Ds. C. Harinck - 2 Petrus 1 : 10b

De weg tot geloofsverzekerdheid

De plaats van de heiligmaking
De zegen van de heiligmaking
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 29)

2 Petrus 1 : 10b

Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 100: 4
Lezen : 2 Petrus 1: 1-15
Zingen : Psalm 1: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 89: 8

De mens is op zoek naar geluk. Wij vinden dat hij daar ook recht op heeft. Volgens ons heeft de mens toch recht op een beetje geluk in dit leven. Maar wat is geluk? En wat maakt gelukkig? In het Engels worden twee woorden met elkaar verbonden om deze vragen te beantwoorden. Het zijn de woorden happiness en holiness. Happiness is geluk. Holiness is heiligheid. Een bekende Engelse uitspraak is dat happiness verbonden is met holiness. Het wil zeggen dat geluk verbonden is met heiligheid. Wij zijn op zoek naar geluk, maar eigenlijk moeten we op zoek zijn naar heiligheid. Want dat is de weg naar het echte geluk. Het zoeken naar holiness eindigt in happiness, dat is: in waar geluk.

Daarover willen wij in deze dienst spreken. Onze tekst kunt u vinden in 2 Petrus 1 vers 10b, waar wij lezen:

 

               Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.

 

Er wordt in deze tekst gesproken over: De weg tot geloofsverzekerdheid.

 

We letten op:

1. De plaats van de heiligmaking

2. De zegen van de heiligmaking

 

1. De plaats van de heiligmaking

 

In het eerste deel van de tekst horen we hoe Petrus ons toeroept: Benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken. Het is een opwekking om te staan naar zekerheid van onze roeping en verkiezing. Opmerkelijk is de volgorde die de apostel aanhoudt. Het gaat eerst over roeping en dan over verkiezing. Wij moeten niet beginnen bij onze verkiezing. We komen niet tot zekerheid door te trachten in de hemel op te klimmen en in het verborgen boek des levens te willen lezen, maar door te onderzoeken of wij door God uit de duisternis zijn geroepen tot Zijn wonderbaar licht. De roeping, zo lezen we, is de weg tot de kennis van de verkiezing. Of eigenlijk: de weg tot de kennis van de verwondering over de verkiezing. De geroepen zondaar mag het weten: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3).

Nadat Petrus dit duidelijk heeft gemaakt, vervolgt hij: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Dat is nogal wat. Het staat er nog sterker. Er staat eigenlijk: ‘Want dat doende zult gij nooit ook maar ten val komen.’

Hoe kan Petrus dit nu schrijven? Hoe kan hij nu schrijven: Dat doende zult gij nimmermeer struikelen? Ik denk dat we ons beter thuis voelen bij Jakobus, die schrijft: Want wij struikelen allen in vele (Jak.3:2). Dat is toch veel meer in overeenstemming met de werkelijkheid dan de woorden van Petrus? Het is ook meer in overeenstemming met de ervaring van Gods kinderen. Struikelend gaan ze de loopbaan des geloofs en niet juichend.

Hoe kan Petrus dan zeggen: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen? Juist van Petrus hadden we dit niet verwacht. Wat is hij zelf dikwijls gestruikeld! Wat maakte hij een grote val in de zaal van Kajafas! Hoe kan hij dan schrijven: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen? Het riekt naar perfectionisme. Het riekt naar werkheiligheid. Want hij zegt: Dat doende. Met andere woorden: ‘Als je dit nu maar doet, wat ik jullie geschreven heb, dan zul je nooit meer struikelen.’

 

Hoe meer we er over denken, hoe minder we er misschien van begrijpen. Maar de oplossing komt dichterbij als we de tekst goed lezen. Dan zien we dat de belofte van niet te struikelen, van vast te staan, ergens mee verbonden is. Want we lezen: Want dát doende zult gij nimmermeer struikelen. Petrus bedoelt hier: indien je doet wat ik je geleerd heb, dan zul je vast staan.

