Ds. S. Maljaars - Efeze 2 : 19 - 22

Een heilige tempel in Efeze

Efeze 2
De stenen van die tempel
Het fundament van die tempel
De opbouw van die tempel

Efeze 2 : 19 - 22

Efeze 2
19
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;
20
Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
21
Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere;
22
Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 1
Lezen : Efeze 2: 11-22
Zingen : Psalm 87: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 118: 11
Zingen : Psalm 87: 5

Gemeente, met Gods hulp willen we Gods Woord overdenken uit Efeze 2 vers 19 tot en met 22. We lezen daar:

 

Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere; op Welken ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

 

Onder deze woorden schrijven we: Een heilige tempel in Efeze.

 

We staan stil bij drie gedachten:

1. De stenen van die tempel (vers 19)

2. Het fundament van die tempel (vers 20)

3. De opbouw van die tempel (vers 21 en 22)

 

1. De stenen van die tempel

 

Gemeente, voor ons ligt een gedeelte uit de brief van Paulus aan de gemeente van Efeze. Aan het eind van zijn tweede zendingsreis is de apostel kort in deze grote havenstad in het zuidwesten van Klein-Azië geweest. Omdat hij naar Jeruzalem op doorreis is, kan hij er niet lang blijven. Hij belooft een andere keer terug te komen, indien God het wil. Tijdens de derde zendingsreis is Paulus inderdaad teruggekeerd in Efeze. Voor zijn doen is hij er zeer lange tijd geweest: een periode van drie jaar, van 53 tot 56. Zo bepaalt God de plaats en de tijd van het dienstwerk van Zijn knechten.

 

Ondanks de felle tegenstand, ontstaat er door de arbeid van Paulus een gemeente in Efeze. Daarover lezen we in Handelingen 19. De Heere doet er Zijn werk. Hij zegent de prediking van de apostel, zodat er mensen tot geloof mogen komen. Daar gaat wel een bittere strijd mee gepaard. Denk alleen aan het oproer van de zilversmid Demetrius, waardoor de gehele stad in beroering komt.

 

Enkele jaren na zijn vertrek schrijft Paulus een brief. Hij verblijft dan als gevangene in Rome, wachtend op het rechtsproces. Daarom noemen we de brief aan Efeze ook wel een ‘gevangenschapsbrief’. De apostel is een ‘gezant in een keten’, zoals hij aan het eind van de brief zegt (Ef.6:20).

De inhoud van de Efezebrief valt in twee delen uiteen. De hoofdstukken 1 tot en met 3 gaan over het genadewerk in het hart van Gods kinderen, dat voortkomt vanuit de eeuwigheid, vanuit Gods welbehagen. De hoofdstukken 4 tot en met 6 handelen over het genadeleven. Daarin wordt beschreven hoe Gods genadewerk gestalte krijgt in de levenspraktijk van iedere dag.

 

Onze tekst is genomen uit het eerste deel van de brief. Het gaat hier over Gods werk in het hart van Zijn kinderen. In hoofdstuk 2 schildert de apostel de achtergrond, waaruit Gods volk in Efeze is verlost. Ze waren dood door de misdaden en de zonden, maar ze zijn levend gemaakt met Christus. Rijk is de genade die hun ten deel is gevallen! In dit gedeelte van het hoofdstuk wijst Paulus de reikwijdte van dat genadewerk aan: niet alleen Joden delen in de genade die er bij de Heere te vinden is, maar ook de heidenen. In de gemeente van Efeze heeft de Heere Zijn kinderen getrokken uit Jood én heiden. Samen zijn ze één volk van God. Samen vormen ze één heilige tempel. Daarover gaat het in onze tekst. Als we het dus over de heilige tempel in Efeze hebben, bedoelen we daarmee Gods kinderen uit de Joden en de heidenen.

Aan deze heilige tempel wordt nog steeds gebouwd. Daarmee gaat de Heere door, ook nu. Die tempel is nog niet klaar. Gods Kerk wordt nog steeds uitgebreid. Maar het allerbelangrijkste is dat wíj als zo’n levende steen op het fundament van die tempel worden gelegd. Smeek erom, gemeente. Ook jullie, jongens en meisjes!

 

Als Paulus over een tempel schrijft, hadden de mensen daar wel een beeld bij. In Efeze stond immers de schitterende tempel van de godin Diana. Ze werd ook wel Artemis genoemd. Diana was de godin van de vruchtbaarheid. De tempel van Diana was één van de zeven wereldwonderen in die tijd. Van heinde en ver kwamen er mensen om de tempel te bezoeken en de godin te vereren. Die afgodstempel stond daar al eeuwen. Rond 450 voor Christus was de tempel gebouwd. Ongeveer honderd jaar later was het gebouw afgebrand, maar vervolgens weer in oude luister hersteld.

