Ds. L. Huisman - Jesaja 55 : 1

Gods nodiging tot zielsverzadiging

Jesaja 55
Wie genodigd worden
Waartoe zij genodigd worden
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).

Jesaja 55 : 1

Jesaja 55
1
O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1, 7
Lezen : Jesaja 55
Zingen : Psalm 79: 4, 6
Zingen : Psalm 42: 5
Zingen : Psalm 81: 11, 12

Geliefden, het Woord van God, dat wij u willen prediken, vindt u in Jesaja 55 vers 1:

 

O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

 

In deze tekst vinden wij: Gods nodiging tot zielsverzadiging.

 

Wij slaan achtereenvolgens een blik op:

1. Wie genodigd worden

2. Waartoe zij genodigd worden

 

Geliefden, al is onze ziel heel anders dan ons lichaam, toch kan ook onze ziel niet zonder voedsel. Onze ziel kan niet door zichzelf leven, net zo min als ons lichaam door zichzelf kan leven. Zoals ons lichaam altijd van buitenaf gevoed moet worden met eten en drinken, zo moet ook onze ziel altijd van buitenaf gevoed worden met de spijze der ziel, waar onze ziel wel bij kan varen.

Elk mens ervaart dat hij niet alleen gelukkig kan zijn met zijn eten en drinken, zijn huis en zijn kleding, zijn familie en zijn vrienden. U kunt dat allemaal ervaren als u er zo eens een paar weken uit bent. U leeft dan soms in een prachtige omgeving wat de natuur aangaat. U zit ergens op de Veluwe, in Limburg, of in Zwitserland. U hebt alles wat uw hart begeert. De zon schijnt heerlijk, uw vrienden omringen u, eten en drinken volop. Maar dan kan er toch zo plotseling een beklemming op uw ziel komen, wanneer u naar binnen ziet, wanneer u een ogenblik met uzelf alleen bent, dat u moet zeggen: ‘Ja, ik heb dit alles van God ontvangen.’

 

Ik ga er nu nog vanuit dat u deze tijd niet besteedt in de zonde; dat u daar bent op een eerlijke wijze en op een eerlijke wijze geniet van het goede, dat God ons in deze wereld gegeven heeft. Maar dan kan het toch zijn, dat u bij al dat goede ineenkrimpt onder de gedachte: ‘Dit heb ik nu wel, dat mag ik nu wel ontvangen, hiervan mag ik wel genieten, maar hoe staat het met mijn ziel? Lijd ik innerlijk geen honger onder al deze welvaart en al deze schoonheid?’

Het licht der zon, hoe heerlijk ook, spijs en drank, hoe goed het ook is dit alles in ruime mate te mogen ontvangen; het is echter geen spijze voor onze ziel. Om vrede te hebben, echte innerlijke vrede en waarachtig geluk, hebben we iets anders nodig dan al deze tijdelijke zegeningen. We hebben vrede nodig, vrede met God; we hebben gerechtigheid nodig, dat wil zeggen, we moeten in de juiste verhouding tot God staan.

Als we die vrede hebben en als we de juiste verhouding mogen vinden; die verhouding van recht en gerechtigheid, dan is dát een spijze voor onze ziel. Als we die spijze genieten, kunnen we zelfs met de dichter zeggen: ‘Uw goedertierenheden zijn beter dan dit leven. Uw goedertierenheden zijn de spijze van mijn ziel, het zijn de genietingen van Uw nabijheid, zij zijn de verzadiging van mijn ziel.’

 

Nu spreekt het Woord van God op veel plaatsen over ‘die spijze der ziel’, waar vaak zo weinig aandacht aan besteed wordt, en zo weinig over wordt gesproken. Is het niet zo, dat we vaak veel meer en veel langer spreken over de spijze voor het lichaam? Zijn we al niet maanden van tevoren bezig met onze vakantie te plannen? Zijn we al niet dagen van tevoren bezig om voor de kost te zorgen? Maken we ons niet druk in dit leven, hoe wij en onze kinderen aan de kost zullen komen?

Dit is goed, het is ook een taak die God ons gegeven heeft. Maar toch heeft Jezus gezegd: Zoek eerst het Koninkrijk Gods (Matth.6:33). Want wat baat het een mens, zo zijn lichaam gevoed is en zijn leven langs een zonnig pad gaat, maar hij lijdt schade aan zijn ziel? En wat schaadt het een mens, zo hij slechts, om met Salomo te spreken, een gerecht van groen moes zou hebben, maar hij heeft rust in God? Wat is belangrijker?

Ach, u weet het allen. Het is belangrijker vrede in ons hart met God te hebben en zielenspijs te ontvangen, want dat is een spijze waarvan Jezus gezegd heeft: ‘Wie die rust vindt, die vindt de rust die er overblijft voor het volk van God. Wie van dat water drinkt, zal tot in eeuwigheid niet meer dorsten, want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank.’ Daarvan spreekt ook Jesaja in deze tekst over de verzadiging van onze ziel en hij roept ons toe: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk (Jes.55:1).