Dát doende. In het Grieks staat het woordje ‘tauta’. Het is een woord dat teruggaat op het voorafgaande. Het is de slotconclusie van iets wat tot hiertoe is gezegd. Het leert ons dat we naar het voorafgaande moeten kijken om te weten wat Petrus bedoelt. En wat gaat er aan vooraf? Er gaat een oproep tot heiligmaking, een vermaning om als christen te leven, aan deze uitspraak van Petrus vooraf.

Deze vermaning tot heiligmaking begint al in het vijfde vers. We lezen vers 5 tot en met vers 7: En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Nadat Petrus dit gezegd heeft, komt hij tot de conclusie van onze tekst: Want dát doende zult gij nimmermeer struikelen.

Zo moeten wij dat wonderlijke woord van Petrus over nimmermeer te struikelen, over vast staan en veel vrijmoedigheid krijgen in het geloof, verstaan. Het staat ergens mee in verband. Het één is met het ander verbonden.

 

Indien Petrus zich had beijverd tot de dingen die hij hier zelf schrijft, indien hij zich had beijverd om bij zijn geloof deugd en bij de deugd kennis en bij de kennis matigheid en bij de matigheid godzaligheid en bij de godzaligheid lijdzaamheid te voegen, zou hij niet gestruikeld zijn in de zaal van Kajafas en later in Galatië. Indien hij zich had beijverd tot de vreze Gods en de heiligmaking, had hij vast gestaan in de verzoekingen. Maar hij steunde op eigen kracht. Hij overschatte zichzelf. En in plaats van in de vreze Gods, dicht bij de Heere te leven, dacht hij het zelf wel te kunnen klaren.

Struikelen is een gevolg van verlaten van de Heere. Het is een gevolg van niet waakzaam zijn, van toegeven aan de begeerten van het vlees. Struikelen is een gevolg van het verlaten van de rechte wegen, een gevolg van hoogmoed, van overschatting van zichzelf, van het verachten van de plichten van het gebed, van het verachten van de genademiddelen. Het is een gevolg van het verliezen van de omgang met God. Struikelen is het gevolg van Jezus uit het oog verliezen. Dan volgt struikelen! ‘Maar dát doende’, schrijft Petrus, ‘doende wat ik jullie heb geschreven, zult gij nimmermeer struikelen. Dan zult u vast staan.’

 

Wat moet er dan gedaan worden? De christenen moeten hun christen-zijn vergezeld laten gaan van een christelijk leven. Zij moeten zich met ijver en ernst toeleggen op bepaalde christelijke deugden. We lezen nog een keer wat Petrus schrijft in vers 5 tot en met 7: En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. En dan besluit hij met: Want zo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus.

Petrus legt verband tussen de heiligmaking en de geloofszekerheid. Heiligmaking is de weg naar vermeerdering van de geloofskennis van Christus en de zekerheid van de zaligheid. Het is een andere weg dan wij meestal voor ogen hebben.

 

Wat Petrus de christenen voorhoudt is als het ware een ketting van daden en gezindheden. Laten wij het eens nalopen. We beginnen bij de eerste schakel in de ketting. De eerste schakel is het geloof. We lezen: Voegt bij uw geloof deugd. Het geloof staat voorop. Het ware, zaligmakende geloof, waardoor de verloren en in zichzelf doemschuldige zondaar de zaligheid zoekt in de Heere Jezus Christus. Het geloof in Christus, waardoor wij aan Christus worden verbonden en om Christus’ wil worden gerechtvaardigd.

De bekende Hugo Binning zegt zo treffend: ‘Het geloof in zijn zuiverste werking is een aankleven van een verloren ziel aan Christus.’ Dit geloof staat voorop en blijft voorop staan. Gods kinderen komen daar nooit bovenuit. De christen wordt in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis getekend als iemand die het gehele leven heeft te strijden tegen de wereld, de duivel en het eigen zondige vlees. En wat doet de christen in dit alles? We lezen: ‘Nemende gestadig hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus, in Wie zij vergeving hunner zonden hebben door het geloof in Hem.’

 

Maar dan zegt Petrus: Voegt bij uw geloof deugd. Er moet iets op het geloof in Christus volgen. Petrus wil niet dat het geloof eenzaam zal blijven. Er moet iets bij gevoegd worden. Of liever nog: er moet iets mee samengaan. Het geloof moet gezelschap krijgen. Petrus zegt: Voegt bij uw geloof deugd.