In Efeze heeft Paulus veel meegemaakt rondom deze tempel. De zilversmid Demetrius, die zilveren tempeltjes van Diana maakte, zag zijn inkomsten dalen en verwekte een groot oproer. Ruim twee uur lang hebben de mensen het uitgeschreeuwd over het marktplein van Efeze: Groot is de Diana der Efezeren! (Hand.19:34). Wat waren de mensen in Efeze trots op hun tempel en hun godin!

Hier heeft Paulus het echter over een andere tempel. Daar valt de afgodstempel van Diana helemaal bij in het niet. Die heilige tempel van de Heere heeft daar uiteindelijk niets mee te maken. Paulus zegt: ‘God bouwt een andere tempel, een heilige tempel. Daar bent u, Gods kinderen uit Joden en heidenen, de levende stenen van.’ Die tempel zal naar Gods gemaakt bestek in eeuwigheid verrijzen.

 

Zo zijt gij dan niet meer, lezen we in vers 19. Het is eigenlijk het begin van de slotzin van hoofdstuk 2. De verzen 19 tot en met 22 vormen één lange zin. Paulus spreekt hier de gelovige heidenen aan: gij… Zij vormen samen met de kinderen van God uit de Joden de levende stenen van de heilige tempel. Eerst zegt de apostel wat die heidenen niet meer zijn en daarna wat ze wel zijn.

 

Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners… Vreemdelingen in de betekenis van onze tekst zijn mensen zonder burgerrecht. Mensen die een tijdlang in een stad verbleven, maar er uiteindelijk niet thuis hoorden. In de tijd van de apostel waren er rondreizende kooplieden. Die handelslui verbleven een poosje in een stad, soms wel maanden, maar uiteindelijk keerden ze weer terug naar hun eigen woonplaats. Ze bleven in zo’n stad dus een vreemdeling. Bijwoners waren mensen die zich blijvend in een ander land vestigden en meer rechten hadden dan vreemdelingen. In Klein-Azië woonden zulke bijwoners meestal op de landerijen buiten de stad. Ze hoorden er weliswaar meer bij dan de vreemdelingen, maar uiteindelijk bleven ook zij buitenstaanders.

Als we het beeld van de bouw van een tempel vasthouden, zou je kunnen zeggen: Die vreemdelingen en bijwoners waren dode stenen, buiten de heilige tempel.

 

Aangrijpend, gemeente! Dit was het eertijds van de heidenen: vreemdelingen en bijwoners. Paulus benoemt het zo ernstig in dit hoofdstuk: Zonder Christus, zonder hoop, zonder God in de wereld. Dode stenen in de steengroeve van de wereld en van de godsdienst.

Wilt u een voorbeeld van zo’n vreemdeling, die als een dode steen in de modder van de zonde lag? Denk aan de stokbewaarder in Filippi. Dat was een heiden die in het slijk van de zonde verzonken was. Maar hij is tot een levende steen gemaakt en in de heilige tempel ingevoegd. Bijwoners waren mensen die er wat meer bij hoorden, maar uiteindelijk toch buitenstaanders bleven. Denk aan Lydia. Ze was een ‘godvrezende’, iemand die belangstelling had voor de godsdienst van Israël. Ze stond er sympathiek tegenover, zouden we zeggen. Toch was Lydia een vrouw met een gesloten hart. Maar God opende het. Zo werd ze als een dode steen opgehaald uit de steengroeve van de godsdienst.

Gemeente, of we nu liggen in de modder van de ongerechtigheid of in het vuil van de eigengerechtigheid, we zijn van nature buiten die heilige tempel. Dat is het aangrijpende ‘eertijds’ van een ieder van Gods kinderen. Dat geldt ook voor ons allen, zoals we hier zijn. Van nature zijn we geen steen van die tempel, maar liggen we verloren in de steengroeve van de zonde of van onze godsdienst zonder God. Dat is ons zondaarsbestaan.

 

Als de Heere in ons leven komt, gaan we dat ook zien. We kennen het bekende gedicht van de Schotse predikant McCheyne wel. Daarin beleed hij over zijn eertijds: ‘Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart. Ik vroeg niet: mijn ziele, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ Dat werd voor deze jongeman de smart van zijn leven. Is het ook ónze nood al geworden?

Toen Gods Geest in zijn leven kwam, werd het anders. Hij bleef geen vreemdeling voor God en zijn hart. De Heilige Geest gaf hem Godskennis en zelfkennis. Hij leerde God en zijn hart kennen. Hij doorleefde het wat het betekent zonder God en zonder hoop in deze wereld te zijn. Al zijn deugd, dus al het goede dat hij meende te bezitten, werd een wegwerpelijk kleed. Hebben wij van deze dingen ook al iets geleerd? Dat gebeurde bij Gods kinderen in Efeze, dat gebeurde in het hart van McCheyne, dat gebeurt nu nog!