 

1. Wie genodigd worden

 

Deze tekst is een deel van een profetie, die in de eerste plaats bestemd is voor het volk dat terugkeert uit Babel; het volk dat vanwege de verlating van de Heere zeventig jaar heeft moeten zuchten in ballingschap, maar nu eindelijk door de goede hand Gods verlost is uit het gevangenhuis en weergekeerd is naar de heilige stad en het beloofde land. Maar daar vinden zij niet waar zij op gehoopt hebben. Hun kracht ontbreekt. Ook zij waren mensen die op het aardse aangelegd waren. Het was ook voor deze mensen zo moeilijk te geloven zonder dat zij het zagen. Immers, Jeruzalem lag in puin. Het heerlijke land, vloeiende van melk en honing, was een grote wildernis geworden.

Zo zijn ze teruggekomen uit Babel en ze worden omringd door vele en velerlei vijanden. Ze vinden uiteindelijk dat die verlossing toch maar een halve verlossing is. Ze weten geen raad met hun aankomst in het beloofde land. Ze laten onder de tegenheden hun handen slap hangen en ze zeggen: ‘Het wordt toch nooit meer zoals het vroeger was. De dagen van Salomo en de dagen van David komen nooit meer terug.’ En als de grondvesten van het huis des Heeren gelegd worden, wenen de ouden en zeggen: ‘O, moet dát nu de tempel worden? Nee, dan hebben wij wat anders gezien in de dagen van onze jeugd.’ Dan moet de Heere tussenbeide komen en zegt Hij: ‘Gij dwazen en blinden, ween toch niet, want de heerlijkheid van dit laatste huis zal de heerlijkheid van het eerste ver overtreffen.’ In dit laatste huis zal de Ark, de Ark des Verbonds, de Ark van de Heere der ganse aarde worden binnengedragen. Hier zal het Evangelie in al zijn luister opgaan.

Deze mensen waren geneigd zich vast te klemmen aan het zichtbare; dat is een groot gevaar voor het leven van onze ziel. De Heere zal altijd zorgen dat wij hier op aarde niets hebben om ons aan vast te klemmen, dan alleen Zijn Woord, Zijn beloften en Zijn verbond.

 

Ook de kerk is geen grootheid om op te bouwen. Ook de kerk is niet iets waar je je veilig in kunt voelen, zo in de zin van ónze kerk en ónze dominee en óns aantal en ónze waarheidszin en ónze betrachting van hetgeen de Heere ons voorschrijft. Nee, de kerk heeft maar één vastheid en één fundament, en dat is het Woord, het Woord des Heeren. Als we op iets anders ons vertrouwen gaan stellen, zoals Israël, dat zijn vertrouwen wilde stellen op de tempel en op de zichtbare grootheid, dan breekt de Heere dat af. Hij wil dat we alleen op Zijn Woord zullen vertrouwen.

 

Nu zegt Jesaja tegen deze mensen, die zo in allerlei opzichten teleurgesteld waren: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren. Voor dat woordje ‘o’ staat in de grondtekst een woord – u kunt dit ook in de kanttekening lezen – dat eigenlijk wil zeggen: ‘O wee u, indien gij voortgaat met wenen, wee u, indien gij voortgaat met klagen over hetgeen God over u gebracht heeft.’

Het is een woord van waarschuwing. Maar het is ook een woord van innig medelijden. De profeet wil het teruggekeerde volk waarschuwen. O, blijf daar niet zitten, blijf niet wenen over hetgeen u ontbreekt. Ik waarschuw u, ik waarschuw u dat u wederkeert tot God, Die tot u is wedergekeerd.

 

Dan noemt hij dit volk ‘dorstigen’. Alle gij dorstigen… En deze dorstigen zijn ook hongerig, want er staat verder: Komt, koopt en eet. Deze hongerigen en dorstigen zijn ook arm, want er staat: Gij die geen geld hebt, komt, koopt, zonder geld en zonder prijs.

Nu weet u wel, dat het in het natuurlijke zo is, dat honger en dorst vanzelf ontstaan en niet tegen te gaan zijn. U kunt op een gegeven moment niet zeggen: ‘Ik zal me eens hongerig maken’ of ‘Ik zal mijn dorst eens wegdoen’.

Het is een onweerstaanbare behoefte van uw lichaam als de honger u gaat kwellen, als de honger knaagt in uw leven. Dan is er maar één ding waarnaar u verlangt en dat is eten. Dan moet u brood hebben; dat is het enige.

Erger is het nog met dorst. Als de dorst ons kwelt, kunnen we die dorst niet van ons afzetten door te denken: Ach, ik heb geen dorst. Of net doen alsof ik geen dorst lijd.

Nee, werkelijk, we hebben geen macht om deze dorst weg te doen of weg te denken. Wij voelen het diep in ons lichaam, in ons leven. Er is een honger en er is een dorst en daar moet aan voldaan worden.