Deugd is hier niet bedoeld in de zin van eigen werken en deugden. Het woord ‘deugd’ ziet op kracht. Er staat: Voeg bij uw geloof de deugd, de kracht, de werking van een godzalig leven. Petrus wil dat het geloof vruchten zal dragen, dat het een lévend geloof zal zijn. Hij zegt eigenlijk: ‘Laat er kracht van uw geloof uitgaan. Laat het zichtbaar worden in deugden en in goede werken.’

Petrus vervolgt: En bij de deugd kennis. De deugd mag niet alleen blijven. Indien de deugd op zichzelf staat, worden mensen vlug opgeblazen met hun deugden. Bij de deugd moet kennis komen. Eigenlijk staat er: verstandigheid. Mensen kunnen veel weten, maar echt verstandige mensen zijn er weinig. De kennis waarvan Petrus spreekt staat in verband met de Bijbelse wijsheid. Het is een kennis die ontstaat vanuit de dagelijkse omgang met de Heere. Een waar gelovige bezit kennis van het menselijk leven en de gebeurtenissen in de wereld, omdat hij of zij de dingen ziet en kent in het licht van de eeuwigheid. Dit geeft een aparte kijk op het leven.

 

De kennis moet echter ook weer niet op zichzelf staan. De apostel zegt: En bij de kennis matigheid. Matigheid is de beteugeling van je driften en begeerten. De christen kent begeerten en verlangens, maar hij moet hierin maat houden. Het gaat om zelfbedwang, ook in geoorloofde begeerten en verlangens.

 

Bij deze matigheid moet lijdzaamheid gevoegd. Petrus vermaant: En bij de matigheid lijdzaamheid. Dat is die christelijke geduldigheid om het kruis te dragen, om het lijden op zich te nemen.

 

Bij deze lijdzaamheid moet godzaligheid gevoegd worden. Godzaligheid is de Bijbelse godsvrucht. Het bestaat in liefde en hoogachting voor God en Zijn geboden. Petrus zegt tot de christen: ‘Laat hoge achting voor God, voor Zijn geboden en Zijn inzettingen bij u zijn.’

 

De godzaligheid wil de apostel vergezeld zien van broederlijke liefde. Het is liefde tot allen die een even dierbaar geloof met de christenen bezitten. Het gaat hier om de christelijke broederschap.

 

Ten slotte wekt de apostel op: En bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. De liefde moet zich niet alleen beperken tot de broeders en de zusters. De christen moet alle mensen liefhebben. Hij moet alle mensen zien als naar Gods beeld gemaakt en als gevallen zondaren, die de verlossing in Christus nodig hebben.

 

De apostel besluit dan in vers 8: Want zo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus.  Petrus zegt: ‘Indien je bij het zaligmakend geloof deze dingen voegt, zal dit je kennis van de Heere Jezus vermeerderen.’ Dit ware christenleven is de vruchtbare akker voor de groei en ontwikkeling van genaden van de Heilige Geest. Het zal geestelijke groei en bloei teweegbrengen. Het zal vooral de geloofszekerheid bevorderen. Uw roeping en verkiezing zal er door worden vastgemaakt. De vruchten van het christenleven zullen het bewijs geven van de hemelse roeping waarmee God u geroepen heeft en u zekerheid geven van uw eeuwige verkiezing.

Petrus zegt ten slotte: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. U zult komen tot vastigheid en niet ten val komen. Op die wijze legt Petrus verband tussen verzekerdheid des geloofs en levensheiliging. Levensheiliging versterkt en voedt de geloofszekerheid.

Wanneer ontving Daniël die zo rijke boodschap dat God hem kende, dat hij een zeer gewenste man was in de hemel? Die boodschap ontving hij van een engel, toen hij al veertig dagen in ernstig gebed de verlossing uit Babel voor Israël had gezocht. Tóen kwam die engel tot hem en zei: In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen om u dat te kennen te geven, want gij zijt een zeer gewenst man (Dan.9:23). De Schrift zegt: De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken (Ps.25:14). Door de verborgen omgang met de Heere, door een leven met God, dat zich uit in liefde tot God en de naaste, wordt onze troost en zekerheid bevorderd. Terwijl een slordige levenswandel, een aan de hand houden van een zonde of een afgod, het ontbreken van een verborgen gebedsleven, het niet onderzoeken van Gods Woord, het verachten van de kerkdiensten en de genademiddelen, donkere wolken tussen God en het hart van een christen brengen. De zon is er dan nog wel. Hij schijnt nog wel achter de wolken, maar wij genieten niet de warmte van zijn stralen.

