Ds. A.T. Vergunst - 1 Johannes 1 : 9

Belijdenis en vergeving

God moedigt ons aan om onze zonden te belijden
God belooft dat Hij onze zonden zal vergeven wanneer wij ze belijden
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 28)

1 Johannes 1 : 9

1 Johannes 1
9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 3, 4
Lezen : 1 Johannes 1
Zingen : Psalm 51: 1, 5
Zingen : Psalm 86: 2, 3
Zingen : Psalm 32: 1, 6

Gemeente, laten we eens met een vraag beginnen. Wat maakt een mens in zijn leven nu echt gelukkig? Wat denkt u? We kunnen verschillende antwoorden geven, maar mijn antwoord is: een innige, intieme en een echte verhouding met iemand die je lief hebt. Salomo had een heel mooi paleis, jongens en meisjes. Daar zouden misschien al onze huizen wel in gepast hebben, zo groot! Moet je luisteren wat hij zei in Spreuken 19 vers 13: De kijverij ener vrouw is als een gestadig druppen. Het is hinderlijk als een kraan staat te druppen: tik, tik, tik. Dan slaap je niet, hè? Zo is het met een kijfachtige vrouw. En je kunt trouwens ook kijfachtige mannen hebben. In Spreuken 21 vers 9 zegt Salomo: Het is beter te wonen op een hoek van het dak dan met een kijfachtige huisvrouw. Wat bedoelt Salomo? Als je geen goede relatie hebt, dan baat het je niets als je in een paleis woont.

Toen Adam en Eva zondigden liepen ze nog steeds in het paradijs. Prachtig moet dat geweest zijn. Het paradijs was de tuin die God had aangelegd. Maar ze waren totaal ongelukkig. Niet omdat ze buiten het paradijs moesten, maar omdat de verhouding tussen God en hun ziel verbroken was.

 

Waarom zijn er nu zoveel ongelukkige mensen in dit leven? Er zijn een heleboel mensen die zichzelf van het leven beroven. Waarom? Die mensen missen een verhouding waarin er iemand is die hen totaal liefheeft en hen innig dierbaar is. Ellende en verdriet in dit leven vloeien voort uit verbroken verhoudingen, niet zozeer tussen mensen en mensen, maar tussen God en u. We hebben één noemer: zonde. Onbeleden zonden die tussen God en ons in staan, maken ons leven diep ongelukkig, leeg en eenzaam. Heb je dat al in de gaten? Wanneer je je in je hart gaat realiseren dat God en jij niet meer bij elkaar zijn, dan ga je je leeg voelen. Al krijg je een miljoen euro, dan nog voel je je zo leeg.

 

De manier waarop die verhouding tussen God de Schepper en de zondaar weer kan worden hersteld is ten eerste belijdenis van zonden. Bent u daar al mee bezig geweest? Ben je al op de knieën geweest? ‘Heere, doorzoek mij nu eens. Laat me toch eens in mijn hart voelen de zonden die tussen U en mij in staan. De zonden die ik gedaan heb tegen U.’ Stop niet te snel met bidden. Blijf toch eens even op je knieën. Open de Bijbel maar en zeg maar: ‘Heere, spreek toch tot me als ik dit hoofdstuk lees. Geef me de oren om het te horen.’ Het leven is zo kort en de eeuwigheid is zo ontzaglijk lang. Maar dat moet niet het motief zijn. De zonde is zo erg. De zonde vertoornt de Heere en geeft Hem verdriet. Daarom moeten we met Hem bezig zijn. Neem er toch de tijd voor. Vraag telkens maar weer: ‘Laat Uw Woord mijn zonden aanwijzen, zodat ik het zal zien en er iets mee zal doen.’

Wat moeten we dan met die zonden doen? Misschien voelt u zich wel ontmoedigd. U zegt: ‘Er zijn zoveel zonden in mijn leven. Ik zou niet weten waar ik beginnen moet met belijden.’ Begin maar! ‘Maar ik heb zoveel schuld. Ik heb zoveel dingen gedaan en gedacht. Als u dat eens wist...’ Ik hoef het niet te weten. Maar Hij weet het wel! ‘Maar ik durf niet te hopen dat er vergeving voor mij is. O Heere, als U in het recht wilt treden, wie zal dan bestaan?’ Maar er is vergeving! Tegen wie zegt de Heere dat? Tegen u en tegen jou!