Zo is het ook, en nog in sterkere mate, met onze ziel gesteld. Er is een begeerte in het hart van een mens, die niet te onderdrukken is, die zelfs door hemzelf niet kan worden opgewekt, maar die er toch is. Dat is de algemene goedheid, de algemene genade van God, of hoe u dat ook noemen wilt, het komt in ieder geval van God, waardoor Hij zorgt dat een mens niet genoeg heeft aan dit tijdelijk leven.

God zal zorgen dat er voor Hem geen vervanging is. Mensen kunnen wel denken een surrogaat voor God gevonden te hebben, maar al die valse godsdiensten en die dwaze stromingen en sekten, bewijzen alleen maar dat de mens ten diepste zonder God en zonder godsdienst niet kan. Het is iets dat ingeschapen is in het hart van de mens.

U verloochent uw mens-zijn door te zeggen: ‘Ik heb geen behoefte aan God. Ik heb geen honger en dorst in mijn ziel. Ik leef gelukkig met mijn huis en mijn tuin.’ Dan bent u de dieren gelijk geworden en zelfs dát kunt u niet, want God heeft u tot een mens gemaakt. Dat is de algemene genade, die God in het hart van een mens gelaten heeft. Er is in het leven van alle mensen een honger en een dorst naar God.

Nee, ik zeg niet dat alle mensen op dezelfde wijze naar God hongeren en dorsten – dat zult u straks horen – maar er is in het leven van álle mensen, of men het bedekt of niet, of men het ontkent of niet; er is in het leven van álle mensen een onweerstaanbare drang naar een hoger wezen, naar een beter geluk dan dat deze wereld ons geven kan.

En nu zegt Jesaja van al deze mensen: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren.

 

O zeker, er wordt wel heel wat gedaan om deze honger en dorst weg te nemen. Daar is de wereld vol van. Dat was in Jesaja’s tijd ook al zo. Want in het vervolg staat: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Het heeft de mensheid niet aan pogingen ontbroken om gelukkig te worden, en nóg is men bezig om met een uiterste krachtsinspanning welvaart op aarde te brengen.

Ook nu spreekt men niet alleen van ‘welvaart’ maar ook van ‘welzijn’. Dat duidt er op dat zelfs de wereldlijke mens beseft: ‘Ik ben niet gelukkig met welvaart alleen; ik moet me ook wel goed voelen; ik moet me in mijn welvaart kunnen vermaken. Niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn ziel wil spijze.’

 

Dan weegt men wat geld uit voor hetgeen geen brood is. Dan heeft men wat surrogaat op de markt gebracht, als spijze ter verzadiging van onze ziel. Ik behoef dat niet op te noemen. Dagelijks staan de kranten vol met wat men in de plaats van de enige waarachtige dienst van God stelt.

Maar het blijven lapmiddelen, omdat de mens door dat alles nooit tot verzadiging komt.

Hij kan het niet, hij wil het ook niet, omdat hij ten diepste vervreemd is van die God, van Wie hij niet los kan komen. Want vergeet het nooit: geen mens kan voor God bestaan, maar geen mens kan ook ooit los komen van God. We kunnen ons ten diepste niet ontworstelen uit de hand van God, Die we diep in onze ziel van nature haten. En dat is dan ook tegelijk onze nood!

Vandaar die brallende, die duivelse, die satanische haat tegen de oplossing die God gegeven heeft in Zijn Woord. Vandaar dat innerlijk verzet in zo vele kerken tegen de enige Weg in het bloed van de Heere Jezus Christus. Vandaar die geslepen aanvallen van de vorst der duisternis op die geheel enige Weg, om dat enige redmiddel voor ons oog te verbergen, opdat we niet meer de gerechtigheid van Jezus Christus zouden zien, maar ons verlaten zouden op iets anders dan wat God gegeven heeft tot spijze voor onze ziel. Maar het resultaat van dát kopen; van al die vreemde waar, die de Bijbel ons niet biedt, die God ons niet aanbiedt; het resultaat daarvan is dat de honger van de mensheid van deze eeuw, van dit geslacht, al maar sterker wordt en dat we geen verzadiging vinden in ons huis vol met geslachte beesten, maar dat de twist in deze wereld toeneemt. We verstaan elkaar niet, we leven langs elkaar heen, we leven op onszelf. Dat heeft de welvaart zonder welzijn ook meegebracht, waardoor de mens steeds egoïstischer wordt, steeds meer op zichzelf wordt teruggeworpen, steeds meer de taal van Kaïn spreekt: Ben ik mijns broeders hoeder? (Gen.4:9). Laten we maar allemaal voor onszelf zorgen. Zo worden we steeds armer, steeds eenzamer en steeds ongelukkiger.

 

Nu zegt Jesaja: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld. Hij nodigt te komen tot ‘de wateren’. De wateren, dat zijn in de Bijbel de genadestromen uit God, uit Jezus Christus. De Heere zegt tot de vrouw bij de put in Sichar: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten (Joh.4:14). En op een andere plaats: Die in Mij gelooft, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien (Joh.7:37).

Als Jesaja zegt: ‘Komt tot de wateren,’ dan betekent dat: ‘Kom tot de Heere, kom tot Zijn genade, kom tot Jezus Christus, Die Hij gegeven heeft als een Verlosser van uw ziel.’