 

Er is dus nauw verband tussen geloofszekerheid en heiligmaking. Ik vrees dat dit verband te weinig wordt gelegd. Wij leggen wel verband tussen bijzondere, geestelijke ervaringen en zekerheid. Maar we leggen weinig verband tussen zekerheid en een waarlijk godzalig leven voor Gods aangezicht. In de Schrift wordt een verband gelegd tussen levensheiliging en geloofszekerheid. Het is nodig om daar goed op te letten.

 

Gemeente, het leven van een christen, van een waar gelovige, is vol gevaren. Er is een duivel die bezig is om altijd van de rechte weg af te brengen. Paulus spreekt over de listige omleidingen van de duivel. Daar moeten we maar niet gering over denken. Satan tracht door allerlei verzoekingen ten val te brengen. Verder is er ons zondige vlees dat strijdt tegen de Geest. Er is een boze wereld waarin we staan en leven. Alleen in de kracht van het geloof, dat bij God en Christus schuilt, en in de beoefening van de vreze Gods kunnen deze verzoekingen worden weerstaan.

Wie zich niet benaarstigt om zijn roeping en verkiezing vast te maken, wie bij zijn geloof in Christus de deugd, de kennis, de matigheid niet voegt en ook de lijdzaamheid en de godzaligheid niet betracht, zal zeker struikelen en vallen. De zorgeloze, wettische of wereldse christen verliest God en Christus uit het oog. Hij verliest de hemel uit het oog en brengt een grote Godsverduistering over zijn ziel. Hij of zij berooft zichzelf daardoor van de troost van de zekerheid van de zaligheid. Natuurlijk, Gods kinderen verliezen door slordig te leven de hemel niet. Ze verliezen de zaligheid niet. Maar ze verliezen er wel de troost van.

Er wordt door een oudvader een prachtig beeld gebruikt. Wanneer een schip de oceaan oversteekt en het schip bereikt met alle passagiers de veilige haven, is er blijdschap. Want al de passagiers zijn veilig in de bestemde haven gekomen. Maar er zijn ook passagiers die de hele reis zeeziek zijn geweest. Die zijn natuurlijk wel in de veilige haven gekomen, maar die hebben toch een ellendige reis gehad. En zo is het bij Gods kinderen. Al Gods kinderen komen in de veilige haven. Maar wie een slordig leven heeft geleid, wie die geloofsomgang met God in Christus niet heeft beoefend, die heeft toch wel een ellendige reis, want die is bijna heel de reis zeeziek. En zo is er dus een hecht verband tussen heiligmaking en geloofsverzekerdheid.

We moeten wel blijven letten op de goede volgorde. De apostel begint met het geloof. Hij zegt: Voegt bij uw geloof… En dan volgen: de deugd, de kennis, de matigheid, de lijdzaamheid, de godzaligheid, de broederlijke liefde en de liefde jegens allen. Maar het eerste dat hij noemt is het geloof. Dat is de eerste schakel in de keten. Het is ook de belangrijkste schakel. Het ware geloof is de vlucht van een overtuigd zondaar tot de genade die in Christus is geopenbaard. Het geloof komt niet met deugd, kennis, godzaligheid of welke christelijke deugd ook tot de Zaligmaker. Het geloof komt naakt, schuldig, en ledig tot Christus. Het komt om door Hem gered en met God verzoend te worden. Het ziet juist van alle eigen deugd en verdienste af. Kortom, het geloof zoekt zijn zaligheid buiten zich in de Heere Jezus. Dat is de eerste schakel in de keten en tegelijkertijd de belangrijkste.