 

Over die verandering zegt Paulus: Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Hier gaat het erover wat die heidenen geworden zijn.

Vreemdelingen worden medeburgers. Medeburgers zijn mensen die staan ingeschreven in de burgerlijke stand en wettige inwoners van de stad zijn. Zo zijn de bekeerde heidenen geen vreemdelingen meer. Ze horen nu bij het geestelijk Jeruzalem. De apostel legt het aan hun hart: ‘U was eertijds hier in Efeze aan de tempeldienst van Diana verbonden, maar nu niet meer. Nu bent u medeburgers der heiligen. U bent bij een ander volk gaan horen, bij de inwoners van het geestelijke Jeruzalem.’

Bij huisgenoten kunnen we denken aan een gezin. Samen vormen ouders en kinderen huisgenoten. Ze wonen in één huis. Het beeld kan ook op een stad worden betrokken. Binnen een stad vormen mensen als het ware één gezin. Ze zijn stadsgenoten van elkaar. Zo vormden de inwoners van Efeze één familie rondom de tempel van de godin Diana. ‘Nu is dat anders geworden’, zegt Paulus tot Gods volk uit de heidenen, ‘u bent nu huisgenoten Gods, u vormt samen een huisgezin.’ De kanttekening verklaart het zo mooi: ‘Zo staan zij dan onder één Hoofd en zorg, en hebben elk hun eigen dienst en deel in dit huis.’ Een rijke gedachte: Al Gods kinderen hebben hun eigen plaats, maar staan wel onder hetzelfde Hoofd.

Gemeente, zoals altijd komt ook nu de boodschap weer naar óns toe. Zijn wíj al een medeburger der heiligen geworden? Een huisgenoot Gods? Dat is de levensvraag voor ons allen!

 

Die medeburgers stonden ingeschreven in het bevolkingsregister van een stad. Wanneer zijn Gods kinderen ingeschreven in het Goddelijke bevolkingsregister? We mogen zeggen: reeds van eeuwigheid! Soms laat de Heere Zijn kinderen wel eens in dat bevolkingsregister lezen. Dan laat de Heere het zien: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3). Wat groot als dat in het hart wordt ingedrukt. Dan mag Gods kind -hoe verloren en schuldig ook- wel eens zijn eigen naam lezen in het boek des levens.

Denk aan de zeventigen die door de Heere Jezus werden uitgezonden. Ze kwamen zo verheugd bij hun Meester terug, omdat zelfs de duivelen hun onderworpen waren in Zijn Naam. Maar dan zegt de Zaligmaker: Verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen (Luk.10:20).

Wat een vastheid voor die medeburgers: hun namen geschreven in de hemelen! Dan is het met recht: ‘En doen de naam van Sions kinderen dragen.’ Dan mag een kind des Heeren het doorleven: ‘Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven.’ Burgers van het geestelijke Jeruzalem, liet de Heere u wel eens lezen in dat register? Dat geeft stof tot verwondering en aanbidding. Voor zo één als ik ben!

 

Huisgenoten Gods horen bij Gods huisgezin. God is hun Vader en Christus hun oudste Broeder. Hoe zijn die huisgenoten lid van het gezin geworden? Hoe gaat dat in het gewone leven? ‘Door geboorte’, zegt één van de kinderen, ‘want als er een broertje of zusje geboren wordt, is zo’n kind direct lid van het gezin.’ Zo is het ook bij Gods kinderen. Door wedergeboorte worden ze lid van Gods huisgezin. Dat is het wonder van de levendmaking: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, zo begint Paulus dit hoofdstuk uit de Efezebrief. Die wedergeboorte is voor ons allen nodig. Anders horen we niet bij dit gezin!

Hoe kun je nog meer lid van een gezin worden? Iemand zegt: ‘Door adoptie.’ Inderdaad, dan wordt een jongen of meisje uit een ander land aangenomen als eigen kind. Het kind hoort helemaal bij het gezin van de adoptieouders. Zo is het ook met Gods kinderen. Paulus heeft het in Efeze 1 over de aanneming tot kinderen. Ze worden aangenomen tot kinderen, om Christus’ wil.

Dus hoe wordt iemand lid van Gods huisgezin? Door wedergeboorte en door aanneming tot kinderen. Zo worden dode stenen levende stenen. Door een daad van God, een wonder van God, van boven uit de hemel. Zo bouwt God de heilige tempel. En Hij doet dat nog, tot de laatste steen is toegevoegd in het grote Godsgebouw.