 

Het zijn alle dorstigen die daartoe genodigd worden. O, ik weet wel, willen we daadwerkelijk onze schreden richten naar de voeten van Hem, Die de bron is in Bethlehems poort, dan zal de natuurlijke dorst, die het leven van alle mensen eigen is, in ons leven op zulk een wijze door de Heilige Geest veranderd worden, dat het niet meer een onbestemde dorst is tot een onbekende God. Dan zal het door de aangrijping van de Heilige Geest, of anders gezegd: door de wederbarende arbeid van de Heilige Geest, een bestemde dorst zijn geworden. Een dorst waarvan wij weten dat de oorzaak ligt in de scheiding met God.

Ik zeg niet dat de andere dorstigen niet genodigd worden. Er gaat vandaag niemand de kerk uit, of Jezus Christus heeft u op de schouder getikt. Hij heeft vóór u gestaan en heeft u recht in het aangezicht gezien en Hij heeft gezegd: ‘Ik bedoel u.’

Niemand gaat de kerk uit of God heeft u vandaag geroepen! Maar ik zeg ook: indien u komt, dan moet die dorst in uw ziel niet slechts een onbestemde dorst zijn naar een onbekende God, maar die dorst moet een dorst naar gerechtigheid zijn, een dorst naar de gemeenschap met God. Dit is het wonder dat de Heilige Geest werkt in de harten van degenen die Hij uit de duisternis tot het Leven brengt.

 

Wat onbestemd is in het leven van de natuurlijke mens, laat de Heilige Geest ons duidelijk en klaar zien, wanneer Hij ons de scheiding ontdekt die door onze zonden gekomen is en wanneer wij met de dichter van Psalm 42 gaan belijden: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! (Ps.42:2).

Nu, dat is die bestemde dorst. Dan weet ik het: de oorzaak van mijn honger en kommer, de oorzaak van mijn zieledorst, is de verbreking van de band met God. Dan bekennen wij het: ‘Wij hebben God op ‘t hoogst misdaan, wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan, ja wij en onze vaderen tevens.’ In het bijzonder is het een dorst die door ons niet weg te denken is, niet weg te dringen is.

 

Toch zit in deze ‘dorst’ als zodanig het leven niet. Ik weet dat er mensen zijn die op een ziekelijke wijze deze dorst willen koesteren en aan de gang willen houden en dit hét kenmerk vinden van het ware, wanneer de mens hongert en wanneer de mens dorst. Aan de andere kant weet ik ook dat je duizendmaal gelukkiger bent om je ganse leven te hongeren en te dorsten naar God, dan met wat valse godsdienst en met wat ijdele illusies en met wat hooggestemde lofzangen als een vijand van God voort te leven, om straks voor eeuwig bedrogen uit te komen. O, je bent duizendmaal gelukkiger wanneer je je ganse leven niet verder zou komen dan het hongeren en het dorsten.

Maar ik zeg met evenveel nadruk dat honger en dorst op zichzelf ‘het leven’ niet is. Het is juist het gebrek aan leven; het gebrek aan gemeenschap met God. Nee, als we waarlijk hongerig en dorstig zijn, mogen we ons daar geen rust in aanmeten en mogen we ons daarin niet veilig stellen, en mogen we ons niet door mensen laten wijsmaken dat dit toch wel de ware genieting zal zijn; zo ongeveer alles wat er op de wereld te verkrijgen is.

Nee, als er werkelijk zo’n honger en dorst is in onze ziel; dan zegt de Heere door de mond van Jesaja: O alle gij dorstigen, komt! Dat wil zeggen: kom van de plaats waar u nu bent, kom tot de wateren, kom tot Mij. Want het is toch zo, dat een echte dorstige maar één begeerte heeft: niet om zo lang mogelijk dorstig te mogen zijn, maar om te mogen drinken!

Daar heeft hij op het laatst – naarmate de dorst toeneemt – alles voor over. Alles, al zou je hem geld en goud, al zou je hem parels en diamanten aanbieden, als hij geen water krijgt, dan heeft hij geen leven. Zo is het in het natuurlijke, maar zo is het ook in het geestelijke leven. Al zou je tegen zo iemand zeggen: ‘Je zult niet verloren gaan, je zult zeker in de hemel komen’, dan zou hij nog zeggen: ‘Ach, wat zegt mij de hemel, wat zegt me het niet verloren gaan, als ik daarin God niet zal vinden, als dan mijn ziel niet vervuld wordt van Gods gunst? Dit is mijn honger en dit is mijn dorst, dat ik God niet vind, dat ik Hem niet zie, dat ik me niet geborgen weet in het holle van Zijn hand, onder de schaduw van Zijn vleugelen.’

 

Kom, geliefden, gaat het u daar om in uw leven? Want er zijn wat mensen die op een koopje willen zalig worden. Die alleen bezig zijn met wat godsdienstige verrichtingen, hemelzoekers, die zich verder om God en Zijn dienst niet bekommeren. Maar dit is het kenmerk van het ware: ‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, naar de wateren des levens.’