Wat een zegen, tot dit geloof gebracht te zijn! Wat een zegen, geleerd te hebben dat je werken je niet kunnen verlossen. Wat een zegen om al je gerechtigheden een wegwerpelijk kleed te hebben geacht. Wat een zegen om in je nood en verlorenheid de blik alleen op Christus te slaan. Om als een goddeloze, die gevonnist zou moeten worden, voor Gods rechtbank te worden vrijgesproken.

Maar dit geloof, hoe waar het ook is dat het afziet van alle werk en deugd en alleen op Christus ziet, mag niet alleen blijven. Daar moet bij gevoegd worden deugd, kennis, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen. Op dat leven van het geloof moet een leven van heiligmaking volgen.

 

Er dreigen voor de christen twee gevaren. Er is de dwaling van de eigen gerechtigheid en een verkeerd activisme. Er zijn mensen die denken dat ze door hun eigen pogingen zichzelf christen kunnen maken. Ze denken dat ze door de deugd, de matigheid, de godzaligheid, de liefde tot de broeders en de liefde tot alle mensen, op kunnen klimmen tot het kindschap van God. Zij zeggen: ‘Dat zegt Petrus toch ook? Petrus zegt immers: Dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Wanneer je zo leeft en zo doet, kom je zeker in de hemel.’

Je zou kunnen zeggen dat deze mensen willen dat de drenkeling zich aan zijn eigen haren uit de modderige poel trekt. Je moet jezelf er brengen. Dat is een dwaling. Dat is de heiligmaking voor de rechtvaardigmaking plaatsen. Dat is een vermenging van Wet en Evangelie. Tegen die mensen moeten we zeggen: je moet er op letten waar Petrus mee begint. Hij begint niet met de deugd en met de matigheid en met de lijdzaamheid en zegt dan niet: ‘En dat brengt je dan aan het einde tot het geloof.’ Nee, hij begint met het geloof. Bij het geloof moeten deze vruchten gevoegd. De vruchten brengen het geloof niet voort, maar het geloof de vruchten.

 

De tweede dwaling is de dwaling van het passivisme. De dwaling van het niets doen. Die mensen zijn er ook. Zij zeggen: ‘Ik ben bekeerd. Ik ben in Christus geborgen. En natuurlijk, nu zou ik heilig moeten leven, maar dat kan ik niet. Ik ben en blijf een verdorven schepsel. Maar ik hoef ook niets te doen. De zaligheid is verworven. Ik ben verzekerd van mijn zaligheid.’ Zij vinden de opwekking van Petrus om bij je geloof deugd, kennis, lijdzaamheid, matigheid, liefde tot de broederen en liefde tot alle mensen te voegen, eigenlijk maar een terugval tot de zaligheid door de werken. Zij zeggen liever te roemen in vrije gunst alleen.

Ook dat is een dwaling. Want dan heb je een rechtvaardigmaking zonder heiligmaking. Dan heb je een geloof zonder de vruchten.

 

Voor beide dwalingen moeten wij ons wachten. We moeten niet vallen in de val van de werkheiligheid, maar ook niet vallen in de val van zorgeloosheid en antinomianisme. De antinomianen zeggen: ‘Al die nauwgezetheid is maar werkheiligheid.’ Inderdaad, nauwgezetheid zonder geloof, zonder een levend geloof in Christus, ja, dat is farizeïsme. Maar de echte preciesheid (zo noemden onze vaderen dat), die voortvloeit uit het waar geloof in Christus, daar is een rijke zegen aan verbonden. En daarover heeft Petrus het, als hij zegt in onze tekst: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.

We letten erop in onze tweede gedachte en spreken over:

 

2. De zegen van de heiligmaking

 

De apostel wekt de christenen op tot een geheiligde levenswandel. Het is een oproep die in verband staat met de opwas in de kennis en de genade van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Petrus zegt in vers 8: Want zo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus. Het zal de gelovige rijke zegen brengen. Hij vervolgt en zegt: Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

Petrus verbindt rijke zegen aan een oprecht christenleven. Hij belooft dat het de christen vastigheid en zekerheid zal geven. Het zal hen ook een ruim sterven geven. Levensheiliging en geloofszekerheid worden door Petrus nadrukkelijk met elkaar verbonden. 