 

We gaan onze eerste gedachte afronden. Wie zijn de stenen van de heilige tempel? Het zijn Gods kinderen in Efeze, waarbij Paulus hier vooral ziet op de heidenen. We zouden ook kunnen zeggen: die levende stenen zijn al Gods kinderen van alle tijden en alle plaatsen. Eerst waren ze vreemdelingen en bijwoners, maar nu medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Vraag maar of u er ook bij mag horen. Ook jullie, jonge mensen. Want de bouw van de tempel is nog niet klaar.

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Het fundament van die tempel

 

In vers 20 richt de gedachtegang van Paulus zich geheel op de bouw. Gebouwd op het fundament. Dus die levende stenen worden op een fundament gelegd. Dat is een bekend beeld uit de Bijbel. Onder vers 20 staan nogal wat verwijsteksten. Als we die teksten uit het Oude en Nieuwe Testament nalezen, zien we dat ze allemaal met de bouw op het fundament te maken hebben. Zoek ze straks thuis maar eens na.

Gebouwd op het fundament. Paulus heeft het hier over het bouwen op een fundament. Hoe ging dat in de tijd van het Romeinse Rijk in Klein-Azië? Eerst werd een sleuf gegraven. In die sleuf legde men rotsblokken. Die blokken werden met kalk bestreken. Vervolgens moest dit fundament inklinken. Op de hoeken van het fundament legde men hoekstenen. Die hoekstenen waren grote rechthoekige stenen, die voor dat doel waren uitgezocht. Deze stenen waren niet geschikt om als gewone bouwstenen gebruikt te worden. Het waren echt stenen voor de hoeken. De hoekstenen gaven het gebouw stevigheid en stabiliteit. Met kalkstenen uit de steengroeve bouwde men op het fundament de muren.

 

Op welk fundament wordt Gods Kerk gebouwd? Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten. Wat betekent dat? Het is ‘de leer van de apostelen en profeten’, zegt de kanttekenaar. Het gaat dus om het onderwijs, de prediking van de apostelen en de profeten.

Bij de apostelen denken we aan de twaalf discipelen van de Heere Jezus, die later apostelen genoemd werden. Ook aan Paulus, de grote heidenapostel. We nemen het nog wat breder. Ook anderen -bijvoorbeeld Barnabas en Silas- worden wel apostelen genoemd. Bij de profeten noemen onze kanttekenaren de profeten van het Oude Testament. Maar we mogen in dit verband ook de profeten in het Nieuwe Testament erbij betrekken. In de begintijd van de christelijke kerk is er namelijk ook het ambt van profeten geweest. Denk aan Efeze 4 vers 11: En Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars. Zo waren er ook profeten om te onderwijzen.

De heilige tempel wordt dus gebouwd op het fundament van de prediking van de apostelen en profeten. Trek de lijn maar door: op de leer van Gods dienaren, de herders en leraars, de ambtsdragers nu.

 

Waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Van die leer van de apostelen en de profeten is Jezus Christus de uiterste Hoeksteen. Daarvan zegt kanttekening 65 zo mooi: ‘Want de leer van de profeten en de apostelen, wijst ons in zaken van de zaligheid tot niemand op welken wij steunen mogen, dan op Jezus Christus, op Zijn voldoening en Zijn verdienste.’

Gemeente, vindt u dat niet treffend gezegd? De leer en prediking van de apostelen en profeten wijst ons in de zaken van de zaligheid op niemand anders op wie wij steunen mogen, dan op de voldoening en de verdienste van Jezus Christus. Dan ga je Paulus toch begrijpen, als hij zegt: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1 Kor.2:2)? O, af te wijzen van zichzelf en te wijzen op Jezus Christus, op Zijn voldoening en op Zijn verdienste: dat is het liefste werk van al die profeten en apostelen, van al die herders en leraars. Dat is ook onze begeerte. Want een andere weg en een andere naam tot zaligheid is er niet!

 

Gemeente, wat is de prediking belangrijk. Daarop wil de Heere Zijn Kerk bouwen. De levende stenen -Gods kinderen- worden op de leer van de apostelen en de profeten gelegd, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Daarom krijgt Gods volk de prediking van Gods Woord met Christus als Fundament zo lief. Ook als die leer hen er als doodschuldigen en doemwaardigen buiten plaatst. Ook als Gods knechten in de zaken van de zaligheid op niemand wensen te wijzen dan op Jezus Christus en Dien gekruisigd.

In het natuurlijk hart komt tegen het zalig worden door de voldoening en verdienste van Jezus Christus zoveel vijandschap openbaar. Dat geldt ook voor Gods kinderen. Maar in een weg waarin ze al hun gronden verliezen, wordt Zijn verdienste zo wonderlijk gepast en zo uitnemend dierbaar.