Ach, we behoeven geen onderscheid te maken tussen God en Zijn weldaden, tussen Christus en Zijn zegeningen, want er is geen onderscheid tussen al de beloftenissen van God, want ze zijn in Christus Jezus ‘ja en amen’. Het wil heel eenvoudig zeggen: alle spijze des hemels is smakeloos, indien ik ze niet krijg uit de hand van Jezus Christus.

Alle verlossing is ten enen male ontoereikend, indien zij niet gesproken wordt door de lippen van mijn gezegende Borg en Zaligmaker. Alle woorden Gods zijn als spijze zonder smaak, indien zij niet uit de mond van God komen; dat wil zeggen: indien zij niet aan mijn hart worden toegepast door God de Heilige Geest en ik het met de dichter zeggen kan: ‘Ik heb het zelf uit de mond van God gehoord.’

Nee, dan rapen we niet zo te hooi en te gras wat tekstjes bij elkaar, waardoor de mensen moeten geloven dat we toch ook ‘veranderde mensen’ zijn, maar dan staan we op dat Woord, als op een rots in de branding. En al zou dan de duivel met al zijn helpers zeggen: ‘Gij hebt geen heil bij God’, dan zeggen we: ‘Heere, Gij hebt het Zelf tot mijn ziel gezegd. In de ure dat mijn dorst onlesbaar was, toen mijn ziel van alle steunsels werd afgewrikt, toen ik neerzonk in de diepte en er geen helper was, toen hebt Gij mijn pad gekend. Toen hebt Gij mij opgevangen in de armen van Uw genade en toen hebt Gij mijn ziel vertroost met Uw goddelijke beloftenissen.’

Dan kan de duivel eraan schudden, de dood kan eraan schudden, de hele wereld kan er tegenop komen, maar als die Geest getuigt met onze geest dat we kinderen van God zijn; wie zal dan beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? (Rom.8:33,34). Daarom: Komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet.

 

2. Waartoe zij genodigd worden

 

Drie dingen zijn er dus die Jesaja zegt, namelijk: komen, kopen en eten.

In de eerste plaats: Gij die geen geld hebt, komt! Dit is het waarachtige werk van de Heilige Geest, wanneer een dorstige het woord van Christus dat hier staat, hoort: Komt! Dat duidt dus op de afstand die overbrugd moet worden tussen ons en Hem. De scheiding die er gekomen is. Maar nu zegt Jesaja tegen deze dorstigen: ‘Kom, blijf niet langer op uzelf.’ Hij roept: Komt!

Let erop: hij róept! De Heere zou de Zijnen ook met geweld van de plaats waar zij verkeren in hun natuurstaat, kunnen trekken, kunnen slepen naar de plaats van de verlossing, naar het kruis van Golgotha. Maar dat doet de Heere niet.

Ach, het is een wonderlijk werk. Ik zeg weleens tegen de jongens en meisjes: ‘Je behoeft echt niet bang te zijn om bekeerd te worden. Bekeren is niet iets tégen je, het is niet iets als: O, nu dat ook nog. Ik zou zo graag dít doen en nu komt God en moet ik dát doen.’

Nee, geliefden, het is een zeer zoete werking van de Heilige Geest. Het is een innemen van het hart. Het is een door Gods liefde inwinnen van al onze genegenheden, waarvan de bruid zegt: Trek mij, wij zullen u nalopen (Hoogl.1:4). Als die trekkende kracht van Gods Geest in onze ziel komt, overwint de Heere ook alle weerstand in ons leven. Hij doet ons de dood in de zonde zien en Hij doet ons het leven in de gerechtigheid zien. En dan komen we!

 

Het is dan ook veelmeer een trekken dan een duwen. Het is een trekken met koorden van liefde. Ja, zo heeft Hosea gezegd: ‘Ik zal ze lokken.’ Zo doet God ook. Lokken, dat doe je met iets lekkers, met iets goeds. Zo lokken we een dier. Welnu, zo lokt God de Zijnen. Hij lokt de Zijnen met Zijn liefde en met Zijn genade. Hij stelt ze de voortreffelijkheden van Zijn wet en Zijn dienst voor. Hij zegt: ‘Kijk nu eens wat je bent zonder Mij en kijk nu eens wat Ik je bied, indien je tot Mij komt.’

Hij verlicht onze ogen, zodat we het ware leven gaan zien en gaan kiezen; dan gaan we kiezen met Mozes. Al hebben we het dan prachtig en goed in het paleis van Farao.

We gaan dan toch met Ruth kiezen. Ook al keert Orpa terug tot haar volk en tot haar goden, we gaan dan toch kiezen, door de liefde gedrongen, bewogen door de goedertierenheid Gods. Eenzaam, hulpeloos en ellendig in de staat waarin we van nature gezonken liggen, maar gelokt door het licht van het Evangelie; door de waarheid, die van de lippen van God komt.

 

Ten tweede horen we Jesaja zeggen: ‘Komt dan en koopt!’

