verwezen. Heel de wereld spant daarin samen tegen die Ene, tegen de Waarheid.

Wij moeten de Waarheid niet, de Waarheid met een hoofdletter. Dat komt ons nu net te na.

 

Maar toch, u hebt Hem nodig, anders vergaat u voor eeuwig en voor altijd met de leugen.

Wat een wonder dat de Heere Jezus gekomen is om al de zonden van Zijn kinderen voor eeuwig weg te dragen! Als Borg heeft Hij het mogelijk gemaakt dat mensentongen weer bevrijd kunnen worden van de boeien van de leugen.

 

Dat wil niet zeggen dat je boven dit gebod uitkomt. Je kunt nooit zeggen: ‘Daarover hoeft u niet meer met me te praten, want dat ben ik te boven.’ Maar er is een geopende Fontein in het bloed van het Lam van God. Zo wordt Hij u vandaag gepredikt.

 

Hebt u een vals getuigenis afgegeven, onverhoord geoordeeld, achter de hand gepraat, leugen en bedrog? Wie gaat er vrijuit? Niemand!

Maar hoe moet het dan met die zware toorn van God, die we ons waardig gemaakt hebben?

Gemeente, er is maar één Weg: Geloof in de Heere Jezus Christus!

Zoals Paulus het zei tegen de stokbewaarder. Die man stond ook op het crisispunt van zijn leven. U ook? De Heere Jezus Christus wordt u verkondigd als de Weg, de Waarheid en het Leven.

Hij stierf, niet alleen áán de waarheid, maar ook vóór de waarheid. De Heere Jezus werd als een leugenaar veroordeeld, als een godslasteraar.

De zware toorn van God lost zich niet op in het niets. De Heere zegt niet: ‘Ik zie er maar van af.’ Nee, op Golgotha werd die zware toorn van God samengebundeld tegen Gods eigen Kind, tegen Zijn eigen Zoon. Daar komen al de bedriegerijen, al het leugenachtig spreken, alle achterklap van de heiligen Gods op Hem aan. Christus Jezus heeft daar de waarheid bezegeld met Zijn eigen bloed.

 

Wanneer Christus ons door de bediening van de Heilige Geest vernieuwt, gaan we de waarheid geloven, de waarheid met betrekking tot onszelf. Dan zien we de waarheid dat we liggen onder de zware toorn van God.

Meisjes, jongens, als je al je woorden eens zou herinneren, dan krijgt een mens het benauwd. Dan word je als lasteraar aan de kaak gesteld. Je hebt de eeuwige dood verdiend. Daar kun je dan niet zomaar overheen leven; dat grijpt je aan tot in de vezels van je bestaan.

Maar nu die Ene, Wiens kruis opgericht staat boven dit negende gebod. De Zoon van God, de Waarheid van God…!

Dan ga je de waarheid geloven dat God Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft om zondaren zalig te maken.

Dan ga je de waarheid geloven van de belofte van het evangelie dat een ieder die in de gekruiste Christus gelooft, niet verloren zal gaan, maar het leven zal hebben tot in eeuwigheid.

Wat wordt Hij dan kostbaar! Het zal aan je leven te zien zijn. Je zingt voortdurend: ‘Zet, Heer’, een wacht voor mijn lippen.’

 

Dit gebod is wel moeilijk te houden, vooral als je zo loslippig bent. De één heeft meer moeite met dit gebod dan met de ander.

Wanneer u veel last hebt van het overtreden van dit gebod, ga dan veel in het gebed en zeg: ‘Zet, Heere, toch een wacht voor mijn lippen. Ik beschadig zo gemakkelijk uw Naam en berokken de mensen om mij heen, die ik lief heb, zo vaak schade.’

Bid in Christus’ Naam, want Hij heeft Zich gegeven voor leugenaars, voor mensen die roddelen, voor mensen die op theevisite van alles en nog wat uitwisselen met de ander en over de ander.

 

Gemeente, het geheim van één, weet God alleen. Het geheim van twee is in een ogenblik heel de wereld over.

 

Als God je bekeert, dan laat Hij je tong niet ongemoeid. Je tong wordt ook bekeerd. Dan ga je zingen:

 

‘k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten. 

 

Om Jezus’ wil!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 140: 13

 

De vromen zullen U verhogen,
Gezegend door Uw milde hand;
D’ oprechten zullen voor Uw ogen
Steeds bloeien in gewenste stand. 

 

Het negende gebod en onze woorden

 

            1. De hoogheid van het woord. Daarbij denken we aan de schepping van God.

            2. Het misbruik van het woord. We denken dan aan de zonde van de mens.

            3. De reiniging van het woord. We letten dan op de genade in Christus Jezus.

             
Gespreksvragen Heidelbergse Catechismus (=HC)

Je kunt enkele of alle vragen nemen als uitgangspunt om de preek te overdenken of te bespreken.

 

1.   Taal wordt een gave genoemd. Waarom?

2.   Wat betekent het Hebreeuwse woord ‘dabar’?

3.   Je kunt niet de eer van God bedoelen en de naam van je naaste besmeuren. Hoezo niet?

4.   Psalm 119 is één grote lofzang op het Woord van God. Noem enkele voorbeelden.

5.   Reageer op de volgende stelling: iemand doodslaan is erger dan over iemand roddelen.

6.   Hoe komt het dat we liegen?

7.   Wat wordt in Jakobus 3:8 en in Romeinen 3:13, 14 over de tong gezegd? Wat betekent dat?

8.   Leer de tekst uit Jakobus 1:19 uit je hoofd.

9.   Je hoort twee mensen over een ander spreken (roddelen). Wat zou jij tegen hen zeggen?

10. Leg de volgende zin uit de preek uit: De bediening van de genade van God is onvoorwaardelijk, maar wie tot God komt zal dat altijd doen met schuldbelijdenis.

11. Wat staat er in Jesaja 53:7 over het spreken van de Heere Jezus? Waarom deed Hij dat?

12. We hebben slangenstreken overgenomen. Wat betekent dat?

13. In welk opzicht maakt de HC onderscheid tussen onze woorden voor het gerecht en zoals we dagelijkse met onze naasten praten?

14. Wat is opzoekende liefde? Noem een Bijbels voorbeeld.

15. Wat betekent er is een geopende Fontein in het bloed van het Lam van God?

16. Hoe kun je waken voor de zonde tegen dit gebod?

 

Voor de kinderen

 

a.  Wat zegt de HEERE in het negende gebod? Wat betekent dat?

b.  Veel kinderen bidden ‘s avonds: ofschoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein. Vind je dit wel nodig om elke avond te bidden?

c.  Wat is roddelen? Roddelen kinderen wel eens over elkaar? Wat zeg jij dan?

d.  In Psalm 141:3 staat:

            Zet, HEER’, een wacht voor mijne lippen;

            Behoed de deuren van mijn mond,

            Opdat ik mij, tot genen stond,

            Iets onbedachtzaams laat ontglippen.

Wat betekent dit vers? Wat heeft dit vers met het negende gebod te maken?