In het leven van Gods kinderen zal het moeten gaan om dat enige Fundament. Daarvoor maakt de Heere plaats. Daartoe breekt de Heilige Geest alle andere fundamenten in ons leven af. Ze móeten ook wegvallen, want ze zijn ongenoegzaam tot de zaligheid. De boodschap dat er geen zaligheid is dan alleen door de voldoening van Jezus Christus, is een afsnijdende boodschap. Maar voor zo’n vastgelopen zondaar -die niets overhoudt dan zonde, schuld, dood en verlorenheid- is het ook een bevrijdende boodschap: Jezus Christus, Zijn voldoening en Zijn verdienste. Dat bleef over voor Jakob op zijn sterfbed. Na alles wat hij ervaren had, lag hij daar als een uitgewerkte zondaar: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere (Gen.49:18). Zo kon hij sterven.

 

Gemeente, jong en oud, vandaag worden we er -ook vanuit dit tekstgedeelte- weer op gewezen dat we in de zaken van onze zaligheid op niemand anders kunnen rusten dan op Jezus Christus. Dat is de leer van de apostelen en de profeten, ook de prediking van Gods knechten nu. Buiten die Hoeksteen zal er voor ons niets overblijven. Op niets anders zullen we kunnen steunen voor de eeuwigheid. Alleen op dit fundament kan een zondaar voor God bestaan. Zoek toch deze grond voor de eeuwigheid!

 

Waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Er ligt nog iets in onze tweede gedachte over dat fundament van de tempel. Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen van de leer van de apostelen en profeten. In de zaken van de zaligheid willen ze op niets anders wijzen dan op Jezus Christus, op Zijn voldoening en Zijn verdienste. Maar nu zegt onze kanttekenaar ook dat Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is van het gehele gebouw. Hij is dus niet alleen de Hoeksteen van de prediking, maar het hele gebouw van Gods Kerk steunt op Jezus Christus, de uiterste Hoeksteen.

Er lagen bij een gebouw van die hoekstenen op de hoeken van het fundament. Je had ook hoekstenen halverwege de muren. Bovenaan had je de sluitstenen op de hoeken. Al die hoekstenen gaven het gebouw stevigheid. Hier gaat het vooral om die grondstenen, die fundamentstenen, die de muren aan elkaar verbinden. Ze geven verband aan die muren. Calvijn zegt: ‘Zo worden de twee muren van Jood en heiden door Christus als midden op de hoek verbonden.’ Joden en heidenen in Efeze, samen verbonden door de uiterste Hoeksteen, als midden op de hoek.  

 

Gemeente, Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Hij is de verworpen Hoeksteen, Die door de tempelbouwers verachtelijk een plaats is ontzegd. De Joden hebben geroepen: ‘Kruist Hem, weg met Hem.’ De heidenen, de Romeinen, hebben Hem bespot. Hij is verworpen tot in de dood.

Maar Jezus Christus is ook de verkoren Hoeksteen. Hij is tot een Hoofd des hoeks gelegd. Die levende Hoeksteen werd door Zijn Vader al gelegd in de eeuwigheid. Daar is Hij aangesteld om Hoeksteen van Zijn gemeente te zijn. Hij is door Zijn Vader gelegd in Bethlehem. Hij is gelegd op Golgotha. Hij is gelegd in de hof van Jozef van Arimathea. Die Hoeksteen is op de Paasmorgen tot een Hoofd des hoeks geworden. Zo is het steeds duidelijker geworden, dat Hij de uiterste Hoeksteen zou zijn. Op Hem rust het hele gebouw van Gods Kerk. Op Hem staat die heilige tempel zo vast!

 

Maar, gemeente, hoe is het nu van nature in ons leven, als het gaat over deze Hoeksteen? Dan zien ook wij geen gedaante en heerlijkheid in Christus. Dan is Hij ook voor ons de verworpen Hoeksteen. Dan hebben ook wij Hem niet nodig. De Joden verwierpen Hem. De heidenen verachtten Hem. Het volk bespotte Hem. Maar zijn wij beter? Hoe Jezus Christus ook in de leer van de apostelen wordt aangewezen, van nature stoten we ons aan deze Hoeksteen. We rusten op ons eigen fundament, de één op werelds fundament en de ander op een godsdienstig fundament. We verwerpen het Woord over de Gekruisigde. We zijn het Woord ongehoorzaam. En zo struikelen we over deze Hoeksteen. Lees maar wat Petrus hierover schrijft in zijn eerste zendbrief.