 

We lezen de tekst voor deze dienst in 1 Johannes 1 vers 9:

 

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

Het is Johannes, die deze brief schrijft. Johannes is niet de eerste de beste. Hij was de boezemvriend van de Heere Jezus. Hij heeft het diepst in het hart van de Heere Jezus gekeken. Johannes heeft Hem op een wijze leren kennen zoals de anderen de Heere niet hebben leren kennen. Dat zegt hij ook in het begin van deze brief: Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens. Wij hebben Christus gezien. En in Hem hebben we het eeuwige leven gezien, de liefde Gods. Johannes schrijft daar later over: God is Liefde (1 Joh.4:16). Johannes heeft het zelf ook ervaren. En hij was ook een zondaar, net zoals jij en ik.

 

Ik wil deze tekst belichten vanuit de Schrift met twee gedachten.

 

Het thema is: Belijdenis en vergeving.

1. God moedigt ons aan om onze zonden te belijden.

2. God belooft dat Hij onze zonden zal vergeven wanneer wij ze belijden.

 

1. God moedigt ons aan om onze zonden te belijden

 

Er zijn verschillende dingen die ons kunnen ontmoedigen om belijdenis van onze zonden te doen. Misschien is het de grootheid van onze zonden. Er zijn geen kleine en grote zonden voor de Heere. Maar in onze beleving is dat wat David deed bijvoorbeeld een ontzaglijk grote zonde: overspel en moord. ‘Maar dat stuivertje dat ik als kleine jongen ooit heb gestolen was natuurlijk niet zo’n grote zonde...’ Nee, dat was óók een grote zonde! En als wij hier in de kerk gekomen zijn met het gevoel dat onze zonden zó veel zijn, zó groot zijn, dan kan dat een gevoel van wanhoop geven. Zou de Heere mij willen vergeven?

Als we de grootheid van de zonde gaan zien, kunnen we David misschien ook wat beter begrijpen als hij zegt in Psalm 38 vers 5: Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. En in Psalm 40 vers 13 zegt hij: Zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten. Hij zegt: ‘De moed is mij in de schoenen gezonken. Mijn hart heeft mij verlaten. Ik zie al mijn zonden en durf niet meer te hopen dat er voor mij vergeving is.’ Waarom, denkt u, zou hij Psalm 130 geschreven hebben? Door de inspiratie van Gods Geest komt hij met de boodschap: ‘Er was voor mij vergeving. Dan is er voor jou ook hoop.’ Begrijpt u?

Wij kunnen de wanhoop voelen en de duivel zal wel tegen u zeggen: ‘Voor jou is er geen hoop meer. Jij hebt zo ontzaglijk gezondigd. Denk jij nu maar niet meer dat de Heere gewillig is om jouw zonden te vergeven.’ Geloof de duivel toch niet! Hij liegt altijd! Luister naar het Woord: Indien wij onze zonden belijden...

 

Je kunt ook worstelen met de vraag: ben ik wel genoeg gebroken? Ben ik genoeg vernederd? Ik ben vast niet nederig genoeg om vergeving te zoeken; dat is te goedkoop.

De één is wanhopig, maar de ander zegt: ‘Ik moet eerst veel meer gebroken zijn om echt om vergeving te vragen.’

Wij hebben ook onze ‘heiligen’. En dit is er één van: het heilige ‘genoeg’. Als ik maar eenmaal het heilige ‘genoeg’ heb, dan kan ik tot Gods troon gaan. Bent u nog steeds bezig om die heilige op te bouwen? Waar staat het in de Bijbel dat we genoeg moeten hebben? Waar staat het dat we ooit genoeg naar God kunnen brengen?

Ik begrijp u wel. Ik heb ook die heilige die ik zo graag wil meebrengen. Maar dat vraagt de Heere niet. Indien wij onze zonden belijden... Dat vraagt Hij! Hij zegt niet: ‘Als jij nu maar zus gebroken bent en zo diep gebroken bent...’ De Heere wil wel zien dat er in ons een échtheid is. Hij is niet geïnteresseerd in een nepbelijdenis, in na-apen. De Heere kijkt naar ons hart. Maar Hij zegt niet: ‘Nee, dat is nog niet genoeg. Kom jij morgen maar eens terug.’