Ja maar, Jesaja heeft toch gezegd: En gij die geen geld hebt? Hoe kun je nu spreken over kopen als er geen geld is? Kopen kun je toch alleen doen wanneer je geld uitweegt? Kopen is toch ruilen? Ik geef mijn geld en dan krijg ik de waren. Ze zijn mijn eigendom geworden, want het geld is door mij aan die ander gegeven. Dat is zijn eigendom geworden. Hoe kan nu toch Jesaja zeggen: ‘Komt en koopt’, als iemand geen geld heeft?

Ja, daar ligt toch wel een heerlijke verborgenheid in, en wel deze: het is waar dat wat we van God verkrijgen: vrede, gerechtigheid, heiligheid en eeuwige gelukzaligheid, dat krijgen we ‘om niet’; dat krijgen we gratis, dat krijgen we uit genade. Maar niettemin is het toch zo, dat het ons eigendom wordt, als hadden we zelf voor al onze zonden aan God de volle losprijs betaald.

 

Ik zeg dit met alle nadruk, opdat we niet in een andere strik des duivels zouden vallen. Die strik is: wanneer we iets ‘om niet’ gekregen hebben, dat we ons dan altijd schuldenaar blijven voelen aan degene van wie we het ontvangen hebben. Ja, die man heeft ons wel geholpen, maar we hebben hem er nooit iets voor terug kunnen doen. Dat blijft ons altijd een gevoel van verplichting geven aan onze weldoener.

Dit is bij sommigen van Gods kinderen, ja, ook bij heel veel van Gods kinderen, als een strik van de duivel geworden. Als we eenmaal iets van de verlossing geproefd hebben in onze ziel, en de genade Gods ons deel geworden is, en we op die genade ons vertrouwen hebben mogen stellen, en wij er onze steun en sterkte in gevonden hebben, dan gebeurt het soms na enkele weken of maanden, dat we gaan twijfelen aan de waarheid van de genade van God. Waarom? Omdat we ons niet in het waarachtige leven der dankbaarheid tot God begeven, naar dat Hij waardig is. Dan menen we heimelijk – en dat moeten we goed onderscheiden – dat onze dankbaarheid afbetaling is voor onze verlossing. Omdat we dan niet genoeg dankbaarheid betalen, menen we dat daarmee de verlossing teniet gedaan is.

Maar, geliefden, op deze wijze zijn we bezig, met alle goede bedoelingen, om de genade teniet te doen. Daarom zegt de profeet: Koopt! Gij krijgt de verlossing om niet, en gij krijgt hem in eigendom. Natuurlijk wél zo – en dat behoef ik er toch niet bij te zeggen – dat vanwege die goddelijke verlossing ons hele leven der dankbaarheid vlekkeloos zou moeten zijn. Dat zeg ik er natuurlijk ten overvloede bij, omdat we in zekere zin eeuwig schuldenaar zullen blijven aan vrije genade, dat geef ik ieder graag gewonnen, dat geloof ik van harte. Als u het maar niet zo ziet, dat bij gebrek aan die dankbaarheid, zolang we hier in de wereld leven, ook daarmee de verlossing teniet gedaan zou worden. Want de verlossing wordt gekocht en wordt ons wettig eigendom.

Niet dat er geen prijs voor betaald is. Immers is de prijs van onze verlossing het dierbaar bloed van het onbevlekt en onbestraffelijk Lam. Daar is een onschatbare prijs voor betaald. Noch door goud, noch door zilver verlost, maar door de prijs van het bloed van Gods enige Izak.

Ik weet, dat als ons oog daarop gevestigd wordt, en we het ‘waarom’ en het ‘hoe’ van onze verlossing gaan aanschouwen, en de Heilige Geest ons bij de hand neemt en ons inleidt in de prijs door God gegeven, en we inblikken mogen in het Vaderhart, waaruit Hij uit Zijn eeuwig welbehagen Zijn enige Zoon overgaf, dan blijft er geen geest meer in ons over.

Wanneer we met de koningin van Scheba het zitten Zijner dienaren en het staan Zijner knechten mogen zien en de opgang waarmee Hij opgaat in het huis des Heeren, wanneer we ons zo mogen neerbuigen voor Hem, Die meerder is dan Salomo, dan roepen we het uit: En zie, de helft is mij niet aangezegd (1 Kon.10:7).

 

Er is een prijs voor betaald, er is een losprijs voor aangebracht, die meer is dan duizend werelden en die meer is dan het bloed van alle mensenkinderen tezamen. Want het is het bloed van de Zoon van God, waarmee alleen verzoening voor onze zonden gedaan kon worden. De zonden, tegen de hoogste Majesteit bedreven, konden alleen teniet gedaan worden door de gerechtigheid, door de hoogste Majesteit teweeggebracht.

Nu is die prijs dan ook zo volmaakt dat, daar God die verlossing geeft uit louter genade, zelfs onze dankbaarheid geen afbetaling hoeft te zijn. Ik zeg dit opdat we te vaster op Gods genade zouden staan en opdat we Gods trouw niet zouden afwegen naar de prijs van onze dankbaarheid, en opdat we toch weer niet door een achterdeurtje zouden binnenhalen, wat we door de voordeur hebben uitgeworpen, namelijk het zalig worden door de werken der wet. Want ik geef u de verzekering dat onze ziel hierin dikwijls verstrikt zit en dat we menigmaal eerder kijken op hetgeen wij voor God gepresteerd hebben, dan dat we zien op hetgeen Hij voor ons gedaan heeft.