Weet u wie die Hoeksteen ook niet nodig hebben? Gods eigen volk! Ook zij begeren deze Hoeksteen niet. Denk aan de discipelen. Ze gingen toch al wat langer met de Heere Jezus om. We zouden denken dat zij toch wel konden weten dat de Heere Jezus de Hoeksteen was. Maar toen de Heere Jezus ging spreken over Zijn lijden en sterven, begonnen ze zich aan Hem te ergeren. Toen Christus ging vertonen in welke weg Hij de Hoeksteen van de heilige tempel zou zijn, wilden ze er niets van weten. Ze begrepen niets van Zijn verdienste en van Zijn voldoening. Ze waren er stekeblind voor. Petrus heeft het zelfs tegen Hem gezegd: Dit zal U geenszins geschieden (Matth.16:22). Klinkt hierin niet de vijandschap door tegen Christus als de uiterste Hoeksteen? Zo is het nog in het leven van Gods kinderen. Als de Heere afsteekt naar de diepte en plaats gaat maken voor deze enige Hoeksteen in hun leven, blijken ze verklaarde vijanden en tegenstanders te zijn van Zijn priesterlijk werk. Daar willen ze niet aan. Geenszins!

 

Toch is die vijandschap bij Petrus gebroken. In welke weg kreeg die verworpen en verkoren Hoeksteen dan waarde voor hem? Ach, toen hij nog zo hoog stond met zichzelf, had hij het priesterlijk werk van Christus niet nodig. Maar nadat hij met vloeken en zweren zijn Meester had verloochend, heeft hij de waarde van de Hoeksteen ingezien. O, als die Hoeksteen er niet was geweest, als Jezus Christus door Zijn verdienste het fundament onder Petrus’ leven niet had gelegd, waar zou deze discipel gebleven zijn? Maar Jezus Christus is doorgegaan tot het einde toe om de Hoeksteen voor hem te zijn: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:32). Hij is voor Petrus de dood ingegaan. Hij heeft voor hem de prijs betaald. Als dat niet zo zou zijn, was het voor Petrus eeuwig kwijt geweest.

Dan kunnen we toch begrijpen dat Petrus later in zijn brief zo nadrukkelijk op die Hoeksteen wijst en zegt: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr.2:7). Dan spreekt Petrus over die levende Steen, Die uitverkoren en dierbaar is. Dan weet de apostel bij bevinding over Wie hij het heeft: Jezus Christus, de uiterste Hoeksteen, het Fundament van zijn leven.

 

De Heilige Geest zal niet rusten voor alle levende stenen op de Hoeksteen liggen. Of ze nu komen uit de steengroeve van de wereld of van de godsdienst, maar ze zullen op het Fundament gelegd worden. De Heere zal er bij al die levende stenen voor zorgen dat ze alle gronden buiten dat enige Fundament kwijt zullen raken. En daarom wijzen de apostelen Petrus en Paulus -en in hun spoor al Gods kruisgezanten- in de zaken van de zaligheid op niemand anders dan op Jezus Christus, op Zijn voldoening en op Zijn verdienste.

 

Gemeente, zonder Jezus Christus kunnen we niet zalig worden. O, rust toch niet, voor u mag weten op dat Fundament gegrond te zijn. Want alles buiten dit Fundament Jezus Christus, zal wegspoelen. Dat zal blijken een zandgrond te zijn. Het zal erover gaan dat we als zo’n levende steen op het fundament gelegd zijn. Is dat ook ons uitzien, volwassenen en ouderen? Vraag je erom, jongens en meisjes, jongelui? Al was je maar het kleinste steentje. Als we maar door Gods hand op dat Fundament gelegd mogen zijn. Want dan alleen is het goed.

De wetenschap met het Fundament verbonden te zijn, kan onderscheiden liggen in het leven van Gods kinderen. Denk maar weer aan het gebouw. Er zijn stenen die heel dicht bij de hoeksteen liggen. Er zijn ook stenen die wat verder van de hoeksteen verwijderd zijn. Zo mag het ene kind van God meer zekerheid hebben dat ze op die Hoeksteen gefundeerd zijn. Ze mogen als het ware de Hoeksteen ‘voelen’. Voor een ander van Gods volk zal dat niet zo duidelijk zijn. Zo dikwijls vragen ze zich af of ze wel echt op het Fundament liggen. Wat is er vaak de vrees geen levende steen te zijn! Hoe nodig dat Gods kinderen ernaar staan om het bij God vandaan te mogen weten dat ze gebouwd zijn op dat enige fundament, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is.

 

Zo sprak onze tweede gedachte van het fundament van de tempel: de leer van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Hij is de Hoeksteen van de prediking en de Hoeksteen van heel Gods Kerk.