Dat doet u toch ook niet met uw kind? Als je kind naar je toe komt en het zegt: ‘Papa, dat had ik niet moeten zeggen gisteren’, dan zegt u toch niet: ‘Ja, hoe diep zit dat bij jou?’ Dan zeg je toch ook niet: ‘Kom jij morgen maar eens terug, joh.’ Nee, dan kijk je naar je kind en dan zeg je: ‘Kind, ik ben blij dat je er bent en ik wil je dat vergeven. Laten we samen bidden.’ Doet u dat wel eens met uw kind? En als je naar je kind toe gaat en zegt: ‘Jongen, nu was ik toch helemaal abuis gisteren. Je vader was niet goed in wat hij zei en wat hij deed. Het doet me zeer. Wil je me dat vergeven?’, zou je kind dan ook zeggen: ‘Hoor eens, hoe diep zit dat, pa?’ Voelt u het aan?

Indien wij onze zonden belijden... Ik zal nooit genoeg gebroken zijn. Nooit! Daar zal Gods kind nu altijd last van hebben.

 

Het derde wat ons kan bezighouden is de indruk dat de persoon aan wie je je zonde beleden hebt, niet gewillig is om te vergeven. Voor die mensen ben je bang. Die zijn zo nors en zo bars, zo hard als een bikkel. Ze zijn zo vijandig gezind, dat je vreest en beeft om naar ze toe te gaan en te zeggen: ‘Joh, daar heb ik nu zo’n last van, dat ik dat tegen je gezegd of gedaan heb.’

Er zijn ook mensen die precies het tegenovergestelde zijn. Er zijn mensen die het geen dag kunnen uithouden als er ook maar iets scheef zit in de relatie. Zelfs als ze er geen schuld aan hebben komen ze naar je toe en zeggen: ‘Joh, dat zit niet goed tussen jou en mij.’ Die willen gewoon niet verder gaan met een scheve relatie. Dat zijn juwelen van mensen. Die gaan gelijk op stap om het goed te maken en die gaan die extra kilometer ook nog eens om het goed te maken. Ik ken een man, en daar zeggen ze altijd van: ‘Van die man win je het nu nooit. Als je met hem wat hebt, win je het nooit. Hoezo? Die buigt nu altijd dieper!’

 

Misschien zit u in de kerk en denkt u: ik durf niet om vergeving te vragen. Maar dan mag ik van God getuigen uit Zijn Woord dat Hij een vergevingsgezind God is. Ik wil graag dat u uw bijbeltje opendoet en dat we samen eens naar de teksten van de Schrift kijken. Gods karakter, vrienden, is de grootste bemoediging om belijdenis van je vuilste zonden te doen.

U kent vast McCheyne wel. Hij schrijft ergens in zijn dagboekje: ‘Als ik zonde als zonde voel, waar ik dan ook ben, op de preekstoel of op het paard of thuis, dan moet ik gelijk naar de Ark des verbonds, naar de troon van Gods genade. Maar ik voel wel duizend bezwaren opkomen in mijn hart. Je kunt toch niet zomaar van het varkenshok naar de troon der genade gaan? Dat past niet! Maar al die bezwaren zijn leugens en ze komen uit de boezem van de hel om mij van Gods genadetroon af te houden.’ Wat kende die man Gods hart! En ik hoop dat u in deze dienst ook iets mag leren zien van het hart van God.

Luister eens onbevooroordeeld. Dat is moeilijk. Want sinds de zondeval heeft de duivel ons een karikatuur in het hart gezet over Wie God is. Daar begon hij al mee in de val. Hij zei tegen Eva: ‘Heeft de Heere dat nu echt gezegd tegen je, dat je niet van al die bomen mag eten?’ Daar begon hij al een schaduw te werpen over het karakter van God. Hij is geen gevend God, nee, Hij is een weerhoudend God. En sinds die val hebben wij een heel verkeerd beeld van God. Het Woord van God moet het corrigeren. Ik ga een paar gedeelten met u doorlezen. En ik bid dat u onbevooroordeeld zult luisteren.