Levensheiliging voedt en versterkt de zekerheid van de zaligheid. Het is niet de grond van de zaligheid. De grond van de zaligheid is het volbrachte werk van Christus. Het ware geloof steunt dan ook niet op zijn godzaligheid, maar op Christus. Levensheiliging is echter wel een goede voedingsbodem voor de zekerheid. Het is de weg waarin de gelovige veel van God krijgt te zien en te genieten. Aan hen openbaart de Heere Zich meer dan aan een slordig levende christen. We hebben samen Psalm 1 gezongen. Die psalm vergelijkt de godvrezende met een boom geplant aan waterbeken, welks blad niet afvalt. Ook in de droge zomertijd valt zijn blad niet af. Hij staat immers dicht bij de waterbeken. Als we dichtbij God en dichtbij Christus leven, lijken we op die boom uit Psalm 1.

 

Een leven in heiligmaking geeft een gezegend sterven. Allereerst treft ons de manier waarop Petrus hier spreekt over het sterven van Gods kinderen. Het sterven van de waar gelovigen is een ‘ingaan in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere Jezus Christus’. Het is een naar huis gaan. Het is de haven binnenlopen. Het sterven van een waar gelovige is niet het binnengaan van een onbekende wereld. Het is niet een gissen: waar zal ik komen? Het sterven van Gods kinderen is een ingaan in het eeuwig Koninkrijk van de Heere Jezus Christus. Ze weten waar ze heengaan. De eeuwige sabbat breekt dan aan. Het sterven brengt de christen in Gods eeuwige heerlijkheid.

Hier op aarde kennen de ware gelovigen reeds de beginselen van de eeuwige vreugde. Dit ervaren ze in de kerk, onder de prediking van het Evangelie en het zingen van de Psalmen. Ze ervaren het aan de avondmaalstafel, wanneer Christus Zich aan hen toont in de tekenen van brood en wijn. Het wordt gesmaakt in het verborgen gebed en het onderzoek van Gods Woord. Iets van de hemel daalt dan op de aarde neer.

Toch is hier alles maar ten dele. De kerk gaat ook weer uit en dan is er de maandag weer, met de zorgen van het leven en de strijd tegen de zonde en ons eigen vlees. Toch wordt het voor Gods kinderen eens eeuwig zondag. Eens gaat de kerk voor hen nooit meer uit. Eens zullen zij de eeuwige sabbat aanvangen. Bij hun sterven zullen ze ingaan in Gods eeuwig Koninkrijk. Om met al de heiligen te bevatten welke de hoogte en de diepte, de breedte en de lengte zijn zal van de liefde Gods in Jezus Christus. Dat is een kerk die nooit meer uitgaat.

 

Een ingang, een troostvolle en gezegende ingang in dat eeuwig Koninkrijk van Jezus Christus verbindt Petrus met een oprecht leven met de Heere. Wanneer bij het geloof de deugd gevoegd wordt en bij de deugd de kennis en bij de kennis de matigheid en bij de matigheid de lijdzaamheid, de godzaligheid, de broederlijke liefde en de liefde jegens allen, dan, zo zegt Petrus hier met apostolisch gezag, zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

Wanneer de gelovige dit toevoegt aan zijn geloof, zal God er ook iets aan toevoegen. God zal er aan toevoegen een rijke ingang in het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij zullen niet behouden worden ‘alzo als door vuur’. Dat is de behoudenis van Lot die de heiligmaking verwaarloosde. De geheiligde en gelouterde christen zal een rijke, een ruime ingang ontvangen in het eeuwig Koninkrijk van Jezus Christus. Het klinkt als een beloning. En dat is het ook. Een genadeloon is het.

 

We lezen hierover in het slot van Bunyans ‘Christenreis’. Toen Christen en Hopende eindelijk bij de poort van de hemelstad kwamen, werden zij ontvangen door engelen, die tot hen zeiden: ‘U zult ontvangen de troost voor al uw arbeid en blijdschap voor al uw droefheid. U zult maaien wat u gezaaid hebt en de vrucht ontvangen van al uw gebeden en tranen en voor al het lijden dat u op uw weg voor de Koning hebt uitgestaan.’ Het is het genadeloon van een oprecht christen.