 

Maar als we in ons hart blikken hoe noodzakelijk het is dat we gedurig zien wie wij voor God zijn, dan zullen we, zolang we in dit leven zijn, altijd tekort komen. Want ook onze dankbaarheid is maar stukwerk, en vanuit onze dankbaarheid leren we ook gedurig onze ellende kennen en bidden wij: ‘Vergeef ons onze zonden, neem weg al onze ongerechtigheid.’

Het doet het ons met de apostel Paulus uitroepen: ‘Ik ellendig mens, wanneer zal er een eind aan komen? Wanneer zal ik God volmaakt kunnen prijzen? Wanneer zal ik voor Hem kunnen leven zonder zonden?’

Komt, koopt dan en eet. Wat is het groot als die wateren, dat Brood des levens, ons eigendom geworden is door de koop des geloofs, de koop om niet. Als we het eens worden met God, om zonder één onzer deugden, niettegenstaande onze overblijvende verdorvenheid, weer een kind van God te worden, alleen omdat Jezus Christus door God verlaten is. Ik zeg: wanneer we het daarover met God eens worden, dan zegt Jesaja daarbij: En eet.

 

Het is niet genoeg dat we die spijze zien, dat die spijze ons aangeboden wordt. Maar eet, maak er gebruik van, stel er uw hart op, laat uw ziel zich erin verlustigen, profiteer ervan, geniet ervan. Want door te eten wordt de spijze één met mijn lichaam. Door te eten wordt mijn honger, en door te drinken wordt mijn dorst weggenomen, en wordt mijn lichaam verzadigd.

 

Zo is het ook met onze ziel. Jezus zegt: Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank (Joh.6:54,55).

Wat is dat, zult u zeggen, het vlees en bloed van de Heere Jezus te eten en te drinken? Wel, dat wordt zichtbaar gedaan aan het Heilig Avondmaal, maar het is niet beperkt tot alleen het eten van het brood en het drinken van de wijn. Bij lange na niet. Eén worden met Christus; dat is van onze kant ons verlaten op Hem. Van onze kant Gods weg met ons goedkeuren. Van onze kant genoegen nemen met die eeuwige borgtocht. Van onze kant zeggen: ‘Heere, als ik dan U heb, o Heere mijn, zou dan iets anders mijn God zijn? Zou ik ergens, groot of te klene, een God hebben dan U allene?’

Dat is het verzadigd worden; het is eten, het is je laten drijven, je laten neerzinken, je geborgen weten in de schuilplaats van de Allerhoogste. Het is genieten van de verlossing, waarvan de dichter gezongen heeft en wij nu samen zingen, voordat we met een kort woord eindigen, uit Psalm 42 het vijfde vers:

 

Maar de Heer’ zal uitkomst geven,

Hij, die ‘s daags Zijn gunst gebiedt;

‘k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied;

‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht

Zingen, daar ik Hem verwacht;

En mijn hart, wat mij moog’ treffen

Tot de God mijns levens heffen.

 

Ten slotte zegt Jesaja nog wát er gekocht moet worden; wát er gegeten en gedronken moet worden. In het begin zegt hij: Komt tot de wateren, en aan het eind zegt hij: Komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Dus water, wijn en melk worden hier in de tekst genoemd.

Water, ach, wij westerlingen beseffen nauwelijks dat water kostelijker is dan goud. Water voor de dorstige, voor de oosterling die in de woestijn ronddwaalt. Water in een land, verzengd door zomerzonnevuur.

Ik heb het meegemaakt onder de felle, loodrecht boven je hoofd staande zon, dat je meer dan een liter water per uur kunt drinken; dat je op een dag wel vijftien liter water kunt drinken. Dat is voor ons onbegrijpelijk, maar het is waar. Je kunt, als je een reis gemaakt hebt door de brandende zon, in een droog klimaat, zes à zeven glazen water achter elkaar opdrinken en een half uur later kun je het weer. Onbegrijpelijk!

Een ezel, een klein dier, kan vier emmers water achter elkaar opdrinken. Een kameel kan honderd liter water in één keer opdrinken. Onbegrijpelijk! Maar het is pas te begrijpen als je in dat oosterse land leeft, wanneer je lichaam als het ware uitgedroogd is en alles wat in je is, smacht naar water.

Welnu, zo is het ook in het geestelijke, als onze ziel waarlijk door de Heilige Geest onderwezen is in wat nodig is om te leven. Als we buiten God niet meer kunnen en de drang naar gemeenschap met Hem zo sterk wordt, dat we het uitroepen: ‘Geef me Jezus, of ik sterf; want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’ Wat dan water is; wat dan Gods toezeggingen zijn; wat dan de beloftenissen zijn die van Zijn lippen komen; welke waarde dan het Woord van God heeft; het kan mij, ofschoon ik alles mis, door Zijn smaak én hart én zinnen strelen.