 

Ik ga naar Exodus 34. Terwijl u het opzoekt zal ik intussen zeggen wat de context van dit hoofdstuk is. De mensen hebben het gouden kalf aangebeden en ze hebben het zo verbruid dat de Heere zegt: ‘Ik ga niet meer mee met jullie.’ Dan vraagt Mozes aan de Heere of Hij toch wil meetrekken. En dan zegt de Heere dat Hij het ook zal doen. Mozes zegt dan: Toon mij nu Uw heerlijkheid (Ex.33:18). God beantwoordt dat. Lees maar in Exodus 34 vers 6 en 7. Luther noemt dat de preek van de Heere over Zijn eigen Naam. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: Heere Heere, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid; Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en in het vierde lid. Toen Mozes dat hoorde haastte hij zich en neigde het hoofd ter aarde en hij boog zich. En dan moet u nog maar eens lezen wat hij zegt in het gebed dat volgt. Daar ga ik verder nu niet op in. Hebt u gehoord wat de Heere benadrukt? Hij benadrukt dat Hij een vergevend God is; een God, groot van genade en weldadigheid.

 

We gaan door naar Psalm 86 vers 5. U kent die tekst wel. Daar roept David de Heere aan en dan gebruikt hij die openbaring uit Exodus 34. Want Gij, Heere, zijt goed en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen die U aanroepen. Gaarne vergevende! Wat betekent dat? In het Engels staat er: ready to forgive - klaar om te vergeven. Hij staat klaar om te vergeven!

En neem nu met mij de stap naar de vader van de verloren zoon. Daar ziet u het uitgebeeld. Lang voordat die zoon nog maar zelfs tot zichzelf kwam, stond die vader daar al. Klaar om te vergeven! Voelt u wel?

 

We gaan naar Micha 7 vers 18. Micha staat dan aan het eind van zijn bediening. En dan roept hij het uit met vreugde: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij heeft lust aan goedertierenheid! God heeft vreugde, laat ik het maar zo zeggen, in het vergeven. Daar is niet alleen maar vreugde in de hemel onder de engelen als er één zich bekeert. Nee, daar is vreugde in het hart van God! Hij heeft lust in het vergeven!

 

We gaan wat bladzijden terug, naar Jesaja 55. U kent dat hoofdstuk wel. Ik lees u vers 7, 8 en 9: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

U hebt die tekst al wel eens gehoord: ‘Mijn gedachten zijn niet uw gedachten.’ We halen dat meestal aan als er in Gods voorzienigheid iets gebeurt wat moeilijk is. Je mag die tekst zo wel gebruiken, maar dat is niet wat die tekst betekent. U moet thuis de kanttekeningen op die tekst maar eens nalezen. Ik zal het vast zeggen. De Heere zegt: ‘Ik ben niet zoals jullie mensen zijn. Als iemand op je tenen trapt, heb je al heel veel moeite om hem te vergeven. Maar als je zelfs op Mijn hart trapt sta Ik nóg klaar om te vergeven, wanneer je tot Mij terug komt. Want Mijn gedachten zijn niet zoals die van jullie mensen. En Mijn manieren zijn niet zoals die van jullie mensen.’ Dat is wat het betekent. Wij kunnen er gewoon niet bij hoe groot God is en hoe Zijn hart van vergeving is gevuld.

 

We zullen nog een gedeelte uit Handelingen nemen. Er zijn nog wel meer teksten, maar die laat ik nu maar liggen. We gaan naar Handelingen 3 vers 26. Dat is eigenlijk ook zo een ongelofelijk vers. Petrus staat daar te preken en hij heeft gezegd tegen de Joden dat zij de zonde der zonden gedaan hebben. Ze hebben Jezus gekruist. Moet je luisteren wat hij zegt in vers 26: God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Dezelve eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.

Als iemand nu eens uw kind vermoordde, vaders, zou de eerste boodschap die u aan de moordenaar zond dan zo een boodschap zijn? Voel je het aan? Dit is niet aards. Dit is hemels. Dit is God. Dit kunnen wij nu nooit begrijpen, dat die God zó kan zijn. Zelfs als we met gebalde vuisten Zijn eigen Zoon aan het kruishout genageld hebben, in ongeloof, dat Hij dan eerst tot u Zijn Zoon weer zendt om u te zegenen. Om het uit te roepen: ‘Kom terug tot Mij, belijd uw zonden, Ik zal u menigvuldiglijk vergeven!’ Rijk, hè? Ongelofelijk rijk!