Dat is ook een element van de hemel. Het is loon ontvangen voor al die smaad die u droeg, voor al de zelfverloochening die u beoefende, voor het dragen van het pijnlijke kruis, voor al het dulden en verdragen van de spot en de vervolging. Petrus belooft: Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

Christen en Hopende gingen aan het einde van hun pelgrimsreis door de poort de hemelstad binnen. Bunyan zegt daarvan: ‘En ik zag in mijn droom dat deze twee mensen door de poort ingingen. En zie, terwijl zij ingingen werden zij geheel veranderd. En hun werden klederen aangedaan, die blonken als zuiver goud. Ook waren er die hen ontmoetten met harpen en kronen, welke ze aan hen gaven. De harpen om daarmede te loven en de kronen tot een teken van eer. Toen hoorde ik in mijn droom, dat alle klokken in de stad van blijdschap geluid werden en dat tot hen gezegd werd: Gaat in, in de vreugde uws Heeren! Ik hoorde daarna ook dat die mannen zelf zongen met een luide stem: Hem Die op de troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid!’

Wat een thuiskomst, gemeente! Dat is de thuiskomst van een waar gelovige. En dan wordt er nog een zin door Bunyan aan toegevoegd; een prachtige zin. Hij zegt: ‘Daarna sloten zij de poorten. En toen ik dit alles gezien had, wenste ik dat ik ook onder hen mocht zijn.’

Zo heeft de ketellapper zijn ‘Christenreis’ besloten: ‘En toen ik hen zag, wenste ik dat ook ik onder hen mocht zijn.’ Maar om daar te komen moet de weg bewandeld worden die Petrus ons vandaag wijst. De ingang in het Koninkrijk van God is te vinden aan het einde van een leven met God en Christus. De ingang in de hel is te vinden aan het einde van een leven zonder God en Christus.

 

Laten wij nu samen eerst zingen Psalm 86 vers 6:

 

               Leer mij naar Uw wil te hand’len.

               ‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len.

               Neig mijn hart en voeg het saâm

               Tot de vrees van Uwen naam.

               Heer’, mijn God, ik zal U loven,

               Heffen ’t ganse hart naar boven.

               ‘k Zal Uw naam en majesteit

               Eren tot in eeuwigheid.

 

Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Op die wijze legt Petrus de verbinding tussen geloofsverzekerdheid en heiligmaking. Hij legt zelfs ook een verbinding tussen een leven in de vreze Gods en een ruim en gezegend sterven. Maar die godzalige levenswandel, die levensheiliging waarover hij het hier heeft, is geen werkheiligheid of kloostervroomheid, maar vrucht van het geloof in Jezus Christus. De eerste schakel van de ketting is het geloof in Jezus Christus. Het christelijke leven begint bij het geloof in Jezus Christus. Het begint nadat we als een verloren zondaar tot Christus zijn gevlucht en vrede hebben gevonden in het bloed des kruises. Heiligmaking gaat niet aan de rechtvaardigmaking vooraf, maar volgt er op. De kennis van de dure prijs, die Jezus voor onze verlossing heeft betaald, dringt tot dankbaarheid.

 

Het is de ellende dat wij het ware christenleven ergens anders willen laten beginnen. Velen beginnen bij de deugd, de matigheid, de godzaligheid of de liefde tot de broeders en de mensen buiten de kerk. Zij zoeken via de ladder van de deugd en de goede christelijke werken de hemel in te klimmen. Maar het eerste wat u nodig hebt is het ware geloof in Jezus Christus. Het betekent dat u nodig hebt, zó overtuigd te zijn van uw schuldigheid en verlorenheid voor God, zó overtuigd te zijn dat u uzelf nooit zult kunnen verlossen, dat u niet één penning kunt betalen, er zó van overtuigd te zijn dat al uw gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn, dat er geen ander toevluchtsoord overblijft dan de vlucht tot de gekruisigde Jezus. Dat moet eerst gebeuren. Je moet eerst als een verloren, doemschuldig zondaar tot Christus vluchten. Om dan bij dat geloof de deugd, de kennis, de matigheid en godzaligheid te voegen.