 

Laten we van die Hoeksteen zingen uit Psalm 118 vers 11:

 

De steen die door de tempelbouwers

Veracht’lijk was een plaats ontzegd,

Is tot verbazing der beschouwers,

Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen,

Door ’s Heeren hand alleen geschied;

Het is een wonder in onz’ ogen;

Wij zien het maar doorgronden ’t niet.

 

Een heilige tempel in Efeze. We hebben iets gehoord over de stenen en het fundament van die tempel. Onze derde gedachte gaat over:

 

3. De opbouw van die tempel

 

Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere, lezen we in vers 21. De heilige tempel wordt gebouwd op Jezus Christus, de uiterste Hoeksteen. Op dat fundament verrijst het hele gebouw van Gods Kerk, uit Jood en heiden.

Hoe vindt dat plaats? Bekwamelijk samengevoegd zijnde. Jongens en meisjes, we zien dat als het ware voor ons. Bij het bouwen van een huis worden al de stenen op de juiste plaats gelegd. Dat gaat bij ons wel anders dan in de tijd van Paulus. Tegenwoordig worden de stenen keurig passend aangeleverd. Je ziet de voorraad stenen op de bouwplaats staan. Allemaal dezelfde vorm. Er moet nog wel eens een stuk afgehakt worden, maar uiteindelijk zijn de stenen al klaar om gemetseld te worden.

In de tijd van het Romeinse Rijk was dat anders. Als de stenen werden aangevoerd vanuit de steengroeve, was het nog een heel werk om ze precies op de juiste plaats en in de juiste vorm te krijgen. Wat een werk om al die stenen bekwamelijk in zo’n gebouw samen te voegen. Iedere steen kreeg een aparte behandeling. Er werd wat gehakt, gebeiteld en geschaafd voor de stenen op hun plaats lagen.

 

Is het zo ook niet bij de opbouw van de geestelijke tempel? Iedere levende steen krijgt zijn eigen plaats. Er zijn stenen vooraan in een gebouw, op een opvallende plaats. Om bij Efeze te blijven: Paulus was zo’n steen op een zichtbare plaats. Ook Gajus, Aristarchus en Tychikus waren bekende kinderen des Heeren in de stad. Er zijn in een bouwwerk echter ook onopvallende stenen, laag bij de grond of helemaal achteraan in het gebouw. Eigenlijk nauwelijks zichtbaar. Maar ze liggen wel op het fundament. Zo zijn er kinderen des Heeren -toen in Efeze en ook nu- die zo’n onopvallende plaats innemen. Maar ze zijn wel gelegd op het fundament. En daar gaat het om! Zo hoort de plaats die ieder van Gods kinderen in dit leven krijgt bij dit ‘bekwamelijk samengevoegd zijnde’. Alles naar de vrijmacht van de grote Bouwmeester.  

Om de stenen in de juiste vorm te krijgen, was er veel hakwerk en beitelwerk nodig. Dit hoort ook bij het ‘bekwamelijk samenvoegen’. Al die stenen werden precies pasklaar gemaakt en gelegd op het fundament. Als de hemelse Bouwmeester Zijn gereedschap gaat hanteren, lijkt het wel dat er onder dat hak- en beitelwerk niets meer van zo’n steen overblijft. Dat vrezen die levende stenen ook dikwijls. Zullen ze straks niet worden weggeworpen en buiten dat fundament vallen? Toch is dat niet waar, want het werk van de Bouwmeester is zeer ‘bekwamelijk’. Hij weet wat Hij doet en hoe Hij het doet. Iedere steen krijgt zijn eigen behandeling. De stenen worden niet bewerkt om ze weg te werpen, maar om ze in te passen. De handen van de Bouwmeester zijn wijze handen!

 

Opwast tot een heilige tempel in de Heere. Het gebouw wordt tot een heilige tempel in de Heere. In het Grieks ziet dit woord ‘tempel’ op het binnenste van de tempel. Dus niet in de eerste plaats op het hele tempelcomplex, maar op het meest heilige van de tempel. Dat was in Efeze een bekende plaats. Want in de afgodstempel van Diana was in het binnenste ervan het beeld van Diana te vinden. Dat was de allerheiligste plaats van de tempel. Deze plaats was het hart van de eredienst aan Diana. Aan dat beeld zat een heel verhaal vast. Volgens de overlevering was dit beeld uit de hemel gevallen en in Efeze terechtgekomen. Daarom noemde men de stad ook wel de ‘kerkbewaarster’ van de godin Diana. De Efeziërs waren daar erg trots op. Ze hadden in het heilige van de tempel het beeld van Diana. Maar nu zegt de Heere door middel van Zijn knecht Paulus: ‘Ik bouw hier in Efeze een tempel. Geen heiligdom waar het afgodsbeeld van Diana wordt vereerd, maar een heilige tempel in de Heere.’