 

Wij hebben zo een verwrongen beeld van het hart van God, gemeente. Dat beeld is zo verwrongen door onze diepe val en donkerheid die we op ons hebben geladen. We weten niet meer Wie God is. Maar ik heb u meegenomen naar een paar van deze teksten om uit het Woord voor u neer te zetten Wie God is.

Ik las iets van een oudvader, een puritein, en dat trof me. Hij zei: ‘Als je aan een visser vraagt waarom hij met zijn hengel dag en nacht in het water staat, dan zal hij zeggen: Wel, omdat ik zo graag vis. Nu, waarom roept God nou? Waarom klopt God nou? Waarom wacht God nou? Waarom komt God nu weer met Zijn roepstemmen in het Evangelie en predikt Hij nu al jaren door middel van Zijn tolken? Waarom? Omdat Hij lust heeft om te vergeven.’

 

We gaan zingen uit Psalm 86 vers 2 en 3:

 

Wie toch is, als Gij, weldadig?

Wees mij dan, o Heer’, genadig;

Want mijn roepen en geklag

Klimt tot U de ganse dag.

Wil de ziel Uws knechts verblijden;

Ondersteun hem in zijn lijden;

Want ik hef mijn hart en oog,

Trouwe God, tot U omhoog.

 

Heer’, door goedheid aangedreven,

Zijt Gij mild in ‘t schuldvergeven.

Wie U aanroept in de nood,

Vindt Uw gunst oneindig groot.

Heer’, neem mijn gebed ter oren;

Wil naar mijne smeking horen;

Merk, naar Uw goedgunstigheên,

Op de stem van mijn gebeên.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. God belooft dat Hij onze zonden zal vergeven wanneer wij ze belijden

 

We hebben wat lang bij die eerste gedachte stilgestaan, om dat ook schriftuurlijk te onderbouwen. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. In onze tekst staat een nóg grotere bemoediging om waarlijk tot God te komen met belijdenis van onze zonden. Nog groter dan al die teksten die ik eerst met u heb doorgenomen. Want lees wat er staat. God is niet alleen gewillig om zondaren te vergeven, die als verlorenen terugkeren tot Hem en belijden dat Hij rechtvaardig is en ons kan voorbijgaan en ons kan wegwerpen omdat wij gezondigd hebben. Maar er staat in onze tekst dat Hij Zich gebonden heeft aan Zijn eigen Woord om dan de zonden te vergeven.

Johannes zegt niet: ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij zal barmhartig, genadig, goedertieren, goed, gul, royaal in Zijn vergeving zijn.’ Dat zegt hij niet. Dat is wel allemaal waar, maar hij gaat verder en zegt: Hij is getrouw en rechtvaardig! Hij is getrouw aan Zijn eigen Woord. Hij zal Zijn Woord niet breken! Indien de meest goddeloze terugkeert van zijn weg en de ongerechtige man van zijn gedachten, Hij zal hem menigvuldig vergeven. Hoeveel keer, Heere? Zal ik het maar zeven keer doen aan mijn buurman? Nee, Petrus, zevenmaal zeventig! Oneindig! Indien wij onze zonden belijden. En als het goed is doen we dat wel honderd keer per dag. Is dat overdreven? Nee, dat is niet overdreven. Het zal nog wel meer dan honderd keer moeten zijn. Zodra ik mijn zonden als zonden voel, zal ik al aan de troon van Gods genade moeten zijn.

Indien wij onze zonden belijden met het oog op Christus, is Hij getrouw en rechtvaardig. Rechtvaardig betekent hier: oprecht. Hij houdt zich aan Zijn eigen Woord. Matthew Henry schrijft: ‘God is getrouw aan Zijn verbond en Zijn Woord, waarin Hij heeft beloofd dat Hij een berouwvolle ziel die haar zonden belijdt, vergeven zal.’