Want wat is het motief van de heiligmaking? Wat drijft een mens tot een geheiligd leven? Wat beweegt een gelovig mens die bidt: Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren (Ps.119:5)? Waarom begeert zo iemand dat? Niet om in de hemel te komen. En zelfs ook nog niet om meer zekerheid te ontvangen. Het is de kennis en ervaring van de vergevende liefde van God en de kennis van de dure prijs die Christus voor zijn verlossing heeft betaald, die de gelovige dringt tot heiligmaking. De apostel Johannes zegt ervan: Een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh.3:3).

 

Jongens en meisjes, jullie hebben allen wel gehoord over Bileam. Bileam was de man die zei: Mijn ziel sterve de dood der oprechten (Num.23:10). Dat is goed en vroom gezegd. Maar er is slechts één weg die garandeert dat jouw einde ook zo zal zijn. Dat is wanneer je de weg van Gods kinderen gaat. We lezen in het boek Openbaring: Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de Boom des levens (Openb.22:14). En Paulus schrijft dat zonder heiligmaking niemand de Heere zal zien.

Het onderstreept de belangrijkheid van heiligmaking en een levenswandel in de vreze Gods. Petrus belooft: Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. Nee, onze zaligheid hangt niet af van onze godzaligheid, maar van ons geloof in Christus. Het staat er en het blijft er staan: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u (Ef.2:8). Maar het genieten en de troost van onze zaligheid en een ruime ingang in het Koninkrijk, hangt wel af van oprechte godzaligheid.

Een onregelmatige levenswandel en vooral een niet oprechte levenswandel, een verwaarlozen van de evangelieplichten van geloof en van gebed, een verachten van de genademiddelen… al deze dingen hebben tot gevolg dat men in geestelijke duisternis komt en vol van twijfels zijn weg vervolgt. Men zal dan weinig troost en weinig zekerheid genieten en een moeilijk sterven hebben. Daarom zeggen wij met de bekende puritein Mason: ‘Wilt u sterke hoop en zekerheid hebben? Houd uw geweten zuiver. Het gaat niet samen: een bezoedeld geweten en zekerheid en vrede in het hart.’

 

Gemeente, waar reizen wij heen? Weet u dat? Of weet u dat nog niet? Benaarstigt u te meer, zegt Petrus. Hij gebruikt de uitdrukking te meer, omdat er zo’n grote eeuwigheid aanstaande is. Omdat we naar die eeuwigheid op reis zijn. Omdat het gaat om het behoud van uw ziel! Benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken. Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes.55:6). En begin bij het geloof. Begin met schuldig, naakt, leeg, verloren, de toevlucht te nemen tot de Heere Jezus Christus.

 

En volk des Heeren, versier uw geloof met een heilige wandel. Doe dat vanwege de Zoon, Die Zijn bloed voor u stortte. Doe dat vanwege de Vader, Die u verkoor in eeuwige liefde. Doe dat vanwege de Heilige Geest, Die in u werkte beide het willen en werken naar Gods welbehagen.

Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. U zult de loopbaan getroost lopen, ziende op Christus, de overste Leidsman en de Voleinder des geloofs. Met Jezus in het oog is het kruis zacht en de last licht. Dan wordt het kruis zelfs zoet! Hoe dichter bij God, hoe dichter bij de hemel, hoe meer troost, hoe meer zekerheid.

 

Nimmermeer struikelen. Dat is toch op aarde niet te bereiken. Gods kinderen hebben ook niet altijd dezelfde mate van troost en zekerheid. Ook de allerheiligste heeft maar een klein beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid. En toch zegt Petrus: Nimmermeer struikelen. Hij bedoelt: struikelen ten dode. Hij bedoelt: afvallen van het geloof. Salomo zegt in Spreuken 24 vers 16: Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen en opstaan.

Wij hebben maar een zwakke hand waarmee we ons aan Christus vasthouden. Het is de zwakke hand van het zo dikwijls bestreden geloof. Maar Christus houdt de Zijnen vast met een sterke hand. Met de sterke hand van Zijn almacht, van Zijn trouw en van Zijn eeuwige liefde. Alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 29)