In die heilige tempel wil de Heere wonen. Daarin wordt Hij door Zijn kinderen gediend. Daar gaat het ook om, want God wil een volk dat Hem vreest en dient. Dat is het uiteindelijke doel van de schepping en herschepping: de eer des Heeren.  

Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. Nu komt de toepassing: Ook gij… Met alle liefde richt Paulus zich tot Gods volk uit de heidenen: ‘Ook u wordt gebouwd op dat fundament.’ Ach, het zou goed te begrijpen zijn dat deze heidenen het meer konden geloven voor hun Joodse medebroeders. Die behoorden immers tot de bevoorrechte verbondskinderen, aan wie de woorden Gods waren toebetrouwd. Maar zij waren heidenen, vervreemd van het burgerschap Israëls. Zonder God en zonder hoop in de wereld. Maar nu zegt Paulus: Ook gij… Eertijds vreemdelingen en bijwoners, liggend buiten het fundament. Nu medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, mede gebouwd op het fundament. De middelmuur des afscheidsels tussen Jood en heiden is gebroken. Wat een bemoediging!

Gods kinderen nu kunnen het vaak ook niet geloven. Dan zegt iemand in de strijd: ‘Dat een ander een plaats krijgt in dat Godsgebouw kan ik wel begrijpen. Maar ik, zo’n zondaar als ik ben? Ik vrees dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is. Straks zal ik nog als een huichelaar openbaar komen.’ O, dan mag dit woord voor zulke bestreden zielen een troostwoord zijn: Ook gij mede gebouwd. Dan kan het voor de meest verachte, voor de meest onwaardige, voor iemand die het maar niet geloven kan. Voor degene die zegt: ‘Dat is te groot, dat is te wonderlijk.’

 

Tot een woonstede Gods in de Geest. Een woonstede Gods is een plaats waar de Heere woont en werkt. Samen vormen Gods kinderen een heilige tempel, een woonplaats Gods in de Geest. Dat wil zeggen dat deze woonstede een geestelijk huis is. Een werk van God de Vader, van God de Zoon en van God de Heilige Geest. God de Vader heeft het bestek gemaakt, God de Zoon heeft het uitgevoerd en God de Heilige Geest volvoert het bouwwerk op aarde. En zo klinkt er aan het einde van Efeze 2 een lofzang tot eer van de Drie-enige God!

 

Gemeente, dat geestelijke bouwwerk gaat nog door. Daarop wijst de vorm van de Griekse werkwoorden ‘samengevoegd’ en ‘mede gebouwd’ in vers 21 en 22. Die heilige tempel is nog niet klaar. Halverwege de eerste eeuw na Christus werd er gebouwd in Efeze. Maar ook nu, in de eenentwintigste eeuw, gaat deze bouw nog steeds door. Die heilige tempel wordt gebouwd met levende stenen vanuit de gehele wereld. Ook in ons land zijn er al vele levende stenen op dat fundament gelegd. Maar het gaat erom dat wij persoonlijk als zo’n levende steen mogen worden toegebracht. Haast u om uws levens wil!

 

Jongelui, misschien zeggen jullie: ‘Wat zie ik van Gods Kerk op deze aarde? Wat blijft er over van Gods Kerk in Nederland? Waar is Gods Kerk in onze stad, in ons dorp? De meeste mensen zien de kerk nooit van binnen!’ En inderdaad, onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat de zichtbare kerk weleens heel klein kan worden, zodat het schijnt alsof ze tot niet gekomen is. Dan lijkt het dus, alsof er niets van de Kerk overblijft. Maar zullen we nooit vergeten dat de onzichtbare Kerk waaraan de Heere bouwt iedere dag groter wordt? Want Gods kinderen worden toegebracht uit alle volken, talen en natiën. Daar staat de Heere Zelf voor in.

 

Er komt een voltooide heilige tempel. Straks zullen alle kinderen van God als levende stenen op dat fundament zijn gelegd. Dan is de Kerk afgebouwd en komt het einde van de wereld. En dan zullen Gods kinderen zelf óók tempel zijn. Ze zullen God eeuwig mogen dienen. Dan is dat hakwerk, dat beitelwerk en dat schaafwerk voorbij. Voorgoed van zichzelf verlost, zullen ze de Heere eeuwig de eer mogen geven.

 

Gemeente, zal dit door genade ook onze toekomst zijn?

 

Amen.

 

                                                                                                              

Slotzang: Psalm 87: 5

 

Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen,

Dan zullen daar de blijde zangers staan,

De speelliên op de harp en cimbel slaan,

En binnen u al mijn fonteinen wezen.