 

Gemeente, als u terugkeert naar de Heere en uw zonden belijdt en het uitspreekt voor Hem: ‘Heere, ik heb dit en dat en zus en zo tegen U gezondigd en ik ben het niet waardig dat ik Uw kind zal worden genaamd, maar wilt U het om Christus Jezus wil vergeven?’, dan heeft Hij beloofd dat Hij, zelfs vóórdat u komt, u de gouden scepter in de Naam van God toereikt. Nee, Christus Jezus is niet zoals Ahasveros, die man van Esther. Bij hem wist je het maar nooit. Denk zo niet over God. In dit woord spreekt Hij al over de gouden scepter om je te lokken, om je aan te moedigen. Zelfs al zit je hier met al je zonden die je hebt gedaan. Indien wij onze zonden belijden, zal Hij ze vergeven.

 

Het woord ‘vergeven’ vindt u 142 keer in het Nieuwe Testament. Vergeven is een thema door het hele Nieuwe Testament. Het wijst op kwijtschelden, dat wil zeggen: wegdoen, in de diepte werpen.

Dat werd uitgebeeld in de zondebok. Op de Grote Verzoendag werd de zonde op de zondebok gelegd. Dan nam iemand die bok en dan liep hij daarmee naar het oosten of zo. Hij liep maar verder en verder en uiteindelijk verdween de zondebok uit het gezicht. Zo ver het oosten van het westen is... Als God vergeeft, werpt Hij de zonden weg. Nooit meer zal Hij ze terughalen. Nooit meer! Het gaat in de diepte van de zee, zegt Micha. Het is vergeven. Hij vergeet het niet. Natuurlijk niet, God kan geen zonden vergeten. Wij gebruiken de uitdrukking ‘dat ze in de zee van eeuwige vergetelheid worden geworpen’, maar dat is niet Bijbels. God vergeet nooit wat. Maar Hij zal het niet meer terughalen. Wat is die God oneindig groot!

 

We hebben het Woord en we horen het elke dag. Maar we hebben Hem als het ware verminkt. Edwards zou zeggen: ‘We hebben geprobeerd Hem dood te maken.’ En toch zegt Hij nog: ‘O, zondaar, zondaar, als je tot Mij terugkomt met de belijdenis van je zonden, dan zal Ik je vergeven!’ U kent de vader van de verloren zoon. Ik hoef er verder geen woord aan toe te voegen. Dat is God!

 

God kan de zonden vergeven. En niet alleen vergeven, maar Hij kan ook reinigen van alle ongerechtigheid. Elke dag zondigen we. Elke dag zijn we weer onrein. Elke dag bezoedelen we ons leven weer. Gods belofte is niet alleen dat Hij de schuld weg zal nemen, maar ook de aanklevende zondigheid. Hij zegt tegen Petrus: ‘Petrus, je moet elke dag gewassen worden.’ Elke dag moeten we weer zijn aan de troon van Gods genade.

Ik vraag me af hoe vaak u daar bent, in het zondebesef. Je hoort soms dat het zo arm is in het leven van Gods kinderen. Dat kan ik begrijpen. Weet u waarom? Er zitten zoveel zonden tussen, onbeleden zonden. Dan wordt het arm. Dan komt er een afstand in de relatie. Indien wij onze zonden belijden... God kan geen zonden door de vingers zien, gemeente.

In het vers hierboven staat: En het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Vergeving is bij God ‘overdragen’. De zonden die bedreven zijn worden overgedragen op het Lam Gods Dat de zonden der wereld wegnam door de kruisdood. Gods manier is niet zomaar door de vingers zien. Nee, dat kan niet. Daar is een Middelaar gegeven. Het Lam is gegeven. Indien wij onze zonden belijden, met het oog op dat Lam, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

In het Oude Testament moesten de mensen zelf een lam meenemen naar de tempel. Dan legden ze hun hand erop. Dat beeldt het geloof uit. En dan beleden ze hun zonden. ‘Heere, ik heb gisteren mijn vader en moeder onteerd en ik ben niet waardig dat U mij nog aan wilt zien. Maar wilt U om dat offer van Jezus Christus, waar ik alleen maar op rusten kan, mijn zonden vergeven?’