 

Dan wordt er verder genoemd: wijn. Want het Woord van God, het leven uit God, is niet alleen als water, dat onze dorstige zielen het leven geeft, maar het is ook als wijn, als een beeld van vreugde en van blijdschap. De dienst van God maakt echt gelukkig, maakt innerlijk blij, maakt hartelijk verheugd. Laat je nooit wijsmaken door mensen die het spoor der gerechtigheid bijster zijn, dat het waarachtige leven met God alleen maar zou bestaan uit wat nare bekommering, in wat ach en wee, in wat geklaag en gekerm. Laat je dat nooit wijsmaken.

Ik zeg het nogmaals, opdat er geen wanbegrip over zal zijn: ik acht mensen die waarlijk naar God hongeren en dorsten, zuchten en wenen, honderdduizend maal gelukkiger – ik zeg het met klem – dan al degenen die vrolijk zijn zonder dat zij God kennen, en nooit aan de breuk tussen God en hun ziel ontdekt zijn. Maar ik zeg ook met nadruk dat dit wenend over de aarde gaan, dat zoeken, dat hongeren, dat dorsten, dat bedroefd zijn, dat zich ellendig weten, dat zich gescheiden van God gevoelen, niet een ‘staat’ is, waar God toe oproept. Nee!

De Heere zegt: ‘Ik ben gekomen, opdat Mijn schapen het leven en opdat zij overvloed zouden hebben.’ Daarnaar moet u staan. Dit is een kenmerk van het waarachtige leven, dat we verzadigd worden, dat we vreugde in God hebben, dat we blijdschap hebben in de Heere; dat we, nadat het offer op het altaar geslacht is, rondom Gods altaar gaan met een stem van vreugdegezang en lof onder de feesthoudende menigte.

O, wie zingt er nog Gode lofpsalmen in het midden van de nacht? Wie is er tevreden met het offer dat God gebracht heeft in Zijn Zoon Jezus Christus? Wie durft te zeggen: ‘Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart of bange nood mijn vlees en hart, zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed’? Ja, zij zingen zelfs Zijn lof in de nacht, omdat zij Hem verwachten! Dat is die wijn; dat is blijdschap hebben, meer dan ten tijde als der goddelozen koren en most vermenigvuldigd worden.

 

Nee, daar behoef je niet voor in een paleis te wonen; daar behoef je zelfs geen gezond lichaam voor te hebben; daar mogen soms de ziek- en sterfbedden van de vromen, die de Heere verwachten, van getuigen. ‘Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel, in het huis dat Gij U hebt gesticht.’

Dan kunnen we met de last van zonden en plagen toch vrolijk zijn; Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht (Hebr.12:2). Dan hebben we aan God genoeg. Dat is de wijn.

Dan staat er ook nog: melk. Zonder prijs, wijn en melk. U weet, als de Heere het land Kanaän aan Zijn volk wil voorstellen als een rijk land, zegt Hij: ‘Het is een land, vloeiende van melk en honing.’ Dat was spreekwoordelijk. Honing wijst op het aangename, op het zoete, op de spijs, op het goede dat de Heere daarboven doet. En melk wijst op de beesten, op het vlees, op het gras, op de rijkdom die de Heere laat groeien in het beloofde land.

De bergen en heuvelen, zegt de Heere, zullen van melk en van zoete wijn druipen. Dat wil zeggen: de kudden tegen de glooiende heuvels van Palestina zullen zo talrijk zijn, dat er een overvloed zal zijn van vlees en een overvloed aan melk, omdat er een overvloed is van gras.

Nu, als de Heere zegt: ‘Komt en koopt nu die melk’, dan wil dat zeggen: ‘Leef dan van de spijze die Ik in het beloofde land laat groeien.’ Het is een rijke spijze, het is een voedzame spijze. Het is een spijze voor klein en groot. De kleinste zuigeling leeft bij de melk en zelfs de oude grijsaard kan nog leven van de melk. ‘Nu’, zegt de Heere, ‘gebruik dan deze spijze, drink daarvan, geniet daarvan.’

 

Als u het alles samenvat, weet ik het niet beter te zeggen als: én water én wijn én melk zijn de zegeningen van de drie-enige God. Het is de liefde des Vaders waarmee Hij hongerigen en dorstigen roept in het land hunner vreemdelingschap. Het is het bloed van de Heere Jezus Christus, dat Hij gaf opdat zondaren zullen zalig worden. En het is de zoete trekking van de Heilige Geest, Die niet zal rusten, eer Hij ons in het beloofde land heeft binnengebracht, en waar we verzadigd met Zijn beeld zullen opwaken!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81: 11 en 12

 

Ik, Ik ben de Heer;

‘k Ben uw God, die heilig

IJver voor Mijn eer;

Die u door Mijn hand

Uit Egypteland

Leidde, vrij en veilig.

 

Opent uwen mond;

Eist van Mij vrijmoedig,

Op mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).