Die tollenaar werd niet vergeven omdat Hij zo goed kon belijden of omdat het zo waar was in zijn leven. Nee, daar kun je nooit vergeving mee krijgen. Hij is vergeven omdat hij op het gebedsuur kwam. Er werd een offer gebracht op het altaar. Daar keek hij naar. Hij strekte als het ware de hand van het geloof uit. ‘Wilt U mij door dat offerdier de zonden vergeven?’

Zoekt u ook zo het aangezicht van de Heere? Dan kan de kwaliteit van het geloof verschillend zijn. Dat kan aarzelend zijn. Het kan een bang aanraken zijn van de zoom van Zijn kleed. Je durft bijna niet en toch kun je er niet van wegblijven. Het kan een toevlucht nemen zijn. Het kan ook een vrijmoedig geloof zijn. De kwaliteit van het geloof is niet belangrijk. Dat is wel belangrijk voor onze ervaring, maar niet voor deze belofte. Want Jezus zei tegen die vrouw die maar net Zijn zoom durfde aan te raken: Uw geloof heeft u behouden (Mark.5:34). Dat is wat de Heere zei. En dat staat ook in onze tekst: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

God zal op zo een bekeren, op zo een terugkomen en belijden van de zonden, terwijl het hart op Christus ziet, totaal en onmiddellijk die zonden vergeven. De tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis. Niet de volgende dag, maar op dat moment. Dat is de rijkdom van de belofte van het Evangelie. Luister dan eens goed, gemeente, naar Gods Woord in Johannes 5 vers 24: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven. Niet: die zal krijgen. Nee: heeft! Die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.

Toen die verloren zoon terugkwam, zei zijn vader niet: ‘Ga jij nu eerst maar eens een weekje in het hondenhok zitten. En dan zal ik je nog wel eens laten weten hoe ik over je denk.’ Dat deed hij niet. Hij nam zijn jongen in de armen voordat hij zelfs nog maar klaar was met zijn schuldbelijdenis en hij kuste hem. Hij zei: ‘Jongen, we gaan feest vieren! Jij was dood, maar je leeft weer.’

Dat is de belofte van het Evangelie. Het gaat dan wel om de ware belijdenis. Dat wordt natuurlijk in onze tekst bedoeld.

 

Mag ik u nog een vraag voorleggen voordat we eindigen? Waarom lopen nu zo vaak oprecht gemaakte mensen, die door Gods genade met een oprecht verbroken en nederig gemaakt hart gezegend zijn, toch nog zónder die hoop dat de zonden vergeven zijn? Wat zou dat nu zijn? Omdat het zo moeilijk is om te geloven wat de Heere in Zijn Woord zegt. Wij zeggen: ‘Ik wil het eerst ervaren en dan zal ik het geloven.’ Nu, dat is de omgedraaide wereld. De Heere zegt: ‘Je moet het eerst geloven, want Ik heb het beloofd in Mijn Woord. En daarna zult u het ervaren.’ Dat is moeilijk; dat weet ik bij ondervinding. Je durft het niet te geloven. Maar zo moet het wel.

 

Ik zal eens een vraag en antwoord uit onze catechismus voorlezen. Zondag 31, vraag en antwoord 84: ‘Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?’ Nu moet je eens luisteren wat onze vaderen hier zeggen. ‘Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen...’ Wie zijn dat? Dat zijn zij die kennis kregen van hun zonden en daarvan belijdenis deden met geloof in Christus. ‘Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil, vergeven zijn.’

Daarom mag ik het zeggen: indien wij onze zonden waarlijk belijden, zoals in de woorden van Psalm 51 werd uitgedrukt, dan is de Heere getrouw en rechtvaardig om ons die zonden te vergeven.

 

Zoek daar veel naar, om dat te geloven. Zeg maar tegen de Heere: ‘Heere, dat kan ik nu gewoon niet geloven. Dat lijkt wel te makkelijk.’ Een predikant die in Amerika woonde, zei altijd: ‘Gemeente, het is zo moeilijk om zalig te worden, omdat het zo makkelijk is.’ Ik begreep er niets van toen ik dat voor het eerst hoorde. Maar begrijpt u het nu een beetje?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 1 en 6

 

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ‘t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ‘t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ‘t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.

 

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 28)